Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2301

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
LEE 17/2039 en LEE 17/4093
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Als gevolg van de invoering van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is de aanvangsleeftijd van het AOW-pensioen van betrokkene verschoven. Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan bij deze inmenging in het eigendomsrecht in concrete gevallen sprake zijn van een onevenredig zware last als bedoeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en daarmee van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank kan verweerder volgen in diens standpunt dat in situaties, waarin een betrokkene geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR), het zogenaamde pensioengat over het algemeen geen onevenredig zware last zal opleveren. Niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of de door betrokkene in de bezwaarfase aangevoerde individuele omstandigheden aanleiding geven om af te wijken van het gevoerde beleid. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat betrokkene voldoende tijd heeft gehad om te anticiperen op de voor hem geldende verhoging van de AOW-leeftijd, dat niet is gebleken dat betrokkene onevenredig zwaar is getroffen door de verschuiving van zijn AOW-leeftijd en dat de met de wetswijziging gekozen leeftijdsgrenzen niet kennelijk onredelijk zijn. Het beroep van betrokkene tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een overbruggingsuitkering heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover betrokkene heeft beoogd te stellen dat de uitkering die hij ontvangt gelijkgesteld moet worden met een rechtgevende uitkering in de zin van artikel 5 van de OBR, dit betoog reeds faalt omdat het inkomen van betrokkene te hoog is om in aanmerking te komen voor een overbruggingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/2039 en LEE 17/4093

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2018 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiser met ingang van 10 november 2017 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

Bij besluit van 19 januari 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een overbruggingsuitkering ingevolge de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) afgewezen.

Bij besluiten van 24 april 2017 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep van eiser tegen de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 17/4039. Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een overbruggingsuitkering is bij de rechtbank bekend onder het nummer 17/2039.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich na voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 12 januari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de zaken ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie te geven op hetgeen door eiser bij brief van 1 december 2017 en ter zitting naar voren is gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank verweerder verzocht om een afschrift van zijn hoger beroepschrift ten behoeve van de hoger beroepsprocedure - ambtshalve bij de rechtbank bekend - tegen de uitspraak van 8 augustus 2017 van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2017:3161). Verweerder heeft bij brief van 6 februari 2018 gereageerd. Eiser heeft bij brief van 13 maart 2018 een reactie gegeven.

Bij brief van 23 april 2018 is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank voldoende gegevens heeft om een uitspraak te doen. Partijen hebben binnen de door de rechtbank gestelde termijn van twee weken niet laten weten mondeling te willen worden gehoord op een nadere zitting. De rechtbank heeft op 28 mei 2018 het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten.

1.1

Eiser heeft op 10 februari 2017 de 65-jarige leeftijd bereikt.

1.2

Eiser heeft een aanvraag om een AOW-pensioen en een aanvraag om een overbruggingsuitkering bij verweerder ingediend. Verweerder heeft vervolgens de primaire besluiten genomen, zoals genoemd onder het kopje ‘procesverloop’. Tegen deze primaire besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.1

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de toekenning van zijn AOW-pensioen eerst per 10 november 2017 en niet vanaf 10 februari 2017 (de datum waarop eiser de 65-jarige leeftijd heeft bereikt), ongegrond verklaard. Verweerder heeft gewezen op wetswijzigingen inzake het ouderdomspensioen. Verder heeft verweerder gesteld dat het eigendomsrecht niet absoluut is, er geen sprake is van een onevenredig zware last voor eiser en dat er geen sprake is van schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en/of van leeftijdsdiscriminatie.

2.2

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een overbruggingsuitkering ongegrond verklaard. Aan de weigering van de overbruggingsuitkering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de OBR om in aanmerking te komen voor een overbruggingsuitkering. Volgens verweerder heeft eiser geen uitkering uit een VUT- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare andere rechtgevende uitkering als bedoeld in artikel 5 van de OBR die eindigt in de maand waarin hij 65 jaar wordt of op de eerste dag van de maand daarna. De maandelijkse betaling van het pensioenfonds Zorg en Welzijn, welke uitkering voortvloeit uit de Wet Verevening Pensioenrechten, is geen rechtgevende uitkering, want deze komt niet voor in de limitatieve opsomming van de rechtgevende uitkeringen in artikel 5 van de OBR.

3. Eiser kan zich met de bestreden besluiten niet verenigen. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

4. Ten aanzien van het bestreden besluit I overweegt de rechtbank als volgt.

4.1

Op grond van artikel 7a van de AOW zijn als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd (voorheen 65 jaar) en de aanvangsleeftijd (voorheen 15 jaar) per leeftijdscohort stapsgewijs verhoogd. Als gevolg van deze wetswijziging en de Wet versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218) is het AOW-pensioen van eiser negen maanden later ingegaan dan vóór de inwerkingtreding van deze wetswijzigingen het geval zou zijn geweest.

4.2

Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2016, zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2502, volgt dat met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd van het AOW-pensioen sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht van een betrokkene. Met inachtneming van de door de regering getroffen overgangsmaatregelen, waaronder de OBR, acht de CRvB de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen evenwel proportioneel en leidt deze in het algemeen niet tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). De CRvB voegt daaraan toe dat dit onverlet laat dat het mogelijk is dat door de wetswijzigingen in concrete gevallen sprake is van een onevenredig zware last als bedoeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en daarmee van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol.

4.3

Eiser voert in de kern aan dat hij door de wetswijzigingen onevenredig zwaar wordt getroffen. Eiser voert daartoe aan dat er in het door hem en zijn ex-vrouw in 2004 gesloten echtscheidingsconvenant geen rekening is gehouden - en ook niet kon worden gehouden - met de verhoging van de AOW-leeftijd. De financiële regeling die in het convenant is getroffen, loopt derhalve slechts tot eisers 65e verjaardag. Door de verhoging van de AOW-leeftijd heeft eiser te maken met een netto inkomensverlies van € 11.435,44. Eiser acht dit disproportioneel, gegeven het feit dat dit gemiste inkomen hoger is dan het in dezelfde periode ontvangen netto inkomen van € 11.422,--.

4.4

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit I op het standpunt dat slechts sprake is van een onevenredig zware last als eiser in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de OBR. De compensatie bestaat in dat geval uit een maandelijkse overbruggings-uitkering. De ingangsdatum van het AOW-pensioen verandert niet. Nu eiser blijkens het bestreden besluit II niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering, is er volgens het door verweerder gevoerde beleid ook geen sprake van een onevenredig zware last. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat eiser gedurende het gehele tijdvak van het AOW-gat beschikte over een netto-inkomen dat ruim boven de bijstandsnorm ligt. Hierdoor kan niet gesteld worden dat sprake is van een onevenredig zware last. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de toetsing aan de voorwaarden voor de OBR een voldoende deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last behelst. Er wordt immers onderzoek gedaan naar de inkomenssituatie en zo nodig ook naar de vermogenspositie. Verder kan in bijzondere omstandigheden in het voordeel van een betrokkene van het beleid worden afgeweken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Het is dan wel aan de betrokkene om aan te tonen dat, ondanks dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de OBR en dus niet in aanmerking komt voor een compensatie, in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch een onevenredig zware last moet worden aangenomen.

4.5

De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake is van een onevenredig zware last volgens jurisprudentie van de CRvB, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2612, van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek moet worden beoordeeld. De rechtbank kan verweerder, gelet op de in het verweerschrift gegeven toelichting, volgen in diens standpunt dat in situaties zoals die van eiser, waarin een betrokkene geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de OBR, het zogenaamde pensioengat over het algemeen geen onevenredig zware last zal opleveren. Dit laat onverlet dat er situaties kunnen zijn waarbij sprake is van een onevenredig zware last, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de OBR. In het op verzoek van de rechtbank door verweerder overgelegde hoger beroepschrift heeft verweerder dit ook onderkend. Verweerder geeft aan dat in dergelijke gevallen op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid kan worden afgeweken. Het is dan wel aan de betrokkene om aan te tonen dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch een onevenredig zware last moet worden aangenomen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. De rechtbank stelt evenwel vast dat uit het bestreden besluit I niet blijkt dat verweerder heeft onderzocht of de door eiser in de bezwaarfase reeds naar voren gebrachte individuele omstandigheden aanleiding geven om af te wijken van het gevoerde beleid. Hierover is in het besluit niets opgenomen. Het bestreden besluit I is dan ook onvoldoende gemotiveerd en moet wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

4.6

De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit I geheel in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.6.1

De wet waarmee de AOW-leeftijd is verhoogd is ondertekend op 12 juli 2012. Daaraan voorafgaand heeft een parlementaire discussie plaatsgevonden over de vraag of de AOW-leeftijd moest worden verhoogd en zo ja, op welke manier. Hoewel eiser bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant in 2004 nog niet wist dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd, heeft hij zich zeker vijf jaar kunnen voorbereiden op de gevolgen van de verhoging van de pensioenleeftijd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee voldoende tijd gehad om te anticiperen op de voor hem geldende verhoging van de AOW-leeftijd. De beroepsgrond van eiser dat hij zijn AOW-gat van negen maanden niet heeft kunnen voorzien, slaagt dus niet.

4.6.2

Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens niet gebleken dat eiser onevenredig zwaar is getroffen door de verschuiving van zijn AOW-leeftijd. Wat er ook zij van het door eiser misgelopen pensioen, eiser heeft niet bestreden dat hij gedurende de negen maanden van zijn pensioengat een aanzienlijk inkomen heeft genoten, hetgeen ook is op te maken uit de door eiser ter zitting overgelegde berekeningen van door hem gemiste inkomsten. Dat eiser, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, noodgedwongen aandelen heeft moeten verkopen om de inkomensdaling op te vangen, leidt gezien alle omstandigheden van het geval niet tot een onevenredig zware last voor eiser als bedoeld in de jurisprudentie (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502).

4.7

Tenslotte overweegt de rechtbank ten aanzien van het bestreden besluit I dat de wetgever met de wetswijzigingen heeft ingespeeld op de verslechterde situatie van de overheidsfinanciën en de vergrijzing en de ontgroening van de beroepsbevolking, zodat op geschikte en passende wijze het (AOW-)stelsel houdbaar en toegankelijk kan worden gehouden. De wetgever heeft beoogd de verhouding tussen de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zo goed mogelijk te benaderen, waarbij noodzakelijkerwijs aan beide beginselen concessies worden gedaan. Met inachtneming van de ruime mate van beleidsvrijheid die de wetgever in beginsel toekomt bij het nemen van maatregelen op sociaal en economisch gebied, kunnen in het licht van de legitieme doelstelling, die door eiser niet wordt bestreden, de met de wetswijziging gekozen leeftijdsgrenzen niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Eisers beroep op (leeftijds-)discriminatie kan dan ook niet slagen. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502.

4.8

Gelet op het hiervoor overwogene, verklaart de rechtbank het beroep, geregistreerd onder het nummer LEE 17/4093, gegrond, vernietigt zij het bestreden besluit I en bepaalt zij dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

5. Ten aanzien van het bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt.

5.1

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de OBR bepaalt het volgende:

Recht op een overbruggingsuitkering heeft de persoon die minimaal één kalenderjaar vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is verzekerd of verzekerd is geweest op grond van de artikelen 6 en 6a van de AOW, alsmede de persoon, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de AOW, of de persoon, bedoeld in de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1985, nr. SZ/SV/VV/85/914, houdende spaarregeling gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW (Stcrt. 87), indien hij:

a. op of na 1 januari 2013 de leeftijd van 65 jaar bereikt en op die dag of de eerste dag van de maand voor of na die dag als gevolg van een in een regeling als bedoeld in artikel 5 genoemde leeftijdsgrens van 65 jaar, geen recht meer heeft, of een lager recht heeft op een op 1 januari 2013 reeds lopende uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dan wel na het bereiken van de volledige duur daarvan, een daarop aansluitende uitkering of uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5;

b. over de zesde kalendermaand voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan 200% van het bruto-minimumloon, of indien hij een echtgenoot heeft, tezamen met die echtgenoot een gezamenlijk inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan 300% van het bruto-minimumloon, (…)

5.2

Artikel 5 van de OBR geeft een limitatieve opsomming van de regelingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de OBR. Dit zijn de zogenaamde rechtgevende uitkeringen op een overbruggingsuitkering ingevolge de OBR. Dit betreft VUT- en andere prepensioenregelingen en daarmee vergelijkbare regelingen.

5.3

Verweerder heeft eisers aanvraag om een overbruggingsuitkering ingevolge de OBR primair afgewezen omdat eiser geen rechtgevende uitkering heeft als hiervoor bedoeld. De maandelijkse betaling die eiser ontvangt, vloeit voort uit de Wet Verevening Pensioenrechten, zoals ook genoemd in eisers echtscheidingsconvenant. Deze uitkering wordt niet genoemd in artikel 5 van de OBR. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers inkomen na zijn 65e verjaardag nog dusdanig hoog is, dat hij ook om die reden niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering.

5.4

De rechtbank overweegt dat de OBR compensatie beoogt te bieden aan mensen met een inkomen van niet meer dan 200% of 300% van het wettelijk minimumloon, bij wie inkomensverlies optreedt doordat per 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd in de AOW is verhoogd, terwijl een bestaand recht op een VUT- of prepensioenuitkering eindigt of vermindert bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, en van wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen zal zijn. Van personen die een inkomen of vermogen hebben boven de gestelde grenzen wordt verondersteld dat zij voldoende financiële reserves hebben om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen.

5.5

Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat de uitkering die hij ontvangt gelijkgesteld moet worden met een rechtgevende uitkering in de zin van artikel 5 van de OBR, overweegt de rechtbank dat dit betoog reeds nergens toe kan leiden, omdat onbestreden is gebleven dat eisers inkomen te hoog is om in aanmerking te komen voor een overbruggingsuitkering. Verweerder heeft eisers aanvraag reeds om die reden terecht afgewezen. Het beroep van eiser, geregistreerd onder het zaaknummer LEE 17/2039, faalt.

5.6

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder het zaaknummer LEE 17/4093, gegrond; - vernietigt het bestreden besluit I; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - verklaart het beroep, geregistreerd onder het zaaknummer LEE 17/2039, ongegrond; - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht in de zaak LEE 17/4093 ad € 46,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. K. Wentholt, leden, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.