Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:255

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
18/830060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830060-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

thans verblijvende te Zuidlaren, in de FPA Zuidlaren, [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.J. Lindhout, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een (aardappelschil)mesje een of meer stekende bewegingen

naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

met een (aardappelschil)mesje een of meer stekende bewegingen naar, althans in

de richting van, die [slachtoffer 1] gemaakt,

althans een (aardappelschil)mesje in de richting van die [slachtoffer 1]

gehouden en/of aan haar getoond;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

een (aardappelschil)mesje voor/(na)bij die [slachtoffer 2] gehouden,

althans aan hem getoond, en/of

(daarbij) tegen die [slachtoffer 2] geschreeuwd/gezegd: "Bemoei je er

niet mee. Heb je een probleem met mij", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer 1] (wetende dat hij, verdachte, een (aardappelschil)mesje

in zijn hand had) naar de keuken heeft gestuurd en/of haar (al)daar in een

hoek heeft geduwd/heeft ingesloten en/of (vlak)voor haar is gaan staan, en/of

(vervolgens) die [slachtoffer 1] bij haar hoofd/haren heeft vastgepakt

en/of haar hoofd naar achteren heeft geduwd en/of (vervolgens) met een

(aardappelschil)mesje langs/in haar hals heeft gesneden/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer 1] (wetende dat hij, verdachte, een (aardappelschil)mesje

in zijn hand had) naar de keuken heeft gestuurd en/of haar (al)daar in een

hoek heeft geduwd/heeft ingesloten en/of (vlak)voor haar is gaan staan, en/of

(vervolgens) die [slachtoffer 1] bij haar hoofd/haren heeft vastgepakt

en/of haar hoofd naar achteren heeft geduwd en/of (vervolgens) met een

(aardappelschil)mesje langs/in haar hals heeft gesneden/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

die [slachtoffer 1] (wetende dat hij, verdachte, een (aardappelschil)mesje

in zijn hand had) naar de keuken gestuurd en/of haar (al)daar in een hoek

geduwd/ingesloten en/of (vlak)voor haar gaan staan en/of (vervolgens) die

[slachtoffer 1] bij haar hoofd/haren vastgepakt en/of haar hoofd naar

achteren geduwd, en/of (vervolgens) dat/een (aardappelschil)mesje op/langs

haar hals gehouden;

EN/OF

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Groningen,

al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar (wetende dat hij,

verdachte, een (aardappelschil)mesje in zijn hand had) naar de keuken te

sturen en/of haar (al)daar in een hoek te duwen/in te sluiten en/of (vlak)voor

haar te gaan staan en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] bij haar

hoofd/haren vast te pakken en/of haar hoofd naar achteren te duwen, en/of

(vervolgens) met een (aardappelschil)mesje langs/in haar hals te snijden/raken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair en 3 impliciet primair ten laste gelegde. Ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 impliciet subsidiair

– poging doodslag – ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de feitelijke gedraging die verdachte wordt verweten te weten het maken van stekende bewegingen naar of in de richting van aangeefster.

Voorts heeft zij vrijspraak bepleit van het onder 3 primair ten laste gelegde. Voor zover hier van belang heeft zij daartoe opgemerkt dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster. Gelet op het feit dat slechts sprake is van een krasje in de hals en het feit dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor de mogelijkheid blijkt dat aangeefster door het toegebrachte letsel had kunnen overlijden, maakt dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat verdachte het mes op zodanige manier heeft gebruikt dat sprake was van voorwaardelijk opzet op dodelijk letsel.

Ten slotte heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat er beslist geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Uit het dossier volgt evident dat hier sprake is geweest van handelen in plotseling opkomende hevige drift, kennelijk veroorzaakt door de ruzie met aangeefster in combinatie met het gebruik van alcohol en dat er geen moment is geweest waarop verdachte zich had kunnen bezinnen op de gevolgen van zijn handelen. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank verder het volgende. Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte met het aardappelschilmesje stekende bewegingen heeft gemaakt. Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende omtrent de omstandigheden waaronder deze stekende bewegingen zijn gemaakt. Zo is bijvoorbeeld niet bekend op welke afstand verdachte zich op dat moment van aangeefster bevond en evenmin in de richting van welke delen van het lichaam van aangeefster de stekende bewegingen zijn gemaakt. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van een aanmerkelijk kans dat aangeefster als gevolg van het handelen van verdachte zou zijn overleden, dan wel dat zij hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen, aangezien er uit het dossier onvoldoende blijkt van de aard van de – blijkens de afbeelding in het dossier kennelijk oppervlakkige – verwonding en van het mes waarmee deze verwonding is toegebracht. Een medische verklaring ontbreekt en ook een omschrijving van het mes is niet in het dossier aangetroffen. Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijk kans op het intreden van de dood of op zwaar lichamelijk letsel, kan derhalve evenmin worden vastgesteld dat verdachte een dergelijke kans bewust heeft aanvaard. Hieruit volgt dat niet bewezen is dat verdachte opzet heeft gehad op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangeefster.

Met betrekking tot het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde bestanddeel voorbedachten rade overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte een moment heeft gehad om zich te bezinnen op de mogelijke gevolgen van zijn handelen, zodat dit bestanddeel niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 januari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 25 januari 2017 in Groningen in de woning van [slachtoffer 1] een aardappelschilmesje in mijn hand heb gehad. Ik ben rechts. Ik heb haar daarmee in haar nek verwond. Mijn bijnaam is “[naam]”.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 januari 2017, opgenomen op pagina 20 e.v. van dossier met nummer PL0100-201702751831 januari 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 25 januari 2017 was [verdachte] in mijn woning in Groningen. Toen ik hem vroeg om weg te gaan, flipte hij. Hij duwde mij de keuken in en pakte daar een mes. Hij maakte stekende bewegingen.

Toen kwam mijn zoon [slachtoffer 2] en die vroeg wat doe je met mijn moeder, waarop ik zag dat [verdachte] achter mijn zoon aanging met het mes. Ik zag dat [verdachte] met het mes over mijn zoon die op de bank zat, hing en schreeuwde “heb je problemen met mij”. Ik begon toen te schreeuwen en daarna heeft [verdachte] mij de keuken in geduwd en toen ging het allemaal heel snel. Hij heeft mij toen met het mes gesneden of gestoken ik weet het niet precies. Ik voelde ineens een branderig gevoel in mijn nek.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 januari 2017, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Toen ik vandaag binnen kwam in mijn woning in Groningen was [verdachte] tegen mijn moeder aan het schreeuwen. Na tien minuten ben ik naar de keuken gelopen om te kijken hoe het daar ging en toen zag ik dat [verdachte] een aardappelschilmesje in zijn rechterhand had. Hij wees met het aardappelschilmesje naar mijn moeder en hield deze ter hoogte van haar hoofd/bovenlichaam. Hij stond recht voor haar en het aardappelschilmesje kwam bijna tegen haar aan. Ik schreeuwde toen tegen [verdachte] dat hij bij mijn moeder uit de buurt moest

blijven en weg moest gaan. Hij schreeuwde tegen mij, dat ik weg moest gaan. Ik ben naar de woonkamer gegaan en ben daar weer op de bank gaan zitten. Toen ik net op de bank zat kwam [verdachte] ook de woonkamer inlopen en naast mij bij de bank staan. De afstand tussen ons was nog geen armlengte. Hij schreeuwde tegen mij: “Heb je een probleem met mij”. Terwijl hij dit zei had hij het aardappelschilmesje in zijn rechterhand. Ik hoorde mijn moeder toen schreeuwen dat hij bij mij weg moest gaan. [verdachte] schreeuwde toen tegen mijn moeder dat ze naar de keuken moest gaan. [verdachte] en mijn moeder liepen toen samen naar de keuken. Ik hoorde [verdachte] en mijn moeder schreeuwen tegen elkaar. Ik hoorde ineens: “Aauw [naam]”. Ik liep direct naar de gang en zag toen dat mijn moeder naar het toilet liep. Ik zag een kras of iets dergelijks in haar nek.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 januari 2017 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een aardappelschilmesje stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 1] gemaakt;

2.

hij op 25 januari 2017 te Groningen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een aardappelschilmesje voor/nabij die [slachtoffer 2] gehouden, en daarbij tegen die [slachtoffer 2] geschreeuwd "Heb je een probleem met mij";

3.

hij op 25 januari 2017 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] wetende dat hij, verdachte, een aardappelschilmesje in zijn hand had naar de keuken gestuurd en haar aldaar in een hoek geduwd/ingesloten en vlak voor haar gaan staan, en vervolgens dat aardappelschilmesje op haar hals gehouden;

EN

hij op 25 januari 2017 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar met een aardappelschilmesje in haar hals te raken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

en

mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bedreigingen en de onder 3 primair ten laste gelegde poging doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 502 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en de bijzondere voorwaarde als geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het, gelet op de erg lange duur van de voorlopige hechtenis, niet passend is dat naast een onvoorwaardelijk op te leggen straf gelijk aan het voorarrest nog een lange voorwaardelijke straf met strenge voorwaarden wordt opgelegd. Voor het geval dat een voorwaardelijke strafdeel wordt opgelegd, heeft de raadsvrouw verzocht uitsluitend de opname in de zorginstelling en de ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde op te nemen en de overige door de reclassering geadviseerde voorwaarden niet op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie ernstige bedreigingen waarbij hij een wapen heeft gebruikt. De bedreigingen waren gericht tegen verdachtes ex-partner en haar oudste zoon van 14 jaar die zijn moeder te hulp schoot. Hun minderjarige kinderen waren getuige van deze bedreigingen, hetgeen de rechtbank verdachte in het bijzonder kwalijk neemt. Ook heeft verdachte met het aardappelschilmesje een verwonding toegebracht bij zijn ex-partner. Ten slotte rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat de bewezen verklaarde feiten plaatsvonden in de woning van de slachtoffers. Men moet zich in de eigen woning bij uitstek veilig kunnen voelen. Bovendien was verdachte meermalen te kennen gegeven dat hij daar niet welkom was.

De ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een aanzienlijke vrijheidsstraf. Daar komt nog bij dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank gelet op het omtrent verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 6 november 2017 en het reclasseringsadvies van 8 januari jl.

De rapporteurs van het PBC hebben zich van een strafadvies onthouden vanwege de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken en de fragmentarische en eenzijdige verkregen informatie over de levensloop van betrokkene. Zij merken op dat het hen niet duidelijk is geworden op welke wijze de agressie van verdachte, die meermalen wegens (ernstig) agressief gedrag met politie en justitie in aanraking is gekomen, begrepen moet worden. Of er sprake is van actief inzetten van geweld om een doel te bereiken, of dat agressie ontstaat doordat verdachte mogelijk vanuit een beperkt begripsvermogen het overzicht verliest, of dat er sprake is van krenking en het hierop vervolgens reageren of dat geweld (slechts) plaatsvindt na gebruik van verdovende middelen, is niet duidelijk geworden. Wel is duidelijk dat verdachte binnen de context van het PBC zijn boosheid op verbale wijze kon uiten, zonder dat er fysieke dreiging van hem uitging. Onduidelijk is echter gebleven of de (gedwongen) medicatie hierbij een (doorslaggevende) rol heeft gespeeld.

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis sinds 18 december 2017 op de forensisch psychiatrische afdeling (FPA) in Zuidlaren verblijft. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij dezelfde bijzondere voorwaarden als waaronder de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst. De reclassering merkt daartoe op dat het, gezien het nog maar korte verblijf van verdachte op de FPA (nog) niet mogelijk is om een conclusie te geven met betrekking tot de ontvankelijkheid van verdachte voor begeleiding en/of behandeling maar dat zij sterk hun twijfels hebben of verdachte zal blijven meewerken aan een plan van aanpak gericht op recidivevermindering aangezien zij geen intrinsieke motivatie tot gedragsverandering bemerken.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank na te noemen deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest, met een proeftijd van drie jaren. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, acht de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals eerder bij de schorsingsbeslissing opgelegd gelet op de persoon van de verdachte nog steeds noodzakelijk en zullen deze derhalve wederom aan het voorwaardelijke deel worden verbonden. De rechtbank zal bepalen dat de klinische opname voor de duur van maximaal drie maanden zal plaatshebben waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat die periode eveneens wordt benut voor het vinden van een passend vervolgtraject voor verdachte.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 43 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

  1. veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig aan een strafbaar feit;

  2. veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

  3. veroordeelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

  1. veroordeelde meldt zich op uitnodiging bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en blijft zich melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. veroordeelde continueert zijn - op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling - opname in FPA Lentis (Zuidlaren) waar hij sinds 18 december 2017 verblijft, of laat zich opnemen in een soortgelijke intramurale instelling, gedurende maximaal 3 maanden van de proeftijd van 3 jaren, en houdt zich aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die observatie/behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven;

  3. veroordeelde laat zich na de klinische opname voor de nader vastgestelde psychische problematiek ambulant behandelen bij Lentis (AFPN) of een soortgelijke (forensische) zorginstelling, dit ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

  4. veroordeelde legt op geen enkele wijze zonder goedkeuring van de reclassering en instemming van aangeefster contact met aangeefster en/of zijn kinderen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  5. veroordeelde wordt verboden om zich binnen een straal van vijf kilometer gemeten vanaf het adres de Vlierstraat 24 te Groningen (adres aangeefster) te bevinden. Tevens wordt hem verboden zich in de wijk Selwerd (in verband met de school van de kinderen) te bevinden, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde wordt ondersteund door een elektronisch controlemiddel (GPS);

  6. veroordeelde moet meewerken aan middelencontrole met als doel dat de reclassering inzicht krijgt in het middelengebruik en de risico’s bespreekbaar gemaakt kunnen worden, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ad € 270,--.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2018.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.