Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2349

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4270
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM kampeerauto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1354
Viditax (FutD), 26-06-2018
FutD 2018-1877
V-N 2018/49.2.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/4270

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juni 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 29 mei 2017 een naheffingsaanslag opgelegd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ten bedrage van € 2.580.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser doet met dagtekening 22 februari 2017 aangifte BPM voor een gebruikte kampeerauto [merk en type] . Het onderstel betreft een [merk en type] . De datum van eerste toelating is 16 maart 2016.

1.2.

Eiser berekent de te betalen BPM in de aangifte op € 5.386, uitgaande van een bruto BPM van € 11.773, een handelsinkoopwaarde van € 21.937 en een afschrijvingspercentage van 54,25%. In overeenstemming met de aangifte heeft eiser dit bedrag aan BPM voldaan.

1.3.

Op 3 april 2017 heeft verweerder aan eiser een aankondiging van de naheffingsaanslag gestuurd, waarin het bedrag en de aanleiding van de naheffingsaanslag uiteen is gezet en eiser in de gelegenheid is gesteld om alsnog een koerslijst voor campers te hanteren. In deze aankondiging is onder andere het volgende opgenomen:

“Bent u het niet eens met mijn voornemen om u deze naheffingsaanslag op te leggen? Dan kunt u hierop vóór 18 april reageren. Heb ik voor deze datum geen reactie van u ontvangen, dan zal ik de naheffingsaanslag opleggen.”.

1.4.

Aan eiser is met dagtekening 29 mei 2017 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 2.580. Verweerder heeft, uitgaande van een bedrag aan bruto BPM van € 11.773, en een afschrijvingspercentage van 32,332%, de verschuldigde BPM vastgesteld op € 7.966.

1.5.

In het Kaderbesluit van 23 november 2015, BLKB 2015/1382M (hierna: het Kaderbesluit) is - voor zover hier van belang - ten aanzien van kampeerauto’s het volgende opgenomen:

“5.3. Kampeerauto's

5.3.1. Maatstaf van heffing kampeerauto

Als een gesloten bestelauto is ingericht als kampeerauto die voldoet aan de in paragraaf 5.3.2 genoemde voorwaarden, zou de bpm moeten worden berekend over de catalogusprijs van de kampeerauto. De meeste kampeerauto's worden vervaardigd op basis van een bepaald type gesloten bestelauto.

Goedkeuring

Met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) keur ik het volgende goed.

Als een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto en voldoet aan de voorwaarden, wordt de bpm berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit geldt ook als een kampeerauto is afgeleid van een ander soort auto (bijvoorbeeld een chassis-cabine). Daarbij wordt achtereenvolgens rekening gehouden met:

- het merk en type van de gebruikte auto of chassis-cabine;

- het motortype (diesel, benzine, cilinderinhoud, aantal kW);

- de wielbasis van de kampeerauto.

(…)

5.3.2. Recreatieve functie

Een kampeerauto heeft twee functies. Enerzijds dient hij voor het vervoer van personen. Anderzijds heeft hij een recreatieve functie, die vergelijkbaar is met die van tenten en caravans.

Voor het bepalen van de maatstaf van heffing van een kampeerauto wordt uitgegaan van de catalogusprijs van een met die kampeerauto vergelijkbare bestelauto, met inbegrip van de waarde van de aan de recreatieve functie toe te rekenen delen van de inrichting.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de bpm voor kampeerauto's niet wordt berekend over dat deel van de catalogusprijs dat is toe te rekenen aan de recreatieve functie. Ik stel hierbij de volgende cumulatieve voorwaarden aan de binnenruimte van deze kampeerauto.”

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De berekening van de BPM

3. Eiser heeft aangevoerd dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt geschonden, omdat de belasting voor binnenlandse kampeerauto’s kan worden berekend op basis van de gesloten bestelauto waarop de kampeerauto is gebouwd, abstraherend van de recreatieve functie, terwijl voor te importeren kampeerauto’s wel rekening moet worden gehouden met de recreatieve functie. De handelsinkoopwaarde moet daarom volgens eiser worden vastgesteld op € 21.937, overeenkomstig de koerslijst voor een gesloten bestelauto, resulterend in een afschrijvingspercentage van 54,25.

4. Verweerder heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) aangevoerd dat geen gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst op basis van de gesloten bestelauto. De goedkeuring in het Kaderbesluit ten aanzien van kampeerauto’s geldt alleen voor de maatstaf van heffing en niet voor de vermindering als bedoeld in artikel 10 Wet op de BPM. De afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de waardedaling van de kampeerauto inclusief het recreatieve gedeelte.

5. De Hoge Raad heeft ten aanzien van artikel 110 VWEU in het arrest van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.3.2 het volgende overwogen:

“2.3.2 Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerd gebruikt motorvoertuig in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt motorvoertuig (hierna: het referentievoertuig). Voorts volgt uit de hiervoor bedoelde jurisprudentie van het Hof van Justitie dat producten als auto’s gelijksoortig zijn in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden, en dat de mededinging tussen twee modellen afhangt van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid (zie bijvoorbeeld HvJ 18 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23, en HvJ 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-265/99, ECLI:EU:C:2001:169, punt 43).

Om te voorkomen dat een heffing discriminerend is, moet volgens het Hof van Justitie een reële waardedaling van het tweedehands motorvoertuig in aanmerking worden genomen, dan wel een waardeschatting van dat motorvoertuig die in het algemeen de werkelijke waarde zeer sterk benadert (vgl. HvJ 14 april 2015, Mihai Manea, C-76/14, ECLI:EU:C:2015:216, punten 34 en 35).”

6. De rechtbank stelt vast dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen gebruikte bestelauto’s en gebruikte kampeerauto’s en dat de afschrijving bij gesloten bestelauto’s met recreatieve voorzieningen daarom niet in gelijke mate verloopt als bij gesloten bestelauto’s zonder die voorzieningen. Voor de afschrijving van de kampeerauto moet worden aangesloten bij de waardedaling zoals deze zich in het economische verkeer voordoet bij kampeerauto’s (vgl. HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.3.3).

7. De rechtbank overweegt dat eiser heeft miskend dat de goedkeuring uit het Kaderbesluit waarnaar hij verwijst, niet ziet op de (wijze van) bepaling van de afschrijving, maar op de vaststelling van het basisbedrag aan BPM als zodanig (de bruto BPM). Het Kaderbesluit biedt geen grondslag om voor de bepaling van de rest-BPM van een kampeerauto uit te gaan van de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van een bestelauto. Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto BPM € 11.773 bedraagt. Wanneer bij de vermindering van dit bedrag aan bruto BPM rekening wordt gehouden met een (bij benadering) reële waardevermindering van kampeerauto’s, is geen sprake van een discriminerende heffing. De door eiser gestelde strijd met artikel 110 VWEU is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de orde.

8. Uiteraard moet bij de feitelijke heffing wel rekening worden gehouden met de hiervoor bedoelde reële waardevermindering van de kampeerauto (zie 5). De Wet op de BPM bood in artikel 10 (tekst 2017) de mogelijkheid om hiermee rekening te houden. Verweerder heeft ook daadwerkelijk rekening gehouden met een waardedaling, door middel van een afschrijvingspercentage van 32,332%.

9. De rechtbank is van oordeel dat door een afschrijvingspercentage van 32,332% een reële waardevermindering in aanmerking is genomen. De rechtbank acht dit afschrijvingspercentage voor een kampeerauto met een kilometerstand van 13.998 over een periode van nog geen jaar niet te laag. De door de verweerder berekende verschuldigde BPM van € 7.966 is daarom niet te hoog (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:14, r.o. 4.8).

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser met betrekking tot de hoogte van de naheffingsaanslag niet slagen.

Het unierechtelijke verdedigingsbeginsel

11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, door eiser niet voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag de mogelijkheid te bieden zijn standpunt mondeling kenbaar te maken. Eiser stelt dat de verplichting van verweerder verder gaat dan het enkel bieden van de mogelijkheid om te reageren (zie 1.3).

12. De rechtbank is van oordeel dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel hier niet is geschonden. Het verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat een belastingplichtige zijn opmerkingen kenbaar kan maken over een voornemen van de inspecteur. Deze regel heeft tot doel de inspecteur in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de belastingplichtige, deze laatste in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (zie in deze zin Hoge Raad 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467).

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan zijn verplichtingen in het kader van het verdedigingsbeginsel heeft voldaan door toezending van de aankondiging naheffingsaanslag BPM van 28 juli 2016 aan eiser (zie 1.3). Anders dan eiser meent is er geen rechtsregel die verweerder verplicht eiser expliciet voor een gesprek – een mondeling onderhoud – uit te nodigen.

14. Het verzoek van eiser om een vergoeding van het betaalde griffierecht en een rentevergoeding over het griffierecht wordt, gelet op het inhoudelijke oordeel van de rechtbank omtrent de naheffingsaanslag, afgewezen.

15. Eiser heeft de rechtbank verzocht om op grond van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet in de bijzonderheden van dit geschil geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

16. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M.F.A. Blaauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2018.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden .