Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2170

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
18/830363-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen voorbedachte raad. Twee keer doodslag. Maximale gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830363-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats]

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 mei 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 13 oktober 2017 tot en met 14 oktober 2017, te Haren Gn,

in de gemeente Haren, een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk

en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte:

- met zijn hand(en) en/of arm de keel/hals van die [slachtoffer 1]

dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of

- een snoer (telefoonoplader) om de keel/hals van die [slachtoffer 1]

gedaan en/of vervolgens voornoemd snoer aangetrokken en/of

- stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de neus en/of mond en/of hals

van die [slachtoffer 1] uitgeoefend en/of (aldus) gedurende enige tijd de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] afgesloten en/of

- met een mes in de keel/hals en/of de nek van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden;

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Haren Gn, in de gemeente Haren, een kind genaamd [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011), opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte:

- ( met een doek) op de mond en/of neus en/of het gezicht van die [slachtoffer 2]

gedrukt en/of (aldus) samendrukkend en/of smorend geweld op de

neus en/of de mond en/of het gezicht van die [slachtoffer 2] uitgeoefend

en/of

- stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals/kin/nek en/of de romp

van die [slachtoffer 2] uitgeoefend en/of (aldus) gedurende enige tijd de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 2] afgesloten.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat op grond van het sectieverslag en de verklaringen van verdachte vaststaat dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] heeft gedood. Uit het dossier blijkt dat verdachte heeft geprobeerd haar te smoren. Daarna heeft verdachte zijn handen om haar keel gelegd en heeft hij geprobeerd de keel [slachtoffer 1] dicht te drukken. Vervolgens heeft hij een snoer van een telefoonoplader gepakt, dit tot strop geknoopt en om de hals/keel van [slachtoffer 1] gedaan en het snoer aangetrokken en [slachtoffer 1] aan het snoer van de slaapkamer naar de badkamer gesleept. Verdachte heeft daarna een keramisch vleesmes opgehaald, is achter [slachtoffer 1] gaan staan en heeft haar hoofd vastgepakt, terwijl zij bewegingsloos op de grond lag, en met het mes de keel van links naar rechts doorgesneden.

Verdachte heeft aanvankelijk verklaard het mes te hebben opgehaald toen het slachtoffer op de grond in de badkamer lag, hetgeen impliceert dat hij de doucheruimte heeft verlaten om het mes te halen. De latere verklaring van verdachte dat het mes al in de badkamer lag omdat de kinderen eerder die dag de badkamerdeur met het mes hebben geopend, acht de officier van justitie niet aannemelijk.

Gelet op vorenstaande is de officier van justitie van mening dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Er zijn meerdere momenten van bezinning geweest en er zijn geen contra-indicaties voor voorbedachte raad. De officier van justitie acht daarom de moord op mevrouw [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is de officier van justitie van mening dat op grond van het sectieverslag en de bekennende verklaring van verdachte de doodslag op [slachtoffer 2] kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de onder 1 ten laste gelegde moord niet kan worden bewezen. Hiertoe is aangevoerd dat geen sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden.

Op basis van het dossier moet worden aangenomen dat het besluit van verdachte om [slachtoffer 1] fysiek aan te vallen direct volgde op haar mededeling dat zij de relatie met verdachte wilde beëindigen. Op dat moment was er geen sprake van enige tijd voor beraad.

Voorts is er geen reden om aan te nemen dat er tussen de verschillende gewelddadige handelingen enige tijd zat. Er was sprake was van geweldsexplosie die korte tijd voortduurde. Objectief gezien was er wellicht enige tijd voor beraad tijdens de reeks van gewelddadige handelingen, maar deze tijd is zeer kort geweest. In de visie van de verdediging wijst alles erop dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat er voldoende tijd voor verdachte was om zich te beraden, is de verdediging van mening dat dan een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan contra-indicaties voor voorbedachte raad. Volgens de raadsvrouw vonden de besluitvorming en uitvoering immers plaats in plotselinge drift. Tevens was er sprake van een korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering en bestond de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit. Gelet op deze contra-indicaties heeft verdachte de gelegenheid tot nadenken niet daadwerkelijk gehad. Hij heeft de korte tijd die hij had niet daadwerkelijk voor bezinning kunnen benutten. De eventuele tijd voor bezinning werd verstoord door de hevige gemoedsbeweging. Hij was zich tijdens de aaneengesloten reeks van gewelddadige handelingen onvoldoende bewust van waar hij mee bezig was en kon niet stoppen.

De handelwijze van verdachte getuigde niet van een geestesgesteldheid die ruimte liet voor bezinning. Er dient dan ook vrijspraak te volgen van de voorbedachte raad.

De impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] kan wel worden bewezen.

De verdediging is van mening dat het onder 2 ten laste gelegde, de doodslag op [slachtoffer 2], eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ieder bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2018, alsmede zijn verklaringen bij de politie afgelegd, opgenomen op pagina 330 e.v. (map 1) van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017272356 (Onderzoek NN2R017054-MINNING), d.d. 2 januari 2018;

2. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" betreffende [slachtoffer 1]

d.d. 16 januari 2018, opgemaakt door dr.V.Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, nagekomen stuk behorende bij voornoemd dossier;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2018;

2. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" betreffende [slachtoffer 2],

d.d. 5 december 2017, opgemaakt door dr.V.Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, opgenomen op pagina 99 e.v. (map 2) van voornoemd dossier.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt op grond van het sectierapport vast dat [slachtoffer 1] om het leven is gebracht door zuurstofgebrek, opgetreden door:

- uitwendig mechanisch scherprandig, snijdend en klievend geweld aan de hals;

- uitwendig mechanisch stomp botsend geweld of ( samen) drukkend geweld op de neus en de mond (smoren);

- uitwendig mechanisch samendrukkend geweld (verwurging) op kin/kaaklijnen/hals-niveau, al of niet in combinatie met stomp botsend geweld of een combinatie van deze drie.

Verdachte heeft bekend dat hij voornoemde handelingen heeft verricht. De rechtbank is gelet op de aard van de opeenvolgende handelingen - die naar hun uiterlijke verschijningsvormen gericht waren op de dood - van oordeel dat verdachte de dood van het slachtoffer heeft beoogd en aldus opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.

Vervolgens moet worden beoordeeld of er sprake was van voorbedachte raad bij het doden van [slachtoffer 1]. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er in de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] voortdurend problemen waren. Het dossier biedt echter geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van voorbedachte raad in de vorm van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden. Niet is gebleken dat verdachte naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan met het voornemen haar van het leven te beroven, of dat hij anderszins enige tijd van te voren een plan had beraamd om dit te doen.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet in dit geval derhalve komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechtbank, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.1

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende feitenrelaas af.

Verdachte hoorde op de avond van 13 oktober 2017 van [slachtoffer 1] dat zij de relatie met hem wilde beëindigen en niet meer van hem hield. Zij wilde daarom ook niet dat haar ouders zouden kennismaken met de zijne, zoals verdachte had gehoopt.

Hoewel verdachte dit ter zitting heeft ontkend, mogelijk uit angst voor oplegging van een strafvorderlijke maatregel, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte na de mededeling van [slachtoffer 1] voelde dat hij gek werd en helemaal doordraaide, zoals hij bij de politie heeft verklaard. Meteen na [slachtoffer 1] mededeling heeft verdachte haar bij de keel vastgepakt. Er heeft een worsteling plaatsgevonden waarbij [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen. Op de grond lag een snoer van een telefoonoplader. Verdachte heeft dit snoer gepakt, om [slachtoffer 1] nek gedaan en aangetrokken. Daarna heeft verdachte een mes gepakt en hiermee de keel van [slachtoffer 1], die toen nog leefde, doorgesneden. Gedurende deze geweldshandelingen hebben verdachte en [slachtoffer 1] zich van de slaapkamer naar de badkamer verplaatst.

De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen waarde hecht aan het feit dat in de aanvankelijke verklaring van verdachte is te lezen dat hij een mes heeft ‘opgehaald’, nu verdachte toen niet heeft verklaard waar het mes vandaan kwam en niet uitgesloten is dat in de vertaling vanuit het Tigrinja de bewoordingen van verdachte minder nauwkeurig zijn weergegeven.

Hoewel de rechtbank onderkent dat de badkamer geen voor de hand liggende plaats is om een keukenmes te bewaren, volgt de rechtbank verdachte op dit punt toch in zijn verklaring, nu het dossier geen aanwijzingen biedt voor een scenario waarin verdachte de doucheruimte tussen de geweldshandelingen door heeft verlaten.

De rechtbank gaat ervan uit dat het plegen van de verschillende geweldshandelingen in meerdere ruimtes van de woning méér dan slechts een kort moment in beslag heeft genomen en dat er objectief bezien tussentijds ruimte is geweest voor verdachte om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit.

De rechtbank komt op basis van verdachtes verklaringen echter tot de conclusie dat hij zich die avond overrompeld voelde door de voor hem kwetsende mededeling van [slachtoffer 1] en dat verdachte vervolgens in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling - verdachte werd gek, hij draaide door - vrijwel aaneensluitend een aantal geweldshandelingen heeft gepleegd. Het oordeel van de rechtbank luidt dan ook dat verdachte, ondanks de tijdspanne die gepaard ging met het plegen van het geweld, niet de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Er zijn, kortom, contra-indicaties voor de aanwezigheid van voorbedachte raad. De ten laste gelegde voorbedachte raad kan daarom niet bewezen verklaard worden.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van wettig en overtuigend bewijs voor doodslag.

Tevens acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 13 oktober 2017 tot en met 14 oktober 2017, te Haren Gn,

in de gemeente Haren, een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte:

- met zijn handen en arm de keel/hals van die [slachtoffer 1]

dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en

- een snoer (telefoonoplader) om de keel/hals van die [slachtoffer 1]

gedaan en vervolgens voornoemd snoer aangetrokken en

- stomp botsend en samendrukkend geweld op de neus en mond en hals

van die [slachtoffer 1] uitgeoefend en (aldus) gedurende enige tijd de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] afgesloten en

- met een mes in de keel/hals van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden;

2.

hij op 14 oktober 2017 te Haren Gn, in de gemeente Haren, een kind genaamd [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011), opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte:

- ( met een doek) op de mond en neus en het gezicht van die [slachtoffer 2] gedrukt en (aldus) samendrukkend en/of smorend geweld op de neus ende mond en het gezicht van die [slachtoffer 2] uitgeoefend en

- stomp botsend en samendrukkend geweld op de hals/kin/nek en de romp van die [slachtoffer 2] uitgeoefend en (aldus) gedurende enige tijd de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 2] afgesloten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Doodslag

2. Doodslag

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder het 1 ten laste gelegde (moord) en 2 ten laste gelegde (doodslag) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren (met aftrek van voorarrest). De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafmaat onder meer rekening gehouden met de gruwelijke wijze waarop verdachte zijn (ex)vrouw en haar 6-jarige dochter in hun eigen woning van het leven heeft beroofd en het feit dat door toedoen van verdachte zijn jonge dochtertje verder moet leven zonder haar zus en moeder. Op grond van de rapportages is de officier van justitie van mening dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat de behandelmaatregel TBS dan ook niet aan de orde is. De maatschappij dient middels een lange gevangenisstraf voor een zeer lange duur tegen verdachte beschermd te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht - gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, op de jonge leeftijd van verdachte, alsmede op het feit dat verdachte berouw toont en openheid van zaken heeft gegeven - een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 14 jaren passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee levensdelicten. Verdachte heeft zijn

(ex-)vrouw op de bewuste avond, nadat hij van haar had gehoord dat ze niet met hem verder wilde, op een gruwelijke manier om het leven gebracht. Verdachte heeft eerst met zijn handen geprobeerd haar te verstikken, vervolgens heeft hij het snoer van een telefoonoplader om haar nek gedaan en dat aangetrokken, ook om haar te verstikken. Ten slotte heeft verdachte een mes gepakt en hiermee haar keel doorgesneden, waarna hij haar in de badkamer achter heeft gelaten in een plas bloed. In plaats van hulpdiensten in te schakelen is verdachte vervolgens in de woonkamer gaan zitten zonder zich te bekommeren om de twee in de woning aanwezige kinderen. Na enige tijd werd de zesjarige dochter van zijn

(ex-)vrouw, [slachtoffer 2], wakker. Verdachte moet zich er van tevoren bewust van zijn geweest dat de kans groot was dat zij wakker zou worden, omdat zij vrijwel iedere nacht rond hetzelfde tijdstip wakker werd en dan steevast naar de ouderlijke slaapkamer kwam. Verdachte wist dus ook dat [slachtoffer 2] naar alle waarschijnlijkheid zou worden geconfronteerd met het lichaam van haar dode moeder. Toen de dochter haar moeder inderdaad vond en begon te schreeuwen heeft verdachte haar door verstikking om het leven gebracht, in elk geval mede uit boosheid over haar vader die volgens verdachte een deel van de oorzaak van de breuk met [slachtoffer 1] was. Verdachte heeft aldus een kwetsbaar meisje van zes jaar volkomen zinloos van het leven beroofd. Het laatste wat het meisje moet hebben gezien is het ontzielde lichaam van haar moeder in een plas bloed. Ook hierna heeft verdachte verzuimd hulpdiensten of anderszins hulp in te schakelen, dit terwijl verdachte naar eigen zeggen ‘geen idee’ had of [slachtoffer 2] nog leefde.

Het gemis zal voor de nabestaanden, nu en in de toekomst, onmiskenbaar groot zijn. De impact van het handelen van verdachte op het leven van zijn tweejarige dochter, eveneens in de woning aanwezig, zal buitengewoon zijn. Zijn dochter zal verder moeten leven zonder haar moeder en zusje, in de wetenschap dat haar vader daarvoor verantwoordelijk is.

Verdachte heeft over het voorgaande nauwelijks doorleefd berouw getoond.

Dergelijke feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van de maximale duur.

Daarbij speelt ook het recidiverisico een rol.

Bij verdachte is, aldus de rapporteurs in hun triple-rapportage, sprake van een aantal factoren die matig risico verhogend zijn. Verdachte bezit onvoldoende adequate coping om goed om te kunnen gaan met negatieve cognities en emoties. Hierbij speelt met name krenking en afwijzing een rol. Tevens heeft hij op meerdere gebieden, zoals werk/scholing, huisvesting en taal, zijn leven onvoldoende op orde, waardoor hij niet op een zelfregulerende basis terug kan vallen. Geadviseerd wordt om verdachte therapie aan te bieden in detentie.

De rechtbank overweegt dat verdachte een jonge dochter heeft en dat het heel goed denkbaar is dat hij zich in de toekomst opnieuw gekrenkt of afgewezen zal voelen. De rechtbank acht mede hierop de genoemde gevangenisstraf noodzakelijk.

Voorts is van belang dat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan de triple rapportage. Daarmee heeft hij de route richting behandeling in het kader van een maatregel bij voorbaat afgesneden. Ook daarom is het opleggen van een gevangenisstraf als voornoemd noodzakelijk. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is. In dit geval acht de rechtbank de maximale vrijheidsstraf die op het delict doodslag staat passend en geboden. In samenhang met het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht betekent dit dat verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren wordt opgelegd.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals zijn jonge leeftijd en het feit dat hij geen strafblad heeft, in dit geval geen reden voor matiging van de op te leggen straf. Uit de over hem opgemaakte rapportages blijkt dat bij verdachte, die slechts beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek, geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vast te stellen en dat het ten laste gelegde hem volledig kan worden toegerekend.

Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoogte van de straf te matigen, zodat de rechtbank de in het onderhavige geval hoogst mogelijke gevangenisstraf zal opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2018.

1 HR 28 februari 2012; ECLI:NL: HR:2012: BR2342