Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2567

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
18/830198-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland veroordeelt verdachte voor opzettelijk iemand van de vrijheid beroven, poging tot zware mishandeling en mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 408 dagen met aftrek van voorarrest. Straf gelijk aan voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830198-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan [straatnaam],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd te Zwolle PPC.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 juni 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen

opzettelijk [slachtoffer 1] (psychiater Lentis, zijnde een persoon met een

publieke taak/functie) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd heeft gehouden,

door de deur van de/een spreekkamer (in dokterspost aan Damsterdiep) op slot

te draaien en/of die deur met een stoel te barricaderen, althans een stoel

tegen/voor die deur te zetten en/of (vervolgens) voor die deur te gaan staan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] (psychiater Lentis, zijnde een persoon met een

publieke taak/functie)

wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

de deur van de/een spreekkamer (in dokterspost aan Damsterdiep) op slot heeft

gedraaid en/of die deur met een stoel heeft gebarricadeerd, althans een stoel

tegen/voor die deur heeft gezet en/of (vervolgens) voor die deur is gaan

staan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer 1] (psychiater Lentis, zijnde persoon met publieke taak/functie)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) tegen het

hoofd en/of lichaam heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of een

of meer slaande en/of schoppende bewegingen heeft gemaakt waarbij die [slachtoffer 1]

aan hoofd en/of lichaam werd geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen

[slachtoffer 1] (psychiater Lentis, zijnde persoon met publieke taak/functie)

heeft mishandeld door hem een of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of

lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen, en/of een of meer slaande

en/of schoppende bewegingen te maken waarbij die [slachtoffer 1] aan hoofd

en/of lichaam is geraakt;

3.

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft

geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt, en/of een of meer slaande en/of

schoppende bewegingen heeft gemaakt waarbij die [slachtoffer 2] aan hoofd en/of

lichaam werd geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Groningen

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar (met kracht) tegen het hoofd en/of

lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen, en/of een of meer slaande

en/of schoppende bewegingen te maken waarbij die [slachtoffer 2] aan hoofd en/of

lichaam is geraakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Zij heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangever heeft gedwongen of wilde dwingen om in de ruimte te blijven en evenmin dat het niet mogelijk was voor de aanwezigen om zich daaruit te verwijderen. Aangezien aangever als enige heeft verklaard dat verdachte voor de deur ging staan en de deur met een stoel had gebarricadeerd, is voor deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende bewijs. Het enkel op slot draaien van de deur is vervolgens onvoldoende om te komen tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daar moet nog bijkomen het bewijs dat verdachte dit heeft gedaan met het idee om aangever van zijn vrijheid te beroven (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2017:1882) en daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte erkent dat hij de psychiater een tik heeft gegeven. Uit de getuigenverklaringen, onderling tegen elkaar afgezet, kan als gemene deler enkel worden afgeleid dat verdachte tegen het hoofd van de psychiater heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geschopt. Dit levert geen zware mishandeling en derhalve ook geen poging daartoe op. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het subsidiaire verwijt dat verdachte onder 2 wordt gemaakt.

Ten slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen. De verklaring van aangeefster staat geheel op zichzelf en wordt niet ondersteund door de andere getuigenverklaringen terwijl de rode plekken die op de foto’s op haar arm en heup te zien zijn, ook kunnen zijn ontstaan op het moment dat aangeefster samen met getuige Bruins verdachte in bedwang probeerde te houden. Dat betekent echter niet dat verdachte op enig moment opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om aangeefster te mishandelen, laat staan dat hij zou hebben gepoogd om haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu onvoldoende bewijs in het dossier zit om te kunnen aannemen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2]. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Voorts zal de rechtbank partieel vrijspreken van de in feit 1 en 2 ten laste gelegde zinsnede “zijnde persoon met publieke taak/functie” aangezien een psychiater (bij Lentis) niet met een dergelijke taak of functie is belast.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 20 juni 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 10 mei 2017 heb ik in de dokterspost aan het Damsterdiep in Groningen de deur van de spreekkamer op slot gedraaid waarin ik op dat moment samen met mijn broer en de psychiater [slachtoffer 1] verbleef.

Een tijdje later heb ik achter de balie in de receptieruimte de psychiater met mijn vuist een stomp tegen zijn hoofd gegeven. Er waren meer mensen in die ruimte.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2017 opgenomen op pagina 18-21 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017120859 d.d. 11 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben psychiatrisch arts bij Lentis. Op woensdag 10 mei 2017 had ik dienst bij de dokterspost aan het Damsterdiep te Groningen en had ik om 19.00 uur een patiënt genaamd [verdachte].

[verdachte] draaide de deur van de spreekkamer waarin wij zaten op slot. Toen hij naar mij toe wilde komen, heb ik om hulp geroepen. Ik hoorde dat er collega’s aankwamen, maar die konden niet binnen komen omdat de deur op slot zat. Kort daarna lukte het de broer om de deur te openen.

Toen ik in de receptie stond opende [verdachte] de schuiframen en kwam over de balie de receptieruimte in. Hij kwam meteen op mij af.

Ik probeerde te gaan staan en toen trapte hij mij met kracht tegen mijn ribben aan de rechterzijde. Het lukte me om weer te gaan staan. Hij trapte mij toen met kracht op de voorzijde van mijn hoofd. Dat deed meteen pijn.

Ik heb op de volgende plekken pijn: aan mijn neus, boven mijn linker wenkbrauw, in mijn beide schouders, op mijn ribben aan de rechterzijde en spierpijn in mijn bovenbenen.

Ik heb een wond boven mijn linker wenkbrauw. Hier zijn door de arts, die ook in het gebouw was, twee hechtingen in gezet. Ik heb een wond op mijn neus tussen mijn ogen en ik heb een wondje op mijn middelvinger van mijn rechterhand.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 juni 2017, opgenomen op pagina 19-22 van het aanvullend dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017120859 d.d. 11 juli 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Op 10 mei 2017 was ik samen met mijn broer [verdachte] bij de dokterspost aan het Damsterdiep te Groningen.

Tijdens het gesprek met de psychiater was de deur dicht maar niet op slot. Mijn moeder trok het niet meer en liep de ruimte uit. Ze vroeg mij nog mee maar ik wilde dat mijn broer hulp kreeg dus ik besloot niet weg te gaan en bleef bij mijn broer. Het gesprek bleef op een zelfde toon doorgaan. Op den duur zag ik dat mijn broer opstond en naar het bureau van de psychiater liep. Hij wilde de telefoon van de psychiater pakken. Ik stond ook op en drukte hem bij het bureau weg richting de deur. Mijn broer draaide toen de deur van de spreekkamer op slot.

Ik heb mijn broer in de hoek van de ruimte gedrukt, de deur van het slot gehaald. Ik kon mijn broer in bedwang houden door hem als het ware tussen de deur en de muur te stoppen. Toen ik die controle had heb ik de hulpverlener weg gestuurd en die is toen ook weg gegaan.

Voor ik het wist zag ik dat mijn broer over de balie sprong het receptie hok in. Ik hoorde allemaal geschreeuw en paniek.

Samen met de hulpverlener en nog een aantal mensen moesten wij hem onder controle brengen. Ik zag toen dat de hulpverlener een wond op zijn neus had. Ook in de ruimte zag ik bloed.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juni 2017, opgenomen op pagina 8-9 van genoemd aanvullend dossier d.d. 11 juli 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 2], moeder van verdachte:

Ik merkte aan alles dat [verdachte] de psychiater niet vertrouwde. Hij gaf heel gemene antwoorden. Hij keek hem ook heel erg strak aan, echt “als blikken konden doden”-achtig.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2017 opgenomen op pagina 31 e.v. van genoemd dossier d.d. 11 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik was op 10 mei 2017 werkzaam als schoonmaakster bij de dokterspost aan het Damsterdiep te Groningen.

Ik zag de jongen over de balie heen klimmen. Ik zag dat de jongen de Lentis-arts aan het schoppen en aan het slaan was.

Toen ik de receptieruimte binnen kwam, gaf de jongen mij met kracht een trap op mijn rechterheup/-zijde. Het was paniek. Het deed direct pijn.

Er ontstond een gevecht en ik ben meerdere keren geslagen en geschopt. De jongen was in het rond aan het schoppen en slaan. Ik heb rode vlekken op mijn rechterarm, linker pols en op mijn rechterheup en zijde. Op de plekken waar ik ben geraakt heb ik pijn.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 mei 2017, opgenomen op pagina 38-39 van genoemd dossier van 11 mei 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

De man kwam voor de balie staan en sprong ineens op de balie. Hij maakte een slaande beweging richting de psychiater. De psychiater werd vol op zijn neus geraakt. De psychiater zat door toedoen van die klap onder het bloed.

Vervolgens ben ik er tussen gesprongen samen met de schoonmaakster.

Toen ik hem vast had was de man nog steeds om zich heen aan het schoppen.

De rechtbank overweegt nog het volgende.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wordt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde als vaststaand afgeleid dat verdachte op 10 mei 2017 terwijl hij samen met zijn broer en aangever in een spreekkamer van de dokterspost aan het Damsterdiep te Groningen was, op enig moment de deur van deze kamer van binnenuit op slot heeft gedraaid.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij dit direct nadat zijn moeder de spreekkamer had verlaten, heeft gedaan omdat hij niet wilde dat zij weer de kamer in zou komen. Deze verklaring schuift de rechtbank als onaannemelijk en ongeloofwaardig terzijde. Immers, uit de verklaring van de broer van verdachte blijkt dat het gesprek met de psychiater nog enige tijd nadat hun moeder de kamer had verlaten “op dezelfde toon” is doorgegaan, dat verdachte vervolgens heeft geprobeerd de telefoon van de psychiater te pakken en dat hij pas nadat hij door zijn broer richting de deur werd gedwongen, deze op slot heeft gedraaid.

Ook heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat de psychiater de deur weer van het slot heeft afgedraaid, hiermee kennelijk doelend dat de psychiater steeds de vrijheid heeft gehad de kamer te verlaten. Ook dit schuift de rechtbank terzijde nu zowel door de broer van verdachte als door aangever is verklaard dat eerstgenoemde de deur van het slot heeft gedaan, terwijl daaraan door hem nog is toegevoegd dat hij, nadat hij verdachte vervolgens onder controle had gekregen, tegen aangever heeft gezegd dat hij de ruimte moest verlaten. Dit brengt mee dat aangever niet op elk door hem gewenst moment de ruimte heeft kunnen verlaten.

Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte voorafgaand aan het op slot draaien van de deur met zijn houding (het tijdens het gesprek strak blijven aankijken van de psychiater met een “als blikken konden doden”-blik) en gedrag (het proberen te pakken van de telefoon van de psychiater) een voor de psychiater dreigende situatie had laten ontstaan. Er was derhalve, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet slechts sprake van het enkel op slot draaien van de deur.

Gelet op bovenstaand samenstel van feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte tegen het hoofd en het (boven)lichaam van aangever heeft geslagen en/of gestompt en geschopt en/of getrapt en slaande en schoppende bewegingen heeft gemaakt waarbij de psychiater aan hoofd en lichaam werd geraakt. Algemene ervaring is dat het hoofd en de romp zeer kwetsbare delen van het menselijk lichaam betreffen, dichtbij hersenen, longen, hart etc. De kans dat aangever als gevolg van deze slagen en schoppen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, is derhalve aanmerkelijk.

Ook is de rechtbank van oordeel dat de gedraging van verdachte, het slaan/stompen en schoppen/trappen op hoofd en (boven)lichaam, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te zijn gericht dat het, behoudens contra-indicaties, die in het onderhavig geval niet zijn gebleken, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg

– zwaar lichamelijk letsel – heeft aanvaard.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat het opzet van verdachte – in de zin van voorwaardelijk opzet – was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

Tenslotte is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, van oordeel dat de onder 3 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van aangeefster [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte in de ruimte achter de balie waar hij even daarvoor overheen was gesprongen om zich heen heeft geslagen en geschopt om, zoals hij het zelf omschreef, vrij te komen.

Met dit handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hierdoor pijn en/of letsel aan de overige aanwezigen in die ruimte, waaronder aangeefster, zou worden toegebracht. Ook heeft hij die kans, gelet op zijn wijze van handelen, welbewust aanvaard. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en/of letsel aan aangeefster.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 mei 2017 te Groningen opzettelijk [slachtoffer 1] (psychiater Lentis) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door de deur van de spreekkamer (in dokterspost aan Damsterdiep) op slot te draaien;

2.

hij op 10 mei 2017 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (psychiater Lentis) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen/gestompt en geschopt/getrapt en slaande en schoppende bewegingen heeft gemaakt waarbij die [slachtoffer 1] aan hoofd en lichaam werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op 10 mei 2017 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door slaande en schoppende bewegingen te maken waarbij die [slachtoffer 2] aan hoofd en lichaam is geraakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk iemand van de vrijheid beroven

2. Poging tot zware mishandeling

3. Mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren (met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht) met als bijzondere voorwaarde een algeheel contactverbod met aangever. De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tijdens een afspraak in de avonduren met een psychiatrisch arts van de crisisdienst, de deur van de spreekkamer waar hij op dat moment verbleef met deze arts, aangever [slachtoffer 1], op slot gedaan, zich daarmee schuldig makend aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [slachtoffer 1].

Nadat aangever [slachtoffer 1] met hulp van de broer van verdachte de spreekkamer had weten te verlaten en zich in de – afgesloten – receptieruimte had opgesteld, is verdachte over de balie van die ruimte geklommen en heeft hij aangever [slachtoffer 1] aangevallen. Hierbij heeft verdachte aangever [slachtoffer 1] op een zodanige wijze mishandeld dat de omstandigheid dat deze laatste hieraan geen zwaarder lichamelijk letsel heeft overgehouden een gelukkige genoemd kan worden.

Terwijl meerdere aanwezigen in de receptieruimte probeerden aangever [slachtoffer 1] te ontzetten en verdachte onder controle te brengen en te houden, heeft verdachte om zich heen geslagen en geschopt, hierbij pijn en letsel toebrengend aan aangeefster [slachtoffer 2].

Dit betreffen ernstige feiten waarmee verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers en op de gevoelens van veiligheid die mensen in hun werkomgeving zouden moeten kunnen hebben. Door aangever [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven heeft verdachte inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van een mens: de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. De rechtbank houdt er evenwel rekening mee dat deze vrijheidsberoving slechts van zeer korte duur is geweest.

Dat deze vrijheidsberoving en de daaropvolgende mishandeling voor aangever een ingrijpende ervaring is geweest blijkt uit hetgeen door hem is opgemerkt in de bijlage gevoegd bij het door hem ingediende verzoek tot schadevergoeding. Hij meldt daarin onder meer dat hij na het voorval als gevolg van hoofdpijn, een gezwollen neus en open wonden bij zijn neus de eerste nacht nauwelijks heeft kunnen slapen en de volgende dag niet heeft kunnen werken. Als gevolg van aanhoudende angst heeft hij gesprekken moeten voeren met een psycholoog. Daarnaast heeft hij in het kader van traumaverwerking twee maal EMDR-therapie ondergaan.

De rechtbank rekent het verdachte verder aan dat zijn handelen ook voor omstanders een indrukwekkende en beangstigende ervaring is geweest, zoals ook volgt uit de getuigenverklaring van [getuige 4]1 die verklaart dat zij op het moment dat zij verdachte de psychiater klappen, stompen en schoppen zag geven, vreselijk bang was omdat zij dacht dat verdachte haar ook in elkaar zou slaan. Een ervaring die zij niet snel zullen vergeten en waar zij nog lang gevoelens van onveiligheid van zullen ondervinden.

Dit soort misdrijven zorgt ook in het algemeen in de samenleving voor gevoelens van onrust en onveiligheid.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Rapportage Pro Justitia d.d. 18 mei 2018, opgemaakt door J. Marx, psychiater, en A. Witvliet, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht. Hoewel zij zich – mede vanwege de (ontkennende) houding van verdachte ten aanzien van zijn geschetste toestandsbeeld en omdat hij maar beperkt openheid van zaken geeft – onthouden van een advies omtrent de mate van toerekenen, wordt door hen aangegeven dat er sterke signalen bestaan dat verdachte vanaf eind 2016/begin 2017 te maken krijgt met oplopende draaglast die zijn draagkracht begint te overschrijden. Op basis van de informatie van referenten wordt geconcludeerd dat vanaf die periode bij verdachte sprake is van periodes met bizarre opvattingen, opmerkelijk gedrag en oordeels- en kritiekstoornissen, te duiden als psychotische episodes. Hij ontwikkelt (rand)psychotische klachten en raakt dusdanig in verwarring dat hij, in ieder geval bij momenten, licht psychotisch decompenseert. Hij krijgt waanachtige denkbeelden met name in de vorm van achtervolgingsideeën, zoals in veelvoud beschreven door zijn familie en zijn toenmalige manager.

De veelvoud aan incidenten, aangedragen door meerdere bronnen, geven een dusdanig fors en invaliderend beeld van de periode van januari tot mei 2017 dat er, ondanks verdachtes stelselmatige ontkenning, volgens de onderzoekers sterke aanwijzingen zijn dat er ook in de periode van het ten laste gelegde sprake was van psychotische symptomatologie, waarbij de psycholoog de oorzaak zoekt in een overschreden draagkracht en de psychiater enkel volstaat met het benoemen van een aantal mogelijkheden, waaronder stressvolle levensomstandigheden, waardoor dit kan zijn ontstaan.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun bevindingen. Ondanks dat een concreet advies van hen met betrekking tot toerekeningsvatbaarheid ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat er wel degelijk een verband is tussen de randpsychotische decompensatie van verdachte en de bewezenverklaarde feiten, waardoor verdachte verminderd in staat was om de situatie te voorkomen, om deze te overzien en om daarin de problemen adequaat op te lossen. De rechtbank leidt dit eveneens af uit de door de familie van verdachte geschetste gebeurtenissen in de periode voorafgaande aan de crisisafspraak met de psychiatrische arts van Lentis, evenals uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 14 juni 2018, waarin door de reclassering wordt aangegeven dat op basis van hun onderzoek duidelijk is geworden dat er sprake was van een overschreden draagkracht.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend, waarmee bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden.

In genoemd rapport geeft de reclassering verder aan dat er bij verdachte weinig probleembesef of zelfinzicht is en dat samenwerking met hem niet of zeer beperkt mogelijk is. De reclassering concludeert dat verdachte, hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat hij er wel baat bij zou hebben, niet ontvankelijk moet worden geacht voor begeleiding en/of behandeling en adviseert om die reden geen bijzondere voorwaarden indien een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Al het voorgaande afwegende en in aanmerking nemende de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsstraf passend en geboden is. Aangezien verdachte ten opzichte van alle onderzoekers volhardend is geweest in zijn opstelling en niet of nauwelijks heeft willen meewerken aan onderzoek naar, (laat staan behandeling van) zijn problematiek, volstaat de rechtbank met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het aantal dagen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft voorgebracht.

De rechtbank zal verdachte niet het verbod om contact te maken met aangever [slachtoffer 1], zoals door de officier van justitie is gevorderd, opleggen, nu haar niet is gebleken dat in de toekomst verdachte een gevaar voor aangever [slachtoffer 1] zal zijn. Ter terechtzitting heeft verdachte dit ook nog eens bevestigd.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 882,49 ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig toewijsbaar is en heeft daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde immateriële schadevergoeding moet worden gematigd. Verder heeft zij zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de opgevoerde uren, die de benadeelde partij niet heeft kunnen werken vanwege de behandeling van deze zaak bij de rechtbank, moeten worden verminderd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde en deugdelijk onderbouwde materiële schade, als onvoldoende betwist, geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 mei 2017.

De benadeelde partij heeft (daarnaast) vergoeding van immateriële schade gevorderd.

Aangezien er, zoals hiervoor onder 2 is bewezen verklaard, door toedoen van verdachte lichamelijk letsel aan de benadeelde partij is toegebracht, is de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor toewijzing vatbaar. Naar billijkheid stelt de rechtbank de hoogte van deze immateriële schade vast op € 500,--. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze schade dan ook tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 mei 2017, en de vordering ten aanzien van de gevraagde immateriële schade voor het overige afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 282, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 408 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/830198-17, feit 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.382,49 (zegge: dertienhonderdtweeëntachtig euro en negenenveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2017.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € € 1.382,49 (zegge: dertienhonderdtweeëntachtig euro en negenenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 882,49 aan materiële schade en € 500,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2018.

1 p. 40 en 41 van het dossier