Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2589

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
AWB LEE - 16 _ 4751
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De maatschap tussen eiseres en haar medevennoot wordt ontbonden, en direct weer aangegaan tussen dezelfde maten, met een wijziging in de winstverdeling. Eiseres verkrijgt hierdoor (onder meer) 1% van de economische eigendom van de bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende ondergrond. In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter e van de WBR van toepassing is op deze verkrijging.

De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling toepassing vindt. Naar het oordeel van de rechtbank is na de ontbinding nog steeds sprake van een subjectieve onderneming, zodat er nog steeds sprake is van ‘inbreng van een onderneming in een vennootschap’ in de zin van de vrijstellingsbepaling.

Uit de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank voorts af dat met de vrijstellingsbepaling beoogd is de heffing van overdrachtsbelasting geen belemmerende factor te laten zijn voor het oprichten van vennootschappen die geen in aandelen verdeeld kapitaal hebben, en dat heffing eerst aan de orde komt bij de verdeling of vereffening in de gevallen als omschreven in artikel 15, eerste lid, letter f, van de WBR. De rechtbank oordeelt dat de strekking van de vrijstellingsbepaling zich niet verzet tegen toepassing in de onderhavige situatie, nu vast staat dat een nieuwe maatschap is aangegaan met de inbreng van een onderneming door eiseres.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat fiscale herkwalificatie geen toepassing kan vinden op de onderhavige situatie, nu verweerder niet het standpunt heeft ingenomen dat er sprake is van fraus legis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-07-2018
V-N Vandaag 2018/1501
FutD 2018-1909 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/1986 met annotatie van Mr. D.C. Simonis
V-N 2018/56.2.4
Belastingadvies 2018/23-24.7
V-N 2019/48.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4751

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. A. Verduijn RB en mr. C.G. van Laarhoven RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde van verweerder] en [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Eiseres heeft op 13 januari 2016 een bedrag van € 121 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres exploiteert sinds 11 december 1991 in maatschapsverband een landbouwbedrijf te [woonplaats] . De maatschap wordt gevormd door de maten [eiseres] en [vennoot 2] .

1.2

Bij overeenkomst opgemaakt en ondertekend op 25 september 2015 is opgenomen dat de maatschap met ingang van 1 mei 2015 is ontbonden. Bij dezelfde overeenkomst is eveneens een nieuwe maatschap aangegaan. Beide maten hebben hun deelgerechtigdheid in het vermogen van de ontbonden maatschap ingebracht in de nieuwe maatschap. [vennoot 2] heeft daarnaast een perceel cultuurgrond groot 22.63.90 ha. (uit zijn buitenvennootschappelijke vermogen) ingebracht in de nieuwe maatschap.

1.3

De inhoud van de overeenkomst van de genoemde overeenkomst (1.2) luidt voor zover van belang als volgt:

‘OVEREENKOMST

tot wijziging winstverdeling met ontbinding en inbreng

Ondergetekenden,

1, [vennoot 2] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna te noemen: vennoot sub 1 ;

2. [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna te noemen: vennoot sub 2 ;

hierna te noemen: de vennoten,

in aanmerking nemende:

dat de vennoten voor gezamenlijke rekening een onderneming exploiteren –welk samenwerkingsverband hierna wordt genoemd: de maatschap-, ten doel hebbende de exploitatie van een landbouwbedrijf, gevestigd te [woonplaats] ;

dat bepalingen en voorwaarden met betrekking tot deze maatschap zijn vastgelegd in een akte, ondertekend op 11 december 1991;

dat de vennoten thans zijn gerechtigd tot de winsten van de maatschap in de verhouding 50% - 50%, welke verhouding mede geldt voor de gerechtigdheid van ieder van de vennoten in de stille reserves in de tot het maatschapsvermogen behorende vermogensbestanddelen;

dat de vennoten een wijziging zijn overeengekomen van deze winstverdeelsleutel;

dat de vennoten tevens zijn overeengekomen dat de vennoot sub 1 de grond behorende tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen inbrengt in de maatschap;

verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 Ontbinding en aangaan maatschap

1.1.

Ontbinding

De tussen de vennoten bestaande maatschap is met ingang van 1 mei 2015 ontbonden.

1.2.

Aangaan nieuwe maatschap

De vennoten zijn met ingang van 1 mei 2015 een nieuw samenwerkingsverband aangegaan, hierna eveneens aan te duiden als ‘maatschap’, welke maatschap ten doel heeft: de voortzetting van de onderneming zoals die door de ontbonden maatschap werd geëxploiteerd.

De bepalingen en voorwaarden met betrekking tot de nieuwe maatschap zijn gelijk aan de bepalingen en voorwaarden zoals die golden ten aanzien van de ontbonden maatschap, behoudens de hierna opgenomen bepalingen.

Artikel 2 Inbreng

2.1.

Inbreng algemeen

De vennoten brengen ieder in de nieuwe maatschap in hun deelgerechtigdheid in het vermogen van de ontbonden maatschap.

De vennoot sub 1 brengt tevens in het tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behorende perceel cultuurgrond gelegen aan [straatnaam] te [woonplaats] , groot ongeveer 22.63.90 ha.

De inbreng vindt plaats naar de toestand op 1 mei 2015.

De inbrengers worden voor de inbrengwaarde van hun inbreng gecrediteerd in de boeken van de maatschap.

2.2.

Landbouwcultuurgronden

a. De inbreng van de landbouwcultuurgronden geschiedt tegen een waarde (inbrengwaarde) gelijk aan de fiscale boekwaarde van de gronden bij de inbrenger vermeerderd met het gedeelte van de stille reserves dat is vrijgesteld op de voet van artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de landbouwvrijstelling).

Tot maximaal het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer van de gronden ten tijde van de inbreng en de inbrengwaarde behoudt/behouden de inbrenger zich de stille reserves voor.

b. (…)

2.3.

Gebouwen

a. Bij de inbreng van (de deelgerechtigdheid in) de economisch eigendom van de gebouwen nemen partijen ten aanzien van elk gebouw de opstal en de grond onder en bij (ondergrond, erf en tuin) de opstal afzonderlijk in aanmerking. De inbreng van de opstal vindt plaats tegen een waarde gelijk aan de fiscale boekwaarde bij de inbrenger en met voorbehoud van de stille reserves tot maximaal het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de fiscale boekwaarde ten tijde van de inbreng. De inbreng van de grond onder en bij elke opstal vindt plaats op gelijke wijze als in onderdeel D. is bepaald ten aanzien van de landbouwcultuurgronden.

b. (…)

2.4.

Overige bedrijfsmiddelen

De inbreng van de overige bedrijfsmiddelen vindt plaats tegen de boekwaarde van de betreffende vermogensbestanddelen in de ontbonden maatschap op 1 mei 2015 onder voorbehoud van de stille reserves tot maximaal het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de boekwaarde ten tijde van de inbreng, rekening houdend met eventueel bij inbreng in de ontbonden maatschap voorbehouden stille reserves.

De voorbehouden stille reserves ter zake van de machines en werktuigen kunnen door de vennoten in de eerste vijf boekjaren na de inbreng bij de winstverdeling worden verrekend, elk jaar voor één-vijfde deel, mits en voor zover er sprake is van (positieve) winst.

Artikel 3 Winstverdeling

De vennoten zullen na de inbreng gerechtigd zijn tot de winst en het verlies in de verhouding 45% voor vennoot sub 1 en 55% voor vennoot sub 2, met dien verstande dat:

- de stille reserves die door een vennoot bij inbreng zijn voorbehouden, toekomen aan de desbetreffende vennoot;

- de stille reserves in de door vennoot sub 1 ingebrachte landbouwcultuurgronden, voor zover deze niet door vennoot sub 1 zijn voorbehouden, toekomen aan de vennoten in de volgende verhouding: 90% voor vennoot sub 1 en 10% voor vennoot sub 2;

- de stille reserves in de bedrijfsgebouwen en grond onder en bij de bedrijfsgebouwen, voor zover deze niet door een vennoot zijn voorbehouden, toekomen aan de vennoten in de volgende verhouding: 49% voor vennoot sub 1 en 51% voor vennoot sub 2;

- de overige stille reserves, voor zover deze niet door vennoot sub 1 zijn voorbehouden, toekomen aan de vennoten in de volgende verhouding: 45% voor vennoot sub 1 en 55% voor vennoot sub 2.

Artikel 4 Nadere bepalingen

Artikel 5 Overdrachtsbelasting

Terzake van de verkrijging door de vennoten van (een aandeel in) de economische eigendom van onroerende zaken en rechten, wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Subsidiair doen de vennoten terzake van de inbreng van de economische eigendom van de cultuurgronden een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 1 5, eerste lid, aanhef en onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.’

Aldus opgemaakt en ondertekend te [woonplaats] op 25 september 2015

(…)"

1.4

Eiseres heeft met dagtekening 28 december 2015 aangifte voor de overdrachtsbelasting gedaan. Daarbij zijn twee verkrijgingen aangegeven. Ten eerste de verkrijging van 10% van het economische eigendom van het perceel cultuurgrond, en ten tweede de verkrijging van 1% van het economische eigendom van het erf, de bedrijfsgebouwen, opstallen en erfverharding gelegen aan en nabij [adres] te [woonplaats] (zie ook artikel 3 van de onder 1.4 opgenomen overeenkomst).

1.5

Ter zake van de verkrijging van de cultuurgrond is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). Over de verkrijging van het economische eigendom van het erf, de bedrijfsgebouwen, opstallen en erfverharding is de verschuldigde overdrachtsbelasting berekend op € 121 (waarde € 201.680, 1% overgedragen, tarief 6%).

Geschil en standpunten

2.1

In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres overdrachtsbelasting verschuldigd is over de tweede onder 1.4 genoemde verkrijging. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter e, onderdeel 1°, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR) van toepassing is op de verkrijging. Meer in het bijzonder op de verkrijging van 1% van de economische eigendom van de bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende ondergrond.

2.2

Tussen partijen is niet in geschil dat op de verkrijging van de economische eigendom van de cultuurgronden – die voorheen tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van [vennoot 2] behoorde – de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter q WBR van toepassing is.

2.3

Verder is tussen partijen is niet in geschil dat – voor deze procedure – ervan moet worden uitgegaan dat de oude maatschap per 1 mei 2015 formeel juridisch is ontbonden, en de nieuwe maatschap per diezelfde datum formeel juridisch is aangegaan. Verweerder heeft het in zijn verweerschrift ingenomen tegengestelde standpunt ter zitting – alleen voor deze procedure – laten varen. Partijen hebben eensluidend verklaard dat een mogelijk onveranderde inschrijving in het handelsregister daar niet aan af doet. De rechtbank ziet geen redenen om partijen hier niet in te volgen.

2.4

Eiseres heeft haar beroepsgrond ten aanzien van de mogelijke toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter b, van de WBR ter zitting ingetrokken.

Precisering van de voorliggende vragen

3.1

Eiseres stelt dat niet puur een wijziging in de winstverdeling heeft plaatsgevonden, maar dat sprake is van een inbreng van een (subjectieve) onderneming in een vennootschap (maatschap) en dat deze verkrijging is vrijgesteld op grond van artikel 15, eerste lid, letter e, van de WBR.

3.2

Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van ‘inbreng van een onderneming’ als bedoeld in artikel 15, eerste lid, letter e, onderdeel 1°, van de WBR omdat na ontbinding van de maatschap (zie 1.2 en 1.3) geen subjectieve onderneming meer bestaat. Reeds om deze reden kan volgens verweerder de vrijstelling niet toegepast worden op de verkrijging. De eerste vraag die derhalve aan de rechtbank voorligt is of hetgeen eiseres in de nieuwe maatschap inbrengt kwalificeert als ‘een onderneming’ in de zin van de voorgenoemde vrijstellingsbepaling.

3.3

Subsidiair heeft verweerder het standpunt ingenomen dat – in het geval de rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van de inbreng van een onderneming – de vrijstelling niet ziet op deze inbreng. Volgens verweerder heeft de wetgever met de vrijstelling bedoeld een faciliteit te bieden voor omzetting in een andere rechtsvorm, dan wel de toetreding van nieuwe vennoten tot een bestaande vennootschap. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van volgens verweerder. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat de ontbinding van de oude maatschap en het aangaan van de nieuwe maatschap in dezelfde overeenkomst zijn neergelegd, dezelfde maten betrokken zijn bij de nieuwe maatschap, en de facto alleen de winstverdeling is gewijzigd.

3.4

Ter zitting heeft verweerder dit standpunt nader toegelicht. Verweerder stelt dat sprake moet zijn fiscale herkwalificatie omdat aan de gekozen route verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economisch resultaat ervan en gelet op doel en strekking van de belastingwet. Het vrijgesteld schuiven met economische belangen binnen een bestaand samenwerkingsverband en het later inbrengen van buitenvennootschappelijk vermogen valt naar de mening van verweerder niet onder de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter e. Verweerder wijst erop dat het economische resultaat van de gekozen route is: de wijziging van de onderlinge afspraken – winstverdeling – en dat er daarom geen sprake is van inbreng van een onderneming zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, letter e WBR.

Beoordeling

Primair standpunt van verweerder

4. De rechtbank stelt voorop dat, als door de ontbinding van de maatschapsovereenkomst de civielrechtelijke duiding van de onderneming als maatschap in het ongewisse raakt, dit niet betekent dat de onderneming van de maatschap niet meer bestaat. De onderneming wordt (kan) immers feitelijk onafgebroken voortgezet (worden). Zolang het gemeenschappelijke vermogen van de maatschap niet verdeeld is, wordt de onderneming voortgezet voor rekening en risico van de gezamenlijke maten. Er is alsdan sprake van mede-eigendom van een onderneming van deze ‘oude’ maten. De maten van de ontbonden maatschap brengen dus de (onverdeelde) onderneming van de ontbonden maatschap, inclusief de daarbij behorende onroerende zaken, in de nieuw gevormde maatschap in. De rechtbank volgt daarom verweerder niet in zijn stelling dat nu de ‘oude’ maatschap is ontbonden er een einde gekomen is aan de subjectieve onderneming van eiseres, zodat reeds om die reden geen beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsbepaling van artikel 15, eerste lid, letter e, van de WBR.

Subsidiair standpunt verweerder

5.1

De rechtbank overweegt dat indien vast staat dat de maten van een maatschap overgaan tot wijziging van de winstverdeling – gerechtigdheid tot de stille reserves in de bedrijfsgebouwen – die tot gevolg heeft dat het economisch belang bij de tot het vennootschappelijk vermogen behorende onroerende zaken wijzigt, er sprake is van een verkrijging van economische eigendom door die maten, die een groter belang verwerven.

5.2

De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is, dat ingeval het leerstuk van de fiscale (her)kwalificatie (zie 3.4) niet van toepassing is, aan alle voorwaarden van artikel 15, eerste lid, letter e, van de WBR is voldaan, zodat eiseres met vrucht een beroep kan doen op de inbrengvrijstelling.

5.3

Artikel 15, eerste lid, letter e, onderdeel 1° en letter f, onderdeel 1°, van de WBR luidde ten tijde van de overdracht:

‘1 Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:

[…]

e. krachtens inbreng van een onderneming in een vennootschap, in de volgende gevallen:

1°. bij inbreng in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft, mits:

– ter zake van de inbreng de inbrenger wordt bijgeschreven op de kapitaalrekening van de vennootschap voor een bedrag dat ten minste 90 percent is van de waarde van het vermogen van de ingebrachte onderneming; en

– de ingebrachte onderneming niet heeft behoord tot het vermogen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, tenzij deze rechtspersoon verschillende ondernemingen bezit of heeft bezeten en de bezittingen van de ingebrachte onderneming niet zouden leiden tot het aanmerken van de rechtspersoon als een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wanneer de ingebrachte onderneming de enige onderneming van de rechtspersoon zou zijn.

Onder kapitaalrekening wordt verstaan de rekening op de balans van de vennootschap waarop de deelgerechtigdheid van de vennoot in het vermogen van de vennootschap wordt opgenomen;

[…]

f. krachtens verdeling of vereffening in de volgende gevallen:

1°. verdeling der goederen van een maatschap of vennootschap die geen rechtspersoon is, door de inbrenger of iemand die als rechtverkrijgende onder algemene titel van de inbrenger een aandeel had in het hem toegedeelde goed, mits het toegedeelde goed in de vennootschap was ingebracht met toepassing van de vrijstelling, bedoeld in onderdeel e;

[…]’

5.4

De rechtbank overweegt dat aan de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter e, van de WBR de gedachte ten grondslag ligt dat heffing plaatsvindt bij scheiding en deling ingeval van toedeling aan een ander dan de inbrenger (zie artikel 15, eerste 1, letter f, van de WBR). Dit systeem is al ingevoerd bij de Wet van 11 juli 1882, Stb. 92. Artikel 8 van de ‘Wet van den 11den julij 1882, tot wijziging der bepalingen betreffende de heffing der regten van registratie’ luidde als volgt: “Op acten van verdeeling van zaken, gemeen krachtens maat-of vennootschap, is over de waarde op het, tijdstip der scheiding van de ingebrachte doch aan anderen dan den inbrenger of diens erfgenamen of regtverkrijgenden toegedeelde onroerende zaken of aandelen in zoodanige zaken niet het bij het tweede lid van het vorige artikel bepaalde, doch het voor verkoop vastgestelde Regt verschuldigd. Het door een deelgenoot op de in artikel 13 bedoelde wijze of door aankoop na de oprigting der maat- of vennootschap verkregen aandeel in de door anderen ingebragte onroerende zaken wordt voor de berekening van het op de scheiding verschuldigde regt geacht door dien deelgenoot of zinnen erfgenamen of regtverkrijgenden te zijn ingebragt, mits blijkt, dat voor de verkrijging van dat aandeel regt van overdraagt is betaald.”.

5.5

Als motief voor de vrijstelling gold het niet te veel bemoeilijken van de oprichting van vennootschappen. Een citaat uit de Memorie van Toelichting op het Ontwerp 1877, dat een artikel van nagenoeg gelijke strekking bevatte luidt voor zover van belang: “ (…) Het aangaan van vennootschappen zou zekerlijk te veel worden bemoeilijkt, indien, gelijk in Italië geschied is, het gewone evenredig recht wegens eigendomsovergang verschuldigd is. Een andere weg is daarom door de Regeering gekozen. De voorgedragen bepaling zal alleen dan het evenredig recht doen heffen wanneer de gemeenschap gedeeld wordt, en wel indien de deeling de ingebrachte goederen aan anderen doet toekomen dan aan de oorspronkelijke inbrengers.”.

5.6

De Registratiewet 1882 werd in 1917 vervangen door de Registratiewet 1917. Deze wet werd op haar beurt vervangen door de huidige Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970. Het hiervoor gemelde systeem (zie 5.4) bleef gehandhaafd en is thans geregeld in artikel 15, eerste lid, letter e en f WBR (zie 5.3). Volstaan wordt met de heffing van overdrachtsbelasting bij de ontbinding van een personenvennootschap. (zie ook Conclusie Advocaat-Generaal Moltmaker van 8 juli 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC0445, BNB 1985/239).

5.7

De conclusie die de rechtbank trekt uit de hiervoor aangehaalde geschiedenis van de huidige bepaling (zie 5.4 en 5.5) is dat de heffing van overdrachtsbelasting geen belemmerende factor mag zijn voor het oprichten van vennootschappen die geen in aandelen verdeeld kapitaal hebben en dat de heffing eerst aan de orde komt bij de verdeling of vereffening in de gevallen als omschreven in artikel 15, eerste lid, letter f, van de WBR (zie 5.5). De wijze waarop eiseres en haar maat de onderlinge verhoudingen hebben ge(her)structureerd brengt hierin geen wijziging. In deze zaak staat immers vast dat per 1 mei 2015 een maatschap is aangegaan (2.3) met inbreng van een (subjectieve) onderneming door eiseres.

5.8

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres met de door haar gekozen route binnen doel en strekking van de wet is gebleven.

5.9

De rechtbank overweegt verder dat voor het antwoord op de vraag wanneer zelfstandige fiscaalrechtelijke interpretatie – het geven van een eigen fiscaalrechtelijke uitleg aan ‘civielrechtelijke’ begrippen – op zijn plaats is, de Hoge Raad in zijn arrest van 15 december 1999, nr. 33.830, ECLI:NL:HR:1999: BNB 200/126 het volgende heeft overwogen: “3.4 (…) Voor een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, met als consequentie daarvan andere fiscale gevolgen dan de contracterende partijen op grond van de gekozen civielrechtelijke vorm verwachtten, en daardoor veelal een hogere of lagere belastingheffing, kan plaats zijn indien aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet. Voor een zodanige kwalificatie is niet noodzakelijk dat de betrokken belastingplichtige partij is geweest bij of anderszins heeft deelgenomen aan alle handelingen die tot dat resultaat hebben geleid.”

5.10

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat fiscale (her)kwalificatie inhoudt dat in de plaats van een door partijen gekozen rechtsvorm voor de fiscale gevolgen wordt uitgegaan van een andere rechtsvorm. Het negeren van de ontbinding van de ‘oude’ maatschap en het aangaan van de ‘nieuwe’ maatschap kan echter niet als zodanig worden beschouwd, zodat reeds hierom fiscale (her)kwalificatie geen toepassing kan vinden (zie 2.3). Eveneens heeft de rechtbank al geoordeeld dat eiseres niet in strijd heeft gehandeld heeft met de strekking van de wet (zie 5.8). Voor het geval al onderscheid moet worden gemaakt tussen zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie (zie 5.9) en herkwalificatie – conversie, kwalificatie van de feiten in afwijking van de voor dergelijke feiten in de algemeen gangbare fiscale kwalificatie – is de rechtbank van oordeel dat herkwalificatie alleen mogelijk is onder het leerstuk fraus legis. Dit standpunt heeft verweerder niet ingenomen en behoeft daarom ook geen verdere bespreking.

6. Gelet op het voorgaande zal de Rechtbank het beroep gegrond verklaren.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van samenhang tussen de zaak waar deze uitspraak op ziet, en de zaak met nummer 16/4752, welke gelijktijdig op zitting behandeld is en waar ook vandaag uitspraak in gedaan wordt.

8.2

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor de zaak waar deze uitspraak op ziet en de zaak met nummer 16/4752, vast op € 1.251 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal per zaak 1/2e deel van dit bedrag (zijnde € 625,50) als proceskostenvergoeding toekennen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de voldoening op aangifte gegrond, wat leidt tot een teruggaaf van € 121;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak/uitspraken op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 625,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.