Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2620

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
18/950016-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens drie feiten, te weten:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3. Witwassen,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

De vordering van de benadeelde partij Enexis wordt toegewezen tot een bedrag van € 630,00. De benadeelde partij wordt voor het overige in de vordering niet ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer: 18/950016-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.J.L. Maalste, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Zwartemeer, gemeente Emmen, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan het [straatnaam] een hoeveelheid van (in totaal) 204 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Zwartemeer, gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen stroom/elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 13 februari 2017, te Zwartemeer en/of Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van (in totaal) 4.600 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 20 december 2016 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 1.518 hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor alle laste gelegde feiten gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat door verdachte voldoende aannemelijk is gemaakt wat de herkomst is van de (in de ten laste gelegde periode) op zijn rekening gestorte bedragen. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde en dat het goed mogelijk is dat iemand anders dan verdachte hiervoor verantwoordelijk is geweest.

De raadsman heeft zich wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

t.a.v. het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier niet uitsluiten dat iemand anders dan verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd, zodat zij niet tot een veroordeling komt.

t.a.v. het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juni 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2017, opgenomen op pagina 253 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Drenthe, onderzoek Tomyris, d.d. 30 maart 2017, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Deze opgave luidt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juni 2018;

2. Een schriftelijk bescheid, afkomstig van Enexis Groep, d.d. 14 februari 2017, opgemaakt door [werknemer] , opgenomen op pagina 264 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Drenthe, onderzoek Tomyris, d.d. 30 maart 2017, inhoudende de verklaring van [werknemer] .

t.a.v. het onder 3 ten laste gelegde

Voor een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wél is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de gebleken feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd over de aanwezigheid van een hennepkwekerij in zijn woning. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij de handel in verdovende middelen veel contant geld gemoeid is. Het gegeven dat verdachte zich bezig hield met drugspraktijken, terwijl er in de ten laste gelegde periode meerdere keren (grote) geldbedragen zijn gestort op zijn rekening en er géén inkomsten uit bijvoorbeeld werk of inkomen waren, rechtvaardigt het vermoeden van witwassen van opbrengsten van uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Gelet op dit vermoeden is het aan verdachte om een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van deze geldbedragen. Temeer omdat het dossier geen enkele aanwijzing biedt dat de verdachte voornoemde geldbedragen op legale wijze heeft verkregen.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaringen afgelegd waaruit zou moeten blijken wat de herkomst is van de gestorte geldbedragen. Verdachte stelt dat hij legale inkomsten had uit de handel op marktplaats. Er zijn echter geen stukken overgelegd waaruit deze handel op marktplaats of anderszins zou blijken. Dit maakt dat verdachte onvoldoende verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat de op zijn rekening gestorte geldbedragen op legale wijze zijn verkregen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de ten laste gelegde periode op de rekening van verdachte gestorte geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen.

Op basis van het dossier kan niet bewezen worden dat verdachte in de ten laste gelegde periode exact het bedrag van in totaal € 4.600,00, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, zodat volstaan wordt met de bewezenverklaring van het verwerven en voorhanden hebben van enig geldbedrag.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde, redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 21 juni 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 13 februari 2017 een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig had in de woning aan de [straatnaam] te Zwartemeer;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, relaas proces-verbaal d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Drenthe, onderzoek Tomyris, d.d. 30 maart 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Gedurende het financiële onderzoek naar verdachte [medeverdachte] en [verdachte] werd duidelijk dat het legale inkomen van hen niet toereikend was om de uitgaven te kunnen doen, zoals te zien is op de bankafschriften. Tevens werd duidelijk uit bancair onderzoek dat er bedragen werden overgeboekt vanaf de bankrekening van [medeverdachte] om rekeningen van verdachte [verdachte] (huur etc) te betalen;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2017, opgenomen op pagina 440 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Via het bankrekeningnummer [nummer] op naam van [verdachte] , vinden diverse transacties plaats. 01-10-2017 t/m 31-10 2016 totaal bijgeschreven € 353, 01-11-2016 t/m 30-11-2016 totaal bijgeschreven € 1.249,56, 01-12-2016 t/m 31-12-2016 totaal bijgeschreven 510,85, 01-01-2017 t/m 25-01-2017 totaal bijgeschreven 242,91.

Totaalbeeld: opvallend is dat er geen inkomsten zijn zoals inkomsten uit werk of uitkering;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2017, opgenomen op pagina 446 e.v. van voornoemd dossier, d.d. 30 maart 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Via het bankrekeningnummer [nummer] op naam van [medeverdachte] , vinden diverse transacties plaats. Opvallend zijn de contante stortingen. 31-10-2016 storting € 350,00, 01-12-2016 storting € 800,00, 30-12-2016 storting € 1.500,00, 08-02-2017 storting 900,00;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 februari 2017, opgenomen op pagina 458 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

U vraagt mij wat mijn bron van inkomsten is. Ik had tot juni 2016 een vast inkomen, omdat ik nog in de bijstand zat. De huur bedraagt 750,- euro, niet all-in;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 13 februari 2017, opgenomen op pagina 490 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte] :

Ik heb weleens geld gekregen van [verdachte] . [verdachte] betaalde huur voor de woning aan de [straatnaam] te Zwartemeer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 februari 2017 te Zwartemeer, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt, in een pand aan [straatnaam], in totaal 204 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 13 februari 2017 te Zwartemeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3.

hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 13 februari 2017, te Zwartemeer en/of Emmer-Compascuum, een voorwerp, te weten geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

3. Witwassen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld een meldplicht bij de reclassering. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de gevangenisstraf in duur te beperken tot één dag, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf op te leggen, zodat rekening wordt gehouden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten en heeft daarmee bijgedragen aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid en daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor softdrugs. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen vormt een grote bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich hierdoor niet heeft laten weerhouden en zich enkel heeft laten drijven door winstbejag.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf in aanmerking genomen dat uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 mei 2018 blijkt dat verdachte in het verleden meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze omstandigheid leidt ertoe dat, door toepassing van artikel 22b Sr, de oplegging van een kale werkstraf niet mogelijk is.

De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, omdat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. De rechtbank zal bepalen dat een fors deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat verdachte al geruime tijd een vaste baan heeft waarmee hij niet alleen inkomen verwerft om van te leven maar waarmee hij ook openstaande schulden aan het aflossen is. Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf biedt de mogelijkheid om als bijzondere voorwaarde te stellen dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet melden bij de reclassering omdat verdachte hulp wenst, en om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet - het voorgaande in aanmerking genomen - dan ook aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en zal bepalen dat naast een grotendeels voorwaardelijke vrijheidsstraf, aan verdachte een taakstraf zal worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank tevens meegewogen dat zij, anders dan de officier van justitie aan haar eis ten grondslag heeft gelegd, komt tot vrijspraak voor het onder 4 ten laste gelegde.

Alles afwegende acht de rechtbank, naast de oplegging van een werkstraf voor de duur van 160 uren, een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen, waarvan 120 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden.

Benadeelde partij

t.a.v. het onder 2 ten laste gelegde

Enexis Netbeheer B.V. heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 834,46, ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, integraal voor toewijzing vatbaar is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de vordering te matigen omdat er gedurende een kortere periode dan waar in het schadevergoedingsformulier van wordt uitgegaan, illegaal stroom is afgenomen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De rechtbank ziet echter aanleiding om het bedrag dat wordt gevorderd voor de schade te matigen, omdat er aanwijzingen zijn dat er gedurende een kortere periode dan waar in het schadevergoedingsformulier van wordt uitgegaan, illegaal stroom is afgenomen.

De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 630,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 en zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen, zolang de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 630,00 (zegge: zeshonderddertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. te betalen een bedrag van € 630,00 (zegge zeshonderddertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. C.H. Beuker en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2018.