Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2577

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4801
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:6895, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Correctie dividenduitkering vervalt ogv het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-07-2018
V-N Vandaag 2018/1498
FutD 2018-1940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4801

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2009 met dagtekening 13 december 2014 aan eiseres een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 31.072 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting een pleitnota met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] , [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres was in het onderhavige jaar gehuwd met [Y] ( [Y] ). [Y] hield in 2009 alle aandelen in [A] Holding BV. Deze vennootschap hield alle aandelen in [B] [A] BV en 95% van de aandelen in [C] BV. De overige 5% van de aandelen in [C] BV werden tot 21 juli 2009 gehouden door [D] Vastgoed BV. Vanaf 21 juli 2009 werden deze overige 5% van de aandelen gehouden door [E] U.A., waarvan de lidmaatschapsrechten eigendom zijn van eiseres en haar drie dochters.

1.2.

Eiseres heeft op 14 januari 2013 aangifte IB/PV voor het jaar 2009 gedaan naar belastbare inkomens van nihil. Met dagtekening 27 februari 2013 heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 overeenkomstig deze aangifte vastgesteld.

1.3.

De FIOD heeft tijdens een bij [Y's] financieel en fiscaal adviseur, de heer [S] , ingesteld onderzoek 48.599 stukken in beslag genomen. Sinds oktober 2014 heeft verweerder kennis kunnen nemen van die stukken. Verweerder heeft tijdens een onderzoek naar die stukken onderdelen van de administratie van de vennootschappen van [Y] aangetroffen. Naar aanleiding van een, op dat moment nog niet afgerond, onderzoek naar die stukken heeft verweerder bij brief van 12 november 2014 aan [Y] verzocht om een aantal vragen te beantwoorden. Daarnaast heeft verweerder in deze brief aangekondigd dat aan [Y] en eiseres, wegens het verstrijken van de termijn daarvoor, alvast een navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 2009 zal worden opgelegd. Verweerder heeft hierbij meegedeeld dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als volgt zal worden vastgesteld:

Loods

275.000

Rekening courant [A] Holding B.V. ultimo 2009

200.782

Verkregen vordering

1.000.000

Rekening courant [B] [A] B.V.

76.760

Totaal

1.552.542

Afgerond op

1.600.0000

Van dit bedrag zal 50% tot eiseres’ belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang worden gerekend. De overige 50% zal tot het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van eiseres’ echtgenoot worden gerekend.

1.4.

Met dagtekening 13 december 2014 heeft verweerder aan eiseres de aangekondigde navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000.

1.5.

Verweerder heeft aan eiseres tevens een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd. Verweerder is gedeeltelijk aan het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres tegemoetgekomen. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van eiseres en haar echtgenoot als volgt vastgesteld:

Rekening courantschuld [A] Holding BV

590.231

Rekening-courantschuld [B] [A] BV

92.796

Dividenduitkering [C]

1.100.000

Totaal

1.783.027

Eiseres heeft tegen deze uitspraak op bezwaar geen beroep ingesteld.

1.6.

Eiseres heeft bij brief van 12 december 2014, ontvangen door verweerder op 31 december 2014, bezwaar gemaakt tegen de navorderingaanslag IB/PVV voor het jaar 2009.

1.7.

Verweerder heeft bij brief van 22 juni 2015 aan eiseres vragen gesteld, die uiterlijk 18 juli 2015 beantwoord moesten worden. Verweerder heeft hierbij onder meer verzocht om een gedetailleerd overzicht van alle vorderingen van [Y] op en schulden van [Y] aan [A] Holding BV, [B] [A] BV en [C] BV. Daarnaast heeft verweerder verzocht om een overzicht van door [Y] ontvangen dividenden. Verder heeft verweerder verzocht om de waarde van de bij 1.13 bedoelde woning te onderbouwen.

1.8.

Bij brief van 16 juli 2015 heeft eiseres’ gemachtigde verzocht om voor de beantwoording van de bij 1.8 bedoelde vragen vier weken uitstel te verlenen. Verweerder heeft bij brief van 14 augustus 2015 eiseres’ gemachtigde verzocht om vóór 29 augustus 2015 te reageren op de brief van 22 juni 2015.

1.9.

Omdat de beantwoording van verweerders brieven van 22 juni 2015 en 14 augustus 2015 uitbleef, heeft verweerder aan eiseres met dagtekening 29 september 2015 een informatiebeschikking gegeven met betrekking tot beslissing op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009. Hierbij heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde informatie binnen drie weken te verstrekken.

1.10.

Bij brief van 19 oktober 2015 heeft eiseres’ gemachtigde verzocht om de gegeven termijn van drie weken te verlengen vanwege de omstandigheid dat eiseres niet alle informatie ter beschikking heeft. Bij brief van 28 oktober 2015 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

1.11.

Bij de uitspraak op bezwaar van 2 november 2016 inzake de navorderingsaanslag heeft verweerder onder het kopje “Beoordeling van het bezwaar” bij de paragrafen 5.10 en 5.11 het volgende meegedeeld:

Dividenduitkering [C] BV

5.10.

Uit de feiten zoals beschreven in de paragrafen 4.11. en 4.12. blijkt, dat de heer [Y] tussen 1 januari 2009 en 27 maart 2010 van [C] BV, die was opgenomen in de fiscale eenheid VPB [A] Holding BV, een dividenduitkering heeft ontvangen van minimaal € 1.100.000. Zoals beschreven in paragraaf 4.7, beschikte de fiscale eenheid over genoeg winstreserves, winsten en te verwachten winsten om een dividenduitkering

van minimaal € 1.100.000 te doen. Van deze uitkering is geen aangifte dividendbelasting ingediend. Ook is deze uitkering niet vermeld in een aangifte inkomstenbelasting van de heer [Y] en/of zijn echtgenote. Tijdens het hoorgesprek heeft u bevestigd dat deze dividenduitkering heeft plaatsgevonden, en wel waarschijnlijk in 2010. Ik heb echter geen

bewijzen van u ontvangen die dat bevestigen. Ik kan daarom niet met zekerheid stellen of dit dividend in 2009, danwel in 2010, danwel gedeeltelijk in beide jaren als regulier inkomen uit aanmerkelijk belang belast moet worden.

5.11.

Ik heb daarom besloten om ter behoud van rechten dit regulier inkomen uit aanmerkelijk belang van €1.100.000 voor beide jaren geheel in stand te houden. Mocht op een later moment onherroepelijk en zonder twijfel vast komen staan dat de betreffende uitdeling ten onrechte meermalen bij de heer [Y] als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang is belast, dan ben ik bereid deze dubbele belasting ambtshalve te verminderen.

1.12.

Bij paragraaf 5.14 van de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag deelt verweerder mee:

“Samenvattend kom ik over het jaar 2010 voor de heer [Y] en zijn partner tot de volgende gezamenlijke voordelen uit aanmerkelijk belang:

R-c schuld [A] Holding BV

590.231

Schulden [B] [A] BV

76.760

Dividenduitkering [C]

1.100.000

Botenloods

225.000

Totaal

1.991.991

Aangezien de heer [Y] en zijn partner dit voordeel niet hebben aangegeven, dient dit voor 50% aan elk van de partners te worden toegewezen, oftewel elk € 995.995. De heer [Y] en zijn partner hebben echter navorderingsaanslagen opgelegd gekregen, waarin een gezamenlijk voordeel uit aanmerkelijk belang is berekend van € 1.600.000. Hiervan is voor € 800.000 aan de heer [Y] toegerekend. Dit inkomen is mogelijk eerder te laag, dan te hoog vastgesteld. Ik handhaaf daarom het vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000.”.

1.13.

Op 16 januari 2009 heeft de heer [M] , zijnde [Y's] vader, een woning aan de [a-straat 1] te [F] geleverd aan Stichting Beheer [a-straat 1] . Bij dezelfde notariële akte heeft [A] Holding BV een botenloods, gelegen naast en achter de woning aan de [a-straat 1] , geleverd aan dezelfde stichting. De totale verkoopprijs bedroeg volgens de notariële akte € 700.000.

1.14.

Uit informatie van de kopers van de woning en de botenloods blijkt dat de kopers en verkopers in eerste instantie in de koopakte een splitsing van de koopsom wilden opnemen van € 375.000 voor het woonhuis en € 325.000 voor de botenloods. Deze splitsing is ook in de conceptkoopakte opgenomen. In de definitieve koopakte is deze splitsing op verzoek van de verkopers komen te vervallen.

1.15.

[taxateur] , Register Taxateur, werkzaam bij de afdeling Waardeonderzoek Zwolle van de Belastingdienst, heeft bij brief van 26 oktober 2016 meegedeeld dat hij op basis van alle verzamelde informatie van makelaars, gemeente, kopers en eigen plaatselijke kennis, inschat dat de koopsom van de woning en botenloods op transactiedatum 16 januari 2009 gelijk verdeeld dient te worden over het woonhuis en de botenloods. Dus € 350.000 voor het woonhuis en € 350.000 voor de bedrijfsruimte.

1.16.

[C] BV heeft op 26 januari 2009 € 694.789 afgelost op haar (hypothecaire) schuld bij De Frieslandbank BV. Daarnaast heeft [C] BV € 600.000 geboekt op de grootboekrekening “1400 Privé firmant A” en een bedrag van € 100.000 op de grootboekrekening “1410 R/C [G] BV”. [A] Holding BV was tot 16 december 2010 genaamd [G] BV.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de correcties met betrekking tot het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang terecht bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 in aanmerking heeft genomen

3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat de correcties met betrekking tot de rekening-courantschuld [A] Holding BV van
€ 590.231 en met betrekking tot de rekening-courantschuld [B] [A] BV van € 76.760 ook bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 in aanmerking zijn genomen. Nu die aanslag inmiddels onherroepelijk vaststaat, heeft verweerder zijn toezegging, dat deze correcties bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 dienen te vervallen (zie bij 1.11), gestand gedaan.

4. Gelet op hetgeen bij 3 is vermeld, zijn alleen de correcties met betrekking tot de “Dividenduitkering [C] ” en “Botenloods” nog in geschil.

5. Naar de rechtbank eiseres begrijpt, bestrijdt zij de correcties als zodanig niet. Eiseres stelt dat, naar de rechtbank haar begrijpt, verweerder kennelijk van oordeel is dat, nu verweerder onder punt 5.14 van zijn uitspraak op bezwaar het jaar 2010 vermeld (zie bij punt 1.12: “Samenvattend kom ik over het jaar 2010…”), het aldaar vermelde inkomen uit aanmerkelijk belang in 2010 en niet in 2009 dient te worden belast. Zoals verweerder aanvoert, acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar per abuis het jaartal 2010 heeft vermeld in plaats van het jaar 2009. Naar het oordeel van de rechtbank was deze verschrijving zodanig kenbaar voor eiseres dat zij er niet op kon vertrouwen dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar zich op het standpunt heeft gesteld dat het vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang zonder meer geheel in het jaar 2010 zou worden belast. De rechtbank verwerpt daarom deze beroepsgrond van eiseres.

6.1

Naar de rechtbank eiseres begrijpt, bedoelt eiseres tevens te stellen dat de door verweerder voor het jaar 2009 toegepaste correcties met betrekking tot het inkomen uit aanmerkelijk belang alleen in het jaar 2010 moeten worden belast, gelet op de door verweerder ter zake gedane toezegging in de uitspraak op bezwaar (zie 1.11.).

6.2

Verweerder stelt ten aanzien van de correctie “Dividenduitkering [C] ” dat de door hem in zijn uitspraak op bezwaar gedane toezegging er niet aan in de weg staat om deze correctie in het jaar 2009 in aanmerking te nemen. Bij nader inzien zijn namelijk aan [Y] dividenduitkeringen toegekend van ten minste € 1.100.000 in het jaar 2009 en ten minste € 1.700.000 in het jaar 2010. De dividenduitkering van ten minste € 1.100.000 betreft de bij paragraaf 5.10 van de uitspraak op bezwaar bedoelde dividenduitkering (zie bij 1.11). Deze dividenduitkering moet volgens verweerder in het jaar 2009 worden belast. Deze is dus ten onrechte in het jaar 2010 in aanmerking genomen. Het bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang zou daarom ambtshalve moeten worden verminderd met de dividenduitkering van € 1.100.000. Echter, zoals verweerder ter zitting stelt, eigenlijk had de dividenduitkering van ten minste
€ 1.700.000 in het jaar 2010 moeten worden belast. Door dit nieuwe feit, moet de ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 met een beroep op interne compensatie achterwege worden gelaten. Nu de in de uitspraak op bezwaar bij 5.11 gedane toezegging op zowel op het jaar 2009 als op het jaar 2010 ziet, is verweerder, gelet op het voorgaande, van mening dat de correctie “Dividenduitkering [C] ” bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 in stand moet worden gelaten.

6.3

De rechtbank leidt uit de paragrafen 5.10 en 5.11 van de uitspraak op bezwaar (zie bij 1.11) af dat verweerder de correctie “Dividenduitkering [C] ” van € 1.100.000 nadrukkelijk heeft geoormerkt en daarbij heeft meegedeeld dat deze correctie ter behoud van rechten zowel in het jaar 2009 als in het jaar 2010 in de heffing is betrokken. De rechtbank maakt verder uit paragraaf 5.11 van de uitspraak op bezwaar op dat verweerder heeft toegezegd dat, indien onherroepelijk en zonder twijfel komt vast te staan dat deze correctie in één van de jaren 2009 en 2010 is belast, verweerder deze correctie ter voorkoming van dubbele belasting daarvan in het andere jaar zal laten vervallen. De rechtbank wijst erop dat verweerder deze interpretatie van verweerders toezegging ter zitting heeft bevestigd en hij bovendien deze toezegging ten aanzien van de bij 3 bedoelde (niet meer in geschil zijnde) correcties op dezelfde wijze heeft geïnterpreteerd. Gelet op deze toezegging dient de correctie “Dividenduitkering [C] ” van € 1.100.000 op grond van het vertrouwensbeginsel bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2009 te vervallen, nu de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010, waarin deze correctie - met hetzelfde oormerk - ook is betrokken, onherroepelijk vaststaat (zie bij 1.5). De rechtbank gaat hierbij voorbij aan verweerders stelling dat hij de correctie “Dividenduitkering [C] ” van € 1.100.000 in de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 met een beroep op interne compensatie had kunnen laten vervangen door een correctie inzake de gestelde dividenduitkering van ten minste € 1.700.000 (zie bij 6.2), nu deze navorderingsaanslag reeds onherroepelijk vaststaat. Daarnaast wijst de rechtbank verweerder erop dat het niet aangaat de gestelde in het jaar 2010 achterwege gelaten dividenduitkering van ten minste € 1.700.000 (deels) te compenseren door de correctie “Dividenduitkering [C] ” in de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 in stand te laten. De bij 6.1 bedoelde beroepsgrond van eiseres slaagt dus ten aanzien van de correctie “Dividenduitkering [C] ”.

6.4

Ten aanzien van de correctie “Botenloods” heeft verweerder in zijn uitspraak op bezwaar geen toezegging gedaan. In zoverre kan de bij 6.1 bedoelde beroepsgrond van eiseres haar niet baten.

7.1

Voor zover eiseres de correctie “Botenloods” op zichzelf heeft bedoeld te bestrijden, overweegt de rechtbank het volgende.

7.2

Vaststaat dat verweerder aan eiseres een informatiebeschikking heeft gegeven die onder meer ziet op onbeantwoorde vragen over de verkoopprijs van de woning en de botenloods. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat deze informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat. Dit brengt in beginsel mee dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard (zie artikel 27e van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). In dit geval acht de rechtbank, gelet op de aarde van de gestelde vragen en de omstandigheid dat eiseres deze vragen onbeantwoord heeft gelaten, ook nadat aan haar bij de informatiebeschikking haar nog de gelegenheid is geboden om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken, de omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd. Op eiseres rust dan de last om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van eiseres.

7.3

Verweerder wijst ter onderbouwing van de correctie “Botenloods” op de bij 1.13 tot en met 1.16 vermelde vaststaande feiten. Verweerder gaat ervan uit dat de verkoopopbrengst van de woning en botenloods van in totaal € 700.000 via [C] BV is verlopen, nu deze verkoopopbrengst na aftrek van kosten zeer waarschijnlijk is aangewend om de schuld (€ 694.789) van [C] BV bij de Frieslandbank af te lossen. Op basis van de verdeling van de verkoopopbrengst die verkopers eerst voorstonden, had het volgens verweerder voor de hand gelegen dat [C] BV aan de vader van [Y] € 375.000 zou hebben doorbetaald en aan [A] Holding BV € 325.000. Dit volgt ook uit de taxatie van de Belastingdienst. Verweerder leidt uit de creditering door [C] BV op de grootboekrekening 1400 - die mede gezien de overige daarop geboekte bedragen zeer waarschijnlijk de rekening-courant tussen [Y] en [C] BV is – dat aan het woonhuis een bedrag van € 600.000 is toegerekend, dus € 225.000 hoger dan de voor de hand liggende verdeling. Dit terwijl uit de creditering door [C] BV op de grootboekrekening 1410 van [A] Holding BV volgt dat aan de botenloods slechts een bedrag van € 100.000 is toegerekend, dus, € 225.000 lager dan de voor de hand liggende verdeling. Verweerder concludeert dan ook dat [A] Holding BV zich een voordeel van € 225.000 heeft laten ontgaan ten gunste van [Y] als aandeelhouder van deze vennootschap. Dit voordeel heeft [Y] door de creditering op de grootboekrekening 1400 bij [C] BV genoten. Verweerder is dan ook van mening dat dit voordeel voor [Y] een belaste uitdeling vormt.

7.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op zijn bij 7.3 vermelde onderbouwing van de correctie “Botenloods”, in redelijkheid ingeschat dat ten aanzien van de verkoop van woning en de botenloods een bedrag van € 225.000 bij eiseres en haar echtgenoot als inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden belast. Hierbij acht de rechtbank de door verweerder in aanmerking genomen verdeling van de verkoopprijs voor de woning en de botenloods niet onredelijk, gelet op de bij 1.15 bedoelde taxatie van de Belastingdienst alsmede gezien de omstandigheid dat verkopers deze verdeling aanvankelijk voorstonden. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in redelijkheid kan worden vastgesteld dat [Y] ten laste van [A] Holding BV de uitdeling heeft genoten, nu hij ter zake een rekening-courantvordering op de dochtervennootschap [C] BV heeft gekregen.

7.5

De rechtbank is van oordeel dat eiseres op geen enkele wijze overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de correctie “Botenloods” onjuist is.

7.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de correctie “Botenloods” terecht tot een bedrag van € 225.000 heeft gehandhaafd en hiervan de helft, ofwel een bedrag van € 112.500, als inkomen uit aanmerkelijk belang bij eiseres in aanmerking heeft genomen.

8. Het beroep gericht tegen de navorderingsaanslag is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslag vernietigen en de navorderingsaanslag verminderen tot een navorderingsaanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 112.500. De heffingsrente zal de rechtbank dienovereenkomstig verminderen.

9. Eiseres heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder (31 december 2014) en de uitspraak van de rechtbank bedraagt drie jaar, zes maanden en vier dagen. Uitgaande van dit tijdsverloop, is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar dus met 1 jaar, zes maanden en vier dagen overschreden. Anders dan verweerder, ziet de rechtbank geen aanleiding om de redelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. De overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een immateriële schadevergoeding van € 2.000 (4 maal een half jaar à € 500). De bezwaarfase heeft, uitgaande van de uitspraak op bezwaar van 2 november 2016, een jaar, vier maanden en één dag langer in beslag genomen dan de daarvoor redelijk te achten termijn van een half jaar. De overschrijding is dus voor zeventien maanden aan verweerder toe te rekenen. Voor twee maanden is de overschrijding aan de rechtbank toe te rekenen. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat hij uit praktische overwegingen deze overschrijding door de rechtbank voor zijn rekening neemt. Gelet op de samenhang van deze zaak met de beroepszaken met de zaaknummers 16/4799 en 16/4800 van eiseres’ echtgenoot, ziet de rechtbank aanleiding om de immateriële schadevergoeding te matigen met € 250. Aldus ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.750.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in de beroepsfase gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze zaak en de zaken met de zaaknummers 16/4799 en 16/4800 van eiseres’ echtgenoot samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Dit leidt tot een vergoeding van € 167 per samenhangende zaak. Nu eiseres gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór de uitspraken op bezwaar heeft verzocht om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van de bezwaren, kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, verweerder niet veroordelen in de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 112.500;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.750;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 167.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.