Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2520

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting 2017, misbruik van recht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente Heerenveen privaatrechtelijke huurpenningen door het heffen van parkeerbelasting in rekening gebracht. Nu de gemeente Heerenveen haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelasting voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank strijd met artikel 3:3 van de Awb. De rechtbank vernietigt de aanslag parkeerbelasting en verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-07-2018
FutD 2018-1957
V-N Vandaag 2018/1537
NLF 2018/1654 met annotatie van Anneke Monsma
NTFR 2018/1877 met annotatie van A. Oosters
Belastingblad 2018/328 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2018/60.33.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3280

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2017 met dagtekening 7 april 2017 aan eiser een aanslag opgelegd in de parkeerbelasting ten bedrage van € 100 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

Bij uitspraak op bezwaar van 31 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Partijen hebben ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en (met tussenkomst van de griffier) aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

[het appartementencomplex] is een appartementencomplex gelegen tegen de rand van een winkelcentrum in het centrum van Heerenveen . De appartementen zijn in eigendom bij de bewoners en de bewoners zijn verenigd in de Vereniging van Eigenaren ‘ [het appartementencomplex] ’ (hierna: de VvE). Het binnenterrein van [het appartementencomplex] (hierna: het binnenterrein) is in eigendom bij de gemeente Heerenveen (hierna: de gemeente). De gemeente heeft hierop parkeerplaatsen aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn voorzien van afsluitbare parkeerbeugels en hebben allemaal een eigen nummer. Hierdoor kan een specifiek aangewezen parkeerplaats alleen worden gebruikt door de vergunninghouder (tevens bewoner van [het appartementencomplex] ) waaraan deze parkeerplaats is toegewezen.

1.2.

Buiten het binnenterrein van [het appartementencomplex] is in het centrum van Heerenveen het betaald parkeren regime van toepassing. Op het naastgelegen [plein] zijn parkeerplaatsen aanwezig voor winkelend publiek. In 2016 heeft de gemeente de doorgaande weg tussen het [plein] en [het appartementencomplex] voor autoverkeer afgesloten, waardoor het binnenterrein alleen nog te bereiken is via [laan] .

1.3.

De gemeente is sinds 1977 eigenaar van het binnenterrein. Sinds 1980 wordt parkeerbelasting geheven van de bewoners van [het appartementencomplex] die gebruik maken van de parkeerplaatsen op het binnenterrein. Dit was destijds de enige plek in de gemeente Heerenveen waar parkeerbelasting werd geheven.

1.4.

Aan de bewoners van [het appartementencomplex] die gebruik maken van de parkeerplaatsen op het binnenterrein heeft het college van burgemeesters en wethouders (hierna: college van B&W) parkeervergunningen verleend. In het besluit van het college van B&W van 27 juli 2015 om aan eiser een parkeervergunning te verlenen is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Geachte heer/mevrouw,

Op 17 juni 2015 heeft u een aanvraag ingediend voor het huren van een parkeerplaats

bij wooncomplex “ [het appartementencomplex] ” te Heerenveen .

Omdat er op dat moment geen parkeerplaats beschikbaar was, bent u op de wachtlijst

geplaatst.

Inmiddels is er een parkeerplaats beschikbaar gekomen waarvoor u in aanmerking komt.

Overwegende dat:

Ten aanzien van deze aanvraag hebben wij de volgende overwegingen gemaakt:

(…)

- Dat de huidige huurder van de parkeerplaats heeft aangegeven de huur van deze

parkeerplaats te willen beëindigen.

Besluit

Burgemeester en wethouders besluiten — door middel van deze parkeervergunning —

parkeerplaats nummer 23 behorende bij het wooncomplex [het appartementencomplex] te Heerenveen ,

aan u te verhuren voor de periode 27 juli 2015 tot en met 31 december 2015.

(…)

Huurkosten 2015

Voor het huren van deze parkeerplaats bent u parkeerbelasting verschuldigd. Het tarief

bedraagt voor het jaar 2015 € 40,00 (dit bedrag is gebaseerd op de Verordening

parkeerbelasting 2015). Het belastingjaar is hierbij gelijk aan het kalenderjaar). U

ontvangt hiervoor een legesnota.

Tevens bent u statiegeld verschuldigd voor de sleutel, deze bedraagt eenmalig € 12,24.

Ook hiervoor ontvangt u een legesnota. Bij opzegging van de huur — met inlevering van de sleutel -, ontvangt u het statiegeld á € 12,24 retour.

Voor 2015 ontvangt u de volgende legesnota:

Parkeerbelasting 5/12 jaar x € 40,00 € 16,67

Borg voor de sleutel van de parkeerbeugel € 12,24 +

Totaal € 28.91”

1.5.

Op de aan eiser opgelegde aanslag parkeerbelasting over het jaar 2015 is onder meer het volgende vermeld:

“ Omschrijving

Huur en borg sleutelgeld parkeerpl. [het appartementencomplex] 23 € 28,91”

1.6.

Aan het begin van 2012 heeft het college van B&W aan de VvE laten weten dat het college het voornemen had om de tariefstelling van het parkeren op het binnenterrein van [het appartementencomplex] meer in lijn te brengen met de overige tarieven in het betaald-parkeergebied, omdat het binnenterrein het enige terrein in de openbare ruimte van de gemeente is, waarop gereserveerde parkeerplaatsen worden uitgegeven.. Het parkeerbelastingtarief bedroeg tot dan toe jaarlijks ongeveer € 40. Het college van B&W heeft de VvE vervolgens drie verschillende opties voorgelegd.

1.7.

Bij brief met datum 17 april 2012 heeft de VvE , voor zover van belang, als volgt gereageerd:

“ In de jaarvergadering van de VVE “ [het appartementencomplex] " d.d. 10 april j.l. zijn de bewoners ingelicht over de ontwikkeling parkeeropties betreffende het parkeerterrein behorende bij “ [het appartementencomplex] ”.

(…)

Wij stellen U het volgende voor:

Het terrein blijft in gebruik van “ [het appartementencomplex] ”, aangezien de aanloop v.d. rijbaan in ze’n geheel wordt aangepast zullen wij in de toekomst geen last meer ondervinden van foutrijders en wildparkeerders.

Dus stellen wij voor, dat de beugels kunnen verdwijnen en de slagboom niet meer van

toepassing is

Wij willen dan op kenteken parkeren en de parkeerhavens en het hele parkeerterrein zal op

gemeentelijke kosten worden herstraat en de parkeerhavens met ‘n witte klinker markeren

Het onderhoud is door deze ingreep aanzienlijk goedkoper voor de gemeente.

Ook willen wij, dat bij verkoop van een appartement, de nieuwe eigenaar het recht krijgt de

parkeerplaats over te nemen..

Ervanuitgaande, dat onze voorstellen heel netjes zijn met weinig onderhoudskosten in de toekomst, menen wij dat wij voor een fatsoenlijke prijs kunnen blijven parkeren.

Mochten wij, ondanks onze sobere wensen toch ‘n verhoging krijgen ,dan willen wij dat dit te allen tijde traps-trapsgewijze wordt ingevoerd b.v. 20 jaar.

Met vriendelijke groet,

[naam 4] (administrateur)

[naam 3] ( [woningcorporatie] ).

[naam 5] (vice-voorzitter) tevens bewoner.

[naam 6] (klankbordgroep)tevens bewoner.”

1.8.

Op 4 mei 2012 heeft er een gesprek tussen de VvE en de gemeente plaatsgevonden. Met datum 29 juni 2012 heeft het college van B&W per brief gereageerd op de brief van de VvE van 17 april 2012 en het daarna gehouden gesprek. In die brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“ Wij hadden in een eerdere notitie drie opties voor de toekomst van dat terrein aan u

voorgelegd:

1. De situatie blijft in hoofdzaak zoals die nu is: de gemeente is eigenaar en doet

beheer en onderhoud; het terrein wordt geheel gereserveerd voor bewoners van

[het appartementencomplex] . De huur voor het gebruik van de parkeerplaatsen zal stapsgewijs

naar een marktconform niveau worden gebracht (prijsindicatie:

abonnementstarieven in Geerts Willigengarage).

(…)

In antwoord op deze voorstellen heeft u schriftelijk en mondeling aangegeven dat de laatstgenoemde optie financieel voor u niet haalbaar is en de tweede optie niet wenselijk wordt gevonden. De voorkeur van de vereniging gaat daarom uit naar de eerste optie.”

1.9.

Het college van B&W heeft besloten om de huur van de parkeerplaatsen op het binnenterrein met stappen van € 50 per jaar te verhogen tot een marktconform tarief van uiteindelijk minimaal € 400 per jaar.

1.10.

In het jaar 2017 heeft de eerste stapsgewijze tariefsverhoging van € 50 per jaar plaatsgevonden en is het belastingtarief van € 50 naar € 100 gegaan. Deze tariefsverhoging is tot stand gekomen door in de tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelasting 2017 van de gemeente Heerenveen (hierna: de verordening) het volgende op te nemen:

“Vergunningen

3.

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt per kalenderjaar:

3.1.

Per parkeerplaats welke is gereserveerd door middel van een fysieke afsluiting

€ 100,00”


In artikel 2 van de verordening, is voor zover van belang opgenomen:

“Onder de naam ‘parkeerbelasting’ worden de volgende belastingen geheven:

(…)

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.”

1.11.

Het tarief genoemd in onderdeel 3.1. van de tarieventabel bij de verordening is binnen de gemeente alleen van toepassing op bewoners van [het appartementencomplex] die een parkeerplaats op het binnenterrein huren van de gemeente.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil het antwoord op de vraag of de gemeente erop mocht vertrouwen dat hij in 2012 met de VvE rechtsgeldig afspraken heeft gemaakt over de heffing van parkeerbelasting, waardoor eiser aan deze afspraak gebonden is. Verder is in geschil of verweerder met zijn handelwijze binnen de grenzen van zijn bevoegdheden is gebleven. In het bijzonder is in geschil of er sprake is van een onredelijke tariefsverhoging.

Afspraak met VvE

3. Verweerder heeft naar voren gebracht dat de gemeente in 2012 met de VvE gesprekken heeft gevoerd over de toekomst van het binnenterrein. De VvE is daar volgens verweerder namens alle huurders van de parkeerplaatsen opgetreden. Verweerder stelt dat na instemming van de VvE is besloten dat de gereserveerde parkeerplaatsen behouden bleven en dat de tarieven zouden worden aangepast naar een marktconform tarief. Volgens verweerder volgt dit ook uit de schriftelijke bevestiging van de VvE van 17 april 2012, die is ondertekend door het bestuur van de VvE en waarin wordt vermeld dat de opties in de jaarvergadering van de VvE zijn besproken (zie 1.7.). Daarnaast heeft de VvE niet aangegeven dat zij niet gemachtigd zou zijn om afspraken te maken met de gemeente. Volgens verweerder mocht de gemeente er daarom van uitgaan dat de gemeente met de goede partij om tafel zat.
Eiser heeft hier tegenin gebracht dat de brief van 17 april 2012 niet is ondertekend en dat de personen die onder aan de brief vermeld staan, geen deel uitmaakten van het bestuur van de VvE, althans dat die personen niet het bestuur van de VvE vormden. Eiser stelt daarom dat de huurders niet rechtsgeldig zijn vertegenwoordigd en dat hij dus niet gebonden is aan de afspraak.

4. Verweerder beroept zich in wezen op de regel van fiscaal procesrecht, die inhoudt dat eiser (via de VvE) in 2012 zijn standpunt ten aanzien van de verhoging van de parkeerbelasting ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft prijsgegeven, zodat hij daarop nu niet meer terug kan komen. De rechtbank stelt vast dat de brief van 17 april 2012 (zie 1.7.) op het briefpapier van de VvE is opgesteld. Maar naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van deze brief niet dat het bestuur van de VvE daarbij de vergunninghouders van parkeerplaatsen op het binnenterrein van [het appartementencomplex] rechtsgeldig heeft vertegenwoordigd. Zo is er bijvoorbeeld geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bijgevoegd waaruit volgt dat de personen die onder aan de brief zijn vermeld, ook daadwerkelijk onderdeel uitmaakten van het bestuur van de VvE, althans dat zij het bestuur mochten vertegenwoordigen. Daarnaast ontbreken de handtekeningen van de betreffende personen. Verweerder heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat eiser rechtsgeldig werd vertegenwoordigd bij het maken van de afspraak met het bestuur van de VvE. Verder volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van de brief niet dat de VvE heeft ingestemd met de verhoging van de parkeerbelasting zoals deze uiteindelijk door verweerder is doorgevoerd (zie 1.7. en 1.9.). In de brief lijkt er juist een tegenvoorstel te worden gedaan door de VvE. Verweerder heeft dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de VvE daadwerkelijk heeft ingestemd met de uiteindelijke tariefsverhoging. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser dan ook niet worden gebonden aan de vermeende afspraak, nog daargelaten de vraag of eiser, die pas vanaf 2015 een parkeerplaats huurt (zie 1.4. en 1.5.), gebonden kan worden door een afspraak uit 2012.

Bevoegdheid/onredelijke tariefsverhoging

5. Eiser beschikte in het jaar 2017 over een parkeervergunning voor het parkeren op parkeerplaats nummer 23 op het binnenterrein van [het appartementencomplex] . Gelet hierop is voldaan aan het belastbare feit zoals omschreven in artikel 2, onderdeel b van de verordening. Ook het juiste tarief is gehanteerd, nu de parkeerplaats van eiser voor hem is gereserveerd door een fysieke afsluiting. Op zichzelf is de aanslag dus overeenkomstig de letterlijke tekst van de verordening en de bijbehorende tarieventabel opgelegd. Tussen partijen is dit ook niet in geschil.

6. Eiser stelt dat er sprake is van een onredelijke tariefsverhoging en trekt de bevoegdheid van de gemeente op dit punt in twijfel. Eiser heeft erop gewezen dat het binnenterrein en de daarop aangelegde parkeerplaatsen dienen ter versterking van de bewoning en dat verweerder ook altijd hiermee in overeenstemming heeft gehandeld. Vanaf 1980 tot 2012 werd er parkeerbelasting geheven van rond de € 40 per jaar. In 2012 is er bij de gemeente een beleidswijziging geweest wat tot gevolg heeft gehad dat het belastingtarief zonder verdere onderbouwing moest worden verhoogd naar een marktconform tarief. De door verweerder gevolgde handelwijze kan volgens eiser niet door de beugel. Eiser betwist dus niet alleen de verhoging van het tarief als zodanig, maar ook de wijze waarop de verhoging van het tarief tot stand is gekomen en met name de daarvoor door de gemeente gegeven onderbouwing. Onder aanvulling van de rechtsgronden, zie artikel 8:69, tweede lid van de Algemene bestuursrecht (hierna: Awb), zal de rechtbank deze stellingen van eiser aanmerken als een beroep op de schending van artikel 3:3 van de Awb.

7. Verweerder heeft als motivering van de beleidswijziging in 2012 gesteld dat het gaat om exclusief gereserveerde parkeerplaatsen en dat hiervan elders in de gemeente geen sprake is. Vergunninghouders hebben dus nergens anders zo een garantie op een parkeerplek als de vergunninghouders van het binnenterrein van [het appartementencomplex] . Bij de andere vergunninghouders kan de auto soms pas meerdere straten verderop worden geparkeerd. Gelet op dat verschil is het volgens verweerder niet onredelijk om een marktconform parkeertarief te hanteren en kan daarom het gehanteerde tarief in 2017 ook niet onredelijk zijn. Het beoogde marktconforme tarief van minimaal € 400 heeft verweerder onderbouwd door te verwijzen naar een marktonderzoek naar tarieven bij commercieel geëxploiteerde parkeergelegenheden (zie bijlage 21 van het verweerschrift) en het tarievenbesluit privaatrechtelijke parkeertarieven en openingstijden parkeergarage Geerts Willigen 2016. In dit tarievenbesluit is door het college van B&W besloten dat een 24-uurs abonnement in de parkeergarage Geerts Willigen € 550 per jaar kost.

8.1.

De rechtbank overweegt als volgt. De gemeente is van oudsher eigenaar van het binnenterrein van [het appartementencomplex] waarop zij parkeerplaatsen heeft aangebracht. Het exclusieve gebruik van één bepaalde parkeerplaats op het binnenterrein wordt toegewezen aan één van de bewoners van [het appartementencomplex] . In het besluit tot toekenning van de parkeervergunning, waarin het gebruik van een specifieke parkeerplaats wordt toegewezen aan één bewoner, wordt door de gemeente gesproken over het ‘huren’ van een parkeerplaats, 'huurder', ‘de huur’, ‘te verhuren’ en ‘huurkosten’ (zie 1.4.). Ook vraagt de gemeente ‘borg’ voor de sleutel waarmee de beugel op de parkeerplaats kan worden geopend (zie 1.4.). In de aanslag parkeerbelasting over het jaar 2015 wordt door verweerder bovendien gesproken over “Huur en borg sleutelgeld parkeerpl. [het appartementencomplex] 23” (zie 1.5.) Daarnaast wordt in de brief met datum 29 juni 2012 door het college van B&W gesproken over ‘de huur voor het gebruik van de parkeerplaatsen’ (zie 1.8.). Uit de bewoordingen van deze stukken van verweerder en de gemeente volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de gemeente zelf vindt dat zij de parkeerplaatsen aan de bewoners van [het appartementencomplex] verhuurt. Gelet op alle feiten en omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank ook inderdaad sprake van het verhuren van het exclusieve gebruik van een bepaald stuk van het binnenterrein aan de bewoners van [het appartementencomplex] . Dat betekent dat de gemeente privaatrechtelijk optreedt. Dat past ook bij wat er werkelijk gebeurt: de gemeente is eigenaar van een stuk grond en geeft dat tegen vergoeding in exclusief gebruik. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de parkeervergunning door het college van B&W, en niet door de heffingsambtenaar, op nummer wordt verleend (zie 1.4.). Het college van B&W is het bestuursorgaan binnen de gemeente dat bevoegd is tot het besluiten tot van privaatrechtelijke rechtshandelingen (zie artikel 160, eerste lid, onderdeel e van de Gemeentewet). Ook dat vormt voor de rechtbank een belangrijke aanwijzing dat de gemeente hier privaatrechtelijk handelt jegens de bewoners van [het appartementencomplex] . De rechtbank concludeert daarom dat de gemeente huurovereenkomsten is aangegaan met de vergunninghouders, waaronder eiser.

8.2.

Uit die huurovereenkomsten vloeit aan de kant van de huurders van de parkeerplaatsen onder meer de verbintenis voort om jegens de gemeente huurpenningen te voldoen. Die huurpenningen hebben in dit geval weliswaar een afwijkende verschijningsvorm (zij zijn gegoten in de vorm van parkeerbelasting), maar het blijven huurpenningen. Een andere aanwijzing voor de conclusie dat sprake is van verhuur in privaatrechtelijke zin is naar het oordeel van de rechtbank het feit dat in 1980 al bij de bewoners van [het appartementencomplex] parkeerbelasting werd geheven, terwijl destijds nog nergens anders in de gemeente parkeerbelasting werd geheven. Van oudsher wordt er dus al een vergoeding gevraagd voor het gebruik van de parkeerplaatsen (zie 1.3.). Het tarief genoemd in onderdeel 3.1 van de tarieventabel bij de verordening is bovendien in het jaar waar het hier over gaat (2017) alleen van toepassing op de bewoners van [het appartementencomplex] die gebruik maken van de parkeerplaatsen op het binnenterrein (zie 1.11.).

9.1.

Gelet op het voorgaande is de gemeente hier niet bezig met het reguleren van parkeerplaatsen in de openbare ruimte, maar is zij bezig met het verhuren van parkeerplaatsen. De huurpenningen worden vervolgens door het heffen van parkeerbelasting in rekening gebracht. Deze handelwijze van verweerder botst naar het oordeel van de rechtbank op onaanvaardbare wijze met de ruimte die artikel 225 van de Gemeentewet aan de gemeente geeft ter zake van de heffing van parkeerbelasting. Artikel 225 van de Gemeentewet trekt voor het heffen van parkeerbelasting namelijk in die zin een grens, dat alleen parkeerbelasting mag worden geheven als dit in het kader van de parkeerregulering is. Een financieel belang (plat gezegd: het genereren van algemene middelen) mag wel degelijk een rol spelen bij het heffen van een parkeerbelasting, maar als de doelstelling parkeerregulering geheel ontbreekt, is het heffen van parkeerbelasting niet mogelijk. Dat verweerder ter zake van de parkeerplaatsen op het binnenterrein ook parkeerbelasting had kunnen heffen, bijvoorbeeld volgens de tarieven die zij hanteert voor de (niet exclusief toegewezen) parkeerplaatsen op het [plein] , maakt daarbij geen verschil. Weliswaar zou de doelstelling parkeerregulering dan wél in beeld zijn gekomen, maar de crux is dat er in dit geval nu eenmaal niet op die manier is geheven.

9.2.

Ter illustratie wijst de rechtbank op het volgende. In de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 1 maart 2016 had de gemeente Amsterdam bij een bepaalde pontaanlanding op de NDSM-werf gekozen voor betaald parkeren in plaats van een blauwe zone, voornamelijk vanwege een financieel belang. Maar het betaald parkeerregime was in die zaak wel degelijk ook ingevoerd om de parkeerproblematiek rondom de pontaanlanding aan te pakken. Dát er op die plek parkeerproblemen waren, stond vast. Daarom was er geen sprake van misbruik van bevoegdheid (zie rechtbank Amsterdam 1 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:970). Anders dan in die zaak, is er in de zaak van eiser geen parkeerbelasting geheven om parkeerchaos te voorkomen, maar enkel en alleen om de huurpenningen te innen.

9.3.

Door haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelasting, die is gegeven ter regulering van het parkeren in de openbare ruimte, aan te wenden voor het innen van privaatrechtelijke huuropbrengsten, heeft de gemeente haar bevoegdheden tot het heffen van parkeerbelasting voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven.

10. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met artikel 3:3 van de Awb, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel mag gebruiken dan waarvoor deze is verleend. De bevoegdheid om parkeerbelasting te heffen is niet aan de gemeente gegeven voor gevallen waarin zij, net als een eigenaar van een parkeergarage, privaatrechtelijk optreedt. De rechtbank merkt voor alle duidelijkheid op dat het voor de gemeente geenszins verboden is om, privaatrechtelijk handelend, parkeerplaatsen te verhuren aan de bewoners van [het appartementencomplex] (vergelijk bijvoorbeeld de exploitatie van de parkeergarage Geerts Willigen door de gemeente (zie ook 7.)). Het probleem is alleen dat de Gemeentewet niet de ruimte geeft om hiervoor parkeerbelasting te heffen.

11. Het tarief genoemd in onderdeel 3.1 van de tarieventabel bij de verordening moet wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb buiten toepassing blijven. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en de aanslag parkeerbelasting over het jaar 2017.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag parkeerbelasting over het jaar 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van L.S. Langius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.