Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2587

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
C/17/152406 / HA ZA 16-328 en 155200 / HA ZA 17-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak en vrijwaringszaak

Eigendom zeiljacht

Eigendomsoverdracht tot zekerheid

Onrechtmatig handelen

Gerechtelijke erkenning ex artikel 154 Rechtsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 juli 2018

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/17/152406 / HA ZA 16-328 van

[dhr. A] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.L.W. Weerts te Breda,

tegen

[dhr. B.] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. Staab te Amsterdam,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/17/155200 / HA ZA 17-122 van

[dhr. B.] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiser,

advocaat mr. J. Staab te Amsterdam,

tegen

1 [dhr. C.] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

gedaagde,

niet verschenen,

en

2 [dhr. D.] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

gedaagde,

advocaat mr. M.L.W. Weerts te Breda.

Partijen zullen hierna [dhr. A] , [dhr. B.] , [dhr. C.] en [dhr. D.] genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 mei 2017, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de brief van 20 juni 2017 van de zijde van [dhr. B.] ;

  • -

    de brief van 26 juni 2017 met bijgevoegde productie 21 van de zijde van [dhr. B.] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 juni 2017;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van [dhr. A] ;

  • -

    de antwoordakte, tevens akte overlegging producties van de zijde van [dhr. B.] ;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van [dhr. A] .

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van [dhr. B.] ;

  • -

    het aan [dhr. C.] verleende verstek;

  • -

    de conclusie van antwoord in de vrijwaring van de zijde van [dhr. D.] ;

  • -

    de conclusie van repliek in de vrijwaring;

  • -

    de conclusie van dupliek in de vrijwaring van de zijde van [dhr. D.] .

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en in de vrijwaringszaak

3.1.

[dhr. C.] exploiteert in Duitsland de eenmanszaak Thinius Yachtcharter (hierna: Thinius Yachtcharter). Het Nederlandse filiaal van Thinius Yachtcharter is gevestigd aan de Vuurtorenweg 16 te Lemmer, alwaar een havenfaciliteit aanwezig is, van waaruit door Thinius Yachtcharter zeiljachten worden verhuurd.

3.2.

[dhr. D.] exploiteert een jachthaven aan de Vuurtorenweg 10 te Lemmer onder de naam Starsails Yachtcharter (hierna: Starsails Yachtcharter), van waaruit eveneens zeiljachten worden verhuurd.

3.3.

De Santiano is een in 2013 gebouwd zeiljacht van het type Bavaria Cruiser 40 van 12,35 meter lang (hierna: het zeiljacht). In het bouwcertificaat is vermeld dat het bouwnummer van het zeiljacht DE-BAVB40M4E313 is en dat het zeiljacht in opdracht van Thinius Yachtcharter door de vennootschap naar Duits recht Bavaria Yachtbau GmbH te Giebelstadt (Duitsland) (hierna: Bavaria) is gebouwd. In de "Bill of Sale" is het volgende

- voor zover van belang - vermeld:

"We, Bavaria (…) in consideration of the complete sum for the yacht mentioned below paid to us by

Thinius Yachtcharter

(…)

The receipt whereof is hereby acknowledged transfer to you the entire ownership of the sailing yacht:

CRUISER 40/3-Cab. Com-NO: 213000129-40

Hull-NO: DE-BAVB40M4E313

Motor-NO: 5102024877X

Gear box NO: 51220191377

together with all the equipment and gear free of loans, mortgages, taxes, encumbrances, maritime-lients and any other debts whatsoever.

In witness wherefor we have here under this July, eighteenth of two thousand and thirteen."

3.4.

Op 16 mei 2013 hebben [dhr. B.] (Investor) en een partij genaamd Firma Thinius GmbH (Investitionsnehmer), waarbij laatstgenoemde zich heeft laten vertegenwoordigen door [dhr. C.] , een overeenkomst, getiteld "Investitionsvertrag", gesloten. De overeenkomst is van de zijde van de Investitionsnehmer ondertekend met een stempel van Thinius Yachtcharter en door [dhr. C.] . In deze overeenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"1. Der Investor gewährt dem Investitionsnehmer eine Investition in Höhe von 139.000,00 € zahlbar auf das Konto des Investitionsnehmers (…). Die Investition wird der Investitionsnehmer bis zum 31.03.2018 gewährt und soll vom Investitionsnehmer zweckgebunden verwendet werden, Zweck der investition ist der Erwerb einer Segelyacht Bavaria 40, Baunummer DE-BAVB40M4E313 mit normaler Charterausstattung, die von dem lnvestitionsnehmer verchartert werden soll.

2. Nach Unterzeichnung der Vereinbarung wird der Investitionsnehmer bei der Bavaria Werft in Giebelstadt eine Segelyacht Bavaria 40 bestellen.

3. Der Investitionsnehmer verpflichtet sich, dem Investor einen festen Zinssatz / Rendite in Höhe von 7,00 % per anno zu zahlen. (…). Die Auszahlung der Zinsen elfolgt erstmalig zum 01.05.2014 und endet am 31.03.2018.

4. Als Sicherheit für die gewährte Investition wird die vom lnvestitionsnehmer erworbene Segelyacht an den Investor sicherungsübereignet. Auf den gesondert zu diesem Investitionsvertrag getroffenen Sicherungsübereignungsvertrag wird ergänzend Bezug genommen. Nach Auslieferung der Segelyacht durch die Baveria Werft wird der Sicherungsübereignungsvertrag dem Investor zugeschickt.

5. Der Investitionsnehmer verpflichtet sich gegenüber dem Investor für die alleinige Vermarktung und Vercharterung der Segelyacht zu sorgen, wobei sämtliche insofern anfallenden Kosten wie Liegeplatz, Wartung, Versicherung, Reparaturen, Instandszetzung etc. in vollem Umfang vom Investitionsnehmer übernommen werden. Die anzuschaffende Segelyacht wird auf Kosten des Investitionsnehmers haftpflicht- und vollkasko - versichert.

6. Die Rückerstattung der Investitionssumme erfolgt nach Veräußerung der Segelyacht. Der geplante Verkauf der Segelyacht erfolgt nach der Saison 2017 und vor Beginn der Saison 2018. Mit Verkauf der Segelyacht endet der Vertrag.

Auf Wunsch wird bei Nichtverkauf der Segelyacht nach der Saison 2017 und vor der Saison 2018 die lnvestitionssumme bis zum 31.03.2018 zurückerstattet."

3.5.

Eveneens op 16 mei 2013 hebben [dhr. B.] (Sicherungsnehmer) en de Firma Thinius GmbH (Sicherungsgeber), wederom vertegenwoordigd door [dhr. C.] , een overeenkomst, te weten een "Sicherungsübereignungsvertrag", gesloten. De overeenkomst is van de zijde van de Sicherungsgeber ondertekend met een stempel van Thinius Yachtcharter en door [dhr. C.] . In deze overeenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"1. Der Sicherungsgeber schuldet dem Sicherungsnehmer aus Investitions-/Darlehensvertrag vom 01.04.2013 einen Betrag in Höhe von 139.000,00 € nebst 7,00 % Zinsen p.a. seit dem 01.04.2013. Zur Sicherung dieses Anspruchs übereignet der Sicherungsgeber dem Sicherungsnehmer die nachstehend näher beschriebene Segelyacht Bavaria 40, Baunummer DE-BAVB40M4E313 in Höhe seines Darlehensbetrages über die erworbene Segelyacht.

2. Der Sicherungsgeber versichert, dass er zur freien Verfügung über die Segelyacht Bavaria 45 berechtigt ist und dass das Sicherungsgut nicht dem Eigentumsvorbehalt oder sonstigen Rechten Dritter unterliegt. (…)

4. Der Sicherungsnehmer ist berechtigt, das Sicherungsgut zu verwerten, wenn seine gesicherte Forderung nach dem Darlehensvertrag fällig ist und der Sicherungsgeber mit seinem Zahlungen in Verzug ist oder seine Zahlungen eingestellt hat oder ein gerichtliches Insolvenzverfahren über sein Vermögen beantragt ist.

(…)

6. Der Sicherungsnehmer ist zur Freigabe des Sicherungsgutes verpflichtet, sobald er wegen aller seiner Ansprüche gegen den Sicherungsgeber befriedigt ist. Sobald der Sicherungsgeber dem Sicherungsnehmer wegens der in Ziffer 1) bezeichneten Forderung befriedigt hat, fällt das Eigentum an der Segelyacht Bavaria 40, Baunummer DE-BAVB40M4E313 an den Sicherungsgeber zurück, ohne dass es eines gesonderten Überträgungsaktes bedarf."

3.6.

Op 28 mei 2013 heeft [dhr. B.] onder de vermelding "Investitionsvertrag [dhr. B.] " een bedrag van € 139.000,00 aan Thinius Yachtcharter overgemaakt.

3.7.

Op 1 juli 2013 heeft [dhr. C.] aan Bavaria een bedrag van € 109.258,00 overgemaakt.

3.8.

Op 2 juli 2013 heeft Bavaria het zeiljacht aan Sleepy Yachttransport- und Winterlagerungsgesellschaft mbH te Heikendorf (hierna: Sleepy) voor transport naar Thinius Yachtcharter aangeboden. Het zeiljacht is op 4 juli 2013 bij Thinius Yachtcharter te Lemmer aangekomen. In de vrachtbrief is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"Frachtkosten zu Lasten des Empfängers"

3.9.

In de "final invoice" van Bavaria aan Thinius Yachtcharter is [dhr. B.] als investeerder vermeld.

3.10.

Op 14 juni 2014 heeft Thinius Yachtcharter dan wel [dhr. C.] een verzoek ingediend om het zeiljacht onder Duitse vlag te mogen varen ("Antrag auf Ausstellung eines Flaggenzertifikates"). In het verzoek heeft Thinius Yachtcharter dan wel [dhr. C.] [dhr. B.] als eigenaar van het zeiljacht vermeld.

3.11.

Op 3 juli 2014 is door het "Bundesamt für Seeschiffahrt und Hydrographie" van de Bondsrepubliek Duitsland een "Flaggenzertifikat" aan [dhr. B.] toegekend ter zake van het zeiljacht.

3.12.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft, naar aanleiding van het daartoe door de heer [E] wonende te Duisberg (hierna: [E] ) ten laste van [dhr. C.] gedane verzoek, op 22 december 2015 verlof verleend tot het leggen van conservatoir scheepsbeslag op onder meer het zeiljacht tot zekerheid van zijn vordering ten bedrage van

€ 136.000,00, bestaande uit achterstallige betalingen ter zake van het ter beschikking stellen van zeiljachten van [E] aan [dhr. C.] , onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk achtentwintig dagen na het leggen van het beslag wordt ingesteld.

3.13.

Op 4 januari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van [E] aan [dhr. C.] de beschikking van 22 december 2015 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en twee processen verbaal van de gerechtsdeurwaarder van 30 december 2015, houdende het relaas van bewarend beslag op onder meer het zeiljacht, betekend. De gerechtsdeurwaarder heeft de betekening per aangetekende post met ontvangstbevestiging verzonden aan het "Amtsgericht Neuss".

3.14.

In twee facturen van 20 april 2016 van Thinius Yachtcharter aan [dhr. D.] , getiteld "Rechnung" en "Stornorechnung", wordt het volgende ten aanzien van het zeiljacht vermeld:

"Bavaria Cruiser 40 "Santiano" EUR 69.327,73

Baunummer: DE-BAVB40M4E313

Motornummer 5102024877X"

3.15.

In een nieuwsbrief van mei 2016 heeft Thinius Yachtcharter het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Aber nicht nur die Kunden sind bei Ihm gut aufgehoben, denn auch unsere Yachten erhalten erstklassigen Service. Das freut uns umso mehr, da wir den dringend erwarteten Nachschub an Yachten jetzt unter Dach und Fach haben.

Eine Dufour 350, einde Dufour 382 und zwei Dufour 512 ergänzen zusätslich zu der sich bereits in Barcelona befindlichen Hanse 575 und einer neueren Bavaria Cruiser 46 die Flotte."

3.16.

In een door Thinius Yachtcharter dan wel [dhr. C.] enerzijds en [dhr. D.] anderzijds op 23 mei 2016 ondertekend "Kaufvertrag - Gebrauchtboot" van 16 juni 2016 is het volgende vermeld:

"Forderungsabtritt

Hiermit trete ich

[dhr. C.] (…)

Teile meiner Forderung in höhe van Euro 95.000,00 [aanvulling kantonrechter: doorgestreept en handgeschreven aangevuld met de tekst "100.000,-"] (…) aus dem Kaufvertrag mit der Firma [dhr. D.] / Starsails (…) zu direkten Zahlung un Anrechnung auf dessen Forderung an

Herrn [E] , Yachtcharter und Handel (…)"

3.17.

In een door Thinius Yachtcharter dan wel [dhr. C.] enerzijds en [dhr. D.] anderzijds op 23 mei 2016 ondertekend "Kaufvertrag - Gebrauchtboot" van 16 juni 2016, waarbij [dhr. C.] dan wel Thinius Yachtcharter als verkoper en [dhr. D.] als koper zijn genoemd, is het volgende - voor zover van belang - vermeld:

"§ 1 Kaufgegenstand

Der Verkäufer verkauft die Segelyacht

Bavaria Cruiser 36 "Highcard"

(…)

&

Bavaria Cruiser 40 "Santiano"

Baunummer DE-BAVB40M4E313

Motornummer 5102024877X

(…)

§3 Kaufpreis

1. Als Gegenleistung verpflichtet sich der Käufer zur Zahlung des Kaufpreises in Höhe von

Euro 145.000,00

(…)

§5 Garantien/Gewährleistung

(1) (…)

(2) Der Verkäufer garantiert weiter nach § 443 Abs. 1 BGB, dass das Gebrauchtboot sowie sämtliche Ausrüstungsgegenstände frei von Rechten Dritter ist und dass etwaige Zölle und Steuern - insbesondere MwSt. - vollständig bezahlt worden sind. Für den Fall, dass - wider Erwarten - der Käufer insoweit von Driften in Anspruch genommen wird, verpflichtet sich der Verkäufer hiermit, den Käufer von sämtlichen insoweit entstehenden Kosten und Zahlungsverpflichtungen freizuhalten sowie entstandene und zukünftig noch entstehende Schäden auszugleichen.

(3) (…)

§6 Übergabe

Die Übergabe erfolgt am 24.05.2016 in Charterfähigem Zustand oder noch Rücksprache im Wasser.

(…)

§ 9 Nebenabrede:

(1) Die Yachten stehen der Firma Thinius Yachtcharter / Andreas [dhr. C.] für alle bereits bestehenden Buchungen in der Saison 2016 in Lemmer / NL zur Verfügung.

(2) (…)"

3.18.

Op 25 mei 2016 heeft [dhr. D.] aan [dhr. A] een factuur gezonden ter zake van de verkoop van het zeiljacht voor een bedrag van € 82.500,00.

3.19.

Op 27 mei 2016 heeft [dhr. A] een bedrag van € 82.500,00 aan Starsails Yachtcharter betaald onder de vermelding " [-] [dhr. A] Yachtcharter Rechn Kauf Bavuo Santiano".

3.20.

Op 2 juni 2016 is door een betaling van een geldbedrag het door [E] gelegde beslag op het zeiljacht opgeheven. In een later e-mailbericht van 15 maart 2017 is door de gemachtigde van [E] aan [dhr. D.] daaromtrent het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"auf Bitte unseres Mandanten [E] in Duisburg haben wir mit Protokoll vom 30. Dezember 2015 kraft eines Beschlusses des Richters des Gerichts Noord-Neerland in Leeuwarden vom 22. Dezember 2015 die "Santiano" und die "Highcard" arrestiert. Es war eine Sicherungsbeschlagnahme.

(…)

[E] hatte einde Forderung gegenüber [dhr. C.] /Thinius. [E] war also der Meinung [dhr. C.] ist Eigentümer.

(…)

[dhr. C.] und [E] haben sich geeinigt und am 2. Juni 2016 ist die Arrestierung aufgehoben worden.

Sie haben jedenfalls nach niederländischem Recht gutgläubig erworben (Artikel 3:86 Abs. 1 BW (…)."

3.21.

Met ingang van 27 juni 2016 is het marifooncertificaat met betrekking tot het zeiljacht door het "Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen" van de Bondsrepubliek Duitsland op naam van [dhr. A] gezet.

3.22.

[dhr. A] heeft op 1 juli 2016 met ingang van 25 mei 2016 een "Wassersport-Kasko-Versicherung" (watersportcascoverzekering) met betrekking tot het zeiljacht afgesloten.

3.23.

Op eveneens 1 juli 2016 heeft [dhr. A] met ingang van 25 mei 2016 een "Wassersport-Haftpflicht-Versicherung" (watersportaansprakelijkheidsverzekering) met betrekking tot het zeiljacht afgesloten.

3.24.

In een beëdigde vermogensopgave (Gewerbetreibende; Geschäftsinhaber (Einzelfirma)) van 25 augustus 2016 van [dhr. C.] is het volgende - voor zover van belang - opgenomen:

"Werkstätten-, Wirtschafts- nein X ja, und zwar

oder Farbrikeinrichtungen (…) die folgende Yachten wurden von der Einzelfirma gekauft und sicherungsübereignet. Die Yachten wurden alle ab Saison 2016 der Firma Thinius Charter (…) uneigentlich überlassen.

1. Bavaria Cruiser 40 - Schiffsnahm Santiano - gekauft für 130000,-- EU, sicherungsübereignet für 130000,-- EU an [dhr. B.] (…) - Yacht befindet sich im Yachthafen Lemmer"

3.25.

Eind september 2016 vernam [dhr. B.] dat het zeiljacht niet meer in de haven van Thinius Yachtcharter, maar in de haven van Starsails Yachtcharter lag, waarna [dhr. B.] het zeiljacht naar de haven van watersportcentrum Tacozijl aan de Plattedijk 20 te Lemmer heeft overgebracht.

3.26.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft naar aanleiding van het daartoe door [dhr. A] ten laste van [dhr. B.] gedane verzoek op 5 oktober 2016 verlof verleend tot het leggen van conservatoir scheepsbeslag tot afgifte van het zeiljacht en tot het in bewaring geven van het zeiljacht aan [dhr. D.] , onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk veertien dagen na het leggen van het beslag wordt ingesteld.

3.27.

Op 5 oktober 2016 is door de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op het zeiljacht en is het zeiljacht in gerechtelijke bewaring gegeven aan [dhr. D.] . In het "proces-verbaal bewarend beslag op schepen" is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Mij om 16.30 uur begeven naar Lemmer, gemeente De Friese Meren, en mij bevonden op het kantoor van de jachtwerf Tacozijl aan het adres Plattedijk 20;

Aldaar sprak ik met een tweetal medewerkers van de Jachtwerf van wie mij geen naam bekend werd gemaakt, aan wie ik mij heb gelegitimeerd en het doel van mijn komst uiteen heb gezet, waarna de medewerkers aangaven een vermeend retentierecht te hebben op het betreffende schip vanwege liggeld. Uiteindelijk is het betreffende liggeld uit naam van de rekwirant door de heer [dhr. D.] voldaan, zodat het vermeende retentierecht niet meer van kracht is en waarvan door de medewerkers ook werd aangegeven hierop geen beroep meer te zullen doen, vervolgens is door de medewerker aanwijzing gedaan van het schip "Santiano"."

3.28.

Op 7 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van [dhr. A] aan [dhr. B.] de beschikking van 5 oktober 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en twee processen verbaal van de gerechtsdeurwaarder van 5 oktober 2016, houdende het relaas van bewarend beslag tot afgifte en sequestratie op het zeiljacht betekend. De gerechtsdeurwaarder heeft de betekening per aangetekende post met ontvangstbevestiging verzonden aan het "Amtsgericht Dortmund".

3.29.

Bij brief van 7 oktober 2016 heeft de gemachtigde van [dhr. A] aan [dhr. B.] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"auf Bitte meines Mandanten Herr [dhr. A] melde ich mich jetzt schriftlich bei Ihnen. (…) Wir haben erklärt, dass unser Mandant Eigentümer ist des Schiffes 'Santiano'. Sie haben das Schiff "Santiano" weggenommen aus der Jachthafen Lemmer und verbracht zum Jachthafen Tacozijl in Lemmer. Sie haben verweigert freiwillig das Schiff zurückzugeben. Deshalb haben wir kraft Beschlusses des Gerichts in Leeuwarden das Schiff arrestiert. Mein Mandant hat schon Schaden erlitten und wird noch weiter Schaden erleiden, da das Schiff nicht weiter in Charter vermietet werden kann. Hiermit mache ich Sie haftbar für alle Schäden der unser Mandant schon erlitten hat und noch erleiden wird. Unter anderem Nutzingsverlust, Anwaltskosten, Gerichtsvollziekerkosten, Übersetzungskosten und Kosten des Sequesters. Die Schäden sind einschließlich Zinsen. Auch haben Sie einige Teile am Schiff demontiert. Auch hierfür haften Sie.

(…)

Ich bin schon dabei die Klage abzufassen und Sie werden innerhalb von zwei Wochen zum Gericht Leeuwarden geladen."

3.30.

[dhr. B.] en [dhr. C.] hebben elkaar in het bijzijn van een advocaat, Rechtsanwalt Güldenpfenning, op 14 december 2016 te Dortmund gesproken. De verklaring van [dhr. C.] is in zijn bijzijn gedicteerd (maar niet door hem ondertekend). [dhr. C.] heeft volgens de verklaring het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Herr [dhr. C.] erklärt folgendes, was mit seinem Einverständnis diktiert wird:

Im Frühjahr 2016 hatte ich bereits Zahlungsschwierigkeiten. Ein Herr [E] hatte eine Forderung gegen mich in Höhe von 80.000,00 €. Er wies einen Duisburger Rechtsanwalt an, in die Pfändung zu gehen, welcher dieses über einen niederländischen Rechtsanwalt tätigte. Dieser sollte einfach zwei Schiffe pfänden.

Herr [dhr. C.] erklärt, dass in Holland die Situation wohl so ist, dass man erstmal vorläufig pfänden kann aber dann das Eigentum nachweisen muss.

Der Rechtsanwälte pfändete direkt die Santiano und ein anderweitig betroffenes Boot.

Herr [dhr. C.] erklärt, dass die Eigentumsverhältnisse egal sind und dies zulässig ist, insbesondere im Falle der Versteigerung das Eigentums nach niederländischem Recht seiner Neinung nach erlischt.

Da derart die Schiffe kurz vor der Versteigerung standen und ich die "Dosen" wieder in das Eigentum zurückführen wollte, sprach ich mit Herrn [dhr. D.] . Dieser bot an, für beide Schiffe145.000 € bruto zu zahlen, wobei ich mir vertraglich ausdrücklich die Option offen gehalten habe, bis zum 31.10. die Schiffe wieder "freizukaufen".

Es wurden damals schriftliche Kaufvertrage geschlossen, welcher ich dabei habe und gleich eine Kopie überlassen werde.

Herr [dhr. D.] kaufte die 2 Boote und zahlte dann 80.000,00 € an [E] und den Rest an mich. Der Duisburger Anwalt gab daraufhin die Pfändung frei. (Rechtsanwalt von [E] )

Ich habe bewusst den Kaufpreis mit [dhr. D.] gering gehalten, damit der Rückkauf für mich einfacher war. Es gibt auch Rechnungen, welche ich per E-Mail übermitteln kann.

Ich hatte damals eine Geschäftsbeziehung mit [dhr. D.] . Herr [dhr. A] hatte auch mal ein Boot bei mir, die Pandorra. Was dann aber passierte zwischen [dhr. D.] und [dhr. A] ist mir nicht bekannt. Klarstellen möchte ich noch, dass ich im Rahmen der Vertragsverhandlung mit Herrn [dhr. D.] , Herrn [dhr. D.]

zweifelsfrei gesagt habe, dass ich em Rückkaufsrecht deshalb benötige, weil Herr [dhr. B.] Eigentümer bzw. das Schiff sicherungsübereignet ist. Dies wusste Herr [dhr. D.] somit bei Vertragsabschluss, dennoch hat er die 145.000,00 € gezahlt bzw. zum Teil an [E] und den Rest an mich.

(…)

Herr [dhr. D.] hat das Schiff gar nicht bei mir abgeholt, sondern ich habe es weiter verchartert. Ich habe das Boot sogar bis Ende Oktober zum Ende der Saison weiter verchartert. Deshalb war ich auch besonders verärgert, als das Boot plötzlich weg war. Ich wusste damals nicht, als ich den Vertrag mit [dhr. D.] machte, dass dieser sofort das Boot an [dhr. A] veräußert hat. Der [dhr. A] hatte ein Boot bei Starsails als Eigentümer, welches durch Starsails vermietet wurde.

Auch das Boot Santiano war immer bei mir im Hafen, ich kann mir gar nicht erklären, warum es bei Starsails stand. Ich kann nur vermuten, dass wir, wie üblich, einen Austausch der Schiffe gemacht haben. Wenn z. B. ein Boot von mir kaputt war, habe ich mir eins von Starsails geliehen und umgekehrt. Dies um die Vermietung aufrechtzuerhalten.

Warum Herr [dhr. D.] jedoch dabei war die Schiffsnamen zu entfernen bzw. das getan hat, kann ich mir auch nicht erklären. Herr [dhr. D.] und Herr [dhr. A] kennen sich sehr sehr gut. Ich bin auch davon überzeugt, dass der Herr [dhr. D.] ggfls. dem Herrn [dhr. A] gesagt hat, dass Herr [dhr. B.] Eigentümer des Schiffes ist bzw. dieser dies ihm hätte sagen müssen, denn ich habe ihn ja noch darauf hingewiesen, dass Herr [dhr. B.] Eigentümer des Schiffes ist. Dies war ja auch der Grund, warum ich mir die Rückübertragung in dem Kaufvertrag vorbehalten habe bis zum 31.10.2016.

Das Boot Santiano war bis zum Verkauf bei mir versichert, ich habe auch Versicherungsunterlagen, welche ich zur Verfügung stellen kann. Diese werde ich heute Abend per E-Mail versenden.

Ich möchte von mir aus noch etwas zur Konstruktion sagen. Man empfahl mir vor ca. 2 Jahren aus der Einzelfirma [dhr. C.] eine GmbH zu gründen. Diese war jedoch erst im Gründungsstadium, so dass der Kaufvertrag mit Herrn [dhr. D.] z.B. mit der Firma [dhr. C.] Yachtcharter abgeschlossen

wurde. Auch wurde der Investitionsvertrag und Sicherungsübereignungsvertrag mit der Firma Yachtcharter [dhr. C.] und nicht mit der Thinius GmbH geschlossen. Ich ware auch bereits dahingehend noch eine neue Vereinbarung mit Herrn [dhr. B.] zu schließen bzw. das zu bestätigen."

3.31.

Bij brief van 16 januari 2017 heeft de heer C. Korthals, werkzaam bij het "Bundesamt Seeschiffahrt und Hydrographie" aan [dhr. C.] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"mit Datum vom 10.06.2014 haben Sie im Namen von Thinius Yachtcharter ein Flaggenzertifikät für die Segelyacht "SANTIANO" beantragt.

Als Eigentümer der Segelyacht wird in dem Formular jedoch nicht Thinius Yachtcharter, sondern Herr [dhr. B.] angegeben. Der bei Antragstellung mitübersandte Bill of Sale weist hingegen Thinius Yachtcharter als Zahlungsleistenden aus.

Zudem wurde bei Antragstellung keine auf Thinius Yachcharter lautende Vollmacht von Herrn [dhr. B.] vorgelegt und der Antrag nicht unterzeichnet.

Aufgrund des unklaren Sachverhalts bitte ich Sie daher um Stellungnahme, insbesondere hinsichtlich der Eigentümerschaft und der Art der Antragstellung, unter Vorlage geeigneter Dokumente bis zum 16.02.2017."

4 De vorderingen

in de hoofdzaak

in conventie

4.1.

[dhr. A] heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat het zeiljacht [dhr. A] in eigendom toebehoort;

  2. [dhr. B.] verplicht tot afgifte van het zeiljacht, waarbij [dhr. A] gemachtigd wordt ex artikel 3:299 BW om het zeiljacht zelf bij de bewaarnemer op te halen, waarmee de gerechtelijke bewaring ook gelijktijdig wordt beëindigd en [dhr. A] wordt gemachtigd het zeiljacht zelf in ontvangst en bezit te nemen, op kosten van [dhr. B.] ;

  3. [dhr. B.] veroordeelt tot voldoening van de schade ten gevolge van de onrechtmatige handeling door het wegnemen van het zeiljacht, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  4. [dhr. B.] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de reeds geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 10.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. [dhr. B.] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis.

4.2.

[dhr. B.] heeft verweer gevoerd.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

4.4.

[dhr. B.] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat [dhr. B.] eigenaar is van het zeiljacht;

  2. het op 5 oktober 2016 door de deurwaarder op verzoek van [dhr. A] ten laste van [dhr. B.] op het zeiljacht gelegde beslag opheft en bepaalt dat [dhr. D.] verplicht is tot afgifte van het zeiljacht aan [dhr. B.] ;

  3. [dhr. A] veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

4.5.

[dhr. A] heeft verweer gevoerd.

4.6.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.7.

[dhr. B.] heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, en zo mogelijk gelijktijdig te wijzen met het in de hoofdzaak te wijzen vonnis:

  1. [dhr. C.] en [dhr. D.] veroordeelt om als hoofdelijk verbonden schuldenaren aan [dhr. B.] te betalen datgene, waartoe [dhr. B.] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [dhr. A] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling;

  2. [dhr. C.] en [dhr. D.] als hoofdelijk verbonden schuldenaren veroordeelt om aan [dhr. B.] het bedrag van € 139.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat vonnis wordt gewezen tot de dag van volledige betaling;

  3. [dhr. C.] en [dhr. D.] te veroordelen in de kosten van het geding, in de vrijwaring, waaronder de kosten van de vertaling ter hoogte van € 1.240,00, alsmede in de nakosten.

4.8.

[dhr. C.] is niet verschenen, zodat hij geen verweer heeft gevoerd.

4.9.

[dhr. D.] heeft verweer gevoerd.

4.10.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

Bevoegdheid

5.1.

Tussen partijen is in geschil wie eigenaar van het zeiljacht is. De grondslag van de vordering van [dhr. A] in deze procedure is een onrechtmatige daad. Alvorens aan de beantwoording van de vraag toe te komen welk recht in dezen van toepassing is en wie dientengevolge als eigenaar van het zeiljacht heeft te gelden, dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van [dhr. A] kennis te nemen. Deze vraag beantwoordt de rechtbank aan de hand van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten. Op grond van artikel 7, aanhef en onder lid 2 Herschikte EEX-Vo kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Vaststaat dat partijen woonachtig dan wel gevestigd zijn op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie, namelijk Duitsland. De rechtbank overweegt voorts dat het gestelde schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in Nederland, namelijk te Lemmer. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.2.

Ten aanzien van het toepasselijk recht overweegt de rechtbank dat kan worden aangenomen dat partijen worden geacht indien en voor zover nodig een (stilzwijgende) rechtskeuze voor Nederlands recht te hebben gedaan, onder verwijzing naar het bepaalde hieromtrent in artikel 14 van de Rome II-Verordening, nu partijen hun stellingen en verweren omtrent het vermeende onrechtmatig handelen van [dhr. B.] hebben gebaseerd op Nederlands recht. De rechtbank zal dit tot haar uitgangspunt nemen als zij aan de behandeling van deze grondslag toekomt. Voorafgaand daaraan dient de vraag te worden beantwoord wie op grond van welk recht als eigenaar van het zeiljacht heeft te gelden.

Standpunt [dhr. A] - eigendom

5.3.

[dhr. A] heeft - samengevat - in conventie gesteld dat hij ten gevolge van de koopovereenkomst met [dhr. D.] op 27 mei 2016 eigenaar van het zeiljacht is geworden. [dhr. A] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de factuur van 25 mei 2016 van Starsails Yachtcharter, naar het betaalbewijs van de koopsom, naar de polisbladen van de door hem gesloten verzekeringen en naar het marifooncertificaat. [dhr. A] heeft voorts gesteld dat het tussen [dhr. B.] en [dhr. C.] gesloten Sicherungsübereignungsvertrag niet rechtsgeldig is, omdat [dhr. B.] een overeenkomst heeft gesloten met een partij die nooit de eigendom van het zeiljacht had. Volgens [dhr. A] heeft [dhr. B.] contracten gesloten met een besloten vennootschap, te weten Thinius GmbH, terwijl het zeiljacht op 4 juli 2013 aan [dhr. C.] in privé dan wel zijn eenmanszaak Thinius Yachtcharter is geleverd. Vóór 4 juli 2013 was ook [dhr. C.] geen eigenaar van het zeiljacht. Verder is volgens [dhr. A] sprake van strijd met het fiduciaverbod als bedoeld in artikel 3:84 BW. Daarnaast heeft [dhr. A] gesteld dat [dhr. C.] beschikkingsbevoegd was om het zeiljacht aan [dhr. D.] te verkopen, dat [dhr. D.] op zijn beurt beschikkingsbevoegd was om het zeiljacht aan [dhr. A] over te dragen en dat hij het zeiljacht te goeder trouw heeft verkregen.

Standpunt [dhr. B.] - eigendom

5.4.

[dhr. B.] heeft ten verwere in conventie - samengevat - aangevoerd dat hij eigenaar van het zeiljacht is. [dhr. B.] heeft in dat verband gesteld dat [dhr. C.] de eigendom van het zeiljacht aan hem heeft overgedragen door middel van het tussen hen op 16 mei 2013 gesloten Sicherungsübereignungsvertrag, dat uit de stempels op die overeenkomst blijkt dat getekend is uit naam van Thinius Yachtcharter en dat hij aan Thinius Yachtcharter en niet aan de GmbH heeft betaald. Verder werd volgens [dhr. B.] het goederenrechtelijke systeem met betrekking tot het zeiljacht op dat moment door Duits recht beheerst en is hij toen middellijk bezitter geworden van het zeiljacht. Op 2 juli 2013 is het zeiljacht met de overdracht daarvan aan transporteur Sleepy in het bezit gesteld van [dhr. C.] , waardoor [dhr. C.] vanaf dat moment eigenaar was van het zeiljacht. Volgens [dhr. B.] blijkt uit de vermelding in de vrachtbrief dat de vrachtkosten ten laste van de ontvanger komen, dat [dhr. C.] Sleepy heeft ingeschakeld en dat [dhr. C.] de kosten heeft betaald. Het zeiljacht bevond zich op dat moment nog in Duitsland, zodat, aldus [dhr. B.] , Duits recht van toepassing is op de overdracht ter zekerheid. De eigendom van het zeiljacht is vervolgens onmiddellijk op [dhr. B.] overgegaan. [dhr. B.] heeft betwist dat daadwerkelijk een overeenkomst tussen [dhr. C.] en [dhr. D.] is gesloten ter zake van het zeiljacht en dat het zeiljacht aan [dhr. D.] is geleverd. Voor zover wel een overeenkomst is gesloten, is deze nietig vanwege strijd met de goede zeden. Voorts heeft [dhr. B.] aangevoerd dat [dhr. C.] niet beschikkingsbevoegd was en dat [dhr. D.] niet te goeder trouw was, zodat hij de eigendom van het zeiljacht niet heeft verworven. Omdat [dhr. D.] niet de eigenaar van het zeiljacht was, een schriftelijke overeenkomst van de verkoop van [dhr. D.] aan [dhr. A] ontbreekt, het zeiljacht niet aan [dhr. A] is geleverd en [dhr. A] niet te goeder trouw was, heeft [dhr. A] niet de eigendom van het zeiljacht verkregen.

Thinius GmbH

5.5.

Alvorens in te gaan op de vraag bij wie de eigendom van het zeiljacht berust, zal de rechtbank ingaan op de discussie tussen partijen aangaande Thinius GmbH, en met name de vraag met wie [dhr. B.] op 16 mei 2013 heeft gecontracteerd. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Uit de omstandigheid dat de beide overeenkomsten met een stempel van Thinius Yachtcharter en handtekening van [dhr. C.] zijn ondertekend en dat [dhr. B.] het bedrag van € 139.000.00 aan Thinius Yachtcharter heeft overgemaakt, leidt de rechtbank af dat partijen, ondanks de vermelding in de overeenkomsten van de partijnaam "Thinius GmbH", bedoeld hebben overeenkomsten te sluiten tussen [dhr. B.] en Thinius Yachtcharter. Aan de stelling van [dhr. A] dat het Sicherungsübereignungsvertrag niet rechtsgeldig is vanwege de vermelding daarin van de naam Thinius GmbH gaat de rechtbank gezien deze partijbedoeling dan ook voorbij.

Eigendom [dhr. B.] ?

5.6.

Bij haar beoordeling welk recht van toepassing is ter zake van de verkrijging van de eigendom van het zeiljacht stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 10:127 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt, behoudens voor zover in lid 2 anders is bepaald, het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op teboekstaande schepen, hetgeen in dit geval niet aan de orde is. Vaststaat dat het zeiljacht in Duitsland is gebouwd en dat het op 4 juli 2013 bij Thinius Yachtcharter in Nederland is aangekomen. Het voorgaande betekent dat tot de aankomst van het zeiljacht op 4 juli 2013 het goederenrechtelijke regime met betrekking tot het zeiljacht beheerst wordt door Duits recht en dat het daarna beheerst wordt door Nederlands recht.

De periode tot 4 juli 2013

5.7.

In het Duitse recht is over de verkrijging van eigendom in § 929 onder 1 BGB het volgende bepaald:

"Zur Übertragung des Eigentums an einer beweglichen Sache ist erforderlich, dass der Eigentümer die Sache dem Erwerber übergibt und beide darüber einig sind, dass das Eigentum übergehen soll. Ist der Erwerber im Besitz der Sache, so genügt die Einigung über den Übergang des Eigentums."

Voor de eigendomsoverdracht van de zaak is ingevolge § 929 onder 1 BGB derhalve wilsovereenstemming vereist, alsmede dat de zaak geleverd is.

In § 930 BGB is vervolgens het volgende bepaald:

"Ist der Eigentümer im Besitz der Sache, so kann die Übergabe dadurch ersetzt werden, dass zwischen ihm und dem Erwerber ein Rechtsverhältnis vereinbart wird, vermöge dessen der Erwerber den mittelbaren Besitz erlangt."

Hieruit volgt dat volgens Duits recht voor het verschaffen van middellijk bezit aan een verkrijger, de eigenaar in het bezit van de zaak dient te zijn.

5.8.

Het voorgaande indachtig, overweegt de rechtbank het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [dhr. C.] de eerste eigenaar van het zeiljacht was. Hij, dan wel zijn eenmanszaak Thinius Yachtcharter, heeft destijds opdracht aan Bavaria verstrekt om het zeiljacht te bouwen. De vraag is vanaf welk moment [dhr. C.] eigenaar van het zeiljacht is geworden. Volgens [dhr. B.] heeft [dhr. A] met zijn verklaring in randnummer 7 van de conclusie van antwoord in reconventie "Blijkens productie 4 Builder's certificate, was [dhr. C.] de eigenaar. Niet juist is de stelling dat vervolgens de eigendom is overgedragen aan [dhr. B.] ." erkend dat [dhr. C.] op 6 mei 2013 eigenaar van het zeiljacht is geworden. Aan deze uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning als bedoeld in artikel 154 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is [dhr. A] , aldus [dhr. B.] , gebonden, waardoor in deze procedure vaststaat dat [dhr. C.] op 6 mei 2013 eigenaar is geworden. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

5.9.

Artikel 154 lid 1 Rv definieert een gerechtelijke erkenning als het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. Uit de rechtspraak volgt dat die erkenning uitdrukkelijk en, mede met het oog op de slechts zeer beperkte gronden waarop de erkenning volgens het tweede lid van dat artikel kan worden herroepen, ondubbelzinnig betrekking heeft op de waarheid van de betrokken stellingen. Niet te snel mag worden aangenomen dat er sprake is van een gerechtelijke erkentenis (HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616).

5.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet aan deze strenge eisen voldaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de opzet van de betreffende conclusie van [dhr. A] volgt dat [dhr. A] de twee betreffende zinnen in de conclusie van antwoord in reconventie heeft opgenomen naar aanleiding en ter weerlegging van de stelling van [dhr. B.] dat hij met het Sicherungsübereignungsvertrag op 16 mei 2013 het middellijk bezit heeft gekregen van het zeiljacht en niet om zich uitdrukkelijk uit te laten over een eigendomsrecht van [dhr. C.] . Voorts overweegt de rechtbank dat uit het Builder's Certificate, waarnaar door [dhr. B.] in dit verband is verwezen, niet blijkt dat Thinius Yachtcharter vanaf de ondertekening van het Builder's Certificate door Bavaria op 6 mei 2013 de eigendom heeft verkregen. Daarin worden immers alleen de gegevens van het schip, de bouwer van het schip, de opdrachtgever en de eerste eigenaar vermeld. Bovendien leidt een dergelijk certificaat niet tot de verkrijging van de eigendom, want daarvoor is ingevolge § 929 onder 1 BGB tevens nodig dat het zeiljacht is geleverd. Uit de Bill of Sale volgt evenmin dat [dhr. C.] de eigendom vóór 16 mei 2013, de datum van ondertekening van het Sicherungsübereignungsvertrag, heeft verkregen. De Bill of Sale, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.3, is een verklaring van 28 juli 2013 van Bavaria dat Thinius Yachtcharter betaald heeft voor het zeiljacht en dat Bavaria de eigendom van het zeiljacht aan haar overdraagt. Nergens blijkt in de "Bill of Sale" van een overdracht van de eigendom vóór 16 mei 2013 aan Thinius Yachtcharter. In de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een gerechtelijke erkentenis dat [dhr. C.] op

6 mei 2013 eigenaar van het zeiljacht is geworden. De rechtbank passeert daarmee de stelling van [dhr. B.] ter zake van de gerechtelijke erkenning door [dhr. A] .

De periode vanaf 4 juli 2013

5.11.

Omdat de voor de verkrijging van de eigendom vereiste levering pas op 4 juli 2013 in Lemmer heeft plaatsgevonden is [dhr. C.] , gelet op § 929 onder 1 BGB, op 4 juli 2013 eigenaar van het zeiljacht geworden. Het door Bavaria overdragen van het zeiljacht aan de transporteur op 2 juli 2013 en het voor rekening van de ontvanger komen van de vrachtkosten betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het zeiljacht op dat moment al in het bezit van [dhr. C.] is gekomen, zoals door [dhr. B.] is gesteld. [dhr. C.] is dan ook pas vanaf 4 juli 2013 beschikkingsbevoegd geworden ter zake van het zeiljacht. Omdat [dhr. C.] ten tijde van de ondertekening van het "Sicherungsübereignungsvertrag" op 16 mei 2013 dat nog niet was, heeft hij de eigendom van het zeiljacht toen niet ter zekerheid aan [dhr. B.] kunnen overdragen. De "Rechtsverhältnis" als bedoeld in § 930 BGB waarop [dhr. B.] een beroep heeft gedaan, gaat in de relatie tussen [dhr. C.] en [dhr. B.] niet op, omdat zij op 16 mei 2013 beiden niet als eigenaar respectievelijk verkrijger hadden te gelden. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van [dhr. B.] dat het Sicherungsübereignungsvertrag als een "Rechtsverhältnis" moet worden aangemerkt, waardoor hij het middellijk bezit met betrekking tot het zeiljacht heeft verkregen.

5.12.

Ten aanzien van de vraag of het "Sicherungsübereignungsvertrag" mogelijk effect heeft gesorteerd ná levering van het zeiljacht aan [dhr. C.] op 4 juli 2013 overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, staat ingevolge artikel 10:127 lid 1 BW vast dat het goederenrechtelijke regime met betrekking tot het zeiljacht vanaf 4 juli 2013 wordt beheerst door Nederlands recht. Een rol speelt in dit geval het fiducia-verbod van artikel 3:84 lid 3 BW. Deze bepaling moet naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als een vraagstuk van goederenrechtelijke aard waarop artikel 10:127 BW van toepassing is. Artikel 3:84 lid 3 BW richt zich weliswaar primair op de ongeldigheid van de titel, welk vraagstuk door het verbintenisrechtelijke regime wordt beheerst, maar hierbij is slechts sprake van een middel om het uiteindelijke doel van een fiduciaire overdracht te voorkomen. Gelet op dit doel en de plaats van de bepaling in het Burgerlijk Wetboek (boek 3) dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangenomen dat het fiducia-verbod van artikel 3:84 lid 3 BW buiten de kaders van de materiële geldigheid van het titelvereiste valt.

5.13.

In artikel 3:84 lid 3 BW is bepaald dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel van overdracht van dat goed is. Gelet hierop is het Sicherungsübereignungsvertrag van 16 mei 2013 dan ook nietig.

5.14.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [dhr. B.] geen eigenaar van het zeiljacht is geworden. Daarmee wordt niet toegekomen aan de overige stellingen en verweren van [dhr. B.] ter zake van zijn vermeende eigendom van het zeiljacht.

Eigendom [dhr. A] ?

5.15.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [dhr. A] eigenaar van het zeiljacht is geworden op basis van de overeenkomst die hij met [dhr. D.] heeft gesloten. Volgens [dhr. B.] was [dhr. D.] beschikkingsonbevoegd ten aanzien van het zeiljacht en was [dhr. A] niet te goeder trouw, zodat [dhr. A] geen eigenaar is geworden. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:86 lid 1 BW is ondanks onbevoegdheid van de vervreemder een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, geldig indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt ingevolge artikel 3:11 BW niet alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

5.16.

Vaststaat dat er ten laste van [dhr. C.] door [E] beslag was gelegd op het zeiljacht, hetgeen als een stellige aanwijzing mag worden beschouwd dat [dhr. C.] als eigenaar van het zeiljacht had te gelden. Voorts heeft [dhr. A] verklaard bekend te zijn geweest met het ten laste van [dhr. C.] gelegde beslag ten tijde van zijn gesprek met [dhr. D.] over de aankoop van het zeiljacht, omdat [dhr. D.] hem daarover had geïnformeerd. [dhr. D.] heeft [dhr. A] in het kader van de koopovereenkomst toegezegd de beslagkwestie af te zullen wikkelen. [dhr. D.] fungeerde feitelijk als tussenpersoon voor [dhr. A] , omdat [dhr. A] geen zaken met [dhr. C.] wilde doen, maar wel met [dhr. D.] . Vervolgens heeft [dhr. D.] (onder meer) het zeiljacht gekocht en heeft [dhr. C.] een deel van de opbrengst uit de verkoop van het zeiljacht aangewend om [E] te voldoen, waarna het beslag op het zeiljacht werd opgeheven. [dhr. D.] heeft daarop aan [dhr. A] de factuur van 25 mei 2016 ten bedrage van € 82.500,00 gezonden. [dhr. A] heeft dit bedrag op 27 mei 2016 aan [dhr. D.] voldaan. Gezien deze omstandigheden hoefde [dhr. A] naar het oordeel van de rechtbank niet te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [dhr. D.] en moet [dhr. A] geacht worden in dezen te goeder trouw te zijn geweest. Dat betekent dat tussen [dhr. A] en [dhr. D.] een rechtsgeldige overeenkomst met betrekking tot de koop en verkoop van het zeiljacht tot stand is gekomen.

5.17.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [dhr. A] de eigendom van het zeiljacht heeft verkregen. Daarmee heeft [dhr. A] ook recht op afgifte van het zeiljacht. De rechtbank zal de gevraagde verklaring voor recht en de vordering tot verplichting van [dhr. B.] om het zeiljacht af te geven dan ook toewijzen.

Schade [dhr. A]

5.18.

heeft - samengevat - in conventie gesteld dat het onrechtmatig handelen van [dhr. B.] heeft bestaan uit het wegnemen van het zeiljacht uit de jachthaven. [dhr. B.] heeft daarmee, aldus [dhr. A] , een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [dhr. A] . Naast het weghalen van het hem in eigendom toebehorende zeiljacht, heeft [dhr. B.] volgens [dhr. A] schade toegebracht aan zijn zeiljacht. [dhr. A] heeft gesteld dat hij door het handelen van [dhr. B.] schade heeft geleden, waaronder schade vanwege het niet kunnen verhuren van het zeiljacht en schade bestaande uit de kosten die gepaard gaan met het terugkrijgen van het zeiljacht. [dhr. A] heeft zowel een voorschot op de schade ten bedrag van € 10.000,00 gevorderd als schade op te maken bij staat.

5.19.

[dhr. B.] heeft de door [dhr. A] gestelde schade betwist. Volgens [dhr. B.] is van door hem aan het zeiljacht toegebrachte schade geen sprake. Verder betwist [dhr. B.] dat [dhr. A] het zeiljacht had verhuurd en dat [dhr. A] winst misloopt vanwege het niet kunnen verhuren van het zeiljacht. Tot slot heeft [dhr. B.] de door [dhr. A] gestelde advocaatkosten betwist.

5.20.

De rechtbank overweegt dat uit het gegeven dat [dhr. A] en niet [dhr. B.] heeft te gelden als eigenaar van het zeiljacht volgt dat [dhr. B.] met het wegnemen van het zeiljacht een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [dhr. A] en dat hij daarmee onrechtmatig jegens [dhr. A] heeft gehandeld. Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is [dhr. B.] gehouden de schade, die [dhr. A] ten gevolge van zijn handelen heeft geleden, te vergoeden. De vordering tot veroordeling van [dhr. B.] in de schade, op te maken bij staat, zal worden toegewezen.

5.21.

De rechtbank zal om die reden ook de vordering tot betaling van een voorschot op de door [dhr. A] geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 10.000,00 toewijzen. De rechtbank acht het aannemelijk dat [dhr. A] in ieder geval een bedrag van € 10.000,00 aan schade heeft geleden vanwege het niet hebben kunnen verhuren van het zeiljacht sinds het najaar van 2016, mede gelet op de toen geldende hoogte van de huurprijs van het zeiljacht van ongeveer € 1.000,00 per week.

5.22.

Tegen de over het voorschot gevorderde wettelijke rente is geen specifiek verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.

Reconventie

5.23.

Omdat in conventie is geoordeeld dat [dhr. A] als eigenaar van het zeiljacht heeft te gelden, zal de rechtbank de vorderingen van [dhr. B.] in reconventie afwijzen.

Proceskosten in conventie, in reconventie en in het incident

5.24.

[dhr. B.] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie en in het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [dhr. A] worden tot op heden vastgesteld op:

- dagvaarding € 94,08

- griffierecht € 885,00

- salaris advocaat € 1.900,50 (3,5 punten × tarief II € 543,00)

Totaal € 2.879,58.

5.25.

[dhr. B.] zal als de in het ongelijk te stellen partij tevens worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De rechtbank merkt ten aanzien van het salaris advocaat op dat hij in het feit dat de comparitie in conventie en in reconventie gelijktijdig heeft plaatsgevonden en dat de processtukken vrijwel gelijkluidend zijn in beide procedures, aanleiding ziet om het aantal punten in de procedure in reconventie te halveren. De proceskosten aan de zijde van [dhr. A] in reconventie worden vastgesteld op € 678,75

(2,5 punten x 0,5 x tarief II € 543,00).

5.26.

De in reconventie door [dhr. A] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

in de vrijwaringszaak

Bevoegdheid

5.27.

Verwijzend naar hetgeen zij heeft overwogen in rechtsoverweging 5.1 van dit vonnis acht de rechtbank zich bevoegd van het geschil in de vrijwaringszaak kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.28.

Ten aanzien van het toepasselijk recht in de vrijwaringszaak verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 5.2 van dit vonnis. Ook in de vrijwaringszaak hebben partijen hun verweren en stellingen omtrent het vermeende onrechtmatig handelen gebaseerd op Nederlands recht. Partijen worden daarmee geacht een rechtskeuze voor Nederlands recht te hebben gemaakt. De rechtbank zal dit dan ook tot haar uitgangspunt nemen in haar verdere beoordeling.

[dhr. B.] - [dhr. D.]

5.29.

[dhr. B.] heeft [dhr. C.] en [dhr. D.] in vrijwaring opgeroepen. [dhr. C.] is in deze procedure niet verschenen, terwijl [dhr. D.] daarin wel is verschenen en ook verweer heeft gevoerd. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de stellingen en verweren van [dhr. B.] en [dhr. D.] in de vrijwaringszaak.

Contractspartij

5.30.

In het kader van zijn verweer heeft [dhr. D.] in de vrijwaringszaak gesteld dat [dhr. B.] niet met [dhr. C.] , maar met Thinius GmbH het Investitionsvertrag en het Sicherungsübereignungsvertrag heeft gesloten.

5.31.

In reactie daarop heeft [dhr. B.] aangevoerd dat in de gegeven omstandigheden ervan uitgegaan moet worden dat de overeenkomsten tussen hem en [dhr. C.] dan wel zijn eenmanszaak Thinius Yachtcharter tot stand zijn gekomen. Volgens [dhr. B.] was het, gezien de ondertekening van de overeenkomsten door [dhr. C.] en Thinius Yachtcharter, de bedoeling van partijen dat [dhr. C.] de contractspartij zou zijn. Dit blijkt, aldus [dhr. B.] , eveneens uit de betaling die [dhr. B.] aan [dhr. C.] heeft gedaan en uit de verklaring van [dhr. C.] van 14 december 2016. [dhr. C.] heeft daarin aangegeven dat beide contracten met Thinius Yachtcharter en niet met Thinius GmbH werden gesloten, omdat Thinius GmbH toen nog niet was opgericht.

5.32.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.5 neemt de rechtbank aan dat bedoeld is de overeenkomsten te sluiten tussen [dhr. B.] en Thinius Yachtcharter. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan voormelde stelling van [dhr. D.] .

Onrechtmatig handelen

5.33.

[dhr. B.] heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat [dhr. D.] door de koop en verkoop van het zeiljacht onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Volgens [dhr. B.] wist [dhr. D.] dat hij eigenaar van het zeiljacht was, omdat hij dit aan [dhr. D.] heeft verteld en hij [dhr. D.] meerdere keren heeft gebeld om zich ervan te vergewissen dat het zeiljacht nog op haar ligplaats lag, en omdat [dhr. C.] [dhr. D.] er ten tijde van de verkoop van het zeiljacht aan [dhr. D.] op heeft gewezen dat [dhr. B.] eigenaar van het zeiljacht was. [dhr. B.] heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van [dhr. C.] van 14 december 2016. Met betrekking tot deze verklaring heeft [dhr. B.] nog gesteld dat, ook al is deze verklaring niet door hem ondertekend, [dhr. C.] zich akkoord heeft verklaard met de inhoud van het gespreksverslag, gezien het einde van die verklaring. Verder heeft [dhr. B.] gesteld dat [dhr. D.] bekend was met de wanprestatie van [dhr. C.] en daarvan heeft geprofiteerd. [dhr. D.] is, aldus [dhr. B.] , op grond van onrechtmatige daad jegens hem aansprakelijk en is gehouden de door hem geleden schade te vergoeden. De aansprakelijkheid van [dhr. D.] volgt, aldus [dhr. B.] , voorts uit de omstandigheid dat [dhr. D.] ongerechtvaardigd is verrijkt, gezien de verduistering van het zeiljacht. De schade bestaat uit de waarde van het zeiljacht ten bedrage van € 139.000,00 en uit al hetgeen [dhr. B.] in de hoofdzaak verplicht is aan [dhr. A] te betalen. Indien de rechtbank oordeelt dat [dhr. D.] te goeder trouw was, dan dient [dhr. D.] in ieder geval een bedrag van € 82.500,00 (het bedrag dat [dhr. D.] van [dhr. A] heeft verkregen als koopsom) aan [dhr. B.] te vergoeden. Tot slot heeft [dhr. B.] gesteld dat [dhr. D.] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat hij een gestolen dan wel door verduistering verkregen zeiljacht heeft doorverkocht.

5.34.

[dhr. D.] heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [dhr. B.] . Hij heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat hij niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat [dhr. B.] eigenaar was van het zeiljacht. Volgens [dhr. D.] bleek uit alle gebruikelijke documenten, zoals de "bill of sale", het verzekeringsbewijs, het marifooncertificaat, en uit de documenten van de beslaglegging door [E] dat [dhr. C.] eigenaar van het zeiljacht was. Daarnaast heeft [dhr. C.] verklaard eigenaar te zijn van het zeiljacht en heeft hij het zeiljacht volgens de tekst van de koopovereenkomst vrij van rechten van derden verkocht. Uit een nieuwsbrief van mei 2016, waarin [dhr. C.] aangaf dat hij 5 nieuwe Dufour jachten had gekocht, leidde [dhr. D.] bovendien destijds af dat het financieel kennelijk goed ging met [dhr. C.] . Uit artikel 5 en 6 van het "Investitionsvertrag" en artikel 2 van het "Sicherungsübereignungsvertrag" blijkt voorts dat [dhr. C.] eigenaar was van het zeiljacht. Daarenboven is [dhr. B.] nimmer eigenaar geweest van het zeiljacht, zodat [dhr. D.] geen inbreuk heeft kunnen maken op een recht van [dhr. B.] . Voorts heeft [dhr. D.] betwist dat hij heeft geprofiteerd van de wanprestatie van [dhr. C.] en dat hij kennis had dan wel behoorde te hebben van enig contract tussen [dhr. C.] en [dhr. B.] . Verder heeft [dhr. D.] betwist dat [dhr. B.] schade heeft geleden, waarvoor [dhr. D.] aansprakelijk zou zijn. Ten aanzien van de verklaring van [dhr. C.] van 14 december 2016 heeft [dhr. D.] in het kader van zijn verweer gesteld dat deze niet is ondertekend door [dhr. C.] , dat deze ook niet op enig briefpapier is opgemaakt en dat [dhr. C.] niet de verklaring heeft afgegeven zoals deze op schrift is gesteld. De volgens de verklaring door [dhr. C.] beweerdelijk overeengekomen optie om beide schepen terug te kunnen kopen tot 31 oktober is, aldus [dhr. D.] , niet juist, omdat deze terugkoopoptie niet is gegeven en ook niet op papier is vastgelegd. Tot slot heeft [dhr. D.] betwist dat sprake is geweest van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [dhr. D.] heeft hij het zeiljacht voor een bedrag van € 82.500,00 gekocht van [dhr. C.] en doorverkocht aan [dhr. A] en is van diefstal geen sprake geweest.

5.35.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Op grond van artikel 150 Rv ligt het op de weg van [dhr. B.] om gemotiveerd te stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting - te bewijzen dat [dhr. D.] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, inhoudende dat hij wist dan wel had kunnen en behoren te vermoeden dat [dhr. B.] eigenaar was van het zeiljacht en dat [dhr. D.] bekend was met een wanprestatie van [dhr. C.] jegens [dhr. B.] . [dhr. B.] heeft in dat verband verwezen naar de verklaring van [dhr. C.] van 14 december 2016. [dhr. D.] heeft de juistheid daarvan gemotiveerd betwist. Volgens deze verklaring heeft [dhr. C.] verklaard dat hij met [dhr. D.] een terugkoopmogelijkheid met betrekking tot onder meer het zeiljacht had afgesproken. Uit de overgelegde gedingstukken, in het bijzonder de overeenkomst van 23 mei 2016, blijkt echter niet dat [dhr. C.] en [dhr. D.] een dergelijke afspraak met elkaar hebben gemaakt. Daar komt bij dat de verklaring niet door [dhr. C.] is ondertekend en dat [dhr. C.] zich in deze procedure ook niet heeft gesteld om zijn kant van het verhaal te vertellen. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [dhr. C.] , waardoor daaraan niet de waarde kan worden gehecht die [dhr. B.] daaraan toekent. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [dhr. C.] [dhr. D.] erop heeft gewezen dat [dhr. B.] eigenaar van het zeiljacht is, zoals in de verklaring van [dhr. C.] is opgenomen. Evenmin is komen vast te staan dat [dhr. B.] [dhr. D.] voorafgaand aan de aankoop van het zeiljacht door [dhr. D.] van [dhr. C.] en de doorverkoop door [dhr. D.] aan [dhr. A] heeft verteld dat hij eigenaar is van het zeiljacht en dat hij hem meerdere malen heeft gebeld om navraag te doen naar de aanwezigheid van het zeiljacht. [dhr. B.] heeft dit weliswaar gesteld, maar heeft dit - na de gemotiveerde betwisting door [dhr. D.] - niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat in alle door [dhr. D.] genoemde gebruikelijke documenten en de stukken met betrekking tot de beslaglegging op het zeiljacht wordt vermeld dat [dhr. C.] eigenaar was van het zeiljacht. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat niet is komen vast te staan dat [dhr. D.] wist, dan wel had kunnen en behoren te vermoeden, dat [dhr. B.] eigenaar was van het zeiljacht en dat [dhr. C.] een wanprestatie pleegde jegens [dhr. B.] door het zeiljacht desondanks te verkopen als ware het zijn eigendom.

5.36.

Nu niet is komen vast te staan dat [dhr. D.] jegens [dhr. B.] onrechtmatig heeft gehandeld, bestaat er ingevolge artikel 6:162 lid 1 BW voor [dhr. D.] geen verplichting tot vergoeding van door [dhr. B.] geleden schade.

5.37.

Aan zijn beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft [dhr. B.] verduistering (dan wel diefstal) ten grondslag gelegd. Omdat niet is komen vast te staan dat het zeiljacht door verduistering (of diefstal) is verkregen door [dhr. D.] , passeert de rechtbank het beroep hierop.

5.38.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vorderingen van [dhr. B.] op [dhr. D.] afwijzen.

[dhr. B.] - [dhr. C.]

5.39.

Ten aanzien van [dhr. C.] heeft [dhr. B.] - samengevat - gesteld dat [dhr. C.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat hij een inbreuk op zijn eigendomsrecht heeft gemaakt en omdat hij heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Door het zeiljacht te verkopen heeft [dhr. C.] , aldus [dhr. B.] , bewust het risico in het leven geroepen dat [dhr. D.] - als handelaar in zeiljachten - het zeiljacht aan een derde te goeder trouw zou verkopen.

5.40.

[dhr. C.] heeft, omdat hij niet is verschenen, geen verweer gevoerd. Ondanks het ontbreken van een verweer ziet de rechtbank gezien hetgeen hiervoor in de hoofdzaak is geoordeeld aanleiding om als volgt te overwegen. Omdat in de hoofdzaak is vastgesteld dat [dhr. B.] geen eigenaar van het zeiljacht is geworden, kan van een inbreuk op zijn eigendomsrecht geen sprake zijn. Van onrechtmatig handelen door [dhr. C.] is in zoverre dan ook geen sprake. De rechtbank acht het echter wel aannemelijk dat [dhr. C.] overigens heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voldoende is komen vast te staan [dhr. C.] niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens [dhr. B.] uit hoofde van het Investitionsvertrag heeft voldaan. Het tot zekerheid strekkende zeiljacht is inmiddels eigendom van [dhr. A] , zodat [dhr. B.] daarop niet meer zijn rechten jegens [dhr. C.] te gelde kan maken. Door toedoen van [dhr. C.] heeft [dhr. B.] geen verhaalsmogelijkheid meer op het zeiljacht. De rechtbank acht dit handelen onrechtmatig en houdt [dhr. C.] aansprakelijk voor de ten gevolge hiervan door [dhr. B.] geleden schade. Gelet daarop zal de rechtbank de vorderingen van [dhr. B.] op [dhr. C.] dan ook toewijzen.

De proceskosten

[dhr. B.] - [dhr. D.]

5.41.

[dhr. B.] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de procedure tussen hem en [dhr. D.] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [dhr. D.] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.545,00

- salaris advocaat € 3.414,00 (2 punten x tarief V € 1.707,00)

€ 4.959,00.

5.42.

De door [dhr. D.] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

[dhr. B.] - [dhr. C.]

5.43.

zal als de in het ongelijk te stellen partij in de procedure tussen hem en [dhr. B.] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [dhr. B.] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 157,31

- griffierecht € 660,00

- salaris advocaat € 1.707,00 (1 punt × tarief V € 1.707,00)

Totaal € 2.524,31.

5.44.

De door [dhr. B.] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

Vertaalkosten

5.45.

[dhr. B.] heeft voorts vergoeding van de vertaalkosten van het exploot van de dagvaarding in de Duitse taal gevorderd. De vordering tot vergoeding van de vertaalkosten is niet toewijsbaar, nu deze kosten niet vallen onder de proceskosten als bedoeld in de artikelen 237 e.v. Rv (Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668) en daarvoor geen andere rechtsgrond is aangevoerd.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat het zeiljacht [dhr. A] in eigendom toebehoort;

6.2.

verplicht [dhr. B.] tot afgifte van het zeiljacht, waarbij [dhr. A] gemachtigd wordt

ex artikel 3:299 BW om het zeiljacht zelf bij de bewaarnemer op te halen, waarmee de gerechtelijke bewaring ook gelijktijdig wordt beëindigd en [dhr. A] wordt gemachtigd het zeiljacht zelf in ontvangst en bezit te nemen, op kosten van [dhr. B.] ;

6.3.

veroordeelt [dhr. B.] tot vergoeding aan [dhr. A] van de schade, die hij ten gevolge van de onrechtmatige handeling van [dhr. B.] , bestaande uit het wegnemen van het zeiljacht, heeft geleden, op te maken bij staat;

6.4.

veroordeelt [dhr. B.] tot betaling aan [dhr. A] van een voorschot op de reeds geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.5.

veroordeelt [dhr. B.] in de kosten in conventie en in het incident, aan de zijde van [dhr. A] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 2.879,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.6.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

6.7.

wijst de vorderingen van [dhr. B.] af;

6.8.

veroordeelt [dhr. B.] in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van [dhr. A] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 678,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.9.

veroordeelt [dhr. B.] in de na dit vonnis in reconventie ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [dhr. B.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis in reconventie heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

in de zaak in vrijwaring

[dhr. B.] - [dhr. D.]

6.10.

wijst de vorderingen van [dhr. B.] op [dhr. D.] af;

6.11.

veroordeelt [dhr. B.] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [dhr. D.] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 4.959,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.12.

veroordeelt [dhr. B.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [dhr. B.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

[dhr. B.] - [dhr. C.]

6.13.

veroordeelt [dhr. C.] om aan [dhr. B.] te betalen al hetgeen waartoe [dhr. B.] in de hoofdzaak jegens [dhr. A] is veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling;

6.14.

veroordeelt [dhr. C.] om aan [dhr. B.] het bedrag van € 139.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.15.

veroordeelt [dhr. C.] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [dhr. B.] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 2.524,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.16.

veroordeelt [dhr. C.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [dhr. C.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

[dhr. B.] , [dhr. D.] en [dhr. C.]

6.17.

verklaart dit vonnis in de vrijwaringszaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.18.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op

4 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.