Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:215

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
18/730387-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als rijinstructeur schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige leerling. De ontucht bestond hierin dat verdachte tijdens de rijles met het slachtoffer heeft getongzoend en hij met zijn hand in de beha van het slachtoffer is gegaan, alwaar hij de onbedekte borst van het slachtoffer heeft betast. Verdachte heeft door zijn grensoverschrijdend gedrag de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer geschonden en bovendien het vertrouwen dat een leerling in een rijinstructeur en in een volwassene mag hebben op grove wijze beschaamd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht in het vonnis expliciet te vermelden dat een schuldigverklaring in deze zaak geen reden mag zijn om de afgifte van een VOG aan de verdachte in de toekomst te weigeren. De beslissing over de verkrijging van een VOG is echter vooreerst voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG), namens de Minister van Justitie en Veiligheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730387-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.H.S. van Rest.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal geven van (een) (tong)zoen(en) aan die [slachtoffer] en/of het betasten, althans aanraken, van de bedekte en/of onbedekte borst en/of de/het bedekte kruis/schaamstreek van die [slachtoffer] ,

en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte opzettelijk als rij-instructeur, in het kader van een rijles, die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en/of (vervolgens) (zo) plotseling en/of onverhoeds en/of tegen de wil van die [slachtoffer] (een) (tong)zoen(en) gegeven en/of de onbedekte/bedekte borst en/of bedekte

kruis/schaamstreek betast/aangeraakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ontucht heeft gepleegd met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1998, bestaande die ontucht hierin dat hij verdachte meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (een) (tong)zoen(en) heeft gegeven en/of de bedekte/onbedekte borst en/of het/de bedekte kruis/schaamstreek van die

[slachtoffer] heeft betast/aangeraakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak voor het primair ten laste gelegde gevorderd. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd. Hij heeft aangevoerd dat het subsidiair ten laste gelegde in zijn geheel bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie als rijinstructeur ten opzichte van zijn leerling. Het slachtoffer is, anders dan verdachte, tijdens het gehele proces op geen enkele leugen betrapt, waardoor haar verklaring betrouwbaar is. Hierdoor is de ontkennende verklaring van verdachte ten aanzien van een onderdeel van de tenlastelegging, het betasten van de bedekte schaamstreek, niet geloofwaardig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen en heeft aangevoerd dat het subsidiair ten laste gelegde beter bij de situatie past dan het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van de onderdelen van de tenlastelegging heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het aanraken van de schaamstreek van het slachtoffer stellig ontkent. Er is sprake geweest van een één op één situatie, waardoor het bewijs erg mager is om op dit onderdeel tot een bewezenverklaring te komen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht -met de officier van justitie- het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht het betasten dan wel aanraken van de bedekte schaamstreek van het slachtoffer niet wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van aangeefster en verdachte verschillen ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging en de verklaring van aangeefster vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Ondanks dat niet elk onderdeel van de tenlastelegging door meerdere bewijsmiddelen moet worden ondersteund, komt de rechtbank tot dit oordeel op basis van de stelligheid waarmee verdachte het betasten dan wel aanraken van de bedekte schaamstreek van het slachtoffer heeft ontkend, terwijl de overige seksuele handelingen ter terechtzitting door hem zijn erkend.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 juni 2016, opgenomen op pagina 17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016159989 d.d. 12 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 juni 2016, opgenomen op pagina 19 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair

hij op 2 juni 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ontucht heeft gepleegd met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1998, bestaande die ontucht hierin dat hij verdachte die [slachtoffer] een tongzoen heeft gegeven en de onbedekte borst van die [slachtoffer] heeft betast.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag, met aftrek van het voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Nederland en een verplichte ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek Geestelijke Gezondheidszorg Friesland of soortgelijke ambulante forensische zorg. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de strafeis van de officier van justitie redelijk te vinden. Hij heeft aangevoerd dat verdachte om enige clementie vraagt, ondanks dat hij begrijpt dit niet te verdienen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd in het vonnis een overweging op te nemen ten aanzien van de Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG), waarin opgenomen kan worden dat het niet de bedoeling is dat de veroordeelde door deze veroordeling zijn baan zal verliezen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage door Reclassering Nederland d.d. 13 november 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als rijinstructeur schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige leerling. De ontucht bestond hierin dat verdachte tijdens de rijles met het slachtoffer heeft getongzoend en hij met zijn hand in de beha van het slachtoffer is gegaan, alwaar hij de onbedekte borst van het slachtoffer heeft betast. Verdachte heeft door zijn grensoverschrijdend gedrag de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer geschonden en bovendien het vertrouwen dat een leerling in een rijinstructeur en in een volwassene mag hebben op grove wijze beschaamd. Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij niet in staat is geweest professionele afstand tot zijn leerling te bewaren.

De rechtbank is van oordeel dat voor onderhavig feit in beginsel, mede gelet op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, een combinatie van een gevangenisstraf en een werkstraf op zijn plaats is en neemt de eis van de officier van justitie als uitgangspunt. Verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven van spijt en schaamte en ziet het kwalijke van zijn handelen in. Ook heeft hij ter terechtzitting zijn excuses aan het slachtoffer en haar familie aangeboden. Toch heeft verdachte weinig inzicht kunnen bieden in de achterliggende reden waardoor het onderhavige feit heeft kunnen gebeuren. Dit baart de rechtbank zorgen, hetgeen zij mee zal nemen in de strafbepaling. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Uit de reclasseringsrapportage volgt dat het de reclassering eveneens zorgen baart dat verdachte geen inzicht heeft in de onderliggende motieven die tot het delict hebben geleid. Verder blijkt dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat. Desalniettemin meent de reclassering dat het opleggen van een meldplicht en een ambulante behandelverplichting wenselijk is bij een (deels) voorwaardelijke straf. Verdachte heeft laten weten hieraan mee te zullen werken indien dit noodzakelijk wordt bevonden.

Alles afwegend is de rechtbank, in afwijking van de eis van de officier van justitie, van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen en een proeftijd van twee jaren voldoende zijn om als stok achter de deur te fungeren.

Gelet op het advies van de reclassering acht de rechtbank een combinatie van een werkstraf en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden en zal de rechtbank, gericht op het voorkomen van recidive aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden van een meldplicht en een verplichte ambulante behandeling.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht in het vonnis expliciet te vermelden dat een schuldigverklaring in deze zaak geen reden mag zijn om de afgifte van een VOG aan de verdachte in de toekomst te weigeren. De beslissing over de verkrijging van een VOG is echter vooreerst voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG), namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding over de aard van het bewezenverklaarde feit in het kader van de VOG meer te overwegen dan hiervoor is opgenomen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juni 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen een week na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, waarna de veroordeelde zich moet blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, indien noodzakelijk, onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van de GGZ Friesland of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn delict gedrag, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

Een taakstraf, voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2016.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. A.W. Wassink en mr. H.G. Punt, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2018.

Mr. H.G. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.