Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2413

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
18/830163-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van

1. medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

Veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 95 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 301
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830163-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Als raadsvrouw voor de benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig mr. N.B. Swart.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair
zij op of omstreeks 30 maart 2015 te Winschoten, (althans) in de gemeente
Oldambt, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan
niet met voorbedachte rade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet:
- die [slachtoffer 1] met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter
hoogte van) het sleutelbeen heeft geschopt en/of getrapt en/of
- in de keel van die [slachtoffer 1] heeft geknepen en/of de keel van die [slachtoffer 1]
heeft dichtgeknepen,

-en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geduwd en/of (duwend) ten val heeft gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 jo. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

subsidiair
zij op of omstreeks 30 maart 2015 te Winschoten, (althans) in de gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachte rade opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

-die [slachtoffer 1] met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd te slaan en/of

-die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter hoogte van) het sleutelbeen te schoppen en/of te trappen en/of

-die [slachtoffer 1] tegen het lichaam te duwen en/of die [slachtoffer 1] (duwend) ten val te brengen;

(art. 302 jo. 303 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

meer subsidiair
zij op of omstreeks 30 maart 2015 te Winschoten, (althans) in de gemeente Oldambt, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan niet met voorbedachten rade tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

-die [slachtoffer 1] met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of

-die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter hoogte van) het sleutelbeen heeft/hebben geschopte en/of getrapt

-die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer 1] (duwend) ten val heeft/hebben gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 jo. 303 jo. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

nog meer subsidiair

zij op of omstreeks 30 maart 2015 te Winschoten, (althans) in de gemeente
Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:
-die [slachtoffer 1] met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd te slaan en/of
-die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter
hoogte van) het sleutelbeen te schoppen en/of te trappen en/of
-in de keel van die [slachtoffer 1] te knijpen en/of de keel van die [slachtoffer 1] dicht
te knijpen;

-en/of door die [slachtoffer 1] te duwen en/of (duwend) ten val te brengen;

(art 301 lid 1 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

meest subsidiair
zij op of omstreeks 30 maart 2015 te Winschoten, (althans) in de gemeente Oldambt, openlijk aan en/of zichtbaar vanaf de openbare weg Sint Vitusholt, in vereniging met een ander geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , door

-die [slachtoffer 1] met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd te slaan en/of

-die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter hoogte van) het sleutelbeen te schoppen en/of trappen en/of

-in de keel van die [slachtoffer 1] te knijpen en/of de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of

-die [slachtoffer 1] tegen het lichaam te duwen en die [slachtoffer 1] ten val te brengen;

(art. 141 Wetboek van Strafrecht)

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Er is geen bewijs dat er met knuppels is geslagen. De enige die dit verklaart is aangeefster. Verdachte bekent aangeefster te hebben geduwd, en bij een dergelijke val kan men een sleutelbeenbreuk oplopen, en aangeefster kan daarbij met haar hoofd tegen de brug zijn gevallen, hetgeen de wonden op het hoofd zou kunnen verklaren. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte geen handelingen heeft verricht. Aangeefster heeft verklaard door medeverdachte te zijn geslagen op het hoofd en dat haar keel zou zijn dichtgeknepen door medeverdachte, maar dit is verder door niemand waargenomen. Medeverdachte heeft bekend dat hij met een houten balkje naar binnen is gegaan, maar hij ontkent dat hij daarmee aangeefster heeft geslagen. Dit balkje is door het NFI onderzocht, maar er zijn geen DNA sporen van aangeefster gevonden, hetgeen men wel zou verwachten als zij hiermee zou zijn geslagen. Mede gezien het letsel dat uiteindelijk bij aangeefster is geconstateerd, kan hoogstens tot een bewezenverklaring van het medeplegen van mishandeling gekomen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 maart 2015, opgenomen op pagina 60 e.v. van het dossier met nummer 2015095531 d.d. 4 april 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 30 maart 2015 was ik op weg naar de [bedrijf] te Winschoten. Toen ik naar binnenliep, zag ik dat [medeverdachte] , [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] en [verdachte] ) en [getuige 1] aan kwamen lopen. Ik zag dat [medeverdachte] op mij af kwam lopen. [verdachte] liep via de andere kant zodat ik werd ingesloten. Ik viel op de grond en werd daarna geschopt en geslagen door [verdachte] en [medeverdachte] tegen mijn rug, mijn zij en mijn schouder. Ik voelde daardoor pijn in mijn rug en zij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 maart 2015, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik heb haar (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 1] ) een duw gegeven, waardoor ze ten val kwam. Toen ze ging staan heb ik haar een tweede duw gegeven. Ze viel weer.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2015, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik zag dat er drie personen richting de zaak kwamen lopen en dat beide mannen ieder een honkbal knuppel bij zich hadden. Terwijl ik met de man aan het worstelen was, zag ik dat de man en de vrouw richting [slachtoffer 1] liepen. Ik zag dat de man, die [medeverdachte] , haar terwijl zij op de grond lag, met kracht schopte. Ik zag dat hij haar in haar ribben of schouder schopte. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] het uitgierde van pijn. Ik zag dat [slachtoffer 1] op haar hoofd bloedde en aan haar nek.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 31 maart 2015, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik werd door [verdachte] benaderd of ik mee wilde gaan naar het bedrijf waar [slachtoffer 1] werkt. [verdachte] heeft problemen met [slachtoffer 1] . Ik weet dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 1] probeerden in te sluiten in de garage. Ik zag dat beiden om en voor [slachtoffer 1] stonden. Ik zag dat [verdachte] en [slachtoffer 1] elkaar aanvlogen en elkaar vast hadden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 2 april 2015, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ter hoogte van de [bedrijf] aan de Sint Vitusholt zag ik een man met een honkbalknuppel richting de [bedrijf] lopen. Er liep een vrouw naast hem. Ik zag dat er een andere man achteraan kwam lopen. Deze man had ook een honkbalknuppel in zijn hand.

6. Een geneeskundige verklaring, opgenomen op pagina 65 van voornoemd dossier, op 31 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door dr. Pranger, behandelend arts Sint Lucasziekenhuis te Winschoten, voor zover inhoudende, als zijn verklaring:

[slachtoffer 1] heeft ten gevolge van een mishandeling letsel opgelopen. Dit letsel bestaat uit een sleutelbeenbreuk en kneuzingen.

Uit het proces-verbaal en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank het volgende gebleken:

Verdachte en medeverdachte hadden al langere tijd onenigheid met het slachtoffer. Verdachten meenden dat zij bij nacht en ontij lastig gevallen werden door het slachtoffer en haar toenmalige partner, aangever [slachtoffer 2] . In het weekend voorafgaande aan het incident zouden laatstgenoemden zich ’s nachts langdurig voor het huis van verdachte hebben opgehouden. Op 30 maart 2015 kwam het tot een confrontatie. Verdachten hebben in Winschoten rondgereden tot zij het slachtoffer zagen rijden in haar auto. Daarop hebben zij getracht haar staande te houden, door haar klem te rijden. Het kwam tot een aanrijding tussen de medeverdachte en het slachtoffer. Daarop is slachtoffer naar haar werk gereden, gevolgd door verdachte en een kennis ( [getuige 1] ) en door medeverdachte. Aangekomen bij het garagebedrijf zijn zij de garage binnen gelopen waarbij in elk geval de medeverdachte een soort knuppel in zijn handen had. [getuige 1] richtte zich op aangever [slachtoffer 2] , terwijl verdachte en medeverdachte op het slachtoffer afliepen, haar uitscholden en haar belaagden. Verdachte duwde het slachtoffer zodat zij ten val kwam. Door aangever [slachtoffer 2] is gezien dat de medeverdachte het slachtoffer met kracht in haar ribben en haar zij schopte. Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer een gebroken sleutelbeen en kneuzingen heeft overgehouden. Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad.

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Verdachte en medeverdachte hebben voorafgaand aan het incident met elkaar overleg gepleegd, zij wilden de confrontatie zoeken en het slachtoffer en aangever [slachtoffer 2] aanspreken op hun gedrag. Zij hebben van tevoren [getuige 1] gevraagd mee te gaan en hem opgehaald van zijn huis. Nadat het slachtoffer was klem gereden, is het drietal haar gevolgd naar het garagebedrijf. Medeverdachte en [getuige 1] hebben een voorwerp, gelijkend op een knuppel uit de auto meegenomen. Zij zijn samen met verdachte de garage binnen gelopen en hebben het slachtoffer uitgescholden en haar ingesloten, waarbij verdachte heeft verklaard dat zij het slachtoffer tweemaal geduwd heeft zodat zij ten val kwam. Aangever [slachtoffer 2] heeft gezien dat medeverdachte het slachtoffer met kracht heeft geschopt terwijl zij op de grond lag.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte een plan hadden om de confrontatie aan te gaan met het slachtoffer. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat ze verhaal wilden halen, maar uit de aangifte blijkt, dat er meteen geweld werd toegepast. Verdachte en medeverdachte zijn op zoek gegaan naar aangeefster. Zij hebben tevens voor getalsmatige versterking gezorgd door hun kennis, [getuige 1] op te halen. Al tijdens het voorafgaande incident, waarbij het slachtoffer werd aangereden door medeverdachte, bleek geenszins van de intentie om tot een gesprek te komen. Medeverdachte reed het slachtoffer klem, schopte tegen de wagen, stond te schreeuwen en reed het slachtoffer vervolgens aan. Direct aansluitend heeft men het slachtoffer opgezocht in de garage. [getuige 1] en medeverdachte hadden een op een knuppel gelijkend voorwerp bij zich. De rechtbank acht bewezen dat verdachten, door zo te handelen, niet uit waren op een vreedzame ontmoeting. Het handelen is dus het gevolg geweest van een tevoren genomen besluit. De rechtbank concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank acht voorts geen contra-indicaties aanwezig voor het aannemen van voorbedachte raad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht mishandeling met voorbedachte raad bewezen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het primair ten laste gelegde niet bewezen.

Het proces-verbaal en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, bieden onvoldoende aanwijzingen voor het feit dat het leven van het slachtoffer in gevaar zou kunnen zijn gebracht. In de medische verklaring zijn geen aanwijzingen gevonden dat er letsel is ontstaan dat mogelijk dodelijk had kunnen zijn. De door getuigen beschreven knuppels zijn niet aangetroffen. Op één van de balkjes, die medeverdachte - naar eigen zeggen- mee naar binnen heeft genomen, zijn bloedsporen aangetroffen. Het NFI heeft uit deze sporen geen DNA profiel kunnen opmaken aangezien deze sporen te lage concentraties DNA bevatten. Bewijs, dat het bloed dat is aangetroffen, van het slachtoffer zou zijn, ontbreekt derhalve. Geen van de getuigen heeft gezien dat verdachte of medeverdachte met een knuppel of een balkje heeft geslagen. Ook ontbreekt een letselverklaring die zou duiden op verwondingen die door een knuppel zouden zijn veroorzaakt. De rechtbank acht daarom onvoldoende bewezen dat slachtoffer [slachtoffer 1] op het hoofd is geslagen is met een knuppel of met een op een knuppel gelijkend voorwerp. Ook is er, nu alleen aangeefster hierover heeft verklaard, onvoldoende bewijs voor het dichtknijpen van de keel van het slachtoffer. Dat het slachtoffer krassen in haar nek had, doet daar niet aan af.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder nog meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 30 maart 2015 te Winschoten, tezamen en in vereniging met een ander,
met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 1] in/tegen de ribben en/of de rug en/of de schouder en/of (ter
hoogte van) het sleutelbeen te schoppen en/of te trappen en

- die [slachtoffer 1] te duwen en/of (duwend) ten val te brengen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een straf passend bij eenvoudige mishandeling.

De raadsman acht een taakstraf van 80 uur op zijn plaats. De raadsman vraagt de rechtbank rekening te houden met de omstandigheden van het geval en ook oog te hebben voor de rol van het slachtoffer. Verdachte is een jonge vrouw die een inschattingsfout heeft gemaakt, waardoor de zaak is geëscaleerd. Achteraf beseft verdachte heel goed dat dit niet de manier is om conflicten aan te pakken of op te lossen. Daarnaast heeft het voorval lang geleden plaatsgevonden. Voorts heeft verdachte de zorg voor twee kinderen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting het over haar opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 3 april 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is met medeverdachte en een kennis doelbewust op zoek gegaan naar het slachtoffer om verhaal te halen, omdat zij meenden dat zij voortdurend door het slachtoffer lastiggevallen en bedreigd werden. In plaats van de politie te bellen hebben zij zelf de confrontatie gezocht door in Winschoten rond te rijden tot zij het slachtoffer zagen rijden in haar auto. Daarop hebben zij getracht haar staande te houden, door haar klem te rijden. Medeverdachte is uitgestapt, heeft tegen de auto van het slachtoffer staan trappen terwijl hij stond te schreeuwen. Toen het slachtoffer daarna wegreed is verdachte uiteindelijk met medeverdachte en [getuige 1] naar de garage gereden, waar zij uit de auto’s stapten en medeverdachte en [getuige 1] elk een knuppel of een balkje meenamen en zij gedrieën naar binnen zijn gelopen. Daar kwam het opnieuw tot een heftige confrontatie waarbij het slachtoffer door beide verdachten uitgescholden werd, hard werd geduwd zodat zij ten val kwam en daarna werd geschopt en geslagen terwijl zij weerloos op de grond lag. Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer een gebroken sleutelbeen en kneuzingen heeft overgehouden. Verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat zij weliswaar boos waren, maar dat zij die ochtend hadden willen praten met het slachtoffer. Uit niets van de gedragingen van verdachte en medeverdachte blijkt echter dat zij uit waren op een gesprek, integendeel, zowel bij de confrontatie in het verkeer als in de garage gingen zij direct over tot geweld. Zoals hiervoor is geschetst spreekt uit het hele handelen van verdachte agressie. De rechtbank verwijt verdachte het feit dat verdachte en medeverdachte met zijn tweeën het slachtoffer te lijf gingen, terwijl hun vriend [getuige 1] aangever [slachtoffer 2] voor zijn rekening nam. [slachtoffer 2] kon daardoor het slachtoffer niet te hulp schieten, zodat zij er alleen voor stond. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat zij, na de confrontatie in het verkeer, die op zichzelf al heftig genoeg was, het kennelijk nodig heeft gevonden het slachtoffer andermaal te belagen.

Uit de stukken blijkt dat het voorval voor het slachtoffer grote gevolgen heeft gehad. Zij is in de ziektewet terechtgekomen en is uiteindelijk haar baan kwijt geraakt. Na het incident is zij een jaar lang onder behandeling geweest bij een psychotherapeut vanwege PTSS klachten.

In straf verminderende zin houdt de rechtbank rekening met de volgende bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte een nu 27-jarige vrouw is die een Wajong uitkering ontvangt vanwege eerder vastgestelde ODD en ADHD. Ten tijde van het ten laste gelegde had ze een eigen bedrijfje, maar vanwege de negatieve publiciteit was ze genoodzaakt daar mee te stoppen. Verdachte woont in een huurwoning en heeft de zorg voor haar twee kinderen die acht en drie jaar oud zijn. Als beschermende factor ziet de reclassering het feit dat er na het ten laste gelegde geen contact meer is tussen verdachte en het slachtoffer. De reclassering beschouwt daarom het recidiverisico als laag.

Verdachte heeft geen documentatie op dit gebied en voor verdachte spreekt dat zij sinds het incident niet opnieuw in aanraking is geweest met justitie.

Gelet op het vorenstaande, in het licht van de straffen die in den lande voor een soortgelijk feit worden opgelegd, acht de rechtbank in beginsel een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.

Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Vanaf het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld, zijnde de eerste actie op grond waarvan zij er van uit mocht gaan dat zij strafrechtelijk zou worden vervolgd, tot aan deze uitspraak van de rechtbank is meer dan drie jaar verstreken. De forse overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar, komt slechts voor een gering deel voor rekening van de verdediging en dient dus tot strafvermindering te leiden.

De rechtbank zal, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, de taakstraf met 25 uur verlagen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 481,71 ter vergoeding van materiële schade en € 2250, - ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich voor wat betreft het materiële deel van de vordering aan het oordeel van de rechtbank, voor wat betreft het immateriële deel van de vordering acht de raadsman een bedrag van € 1000, - passend.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade van € 481,71 volledig toewijsbaar is.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.000,00. De rechtbank overweegt daartoe dat de door de benadeelde partij ingebrachte vergelijkbare jurisprudentie betrekking heeft op het slaan met een knuppel. Nu de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen acht, zal zij voor de vaststelling van de immateriële schadevergoeding gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid, waarbij zij rekening heeft gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de bedragen die rechtbanken in vergelijkbare gevallen aan smartengeld plegen toe te kennen.

De vordering zal derhalve gedeeltelijk worden toegewezen, te weten voor een bedrag van

€ 481,71 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.000,00 voor wat betreft de immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 maart 2015. Het overige deel van de vordering zal worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 301 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het nog meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 95 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 47 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

1.481,71 (zegge duizend vierhonderdeenentachtig euro en eenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2015.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.481,71 (zegge: duizend vierhonderdeenentachtig euro en eenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 481,71 aan materiële schade en € 1000, - aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij of de staat hoeft te betalen, en omgekeerd dat, wanneer de schadevergoeding door verdachte is betaald, de medeverdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij of de staat hoeft te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. S. Zwarts en

mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2018.

Mr. A.G.D. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.