Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2141

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
6609054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Sociaal Plan

uitleg garantiebepaling

toepasselijkheid artikel 7:662 e.v. BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 6609054 CV EXPL 18-410

vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2018 in een verzoek ex artikel 96 Rv

van:

I. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] RECREATIE B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: mr. A. Hofman,

II. 1. [mw. A]

en

2. [mw. B],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. I. Golüke,

III. [mw. C],

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. C.C. te Pas.

Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als [X] , [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] , dan wel als werkgever en werkneemsters.

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoekers hebben zich bij verzoekschrift, binnen gekomen ter griffie op 26 januari 2018, gezamenlijk op de voet van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot de kantonrechter gewend teneinde een beslissing te verkrijgen in een tussen hen bestaand geschil.

1.2.

Op 10 april 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [X] zijn verschenen de heer [X] , directeur en aandeelhouder, de heer [Y] , controller (hierna: [Y] ), en mr. Hofman voornoemd. [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] zijn eveneens verschenen, vergezeld door hun gemachtigden. Verzoekers hebben ter zitting mede aan de hand van schriftelijke aantekeningen een toelichting gegeven op de door hen ingenomen standpunten en over en weer op elkaars standpunten gereageerd. De gemachtigde van [X] heeft nadere stukken overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Vervolgens heeft de kantonrechter de beslissing bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[mw. A] , [mw. B] en [mw. C] zijn werkzaam in het zwembad Ny Sudersé te [woonplaats] (hierna: het zwembad). [mw. A] en [mw. C] zijn werkzaam als zwemonderwijzeressen en [mw. B] is werkzaam als kassière. Tot 18 oktober 2012 was het zwembad een gemeentelijk zwembad en hadden werkneemsters een aanstelling als ambtenaar bij de gemeente Lemsterland (hierna: de Gemeente).

2.2.

In 2012 heeft de Gemeente besloten om de exploitatie van het zwembad te privatiseren. [X] , die een onderneming drijft in de recreatiesector, is als private partij naar voren gekomen om het zwembad te gaan exploiteren. In het kader van de overgang van het personeel van het zwembad van de Gemeente naar [X] hebben het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente en de vakbonden (ABVAKABO/FNV en CNV) overeenstemming bereikt over een Sociaal Plan, gedateerd 19 september 2012. Hierin is - voor zover thans van belang - bepaald:

" Artikel 8. Garanties arbeidsvoorwaarden

Met de medewerkers worden de navolgende garanties overeengekomen, die geldend worden geacht zolang zij in dienst zijn van de privaatrechtelijke rechtspersoon.

(…)

8.2

Netto-netto garantie

Aan de medewerkers, die overgaan naar de privaatrechtelijke rechtspersoon wordt een zogenaamde netto-netto garantie gegeven conform de CAO-gemeenten gedurende de eerste vijf jaar na overgang. Deze garantie houdt in dat de netto salarisaanspraken verbonden aan de laatst vervulde functie bij de gemeente Lemsterland (uitgaande van een 36-urige werkweek maximaal), de netto aanspraken op vakantiegeld, eindejaarsuitkering, de aan de functie verbonden salarisperspectieven, en de van toepassing zijnde vaste toelagen per medewerker (EHBO, BHV, onregelmatigheidstoeslag en kledingtoelage), worden gegarandeerd. De netto salarisaanspraken (inclusief salarisperspectieven) en overige afgesproken arbeidsvoorwaarden worden per medewerker in een bijlage bij de privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst vastgelegd. De bijlage, waarin zowel het huidige als het nieuwe salaris staat vermeld (bruto-netto berekening), wordt zowel door de privaatrechtelijke rechtspersoon als de gemeente Lemsterland ondertekend.

(…)

8.5

Overige secundaire arbeidsvoorwaarden

De overige gemeentelijke secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals in bijlage I (laatste kolom) van toepassing verklaard, blijven tot drie jaar na overgang onveranderd van toepassing. De privaatrechtelijke rechtspersoon heeft de inspanningsverplichting om binnen drie jaar na overgang terzake eigen beleid te formuleren, waarbij als uitgangspunt geldt dat de betrokken werknemers er gemiddeld genomen niet op achteruit gaan. Indien binnen drie jaren terzake geen ander beleid is ontwikkeld, zijn de bedoelde gemeentelijke secundaire arbeidsvoorwaarden blijvend van toepassing (ook na afloop van de geldigheidsduur van dit Sociaal Plan als vermeld in artikel 5, lid 3)."

2.3.

[mw. A] , [mw. B] en [mw. C] , zijn per 18 oktober 2012 in dienst getreden bij [X] . In de tussen [X] en [mw. A] en [X] en [mw. B] gesloten arbeidsovereenkomsten is bepaald:

"ARTIKEL 11

Op het bruto salaris (artikel 4), de onregelmatigheidstoeslag (artikel 5), de vakantietoeslag (artikel 6), de vaste toelagen (artikel 7), alsmede op de eindejaarsuitkering en de salarisperspectieven is een netto-netto garantie van toepassing als omschreven in artikel 8.2 van het Sociaal Plan, welke als bijlage aan deze overeenkomst is gehecht."

Ten aanzien van [mw. C] is een vergelijkbare bepaling in haar arbeidsovereenkomst met [X] opgenomen, met als enige verschil dat een verwijzing naar een onregelmatigheidstoeslag ontbreekt, omdat [mw. C] daar kennelijk geen aanspraak op had.

2.4.

Ten aanzien van het overeengekomen salaris is in alle drie de arbeidsovereenkomsten - voor zover van belang - bepaald:

" ARTIKEL 4

Het brutosalaris bedraagt (…) per maand en komt overeen met het deeltijdpercentage van (…) over uitloopschaal (…) periodiek (…) (Gemeente Lemsterland) (…)"

2.5.

In de slotalinea van alle drie de arbeidsovereenkomsten is voorts bepaald:

"ARBEIDSVOORWAARDEN

Op deze overeenkomst zijn van toepassing de bepalingen zoals vastgelegd in de van kracht zijnde CAO Recreatie. Een exemplaar van de CAO Recreatie ligt voor de werknemer ter inzage bij de leidinggevende.

Vanaf het moment van overgang van Gemeente Lemsterland naar de werkgever is gedurende vijf jaar mede van toepassing de aanvullende arbeidsvoorwaardenregeling, zijnde het Sociaal Plan Gemeentelijk Zwembad Sudersé, definitieve versie september 2012, welke als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd en wordt geacht hiervan deel uit te maken."

2.6.

In 2015 heeft een bijeenkomst met het personeel van het zwembad plaatsgevonden over hun arbeidsvoorwaarden. Namens [X] heeft [Y] bij e-mailbericht van 26 juni 2015 het volgende - voor zover van belang - aan (o.a.) [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] bericht:

"De arbeidsovereenkomst verstrijkt niet automatisch na het verstrijken van vijf jaar, maar is aangegaan voor onbepaalde tijd. Daarentegen kent de toepassing van het Sociaal Plan wel een bepaalde looptijd welke is vastgesteld op vijf jaar - van 18 oktober 2012 tot en met 18 oktober 2017 - als omschreven onder Arbeidsvoorwaarden in de arbeidsovereenkomst. Onder deze rubriek wordt zowel de CAO Recreatie alsmede het Sociaal Plan Gemeentelijk Zwembad Sudersé voor deze vijfjaarstermijn van toepassing verklaard. Om deze twee componenten inzichtelijk te maken is het bruto basisloon thans gesplitst in een basisloon (Recreatie) en een garantieregeling (Sociaal Plan). De netto uitkomst blijft ongewijzigd."

De achterliggende gedachte bij de uitsplitsing van het salaris is geweest dat [X] haar werknemers vroegtijdig wilde informeren over de financiële gevolgen die volgens haar zouden intreden bij het verstrijken van de looptijd van vijf jaar van het Sociaal Plan. [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] hebben zich tegen de uitsplitsing van het salaris verzet. Zij kunnen zich niet verenigen met de aangekondigde inkomensachteruitgang in 2017. Tussen gemachtigden van verzoekers is vervolgens nader gecorrespondeerd over het aflopen van de garantietermijn van vijf jaar uit het Sociaal Plan en de betekenis hiervan voor de arbeidsvoorwaarden van de door [X] overgenomen werknemers.

2.7.

Eind september 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [X] en werkneemsters, waarin [X] aan hen salarisvoorstellen heeft gedaan. De voorstellen hielden kort gezegd een verlaging van het brutosalaris naar de toepasselijke schalen op grond van de CAO Recreatie in en beëindiging van diverse toeslagen. Om werkneemsters enigszins tegemoet te komen in hun bezwaren tegen de inkomensachteruitgang heeft [X] aan hen een overbruggingsregeling aangeboden. Werkneemsters zijn hiermee niet akkoord gegaan. Verzoekers hebben vervolgens gezamenlijk besloten om hun geschil met betrekking tot de garantiebepalingen aan de kantonrechter voor te leggen.

2.8.

Inmiddels is per 1 juli 2016 de CAO-Zwembaden ingetreden voor de onder de werkingssfeer van deze CAO vallende werkgevers en werknemers. Deze CAO is in plaats gekomen van de CAO Recreatie die tot 1 juli 2016 op hen van toepassing was.

3 Het geschil

3.1.

Verzoekers hebben - na wijziging ter zitting - de volgende vragen aan de kantonrechter voorgelegd (met de toevoeging dat het de kantonrechter is toegestaan om eventuele nuanceringen op de vraagstelling toe te passen als dat nodig is om antwoorden te kunnen geven in het tussen verzoekers gerezen geschil en mits dat passend is binnen het kader van de rechtsvragen zoals aan de kantonrechter voorgelegd):

[X] en [mw. C] :

A. Is het standpunt van de werkgever juist dat werkneemsters uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2017 - behoudens pensioenopbouw bij het ABP - geen andere arbeidsvoorwaarden toekomen dan welke hen op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie worden toegekend;

B. Indien de vraag sub A ontkennend wordt beantwoord;

a. dient daarbij nog onderscheid te worden gemaakt tussen deze werkneemsters en/of de type arbeidsvoorwaarden;

b. zijn de tot 1 november 2017 bestaande voorwaarden na deze datum nog onderhevig aan ontwikkelingen op grond van de CAO Gemeenten.

[mw. A] en [mw. B] :

A: Moeten de arbeidsvoorwaarden van [mw. A] en [mw. B] zoals die golden op het moment van overgang van onderneming gerespecteerd worden door [X] ?

B: Zo niet, welke arbeidsvoorwaarden zijn dan wel van toepassing voor [mw. A] en [mw. B] ?

4 De beoordeling

4.1.

Alvorens in te gaan op een inhoudelijke beoordeling van de vragen dient allereerst te worden geoordeeld over hetgeen door [mw. A] en [mw. B] is aangevoerd betreffende bescherming van werknemers in geval van overgang van onderneming.

De toepasselijkheid van beschermingsbepalingen bij overgang van onderneming

4.2.

[mw. A] en [mw. B] hebben aangevoerd dat de verslechtering van de arbeidsvoorwaarden waarmee zij geconfronteerd worden op basis van de interpretatie van de afspraken door [X] , in strijd is met de beschermingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek bij overgang van onderneming (de artikelen 7:662 e.v. BW) dan wel met de EG-richtlijnen inzake het behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen (laatstelijk Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001, hierna: de richtlijn). Volgens [X] zijn de voornoemde beschermingsbepalingen in dit geval niet van toepassing, nu werkneemsters ten tijde van de overgang van de Gemeente naar [X] werkzaam waren op basis van een ambtelijke aanstelling.

4.3.

De kantonrechter overweegt het volgende. De artikelen 7:662 e.v. BW gelden ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn krachtens een arbeidsovereenkomst. De beschermingsbepalingen gelden weliswaar ook (zie artikel 7:662 lid 1 BW) voor de werknemers die op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in een onderneming die in stand worden gehouden door een publiekrechtelijke rechtspersoon (de zogenaamde arbeidscontractanten in overheidsdienst), maar uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever het niet nodig heeft geacht om de bepalingen tevens van toepassing te doen zijn op ambtenaren met een aanstelling. De reden hiervoor is dat er bij een privatisering, gezien de bepalingen hierover in de rechtspositieregelingen, altijd overleg met de vakbonden plaats zal vinden, waarbij er ook aandacht besteed zal worden aan de opvang van de personele gevolgen door de transitie van ambtenaarschap naar een arbeidsovereenkomst (Kamerstukken II 2000/01, 27469, 3 p. 4 e.v.). [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] , die vóór de privatisering van het zwembad een aanstelling als ambtenaar hadden bij de Gemeente, kunnen dan ook geen beroep doen op de beschermingsbepalingen uit het BW bij overgang van onderneming.

4.4.

[mw. A] en [mw. B] hebben nog aangevoerd dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van werknemers die werkzaam zijn krachtens een arbeidsovereenkomst niet dient te worden gekeken naar het moment van overgang naar [X] (2012), maar naar het moment van de wens om harmonisatie, vijf jaar later, in 2017. Op dat moment waren de werkneemsters werkzaam krachtens een arbeidsovereenkomst. Dit argument wordt door de kantonrechter verworpen, nu het voor wat betreft de vraag naar de eventuele toepasselijkheid van de richtlijn en de gevolgen daarvan voor werknemers (en het behoud van rechten) nu juist gaat om de rechten van werknemers op het moment van overgang van onderneming, welk moment in 2012 speelde.

4.5.

De kantonrechter ziet - anders dan ter zitting door [mw. A] en [mw. B] is bepleit - voorts geen aanleiding om vooruit te lopen op de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) die naar verwachting op 1 januari 2020 in werking zal treden en waardoor de beschermingsbepalingen bij overgang van onderneming uit het BW ook van toepassing gaan worden voor een groot deel van de ambtenaren die dan in plaats van een aanstelling een arbeidsovereenkomst gaan krijgen. De voorgestelde regeling houdt teveel een breuk in met de huidige wettelijke regeling om daarop al te anticiperen voordat die wetgeving is ingevoerd.

4.6.

Ter zitting heeft [mw. C] nog verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 20 juli 2017, C416/16 (Luís Manuel Piscarreta Ricardo/Emarp (Portugal)) ter onderbouwing van haar stelling dat werkneemsters wel degelijk een beroep zouden kunnen doen op de richtlijn. Dit standpunt wordt door de kantonrechter verworpen. [mw. A] , [mw. B] en [mw. C] kunnen geen beroep doen op de richtlijn, omdat zij niet behoren tot de groep van personen die door de richtlijn worden beschermd. De kantonrechter verwijst daarbij naar de uitspraak van het HvJ van 14 september 2000 (Collino en Chiappero/Telecom Italië) waaruit kan worden afgeleid dat de richtlijn niet van toepassing is op ambtenaren die bij de overheid zijn aangesteld en die met privatisering te maken krijgen. De uitspraak van het HvJ van 20 juli 2017 heeft hierin naar het oordeel van de kantonrechter geen wijziging gebracht, nu die uitspraak zag op een geheel andere casus (namelijk deprivatisering) dan de onderhavige.

4.7.

Nu de beschermingsbepalingen bij overgang van onderneming niet van toepassing zijn in het onderhavige geval, kan hetgeen door [mw. A] en [mw. B] in dit verband verder is aangevoerd onbesproken blijven.

De uitleg van de garantiebepalingen in de arbeidsovereenkomsten

4.8.

Vervolgens verschillen verzoekers van mening over de strekking van de garantiebepalingen in de arbeidsovereenkomsten. [X] heeft gesteld dat partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst al zijn overeengekomen dat de van de Gemeente overgenomen werkneemsters na het verstrijken van de garantieperiode van vijf jaar niet langer aanspraak hebben op de arbeidsvoorwaarden voor zover deze zijn gebaseerd op de Gemeente CAO. Volgens [X] was het tijdelijke karakter van de garantieregeling - voor de duur van vijf jaar - bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten voor alle partijen voldoende duidelijk en hebben werkneemsters hiermee ingestemd. Werkneemsters betwisten dit. [mw. A] en [mw. B] zien de voorgestelde wijzigingen als een ongeoorloofde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. [mw. C] voert aan dat in de arbeidsovereenkomst voor wat betreft haar salaris wordt verwezen naar de schaal van de gemeente Lemsterland, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat - in afwijking van de CAO Recreatie - een ander/hoger loon is afgesproken. Een afwijkende afspraak is volgens [mw. C] mogelijk vanwege het minimumkarakter van de CAO Recreatie. Wat er in het Sociaal Plan staat doet daar niet aan af.

4.9.

De kantonrechter overweegt het volgende. Verzoekers verschillen van mening over de uitleg van een bepaling in de arbeidsovereenkomst, waarin wordt verwezen naar van toepassing zijnde garantiebepalingen uit het Sociaal Plan. Nu in de arbeidsovereenkomsten wordt volstaan met een simpele verwijzing naar een onderdeel uit het Sociaal Plan, dient voor wat betreft de uitleg van hetgeen tussen partijen overeen is gekomen, allereerst te worden beoordeeld hoe de betreffende bepaling uit het Sociaal Plan dient te worden uitgelegd. Voorts dient beoordeeld te worden of er in de arbeidsovereenkomsten tussen [X] en de werkneemsters bepalingen zijn opgenomen waaruit voort vloeit dat er - in afwijking van het Sociaal Plan - andere (afwijkende) afspraken zijn gemaakt.

4.10.

Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten CAO-norm. Ook de uitleg van een sociaal plan dat niet als cao kan worden aangemerkt, moet geschieden aan de hand van de CAO-norm (vlg. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961). De Hoge Raad heeft op 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2687) nogmaals overwogen dat de CAO-norm inhoudt dat aan een bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao (of, in dit geval, het Sociaal Plan) is gesteld.
De rechtspraak waarin de CAO-norm is ontwikkeld en toegepast ziet op gevallen waarin de door de rechter uit te leggen bepaling van de overeenkomst mede de rechtspositie van derden beïnvloedt. Onder zodanige derden zijn te verstaan partijen - in het onderhavige geval: de werkneemsters - die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en die dus geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud of de formulering van bepalingen. Voorts kan niet worden aanvaard dat een bepaling van een cao op verschillende wijzen zou moeten worden uitgelegd al naar gelang de personen die bij een geschil als procespartijen betrokken zijn. De bestaansgrond van de CAO-norm is dan ook gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen. Voor wat betreft de uitleg van afspraken in de arbeidsovereenkomsten gaat het niet alleen om de tekst van de gemaakte afspraken, maar komt het ook aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium).

4.11.

Een uitleg met toepassing van voornoemde CAO-norm brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat de garanties met betrekking tot de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden een tijdelijk karakter hebben. In de (slotalinea van de) arbeidsovereenkomsten is immers letterlijk bepaald dat hierop het Sociaal Plan, als aanvullende arbeidsvoorwaardenregeling, gedurende vijf jaar mede van toepassing is. In het Sociaal Plan zelf is ook de termijn van vijf jaar genoemd als de termijn gedurende welke de netto salarisaanspraken verbonden aan de laatst vervulde functie bij de gemeente Lemsterland, de netto aanspraken op vakantiegeld, eindejaarsuitkering, de aan de functie verbonden salarisperspectieven, en de van toepassing zijnde vaste toelagen per medewerker worden gegarandeerd. De omstandigheid dat niet met zoveel woorden in de arbeidsovereenkomsten is vermeld wat er na ommekomst van de genoemde periode van vijf jaar zou gaan gebeuren, geeft geen aanleiding voor een andere uitleg. Werkneemsters konden en mochten hieruit naar het oordeel van de kantonrechter niet afleiden dat de garanties oneindig zouden zijn. Anders was de vermelding van een bepaalde periode van toepasselijkheid immers inhoudsloos en was het zelfs überhaupt niet nodig geweest om garantiebepalingen in de arbeidsovereenkomst op te nemen. Werkneemsters hebben geen andere feiten of omstandigheden genoemd die, anders dan uit de letterlijke tekst van het Sociaal Plan of de arbeidsovereenkomst voort vloeit, meebrengen dat de garanties langer zouden duren dan voornoemde vijf jaar. De kantonrechter neemt voorts in aanmerking dat er in het kader van de privatisering van het zwembad in 2012 informatiebijeenkomsten zijn geweest en dat werkneemsters in die periode werden bijgestaan door professionele gemachtigden. Ter zitting is een aan werkneemsters gerichte e-mail overgelegd d.d. 17 oktober 2012, waarin specifieke vragen van hen over de arbeidsovereenkomst zijn beantwoord en waaruit volgt dat ook de tijdelijkheid van het Sociaal Plan aan de orde is geweest. Ook gelet hierop is niet aannemelijk dat werkneemsters de consequenties van het Sociaal Plan op dat moment niet hebben (kunnen) doorzien.

4.12.

De conclusie op grond van het vorenstaande is dat werkneemsters bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten bekend waren, of in ieder geval konden en hadden behoren te zijn, met de tijdelijkheid van de garantieregeling en dat zij door de ondertekening van die arbeidsovereenkomsten daarmee hebben ingestemd. Dit betekent dat het standpunt van [mw. A] en [mw. B] dat er in 2017 een (niet geoorloofde) eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden heeft plaatsgevonden niet wordt gevolgd.

4.13.

De kantonrechter volgt ook niet het standpunt van [mw. C] dat uit de verwijzing in de arbeidsovereenkomst naar de loonschalen van de gemeente Lemsterland kan worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen is geweest om voor wat betreft het brutosalaris blijvend aan te haken bij de loonschalen van de Gemeente. Daarmee zouden de garantiebepalingen betekenisloos zijn. De verwijzing naar de loonschalen van de Gemeente is naar het oordeel van de kantonrechter alleen bedoeld om de hoogte van het gegarandeerde salaris te bepalen.

Overige secundaire arbeidsvoorwaarden

4.14.

Ter zitting is voorts aan de orde gekomen dat [X] in strijd met artikel 8.5 van het Sociaal Plan niet binnen drie jaar beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van de "overige gemeentelijke secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals in bijlage I (laatste kolom) van toepassing verklaard". [X] heeft erkend dat zij daarmee in gebreke is gebleven.

4.15.

De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende. Doordat [X] geen beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van de in artikel 8.5 van het Sociaal Plan bedoelde overige gemeentelijke secundaire arbeidsvoorwaarden, zijn die arbeidsvoorwaarden blijvend van toepassing. Een andere uitleg is naar het oordeel van de kantonrechter niet mogelijk. De kantonrechter weet niet welke secundaire arbeidsvoorwaarden precies in bijlage I zijn vermeld, omdat die bijlage niet bij het dossier is gevoegd, maar neemt aan dat partijen daarover geen verschil van mening zullen krijgen.

4.16.

Een redelijke uitleg van de garantiebepaling met betrekking tot de "overige secundaire arbeidsvoorwaarden" brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat [X] zal moeten nagaan of er in de CAO Zwembaden dan wel in de CAO Recreatie eveneens bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot die specifieke secundaire arbeidsvoorwaarden, en dat vervolgens de meest gunstige voorwaarden zullen gaan gelden.

Beantwoording van de vragen.

4.17.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vragen van verzoekers aldus beantwoorden dat aan werkneemsters na 1 november 2017 geen andere (primaire en secundaire) voorwaarden toekomen dan de voorwaarden welke hen op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie worden toegekend. De kantonrechter komt tot dit oordeel omdat werkneemsters - als voormalige ambtenaren - geen beroep kunnen doen op beschermingsbepalingen (BW en richtlijn) bij overgang van onderneming en omdat per die datum de garantietermijn van vijf jaar is verstreken waarin werkneemsters aanspraak hielden op hun arbeidsvoorwaarden op grond van de CAO Gemeenten. De kantonrechter merkt op dat per 1 november 2017 de toepasselijkheid van de CAO Zwembaden het meest voor de hand ligt, maar dat er nog overleg tussen partijen zal moeten plaatsvinden met de bedoeling dat uiteindelijk de meest gunstige CAO van toepassing zal gaan worden. [X] heeft ter zitting toegezegd daarmee akkoord te gaan.

4.18.

Naar het oordeel van de kantonrechter geldt het vorenstaande niet ten aanzien van de "overige secundaire arbeidsvoorwaarden" als bedoeld in artikel 8.5 van het Sociaal Plan. Ten aanzien van die voorwaarden blijft de CAO Gemeenten van toepassing, tenzij op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie gunstiger voorwaarden kunnen worden toegekend. [X] heeft ter zitting toegezegd daarmee akkoord te gaan.

4.19.

De vragen zullen gelet op het vorenstaande worden beantwoord zoals hierna in het dictum is weergegeven.

Kosten en hoger beroep

4.20.

Gelet op de aard van de procedure zal de kantonrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.21.

Partijen hebben zich het recht van hoger beroep uitdrukkelijk voorbehouden.

5 Beslissing

De kantonrechter:

beantwoordt de vragen van [X] en [mw. C] als volgt:

A. Aan werkneemsters komen met ingang van 1 november 2017 - behoudens pensioenopbouw bij het ABP - geen andere arbeidsvoorwaarden toe dan de voorwaarden welke hen op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie worden toegekend (de meest gunstige van deze twee CAO 's). In afwijking van het vorenstaande geldt ten aanzien van de "overige secundaire arbeidsvoorwaarden" als bedoeld in artikel 8.5 van het Sociaal Plan dat de CAO Gemeenten van toepassing blijft, tenzij op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie gunstiger voorwaarden kunnen worden toegekend.

B. Alleen voor wat betreft de "overige secundaire arbeidsvoorwaarden" zijn de tot

1 november 2017 bestaande voorwaarden na deze datum nog onderhevig aan ontwikkelingen op grond van de CAO Gemeenten, behoudens in de situatie dat op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie gunstiger voorwaarden kunnen worden toegekend.

beantwoordt de vragen van [mw. A] en [mw. B] als volgt:

A: De arbeidsvoorwaarden van [mw. A] en [mw. B] zoals die golden op het moment van overgang van onderneming hoeven met ingang van 1 november 2017 niet langer gerespecteerd te worden door [X] .

B: Op [mw. A] en [mw. B] zijn vanaf 1 november 2017 de arbeidsvoorwaarden van toepassing welke hen op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie worden toegekend (de meest gunstige van deze twee CAO 's), behoudens voor wat betreft de "overige secundaire arbeidsvoorwaarden". Ten aanzien van die "overige secundaire arbeidsvoorwaarden" als bedoeld in artikel 8.5 van het Sociaal Plan blijft de CAO Gemeenten van toepassing, tenzij op grond van de CAO Zwembaden dan wel de CAO Recreatie gunstiger voorwaarden kunnen worden toegekend.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018 door

mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 518.