Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2067

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eiser heeft uit de erfenis van zijn oom het saldo op een buitenlandse bankrekening verkregen. In 2014 blijkt dat niet eiser maar drie ANBI's erfgenaam zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het saldo op de rekening op goede grond tot eisers bezittingen gerekend in de zin van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e van de Wet IB 2001. Maar daartegenover staat naar het oordeel van de rechtbank wel een corresponderende schuld aan de erfgenamen, waardoor eiser geen belastbaar voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1353
Viditax (FutD), 26-06-2018
FutD 2018-1741 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/42.25.3
NTFR 2018/1802 met annotatie van mr. N. ten Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/4232

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G.M. Perik),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 7 juli 2017 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.920 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.811. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 310 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.920 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.800. De belastingrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Op [datum, maand] 2008 is een oom van eiser, de heer [oom] (hierna: de oom), overleden. De oom had ten tijde van zijn overlijden een bankrekening bij de UBS AG bank te Zurich (hierna: UBS bank) onder nummer [bankrekeningnummer oom] en met klantnummer [klantnummer oom] . Die bankrekening werd hoofdzakelijk gebruikt als beleggingsrekening en bevatte op dat moment voor ongeveer € 600.000 aan beleggingen.

1.2.

Eiser heeft op 22 oktober 2008 een rekening op zijn eigen naam bij de UBS bank geopend onder nummer [bankrekeningnummer eiser] .

1.3.

In een door de UBS bank verstrekt overzicht van de rekening van de oom is aangegeven dat die rekening in november 2008 is leeggehaald.

1.4.

Op 28 mei 2014 heeft eiser een verzoek gedaan om gebruik te mogen maken van de inkeerregeling van artikel 67n van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

1.5.

Medio 2014 heeft eiser inzicht gekregen in het testament van zijn oom. Daaruit bleek dat drie algemeen nut beogende instellingen (hierna: de erfgenamen) door de oom als enig erfgenamen zijn benoemd.

1.6.

Het saldo op de op naam van eiser staande rekening bij de UBS bank met het nummer [bankrekeningnummer eiser] bedroeg op 1 januari 2015, zijnde de waardepeildatum, € 549.734.

1.7.

Door eiser is op 16 augustus 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen groot € 46.920.

1.8.

In een op 22 december 2017 door eiser en [notaris] , notaris, ondertekende verklaring is onder meer het volgende vermeld:

"NEEMT IN OVERWEGING:

- Dat ondergetekende en de executeur testamentair ( [notaris]

[notaris] ), deze laatste handelend ten behoeve van drie testamentair erfgenamen

(drie ANBI’s), in overleg zijn over de vraag wie gerechtigd is tot het saldo van een

rekening bij de UBS Bank te Zwitserland, voorheen op naam gesteld en

toebehorend aan wijlen de heer [oom] ;

- Dat ondergetekende met de executeur testamentair een oplossing in der minne

beoogt over de hoogte van het saldo dat hij aan de drie erfgenamen /ANBI’s

verschuldigd is;

- Dat ondergetekende voortlopend op een minnelijke regeling op 6 december 2016

het batige saldo van genoemde rekening bij de UBS, zijnde € 432.614,25, heeft

overgemaakt op de derdenrekening van notariskantoor [notariskantoor] ;

- Dat ondergetekende zo spoedig mogelijk een voorstel tot terugbetaling van eerder

opgenomen gelden zal doen;

- Dat ondergetekende los hiervan bereid is reeds nu te erkennen en schriftelijk vast

te leggen niet gerechtigd te zijn tot het saldo van de hiervoor vermelde rekening.

VERKLAART HIERBIJ:

Te erkennen dat hij niet als erfgenaam gerechtigd was tot het saldo van de rekening met

nummer [bankrekeningnummer oom] (IBAN: [IBAN] ), aangehouden onder

klantnummer [klantnummer oom] bij de UBS Bank te Zwitserland, welk saldo vóór zijn

overlijden toekwam aan de heer [oom] , geboren op [datum, maand] 1927 te [plaats] en

overleden op [datum, maand] 2008."

1.9.

Notariskantoor [notariskantoor] heeft op 18 april 2018 een brief aan de gemachtigde van eiseres gezonden waarin, voor zover van belang, het volgende is vermeld:

"Naar aanleiding van uw brief d.d. 26 januari 2018 inzake de nalatenschap van de heer [oom] bericht ik u namens de erfgenamen als volgt.

U heeft een overzicht gemaakt van de contante opnames, de gemaakte kosten en betaalde belastingen door uw cliënt ten laste van de ervenrekening. Uw cliënt stelt voor een bedrag terug te betalen aan de erfgenamen, te weten € 167.537,97 tegen finale kwijting. Tevens zullen volgens uw voorstel de eventueel nog terug te komen bedragen van de belastingdienst gedeeltelijk aan de erfgenamen toekomen.

Hierbij laat ik u weten dat de erfgenamen hier niet mee akkoord gaan. Zij zijn van mening dat het aan hen toekomende bedrag niet afhankelijk is van eventuele restituties van de belastingdienst, aangezien deze aanslagen niet zouden zijn opgelegd als het bedrag eerder aan hen ter beschikking zou zijn gesteld. Dit geldt ook voor andere kosten die zijn gemaakt of nog gemaakt zullen worden voor beheer en bijstand.

De heer [eiser] had de verplichting, direct na het overlijden van de heer [oom] , de gelden behorende tot de nalatenschap over te maken naar de executeur respectievelijk de erven van de heer [oom] . Wanneer dit was gebeurd waren alle kostenposten en belastingbetalingen, zoals nu opgevoerd, niet aan de orde geweest. Dit is de kern van deze kwestie.

De erfgenamen hebben aangegeven akkoord te kunnen gaan met de uitbetaling van een bedrag van € 250.000,00 tegen finale kwijting, onafhankelijk van eventuele restituties of nog te maken kosten."

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van eiser voor het jaar 2015 in geschil. Meer specifiek is in geschil of het op 1 januari 2015 aanwezige saldo ad € 549.734 op de op 22 oktober 2008 door eiser geopende bankrekening bij de UBS bank (zie 1.2. en 1.6.) tot de bezittingen van eiser behoort. Voor het geval dat zo zou zijn, heeft eiser gesteld dat tegenover die bezitting een corresponderende schuld staat aangezien eiser het saldo van die rekening schuldig is aan de erfgenamen van de oom. Voor het geval dat de rechtbank eiser hierin volgt heeft verweerder een beroep gedaan op interne compensatie vanwege de door eiser ontvangen beheersvergoedingen.

Het saldo op de bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer eiser] bij de UBS bank

3. Eiser stelt dat het saldo van de op zijn naam staande bankrekening bij de UBS bank met het nummer [bankrekeningnummer eiser] (zie 1.6.) niet tot zijn bezittingen hoort omdat hij niet de rechthebbende is tot dat saldo. Dat zijn de erfgenamen van zijn oom. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Gelet op de tenaamstelling van de betreffende rekening heeft hij als rechthebbende van die rekening en daarmee als bezitter van het op die rekening staande saldo te gelden. Door eiser zijn geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld en/of aannemelijk gemaakt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit anders zou zijn. Daarbij overweegt de rechtbank dat, nu hij die rekening heeft geopend en deze alleen op zijn naam staat, een redelijke verdeling van bewijslast met zich brengt dat op hem de last rust om zijn stelling -dat hij niet de rechthebbende van het saldo op die rekening is- aannemelijk te maken. Nu hij daarin niet is geslaagd, heeft verweerder het op 1 januari 2015 aanwezige saldo op die rekening op grond van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) op goede grond tot eisers bezittingen gerekend.

Corresponderende schuld

4. Eiser stelt dat tegenover het saldo van de op zijn naam staande UBS rekening met het nummer [bankrekeningnummer eiser] , een corresponderende schuld staat omdat hij dat saldo schuldig is aan de erfgenamen. Verweerder heeft hier tegen ingebracht dat van een vordering geen sprake kan zijn geweest als de gerechtigden daar geen kennis van dragen. Zonder kennis van het testament en het vermogen vangt de opeisbaarheid volgens verweerder niet aan. Er kan volgens verweerder pas sprake zijn van een vordering en schuld op het moment dat alle betrokken partijen daar gelijktijdig over en weer de kennis van hebben.

5. De rechtbank overweegt het volgende. In artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 is bepaald dat schulden verplichtingen zijn met een waarde in het economisch verkeer. In artikel 4:182 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat erfgenamen een erflater met zijn overlijden van rechtswege opvolgen in zijn voor overgang vatbare rechten én in zijn bezit en houderschap. Uit deze wettelijke bepaling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de erfgenamen direct na het overlijden van de oom de bezitter werden van (het saldo op) de UBS rekening van de oom. Die rekening en daarmee dat saldo maakt(e), zo is ook niet in geschil, deel uit van de nalatenschap en behoorde de erfgenamen toe. Dat de erfgenamen in 2008 niet op de hoogte waren van die rekening doet daar niet aan af. De toe-eigening van (het saldo op) die rekening door eiser, maakt dan ook dat de erfgenamen een vordering op eiser hebben. Die vordering was ook direct in rechte vorderbaar en derhalve opeisbaar. Artikel 4:483 van het BW geeft erfgenamen namelijk de mogelijkheid om goederen van de nalatenschap op te vorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. Hiervoor is volgens vaste jurisprudentie weliswaar vereist dat de goederen identificeerbaar zijn, wat in de regel voor geld niet mogelijk is. Echter, nu sprake was van een afzonderlijke bankrekening met specifieke beleggingen zou gesteld kunnen worden dat (het betreffende saldo van) de rekening ook voldoende identiek identificeerbaar was. Ook als die weg niet begaanbaar zou zijn, is naar het oordeel van de rechtbank echter sprake van een in rechte opeisbare vordering van de erfgenamen. Immers, nu eiser zich (het saldo van) de rekening van de oom in 2008 zonder recht of titel heeft toegeëigend, zou minst genomen gesteld kunnen worden dat sprake is van een jegens de erfgenamen gepleegde onrechtmatige daad op grond waarvan door de erfgenamen schadevergoeding van eiser gevorderd kan worden (artikel 6:162 BW). Door verweerder is ter zitting weliswaar -bij gebrek aan wetenschap, zo heeft de rechtbank begrepen- betwist dat eiser zich het saldo van de rekening van de oom heeft toegeëigend, maar de rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit het geval is. Zo heeft eiser in oktober 2008 een eigen rekening bij de UBS bank geopend, is de UBS rekening van de oom in november 2008 leeggehaald, heeft eiser erkend dat hij over het saldo van de rekening van zijn oom is gaan beschikken, heeft eiser op 6 december 2016 het batig saldo van zijn UBS rekening naar de derdenrekening van de notaris overgemaakt én is eiser met de notaris in onderhandeling over het bedrag dat hij in aanvulling daarop wegens opnames nog aan de erfgenamen dient te betalen (zie 1.2., 1.3., 1.8. en 1.9.). Dat alles valt niet te rijmen met de kennelijke gedachte van verweerder dat het saldo op de op naam van eiser staande UBS rekening niet van de rekening van de oom afkomstig zou zijn én derhalve de erfgenamen geen vordering op eiser en eiser geen schuld aan hen zou hebben.

6. Dat de erfgenamen op de waardepeildatum wellicht geen kennis zouden hebben gehad van de betreffende UBS rekening van de oom maakt dat niet anders. Dat heeft naar het oordeel van de rechtbank geen invloed op het ontstaan en daarmee het bestaan én de opeisbaarheid van de vordering als zodanig, maar op de verjaringstermijn (zie artikel 3:306 jo 3:315 respectievelijk 3:310 BW). Naar het oordeel van de rechtbank hadden de erfgenamen op de waardepeildatum dan ook een in rechte opeisbare vordering op eiser en had eiser derhalve een schuld aan de erfgenamen.

7. Ten aanzien van de hoogte van die schuld heeft verweerder de stelling ingenomen dat de schuld op nihil moet worden gewaardeerd omdat eiser op de waardepeildatum geen intentie zou hebben gehad om de schuld te voldoen. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser in 2014, nadat hij bekend was met het testament, nog enige forse opnames heeft gedaan. Eiser stelt dat de hoogte van de schuld gelijk is aan het saldo dat op 1 januari 2015 op zijn rekening stond. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 5.3, derde lid en 5.19, eerste lid van de Wet IB 2001 is het criterium of sprake is van een schuld in het kader van de berekening van de rendementsgrondslag ter zake het voordeel uit sparen en beleggen, niet of de belastingplichtige de intentie heeft om te betalen, maar of sprake is van een verplichting met een waarde in het economische verkeer. In beginsel zal de nominale waarde van een rechtens afdwingbare schuld aan een derde, zoals in de onderhavige zaak de schuld van eiser aan de erfgenamen, de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen. Alleen in geval van insolvabiliteit van de belastingplichtige, waarbij redelijkerwijs niet te verwachten is dat de schuld ooit zal worden voldaan, kan er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding zijn om een dergelijke schuld op een lagere waarde te waarderen. Of eiser de intentie had om de schuld te voldoen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het midden worden gelaten. Niet gesteld, noch is gebleken, dat eiser op de waardepeildatum insolvabel was. Integendeel, gelet op het saldo op 1 januari 2015 op de op naam van eiser staande UBS rekening met het nummer [bankrekeningnummer eiser] , was eiser in staat om op dat moment in ieder geval dat saldo af te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom de waarde van de schuld in het economische verkeer op 1 januari 2015 in ieder geval gelijk aan het saldo op 1 januari 2015 op die rekening. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het saldo van de op naam van eiser staande rekening bij de UBS bank op de waardepeildatum lager was dan het saldo op de UBS rekening van de oom op het moment van diens overlijden (zie 1.1. en 1.6.) en derhalve minder was dan het door eiser toegeëigende bedrag. Uit de brief van notariskantoor [notariskantoor] van 18 april 2018 volgt voorts dat de erfgenamen, naast de al overgemaakte € 432.614,25 (zie 1.9.), nog € 250.000 ter finale kwijting van eiser vorderen en dat door eiser € 167,537,97 is aangeboden. Ook het saldo daarvan overtreft het saldo van de bankrekening van eiser op de waardepeildatum (zie 1.6.) ruim.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist is de rechtbank van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat eiser in 2015 geen belastbaar voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten.

Interne compensatie

10. Verweerder heeft tot slot nog een beroep op interne compensatie gedaan. Verweerder stelt daartoe dat eiser in 2015 € 23.000 aan beheersvergoedingen zou hebben ontvangen. Verweerder heeft zich hiervoor gebaseerd op een overzicht dat door de gemachtigde van eiser is overgelegd bij het inkeerverzoek. De gemachtigde van eiser heeft daarbij alle tussen 2008 en 2014 door eiser opgenomen gelden bij elkaar opgeteld, wat resulteerde in een gemiddelde vergoeding van circa € 23.000 per jaar. Eiser heeft het ontvangen van een beheersvergoeding van € 23.000 in 2015 betwist.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2015 een beheersvergoeding van € 23.000 heeft ontvangen. Het overzicht waar verweerder naar verwijst eindigt in 2014 en geeft dus geen inzicht in eventuele opgenomen gelden in 2015. Verweerder kon desgevraagd niet aan geven waaruit blijkt dat eiser ook in 2015 € 23.000 aan beheersvergoeding zou hebben ontvangen. Het beroep op interne compensatie slaagt dan ook niet.

12. Tussen partijen is voor dit geval niet in geschil dat de aanslag overeenkomstig de aangifte van eiser moet worden vastgesteld. De rechtbank zal de aanslag derhalve verminderen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 46.920 (zie 1.7.).

Belastingrente

13. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de beschikking belastingrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Conclusie

14. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser voor de proceskosten in de bezwaarfase reeds een proceskostenvergoeding heeft ontvangen. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.920;

- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van L.S. Langius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2018.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.