Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2369

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
LEE 18/1760
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting café op grond van artikel 13b van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1760

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam bedrijf] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: S. Meijer),

en

De burgemeester van de gemeente Kollumerland, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2018, verzonden op 13 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de horecagelegenheid [naam bedrijf] van verzoekster (hierna: het café) te sluiten voor een periode van zes maanden, ingaande op de achtste dag na de dag van de verzending van het besluit om 24.00 uur.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit op 20 juni 2018 bezwaar gemaakt. Zij heeft op die dag de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Toepassing wordt gegeven aan het derde lid van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1.1

Bij voornoemd besluit heeft verweerder besloten voornoemd café te sluiten voor een periode van zes maanden. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat verweerder na een bestuurlijke rapportage van de politie verzoekster op 29 juni 2017 schriftelijk heeft gewaarschuwd en dat verweerder heeft aangegeven dat verweerder zal overwegen het café te sluiten indien er geen verbeteringen komt in de wijze waarop verzoekster het café exploiteert en er incidenten blijven plaatsvinden. Uit een tweede bestuurlijke rapportage blijkt dat in het café voor langere periode harddrugs (cocaïne) werden verstrekt aan bezoekers, dat er alcoholhoudende dranken worden verstrekt aan minderjarigen en dat er daarom sprake is van verstoring van de openbare orde en ernstige bedreiging van de gezondheid. Volgens het besluit is de sluiting gericht op het beëindigen en beëindigd houden van de handel en aanwezigheid van drugs in het café en het herstel van het nadelige effect daarvan op de openbare orde en gezondheid. Verweerder baseert het besluit op artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidsnotitie handhaving op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

1.2

Verzoekster heeft aangegeven, kort weergegeven, dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met het beleid van verweerder. Verder is de sluiting volgens verzoekster buiten proportioneel, mede gelet op de omzetderving.

1.3

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij gelet op het spoedeisende karakter niet de beschikking heeft over alle stukken die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Desalniettemin zal de voorzieningenrechter op basis van de wel bij haar bekende stukken een voorlopig oordeel geven.

1.4

De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het door verweerder gestelde belang van de volksgezondheid en het belang om de nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs te voorkomen thans zwaarder wegen dan het belang van verzoekster. De voorzieningenrechter acht van belang dat uit de door verweerder genoemde bestuurlijke rapportage blijkt dat sprake is van handel in en gebruik van harddrugs, maar ook dat minderjarige kinderen het café bezoeken. In het betoog van verzoekster dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, in strijd is met het beleid van verweerder en dat de sluiting buiten proportioneel is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om thans tot schorsing van het besluit over te gaan.

1.5

Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een afwijzing van het verzoek geen onomkeerbare gevolgen heeft voor verzoekster, zodat moet worden geoordeeld dat de belangen van verzoekster niet onevenredig worden benadeeld als de sluiting niet thans wordt opgeschort. Dat sprake is van omzetderving maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders.

1.6

Bij de beslissing heeft de voorzieningenrechter voorts in aanmerking genomen dat partijen zullen worden uitgenodigd om op korte termijn op een zitting bij de voorzieningenrechter te verschijnen. Vervolgens zal ambtshalve worden bezien of toch aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

1.7

De voorzieningenrechter concludeert dat thans geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier.

De beslissing is gedaan op 21 juni 2018. De beslissing is gelet op het spoedeisende karakter van het verzoek niet in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.