Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2581

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
C/17/155549 / HA ZA 17-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

WSNP. Geen persoonlijke aansprakelijkheid bewindvoerder jegens schuldeiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/155549 / HA ZA 17-144

Vonnis van 4 juli 2018

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser 1] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en haar beherend vennoten:

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJKSWEG AUTO'S B.V.,

gevestigd te Herbaijum ,

eisers,

advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU BENEDICTUS B.V.,

gevestigd te Garyp ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

behandelend advocaat mr. M.J.G. Boender-Lamers te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , Rijksweg Auto's, Bureau Benedictus, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden. [eiser 1] , [eiser 1] en Rijksweg Auto's zullen gezamenlijk [eisers] genoemd worden. Bureau Benedictus, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen gezamenlijk Bureau Benedictus c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 augustus 2017,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2017 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] van 3 januari 2018,

  • -

    de conclusie van repliek van [eisers] van 28 februari 2018,

  • -

    de conclusie van dupliek van Bureau Benedictus c.s. van 11 april 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] houdt zich bezig met de handel in- en reparatie van auto's. Een deel van de auto's verhandelt [eisers] via zakelijke relaties. Eén van de zakenpartners van

[eisers] was de heer [de zakenpartner] (hierna: [de zakenpartner] ).

2.2.

[eisers] is op enig moment bekend geworden met het feit dat [de zakenpartner] de opbrengst van de door hem aan derden verkochte auto's van [eisers] , niet meer aan [eisers] afdroeg. [eisers] heeft vervolgens aanvullende zekerheid voor zijn vordering op [de zakenpartner] verkregen, in de vorm van een tweede hypothecaire inschrijving op het bedrijfspand en de woning van [de zakenpartner] te [woonplaats] .

2.3.

In november 2011 en februari 2012 heeft [eisers] executoriale beslagen gelegd op roerende goederen van [de zakenpartner] . Na de beslaglegging is [eiser 1] ermee bekend geworden dat [de zakenpartner] roerende goederen aan de gerechtelijke beslagen heeft onttrokken.

2.4.

Ten aanzien van [de zakenpartner] en mevrouw [Echtgenote van de zakenpartner] is met ingang van 6 maart 2012 de Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (hierna: WSNP) van toepassing verklaard, met benoeming van [gedaagde 2] tot bewindvoerder. [gedaagde 3] is, met instemming van de rechter-commissaris, als uitvoerend bewindvoerder opgetreden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn in dienst van Bureau Benedictus.

2.5.

Bij brief van 6 maart 2012 heeft [gedaagde 3] [eiser 1] verzocht haar vordering ter verificatie in te dienen. Blijkens het aanvangsverslag van 19 maart 2012 van [gedaagde 3] is op verzoek van [eiser 1] beslag gelegd op auto's van [de zakenpartner] en zijn de beslagen goederen volgens de beslaglegger verkocht zonder haar toestemming. In het verslag staat vermeld dat de beslaglegger hiervan aangifte heeft gedaan op 23 februari 2012, alsmede dat er proces-verbaal is opgemaakt.

2.6.

Bij brief van 19 maart 2012 heeft [eisers] de betreffende processen-verbaal aan de rechter-commissaris toegezonden en de rechter-commissaris verzocht om 'het verzoek [van [de zakenpartner] c.s.] tot toelating schuldsanering niet ontvankelijk te verklaren'.

2.7.

Op 19 maart 2012 heeft [gedaagde 3] [eisers] geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van de registergoederen van [de zakenpartner] . Daarbij was een taxatierapport gevoegd, dat in het kader van de schuldsanering was opgesteld, met betrekking tot het bedrijfspand van [de zakenpartner] te [woonplaats] , bestaande uit een showroom, kantoren, werkplaats, wasstraat, magazijnruimte en een bedrijfswoning. De executiewaarde bedroeg volgens de taxatie

€ 210.000,00 en de onderhandse verkoopwaarde € 350.000,00. In het rapport wordt op meerdere plaatsen melding gemaakt van bodemvervuiling. De garage had voorheen als tankstation gefungeerd. Ondanks dat het perceel in 1997 was gesaneerd, bleek nog sprake te zijn van verontreiniging. In overleg met Rabobank, die eerste hypotheekhouder was voor een bedrag dat de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde te boven ging, is het bedrijfspand bij Ares Makelaardij in de verkoop gekomen. Het pand is op 30 maart 2012 aangemeld op de website [naam website] .

2.8.

Bij brief van 2 april 2012 heeft [eisers] [gedaagde 3] onder meer meegedeeld dat [de zakenpartner] niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling had mogen worden toegelaten, omdat [de zakenpartner] een Mercedes zou hebben onttrokken aan het door de deurwaarder namens [eiser 1] gelegde executoriaal beslag. Voorts staat in de brief vermeld:

"P.s. Het komt mij zeer voorbarig over dat er een Makelaar, bij mij bekend, in [woonplaats] rondloopt die het pand van [de zakenpartner] aanbiedt en erbij vertelt dat het voor een bod van om en nabij de executiewaarde, bij de bewindvoerder wel los te krijgen is, waarvan akte."

2.9.

[gedaagde 3] heeft [eisers] bericht onderzoek in te stellen naar de feitelijke gang van zaken. [gedaagde 3] heeft in dit verband aan de rechter-commissaris voorgesteld om een boekenonderzoek te laten uitvoeren. De rechter-commissaris heeft hiermee ingestemd op

4 april 2012. [eiser 1] kon zich niet vinden in de door [gedaagde 3] gehanteerde aanpak en heeft, door middel van brieven, zijn beklag gedaan bij [gedaagde 3] en bij de rechter-commissaris.

2.10.

In oktober 2012 is besloten de vraagprijs van het bedrijfspand van [de zakenpartner] te [woonplaats] te verlagen naar € 280.000,00. Rabobank heeft op dat moment aangegeven tot parate executie te willen overgaan, indien het pand niet op korte termijn onderhands zou worden verkocht. De makelaar verwachtte dat het pand vanwege de bodemvervuiling op een veiling een laag bedrag zou opleveren, waarop Rabobank de makelaar heeft verzocht op zoek te gaan naar een handelaar.

2.11.

In november 2012 is het boekenonderzoek van start gegaan.

2.12.

In het voorjaar van 2013 heeft een projectontwikkelaar, de heer [naam projectontwikkelaar] (hierna: [projectontwikkelaar] ) van de Friese Vastgoedmij B.V., een bod op het pand uitgebracht van

€ 170.000,00. [gedaagde 3] heeft dit bod eerst aan Rabobank voorgelegd, waarbij hij de bank erop heeft gewezen dat uit het taxatierapport volgt dat bij de vaststelling van de waarden in dat rapport rekening was gehouden met de bodemverontreiniging. De heer [naam mederwerker] , werkzaam bij Rabobank, heeft op 20 februari 2013 per e-mail aan [gedaagde 3] meegedeeld:

"Vanmiddag heb ik gesproken met de heer [naam medewerker] van Ares Makelaardij.

Hij heeft mij aangegeven in het taxatierapport wel melding te maken van de bodemverontreiniging. Echter aangezien hier geen concrete waardevermindering uitgedrukt in euro's voor aan te geven is, is dit niet verwerkt in de taxatiewaardes (onzekere factor).

Tevens heeft hij mij aangegeven gezien de staat van het object, de alternatieve aanwendbaarheid, de huidige marktsituatie en de risico's van bodemverontreiniging het een reële prijs vind.

De bank neigt derhalve om akkoord te geven voor het bod. Dit dient eerst intern goedgekeurd te worden."

2.13.

Op 20 februari 2013 heeft de rechter-commissaris aan [eisers] meegedeeld:

"Zoals onder uw aandacht is gebracht zijn de door u beschreven zaken thans in onderzoek, waarvoor de rechter-commissaris op 4 april 2012 toestemming heeft verleend. Dat dit onderzoek pas in dit stadium ter hand is genomen valt te betreuren, maar dit tijdsverloop is niet ontstaan wegens nalatigheid aan de zijde van de heer [gedaagde 3]

De aanpak van de heer [gedaagde 3] - waaronder mede is begrepen de wijze waarop hij uw brieven beantwoord, acht ik tot dusver in overeenstemming met wat in redelijkheid van een bewindvoerder mag worden verlangd. Ik zie dan ook geen aanleiding om daarop in te grijpen."

In het voorjaar van 2013 is het boekenonderzoek afgerond.

2.14.

Op 7 maart 2013 heeft Rabobank [gedaagde 3] laten weten dat zij instemde met het bod van Friese Vastgoedmij B.V. Nadat de rechter-commissaris toestemming had verleend voor de verkoop van het bedrijfspand te [vestigingsplaats] , is in maart 2013 de koopovereenkomst gesloten.

2.15.

[eisers] is in zijn hoedanigheid van tweede hypotheekhouder door de notaris verzocht om toestemming te verlenen voor het royement van de tweede hypothecaire inschrijving. Begin juni 2013 heeft [eisers] , bij monde van zijn toenmalige advocaat

mr. Van Bommel, een bod uitgebracht van € 172.000,00. Op 4 juni 2013 heeft [gedaagde 3] dit bod telefonisch voorgelegd aan Rabobank. Rabobank heeft vastgehouden aan de koopovereenkomst met de Friese Vastgoedmij B.V. Op 10 juni 2013 is dit schriftelijk medegedeeld aan mr. Van Bommel.

2.16.

Op 12 juni 2013 heeft de notaris aan [gedaagde 3] bevestigd dat [eisers] de royementsvolmacht had ondertekend. Op 14 juni 2013 heeft de levering van het bedrijfspand plaatsgevonden.

2.17.

In oktober 2013 is [de zakenpartner] strafrechtelijk veroordeeld voor het onttrekken van voertuigen aan het beslag. In januari 2014 heeft [gedaagde 3] [de zakenpartner] opgeroepen voor verhoor.

In het voorjaar van 2014 heeft [eisers] een verzoekschrift ingediend tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Op 21 mei 2014 heeft rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de zakenpartner] beëindigd.

2.18.

[eiser 1] heeft op 4 juni 2015 een klacht over [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad). Bij beslissing van 22 januari 2016 heeft de Raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. In dit verband heeft de Raad onder meer overwogen:

"(…) dat de beklaagden zich zodanig hebben gedragen en gehandeld dat de schijn van partijdigheid kon worden gewekt. De vele (onderbouwde) waarschuwingen van u, althans [eiser 1] , zijn vrijwel stelselmatig genegeerd en beklaagde sub 2 (rb: [gedaagde 3] ) bleef het, ongefundeerd, opnemen voor [de zakenpartner] c.s.

(…)

Ten aanzien van artikel 6 oordeelt de Commissie aanvullend dat de professionele deskundigheid van de heer

[gedaagde 3] tekort lijkt te schieten. Hij is zich niet bewust geweest van het feit dat sprake is geweest van een Actio Pauliana en hij heeft nagelaten een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsanering in te dienen toen vastgesteld werd dat de schuldenaar activa aan de boedel had onttrokken.

Verder is de Commissie van oordeel dat de doelmatigheid lijkt te ontbreken. Het boekenonderzoek in de schuldsanering is te laat opgestart en heeft te veel tijd in beslag genomen. Het feit dat er in eerste instantie geen boedelsaldo aanwezig was waarmee de kosten van het boekenonderzoek voldaan zouden kunnen worden, is geen reden om het onderzoek niet of te laat op te starten. Een kort onderzoek (wellicht al in het traject voorafgaand aan de wettelijke schuldsaneringsregeling) had al kunnen leiden tot de conclusie dat [de zakenpartner] c.s. zich schuldig had gemaakt aan fraude en misschien een afwijzing op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling."

3 De vordering

3.1.

[eisers] vordert, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Bureau Benedictus c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eisers] een bedrag van € 166.780,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

3.2.

Bureau Benedictus c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling

4.1.

In geschil is of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld, alsmede of Bureau Benedictus, als werkgever van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] daarvoor aansprakelijk is. [eisers] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , verkort weergegeven, dat zij (1) hebben nagelaten adequaat in te grijpen door de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de zakenpartner] , ondanks Paulianeus handelen van [de zakenpartner] , niet tussentijds te beëindigen, waardoor zij de schijn van partijdigheid hebben gewekt en (2) dat zij het bedrijfspand van [de zakenpartner] te [woonplaats] , ondanks het (hoogste) bod van [eisers] van € 172.000,00, niet aan [eisers] hebben gegund, zodat [eisers] het pand niet kon doorverkopen aan de heer [naam koper] (hierna: [naam koper] ), een projectontwikkelaar, voor een bedrag van € 325.000,00. [eisers] stelt dat hij door de handelwijze van Bureau Benedictus c.s. schade heeft geleden. [eisers] begroot zijn schade op € 153.000,00 aan gederfde winst (geen doorverkoop aan [naam koper] ), alsmede een bedrag van € 13.780,00 voor de tijd die [eisers] heeft moeten besteden aan het schrijven van brieven aan de bewindvoerder en de rechter-commissaris (200 uur x € 65,00 per uur, exclusief BTW). Bureau Benedictus c.s. wijst iedere aansprakelijkheid van de hand. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten, overweegt de rechtbank als volgt.

[gedaagde 2]

4.2.

[eisers] heeft ter zitting gesteld dat [gedaagde 2] abusievelijk in haar hoedanigheid van bewindvoerder is gedagvaard en niet in persoon. [eisers] heeft daarom verzocht om daar waar in de processtukken "q.q." staat, "pro se" te lezen. De rechtbank gaat er vanuit dat de aansprakelijkstelling van [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van bewindvoerder een verschrijving betreft die kenbaar was voor Bureau Benedictus c.s., omdat ten tijde van de dagvaarding de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de zakenpartner] al was beëindigd en [gedaagde 2] dus niet meer de hoedanigheid van bewindvoerder had. Nu Bureau Benedictus c.s. hierdoor niet in haar verdediging is geschaad, zal de rechtbank het verzoek van [eisers] honoreren.

4.3.

De vraag of [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk is, dient te worden beantwoord aan de hand van de zogenaamde Maclou-norm (vgl. HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047). Op grond van deze norm dient de bewindvoerder te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Als uitganspunt heeft daarbij te gelden dat aan de bewindvoerder, voor zover hij niet gebonden is aan regels, een ruime mate van vrijheid toekomt. Hij dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Bij de toepassing van de Maclou-norm heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of, uitgaande van voornoemde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is vereist dat de bewindvoerder ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen, waarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft, terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien (vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204).

4.4.

Onweersproken is door [gedaagde 2] tot haar verweer aangevoerd dat zij pas inhoudelijk betrokken is geraakt bij de onderhavige kwestie op het moment dat de op [de zakenpartner] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling tussentijds was beëindigd door de rechtbank. Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde 2] , in de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing was, onvoldoende toezicht heeft gehouden op de handelwijze van uitvoerend bewindvoerder [gedaagde 3] , zijn gesteld noch gebleken.

[eisers] heeft niet geconcretiseerd welke handelingen van [gedaagde 2] in strijd zijn met voornoemde Maclou-norm. Ook is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 2] persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, zodat de vorderingen tegen [gedaagde 2] dienen te worden afgewezen.

[gedaagde 3]

(1) Schijn van partijdigheid

4.5.

De vraag of de gestelde schijn van partijdigheid van [gedaagde 3] vanwege het niet vroegtijdig verzoeken om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de zakenpartner] , voldoende is voor de conclusie dat [gedaagde 3] persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt, dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord. [gedaagde 3] kan geen verwijt worden gemaakt van de omstandigheid dat hij een boekenonderzoek heeft laten uitvoeren, naar aanleiding van de stelling van [eisers] dat [de zakenpartner] voertuigen zou hebben onttrokken aan het namens [eisers] gelegde executoriaal beslag op die voertuigen. Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde 3] op dat moment had moeten volstaan met een kort onderzoek naar het gestelde frauduleuze handelen van [de zakenpartner] , zijn de rechtbank niet, althans onvoldoende gebleken. [eisers] heeft niet geconcretiseerd welke (onweerlegbare) bewijsstukken hij in april 2012 aan [gedaagde 3] zou hebben gestuurd ter onderbouwing van zijn stelling ter zake. Dit had, gelet op het verweer van [gedaagde 3] , wel op de weg van [eisers] gelegen. Nu [eisers] dit heeft nagelaten is niet komen vast te staan dat de beslissing om (eerst) een (uitgebreid) boekenonderzoek uit te (laten) voeren in de gegeven omstandigheden niet tot de vrijheid van [gedaagde 3] behoorde.

4.6.

De omstandigheid dat het boekenonderzoek pas in november 2012 is gestart, acht de rechtbank niet zodanig traag of onzorgvuldig dat dit onrechtmatig is jegens [eisers] Ook de omstandigheid dat [gedaagde 3] na afronding van het boekenonderzoek niet direct tot indiening van een verzoek om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is overgegaan, brengt op zichzelf genomen niet mee dat [gedaagde 3] in strijd met de Maclou-norm heeft gehandeld. De rechtbank neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat niet valt in te zien welk zwaarwegend belang werd geschaad doordat niet onverwijld, maar na enige tijd is verzocht om beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Bovendien kan niet worden gezegd op grond waarvan [gedaagde 3] naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek enkel tot de conclusie had kunnen komen dat [de zakenpartner] frauduleus had gehandeld. [de zakenpartner] was op dat moment ook nog niet strafrechtelijk veroordeeld. De rechter-commissaris heeft in de uitkomsten van het boekenonderzoek kennelijk evenmin aanleiding gezien om [de zakenpartner] op te roepen voor verhoor of voor te dragen voor tussentijdse beëindiging. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 3] dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat hij in redelijkheid niet tot de door hem gekozen gedragslijn heeft kunnen komen. Van partijdig handelen was geen sprake. Het feit dat de Raad voor Rechtsbijstand de tuchtklacht van [eisers] jegens [gedaagde 3] gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, doet daar niet aan af. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid worden andere maatstaven gehanteerd dan bij de beoordeling van de tuchtklacht. Daargelaten de eigen afweging die de rechtbank over de gedragslijn van [gedaagde 3] heeft gemaakt, geldt bovendien dat de verwijten die de Raad voor Rechtsbijstand gegrond heeft bevonden, niet van voldoende gewicht zijn om tot persoonlijke aansprakelijkheid jegens [eisers] te leiden.

(2) Bedrijfspand te [vestigingsplaats]

4.7.

De stelling van [eisers] dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door het bedrijfspand van [de zakenpartner] niet aan [eisers] te gunnen, zal de rechtbank als onvoldoende adequaat onderbouwd passeren. Het bedrijfspand van [de zakenpartner] werd vanaf 30 maart 2012 te koop aangeboden door de makelaar. [eisers] was daarmee bekend, zoals blijkt uit de onder 2.7 en 2.8 genoemde brieven. Desondanks heeft [eisers] zich niet tot de makelaar gewend en een concreet bod uitgebracht, althans niet eerder dan na het sluiten van een koopovereenkomst met Friese Vastgoedmij B.V. in maart 2013. Dit terwijl [eisers] in april 2012 naar eigen zeggen wel op de hoogte was van de mogelijkheid om het pand voor een lagere prijs dan de vraagprijs te kopen. De stelling van [eisers] dat hij [gedaagde 3] in april 2012 (telefonisch) heeft laten weten dat hij het bedrijfspand voor een bedrag van (rond de)€ 170.000,00 wilde hebben, als het pand voor dat bedrag zou worden verkocht, is gemotiveerd betwist door [gedaagde 3] . Dit volgt ook niet uit de brief van [eisers] van 2 april 2012 aan [gedaagde 3] (zie 2.8.), waarnaar [eisers] in dit verband heeft verwezen. Het is ook niet aannemelijk omdat niet is uitgelegd waarom [eisers] na april 2012 niets van zich heeft laten horen en geen formeel bod (bij de makelaar) heeft uitgebracht, als hij daadwerkelijk het pand voor die prijs wilde verwerven, en evenmin de rechter-commissaris heeft benaderd, indien hij bij [gedaagde 3] geen gehoor vond. Gelet op deze omstandigheden is er onvoldoende grond om [gedaagde 3] te verwijten dat deze in of omstreeks april 2012 het pand niet voor een bedrag van (rond de) € 170.000,00 aan [eisers] heeft willen gunnen.

4.8.

Nu [eisers] pas na de totstandkoming van voornoemde koopovereenkomst een concreet bod op het bedrijfspand heeft uitgebracht van € 172.000,00, kan [eisers]

[gedaagde 3] niet het verwijt maken dat het bedrijfspand niet alsnog aan [eisers] is gegund. Er was immers al een koopovereenkomst met een derde gesloten.

4.9.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld.

4.10.

Daarbij komt nog dat het onaannemelijk is dat [eisers] het pand voor

€ 325.000,00 aan [naam koper] zou hebben kunnen verkopen. Zonder afdoende toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [naam koper] bereid zou zijn om dat pand van [eisers] te kopen voor een dergelijk hoog bedrag, zelfs boven de vraagprijs vanaf oktober 2012, terwijl hij het pand zonder tussenkomst van [eisers] en zo nodig met tussenkomst van een ander voor een veel lager bedrag had kunnen verwerven. Voor het aannemen van die bereidheid zijn ook geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht. Het is dus niet komen vast te staan dat [eisers] de beweerde schade heeft geleden.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dienen te worden afgewezen. Daaruit volgt dat ook de vorderingen jegens Bureau Benedictus als werkgever van hen evenmin toewijsbaar zijn.

4.12.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bureau Benedictus c.s. worden vastgesteld op:

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 5.121,00 (3 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 9.015,00.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Bureau Benedictus B.V. c.s. tot op heden begroot op € 9.015,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.1

1 type: 698/ah coll: