Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:231

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
18/830195-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer m.b.t. poging doodslag en wegens putatief noodweer m.b.t. mishandeling en bedreiging. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van heling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830195-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/820128-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te Groningen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/830195-17:

1.

hij op of omstreeks 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een stuk (afgebroken) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 1] in de pols, althans arm, (in de nabijheid van een slagader) en/of in het gezicht heeft gestoken en/of heeft gesneden, althans getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk toe te brengen, met dat opzet met een stuk (afgebroken) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 1] in het gezicht en/of in de pols, althans arm, (in de nabijheid van een slagader) heeft gestoken en/of heeft gesneden, althans getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan/stompen;

3.

hij op of omstreeks 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een (afgebroken) stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende en/of snijdende en/of prikkende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;

parketnummer 18/820128-17:

hij op of omstreeks 8 januari 2017 te Groningen, een goed te weten een laptop (merk/type Lenovo notebook) met oplader heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 en 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18/830195-17 bewezen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de ten laste gelegde opzetheling dan wel schuldheling onder parketnummer 18/820128-17.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde onder parketnummer 18/830195-17 betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat de verwondingen van aangever [slachtoffer 1] op een andere manier zijn ontstaan dan door een slaande beweging van verdachte met een stuk glas. Aangever [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat hij verdachte nog heeft geslagen nadat deze een stuk glas had gepakt. Niet valt uit te sluiten dat aangever [slachtoffer 1] hierdoor letsel heeft bekomen en dat zijn letsel dus door zijn eigen handelen, is ontstaan. Voor het geval de rechtbank mocht aannemen dat het letsel wel door het handelen van verdachte is ontstaan, is door de verdediging aangevoerd dat er sprake was van dusdanig blinde paniek bij verdachte dat het opzet op het toebrengen van letsel ontbrak.

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten onder parketnummer 18/830195-17 betoogd dat deze feiten op basis van de bewijsmiddelen in het dossier bewezen kunnen worden.

Tot slot heeft de raadsman betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder parketnummer 18/820128-17.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder parketnummer 18/820128-17 ten laste gelegde:

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder parketnummer 18/820128-17 niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit het dossier weliswaar is gebleken dat verdachte slapend naast een gestolen laptop is aangetroffen, maar dat zich in het dossier onvoldoende wettig bewijs bevindt om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde heling te komen.

Bewezenverklaring

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 primair onder parketnummer 18/830195-17 ten laste gelegde:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 10 mei 2017, opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier met nummer 2017115278 d.d. 29 juni 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op vrijdag 5 mei 2017 ben ik naar het bevrijdingsfestival op het Stadspark te Groningen gegaan. Ik zag dat de donkere man een groot stuk glas vast pakte en hiermee in het rond begon te zwaaien. Ik zag dat de donkere man ook met het stuk glas richting mij stak. Ik voelde dat ik in mijn gezicht geraakt werd. Ik zag dat ik ook geraakt was in mijn pols. Ik hoorde de huisarts zeggen dat ik 2 mm naast mijn slagader geraakt ben.

2. Een geneeskundige verklaring, op 14 juli 2017 opgemaakt en ondertekend door

M.G. Hemmen, arts, als los document gevoegd, voor zover inhoudende, als haar verklaring:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1992.

Uitwendig waargenomen letsel: glasverwonding binnenzijde rechterpols, ca. 6 cm lengte, geen peesletsel, verder schrammen en schaafwond gezicht.

Geschatte duur van genezing: 1-2 weken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 juli 2017, als los document gevoegd, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik hoorde de secretaresse van dokter M.G. Hemmen zeggen: “De snijwond zat twee mm naast de slagader van [slachtoffer 1] .”

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 mei 2017, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik ben naar een kraam gerend en heb een glasplaat stuk geslagen van die kraam. Ik heb toen een stuk glas gepakt.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 onder parketnummer 18/830195-17 ten laste gelegde:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 mei 2017, opgenomen op pagina 142 e.v. van het dossier met nummer 2017115278 d.d. 29 juni 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op vrijdag 5 mei 2017 werkte ik als beveiliger tijdens het bevrijdingsfestival in het Stadspark te Groningen. Ik pakte de donker getinte man van achteren vast bij zijn borst en zijn voorhoofd en trok de donker getinte man naar achteren. Ik zag en voelde dat de donker getinte man zich naar mij toe omdraaide en ik zag dat hij een zwaaiende beweging in mijn richting maakte. Ik voelde mijn hele gezicht branden. Ik voelde pijn. Ik zag dat de donker getinte man naar mij uithaalde. Ik zag en voelde dat de donker getinte man mij één keer heeft geslagen. Ik zag vervolgens dat hij een glasscherf in zijn linkerhand had.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 6 mei 2017, opgenomen op pagina 146 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op vrijdag 5 mei 2017 was ik op het bevrijdingsfestival te Groningen. Ik zag een onbekende man een stuk plastic pakken. Ik zag dat hij om zich heen begon te slaan en te zwaaien met dat stuk plastic. Het kan ook een stuk glas geweest zijn. Het was in ieder geval scherp. Tijdens het onder controle brengen werd ik door de man tegen mijn hoofd geslagen. Ik voelde een klap tegen mijn hoofd aan ter hoogte van mijn slaap, aan de linkerzijde van mijn gezicht.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 10 mei 2017, opgenomen op pagina 107 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik zag een bus en ik heb daar glas kunnen pakken. Toen ik van achter werd vast gepakt heb ik mij daarmee verdedigd. Ik dacht dat de mensen teruggekomen waren om mij aan te vallen. Ik wist niet dat die mensen die mij daarna op de grond duwden van de bewaking waren.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte inverzekeringstelling en inbewaringstelling d.d. 11 mei 2017, als los document gevoegd, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Toen de beveiligers kwamen heb ik ze niet als zodanig herkend. Zij kwamen van achteren. Toen ze mij op de grond gooiden probeerde ik me los te rukken.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten betreffende parketnummer 18/830195-17 overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zwaaiende bewegingen met een stuk glas heeft gemaakt, waarbij hij aangever [slachtoffer 1] met dat stuk glas in de pols en in het gezicht heeft geraakt. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verwondingen van aangever op een andere manier zijn ontstaan dan hiervoor weergegeven. De rechtbank baseert dit oordeel op de verklaring van aangever, die door meerdere verklaringen wordt ondersteund, waaruit blijkt dat hij bij verdachte in de buurt stond toen verdachte met een stuk glas rondzwaaide en dat verdachte in zijn richting heeft gestoken, waardoor hij door dit stuk glas is geraakt. Voorts betreft de verwonding aan de pols van aangever volgens de medische verklaring een glasverwonding.

De rechtbank overweegt dat het bovenlichaam, en meer in het bijzonder het hoofd en de polsen, kwetsbare delen van het lichaam zijn als het gaat om steken of snijden met een scherp voorwerp. Immers, aldaar bevinden zich op diverse plaatsen (slag)aders aan de oppervlakte. Door aangever aldus met een stuk glas te benaderen, en daardoor te verwonden, heeft verdachte zich bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever als gevolg van die handelingen het leven zou laten.

Verdachte heeft verklaard zich actief te willen verdedigen. Het verweer dat het opzet zou ontbreken door de blinde paniek waarin verdachte heeft verkeerd (zeker gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek) wijst de rechtbank af, nu naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen daardoor sprake was van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.1 Dat verdachte in paniek heeft verkeerd staat dus niet aan een bewezenverklaring van opzet in de weg.

De rechtbank concludeert daarmee dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is geweest op de dood van aangever dat het niet anders kan zijn dan dat hij die kans ook welbewust heeft aanvaard. Van andere contra-indicaties dan de hiervoor besproken paniek is niet gebleken. De rechtbank acht daarom de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte zich zowel schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , alsmede aan bedreiging van voornoemde aangevers met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat door de paniek waarin verdachte heeft verkeerd ook hier het opzet heeft ontbroken verwijst de rechtbank naar het daarover hiervoor opgemerkte.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 en 3 ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18/830195-17 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een stuk afgebroken glas, die [slachtoffer 1] in de pols (in de nabijheid van een slagader) en in het gezicht heeft getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in het gezicht te slaan;

3.

hij op 5 mei 2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend met een afgebroken stuk glas zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheidvan het bewezenverklaarde en van verdachte

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 18/830195-17:

1. primair. poging tot doodslag

2. mishandeling, meermalen gepleegd

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde onder parketnummer 18/830195-17 een beroep op noodweer en ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde een beroep op putatief noodweer toekomt en dat verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie betoogd dat een beroep op (putatief) noodweer niet gehonoreerd moet worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, voordat hij overmeesterd werd door de beveiligingsmedewerkers, oogcontact met hen heeft gehad en dat hij op dat moment, ondanks de stresssituatie waarin hij mogelijk heeft verkeerd als gevolg van de vechtpartij met zijn belagers, zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij op dat moment niet meer met zijn belagers, maar met beveiligingsmedewerkers te maken had. Derhalve was er daarbij geen sprake van een noodweersituatie en kon verdachte ook niet gemeend hebben zich te moeten verdedigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich –meermalen- heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en of deze verdediging noodzakelijk is geweest.

Verdachte bevond zich met aangever, en een groot aantal omstanders, in de buurt van een pizzakraam voor de ingang van het Stadspark waar op dat moment het Bevrijdingsfestival plaatsvond. Vast staat dat tussen verdachte en de groep van aangever [slachtoffer 1] een woordenwisseling heeft plaatsgevonden naar aanleiding waarvan vanuit de groep van aangever, alsmede door enkele omstanders, de confrontatie met verdachte is gezocht. Deze confrontatie is uitgelopen op een vechtpartij waarbij over en weer is geduwd en geslagen en waarbij zowel aangever als verdachte forse verwondingen heeft opgelopen.

Op basis van de verklaringen in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte door zijn gedrag kennelijk irritatie heeft opgeroepen bij de groep van aangever, maar dat hij met betrekking tot de geweldplegingen niet als initiator noch als de grootste agressor kan worden aangemerkt. Volgens verschillende (onafhankelijke) getuigenverklaringen is verdachte door de groep van aangever in de richting van de pizzakraam gedreven, is hij daarbij geduwd en geslagen en kon hij uiteindelijk geen kant meer op. Verdachte heeft ter zelfverdediging de glasplaat van de pizzakraam stukgemaakt en vervolgens om zich heen gezwaaid met een afgebroken stuk glas.

Gelet op de wijze waarop de groep van aangever, daarbij geholpen door omstanders, verdachte heeft belaagd en de benarde positie waarin verdachte verkeerde toen hij tegen de pizzakraam klem was gezet, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden waar hij zich niet aan heeft kunnen onttrekken. Op het moment dat verdachte met het glas om zich heen zwaaide was hij dusdanig in het nauw gedreven dat, mede gelet op de aard van deze wederrechtelijke aanranding en het gebrek aan redelijke alternatieven, van hem niet gevergd kon worden anders te handelen dan hij heeft gedaan. Verdachte heeft zich dus op voornoemde wijze mogen verweren. Derhalve slaagt het beroep op noodweer en is het bewezen verklaarde onder 1 primair niet strafbaar. Verdachte dient daarvoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde als volgt. Ter beëindiging van of direct volgend op de vechtpartij tussen verdachte en zijn belagers zijn twee beveiligingsmedewerkers ter plaatse gekomen. Deze beveiligingsmedewerkers hebben verdachte van achteren overmeesterd om hem tot bedaren te brengen. Nu verdachte zich zeer in nauw gedreven voelde door de gebeurtenissen hieraan voorafgaand, waarbij niet onaannemelijk is dat verdachte in deze situatie de beveiligers als belagers heeft ervaren, is de rechtbank van oordeel dat verdachte kon menen dat er nog steeds sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bij het ingrijpen van de beveiligers, waar hij zich tegen mocht verdedigen op de wijze waarop hij dat gedaan heeft. Ook in deze situatie ontbrak een redelijk handelingsalternatief en mag de wijze van verdediging redelijkerwijs proportioneel worden geacht.

De rechtbank is aldus van oordeel dat de bedreiging en het slaan van de beveiligingsmedewerkers door verdachte mitsdien geboden waren door de (vermeende) noodzakelijke verdediging van de verdachte.

Het beroep op putatief noodweer treft derhalve doel. Dientengevolge is verdachte ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde niet strafbaar en wordt hij van alle rechtsvervolging ontslagen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.658,74 (na vermindering ter terechtzitting) ter vergoeding van materiële schade en € 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Tijdens de terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij aangegeven het door de benadeelde partij oorspronkelijk ingediende bedrag ter zake van het materiële deel van

€ 2.043,74 te verminderen tot voormeld bedrag van € 1.658,74. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bedrag voor het eigen risico, te weten € 385,-, reeds door defensie is vergoed. Voor het overige heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde bedragen toe te wijzen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, gelet op zijn standpunt dat vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen voor het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte geen straf of maatregel opleggen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/820128-17 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 primair, 2 en 3 onder parketnummer 18/830195-17 heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 1 primair onder parketnummer 18/830195-17:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2018.

Mr. M.J. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie het arrest van de Hoge Raad, gewezen op 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775.