Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2054

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
LEE 16/4970
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Het bestreden besluit houdt in de beëindiging van het recht op een AIO-aanvulling op grond van de PW en de terugvordering van de AIO-aanvulling. Eiser is in 1969 naar Nederland gekomen en leeft sindsdien duurzaam gescheiden van zijn in Turkije wonende echtgenote. Ter beoordeling ligt voor de vaag of verweerder bij de vaststelling van eisers vermogen terecht het vermogen van eisers echtgenote heeft meegenomen. Het standpunt van verweerder berust op de redenering dat eiser gehuwd is, dat hij daarom onder de definitie van gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de PW valt en dat daarom het vermogen van eisers echtgenote meegenomen moet worden bij de vaststelling van eisers vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank doet verweerders standpunt geen recht aan de feitelijke situatie van eiser. Op grond van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW en artikel 3, tweede lid, onder b, van de PW, wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. In dat verband is van belang dat eiser een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande ontvangt. De beoordeling van de eerder aangegeven vraag vergt een op de specifieke situatie van eiser toegespitste beoordeling, waarbij het internationaal privaatrecht als uitgangspunt geldt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het huwelijksvermogensregime van eiser en zijn echtgenote beheerst wordt door Turks recht. Het vermogen dat eiser en zijn echtgenote ieder voor zich vóór 1 januari 2002 hadden, moet als persoonlijk vermogen aangemerkt worden. Onweersproken is dat eisers echtgenote haar vermogen heeft verkregen uit nalatenschap. Daarmee gaat het om persoonlijk vermogen, dat geen verband houdt met het huwelijk en waarover alleen eisers echtgenote kan beschikken. Eiser beschikt dus niet over het vermogen van zijn echtgenote en kan daar ook niet over beschikken. Het bestreden besluit berust op artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW, op grond waarvan verweerder ervan uitgaat dat eiser wel (redelijkerwijs) kan beschikken over het vermogen van zijn echtgenote. Daarmee berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke juridische grondslag. Het beroep is gegrond.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4970

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. A.P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht van eiser op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) beëindigd met ingang van 1 februari 2016.

Bij besluit van 6 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het recht op een AIO-aanvulling over de periode 17 april 2012 tot en met 31 januari 2016 met terugwerkende kracht herzien en het over die periode betaalde bedrag van € 20.863,33 netto aan AIO-aanvulling teruggevorderd.

Bij besluit van 9 november 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 en het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 13 januari 2017 heeft eiser de gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een op 13 januari 2017 gedateerd verweerschrift ingediend. Daarin heeft verweerder meegedeeld dat in opdracht van verweerder een hertaxatie van grond in [land] wordt uitgevoerd.

Bij brief van 20 januari 2017 heeft verweerder, in reactie op de beroepsgronden, wederom gewezen op de lopende hertaxatie.

Op 8 maart 2017 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld.

Bij brief van 20 maart 2017 heeft verweerder gereageerd op de beroepsgronden.

Bij brief van 24 april 2017 heeft verweerder meegedeeld dat in opdracht van verweerder op 22 maart 2017 een rapport is uitgebracht van een nieuwe taxatie van eisers vermogen in [land] .


Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 ingetrokken en heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar, dat ongegrond is verklaard.

Op 22 mei 2017 heeft eiser gemotiveerd aangegeven dat hij het ook met het nieuwe besluit niet eens is.

Op 23 juni 2017 heeft eiser een taxatierapport van de waarde van zijn landbouwgrond in [land] ingebracht.

Bij brief van 27 juli 2017, met bijlagen, heeft verweerder gereageerd.

Verweerder heeft een brief van 28 juli 2017 ingezonden.

Op 7 augustus 2017 heeft eiser een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft bij brief van 14 september 2017 aan partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend, omdat de behandeling van de zaak wordt verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank.

Bij brief van 5 januari 2018 heeft de rechtbank partijen de samenstelling van de meervoudige kamer meegedeeld. Voorts heeft de rechtbank partijen meegedeeld het niet nodig te vinden om de zaak opnieuw op een zitting te behandelen. Indien een der partijen ter zitting zou willen worden gehoord, dan diende daarvan uiterlijk 2 februari 2018 mededeling te worden gedaan.

Bij brief van 9 januari 2018 heeft verweerder meegedeeld af te zien van de mogelijkheid te worden gehoord. Eiser heeft binnen de daarvoor gestelde termijn niet te kennen gegeven alsnog op een nadere zitting te willen worden gehoord.

Na afloop van de in de brief van 5 januari 2018 vermelde termijn heeft de rechtbank het onderzoek weer gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren in [geboortejaar] en is in 1969 naar Nederland gekomen. Bij de aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft eiser aangegeven dat hij sinds 22 juli 1969 duurzaam gescheiden leeft van zijn in [land] wonende echtgenote. Eiser ontving sinds 1 januari 2006 een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in september 2008 heeft eisers echtgenote in juni 2009 een aanvraag om een AOW-uitkering ingediend. Op 8 april 2010 is eisers AOW-pensioen vanaf januari 2006 tot september 2008 herzien naar een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde met toeslag. Vanaf september 2008 ontving eiser een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde zonder toeslag, omdat zijn echtgenote zelf een AOW-pensioen ontving.

2. Op 22 april 2012 heeft eiser verweerder verzocht om een AIO-aanvulling op zijn AOW-pensioen. Eiser heeft daarbij opgegeven in het bezit te zijn van een woning in [land] , ter waarde van ongeveer 3.000,- Turkse Lira, hetgeen omgerekend € 1.262,68 is. In de aanvraag is verder onder meer vermeld dat eiser schulden heeft ten bedrage van € 800,-, € 22.293,65 en € 500,-.

2.1.

Bij besluit van 14 september 2012 is eiser bijstand toegekend in de vorm van een AIO-aanvulling met ingang van 17 april 2012.

3. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld naar eisers leefsituatie en vermogen.

3.1.

In opdracht van verweerder tot onderzoek in [land] heeft de attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara bij brief van 25 augustus 2015, met bijlagen, de bevindingen uit onderzoek meegedeeld. De waarde van eisers woning en de percelen landbouwgrond zijn getaxeerd op € 29.823,-. De waarde van de twee percelen landbouwgrond van eisers echtgenote is getaxeerd op € 13.698,-.

3.2.

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder vastgesteld dat uit onderzoek is gebleken dat de waarde van eisers vermogen in [land] hoger is dan de vermogensgrens voor een alleenstaande van € 5.920,-. Daarom wordt de AIO-aanvulling met ingang van 1 februari 2016 beëindigd (lees: ingetrokken).

3.3.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder meegedeeld dat het recht op de AIO-aanvulling over de periode 17 april 2012 tot en met 31 januari 2016 opnieuw is beoordeeld. Eisers vermogen in [land] is hoger dan de vermogensgrens voor een alleenstaande van
€ 5.685,-, de norm van april 2012. Daarom vordert verweerder het over de periode van

17 april 2012 tot en met 31 januari 2016 teveel betaalde bedrag van € 20.863,33 netto terug.

3.4.

Bij besluit van 6 mei 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiser sinds april 2012 duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Daarom wordt eisers AOW-pensioen aangepast vanaf juni 2014, naar de norm voor een alleenstaande. Eiser krijgt over de periode van juni 2014 tot en met maart 2016 nog een nabetaling van het AOW-persioen van

€ 4.511,67. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

3.5.

Bij brief van 6 mei 2016 is het bedrag aan te veel betaalde AIO-uitkering bepaald op
€ 16.351,66, na aftrek van de nabetaling van het AOW-pensioen. Een boete van € 5.030,- is aangekondigd.

3.6.

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

4. In het bestreden besluit 2 heeft verweerder vastgesteld dat in het bestreden besluit 1 ten onrechte eisers vermogen niet is verminderd met eisers schulden en daarom heeft verweerder met het bestreden besluit 2 opnieuw op eisers bezwaar beslist.

4.1.

Aan het bestreden besluit 2 ligt onder meer ten grondslag het taxatierapport van
22 maart 2017, dat is opgemaakt door een beëdigd makelaar in opdracht van het [naam Bureau] tot een taxatie van de in [land] op eisers naam staande landbouwgronden van in totaal 33.787,5 m². Het huis dat in de eerdere taxatie in augustus 2015 nog voorkwam, komt in de nieuwe taxatie niet meer voor. Verweerder heeft aangegeven naar het huis geen verder onderzoek te laten doen. Van de totale omvang aan landbouwgrond bezit eiser van twee percelen de helft. Omgerekend naar de situatie in augustus 2015 bedraagt de waarde van de landbouwgrond € 33.286,63. De tweede taxatie komt ruim € 3.000,- hoger uit dan de taxatie in augustus 2015. Verweerder heeft gemotiveerd waarom uitgegaan wordt van de nieuwe taxatie.

4.2.

Het bestreden besluit 2 berust verder op het volgende. Verweerder heeft aangegeven waarom het vermogen van eisers echtgenote, hoewel eiser en zij duurzaam gescheiden leven, wel meegerekend moet worden bij het vaststellen van eisers vermogen en heeft dit als volgt gemotiveerd. Duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de AOW, is een uitzondering op de hoofdregel dat gehuwden recht hebben op een gehuwdenpensioen. Door het duurzaam gescheiden leven verandert er niets aan het feit dat eiser nog steeds gehuwd is, ook al ontvangt hij een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Omdat eiser gehuwd is, valt hij onder de definitie van “gezin” als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de PW. Voor het vaststellen van eisers vermogen, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW, moet daarom rekening worden gehouden met zowel het vermogen van eiser als dat van zijn echtgenote. Omdat voorts niet is gebleken dat eiser onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, moet verweerder rekening houden met de waarde van het vermogen (landbouwgrond) van de echtgenote. Die waarde is vastgesteld op € 13.698,-.
Op grond van het voorgaande bedraagt het gezamenlijk vermogen van eiser en zijn echtgenote € 33.286,63 + € 13.698,- = € 46.984,63. Van genoemd bedrag aan vermogen moet worden afgetrokken het bedrag aan schulden dat eiser ten tijde van de aanvraag in april 2012 had, te weten € 27.606,24. Met het alsdan resterende bedrag van € 19.378,39 blijft eisers vermogen boven de vermogensgrens voor een gehuwde van € 11.790,- op 1 juli 2015 en van € 11.370,- op 1 januari 2012.

4.3.

Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser vanaf 17 april 2012 geen recht had op een AIO-aanvulling. Op grond van de PW is verweerder verplicht de ten onrechte of tot een te hoog bedrag toegekende AIO-aanvulling te herzien en terug te vorderen. Verweerder is niet gebleken van dringende redenen om van herziening af te zien of om die te beperken, omdat eiser bij zijn aanvraag verweerder niet heeft geïnformeerd over het bezit van landbouwgrond in [land] . Verweerder is het niet met eiser eens dat hij daarvan niet op de hoogte had kunnen zijn.

5. Eiser heeft aangevoerd dat het vermogen van zijn echtgenote buiten beschouwing moet blijven, omdat hij niet over dat vermogen kan beschikken. Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat sprake is van een huwelijk in gemeenschap van goederen. Eiser is in [land] naar Turks recht gehuwd. Ter onderbouwing en voor de uitleg van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar het door hem ingezonden artikel “Het Turkse huwelijksvermogensrecht” door mr. B.F.P. Lhoëst, medewerkster Notarieel Juridisch Bureau van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), uit “Estate Planner”, van december 2007. Eiser concludeert dat geen sprake is van gezamenlijk vermogen. Op grond van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW en artikel 3, tweede lid, onder b, van de PW moet eiser als ongehuwd worden aangemerkt, zodat voor het bepalen van het vermogen moet worden uitgegaan van een alleenstaande in plaats van een gezin. Voor het begrip “gezin” in artikel 4 van de PW is bepalend de definitie van “gehuwde” in artikel 3 van de PW. In artikel 3 van de PW is bepaald dat degene die duurzaam gescheiden leeft als ongehuwd moet worden aangemerkt. Vast staat dat eiser duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft, zodat hij op de grond van de PW geen gehuwde is. Van een gezin in de zin van de PW is daarom geen sprake. Voorts heeft eiser de door verweerder gehanteerde taxatie bestreden.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

het bestreden besluit 1

6.1.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 ingetrokken. Bij de beoordeling van het bestreden besluit 1 heeft eiser dan ook geen belang meer, zodat het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

het bestreden besluit 2

6.2.

In de brief van 28 juli 2017 heeft verweerder in reactie op de beroepsgronden aangegeven dat de door eiser opgevoerde, maar volgens verweerder niet aangetoonde of onderbouwde schuld van € 27.606,24 niet in de vermogensvaststelling betrokken hoeft te worden.

6.3.

In reactie daarop heeft eiser er op 7 augustus 2017 op gewezen dat hetgeen is opgenomen onder 6.2 niet strookt met het bestreden besluit 2.

6.4.

De rechtbank stelt vast dat hetgeen verweerder in de brief van 28 juli 2017 heeft vermeld, als opgenomen onder 6.2, in tegenspraak is met het ter beoordeling voorliggende bestreden besluit 2, waarin verweerder juist heeft vastgesteld dat in het bestreden besluit 1 ten onrechte eisers vermogen niet is verminderd met eisers schulden en dat verweerder daarom bij het bestreden besluit 2 opnieuw op eisers bezwaar heeft beslist. In het bestreden besluit 2, op bladzijde 6, heeft verweerder het vermogen verminderd met eisers schulden ten bedrage van € 27.606,24.

6.5.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder voor wat betreft het in mindering brengen van eisers schulden op het vermogen niet terugkomt van het in het bestreden besluit 2 neergelegde standpunt.

6.6.

De rechtbank concludeert dat uit het bestreden besluit 2 volgt dat eisers schulden in mindering dienen te worden gebracht op het vermogen.

6.7.

Een besluit tot intrekking van bijstand, in dit geval een AIO-aanvulling als bedoeld in artikel 47a van de PW, is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstand verlenende orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstand verlenende orgaan rust.

6.8.

Ingevolge artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

6.9.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de PW, wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

6.10.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder c, onder 1e, van de PW, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder gezin verstaan de gehuwden tezamen.

6.11.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

6.12.

Voorop staat dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote.

6.13.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder bij de vaststelling van eisers vermogen terecht het vermogen van eisers echtgenote heeft meegenomen.

6.14.

Het standpunt van verweerder berust op de redenering dat eiser gehuwd is, dat hij daarom onder de definitie van gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de PW valt en dat om die reden het vermogen van eisers echtgenote meegenomen moet worden bij de vaststelling van eisers vermogen.

6.15.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het standpunt van verweerder geen recht aan de feitelijke situatie van eiser. Het enkele feit dat eiser gehuwd is, kan er niet toe leiden dat reeds om die reden het vermogen van eisers echtgenote meegenomen moet worden bij de vaststelling van eisers vermogen. Dat geldt evenzeer voor de enkele stelling dat niet is gebleken dat eiser onder huwelijkse voorwaarden gehuwd is. Weliswaar is eiser gehuwd, maar hij leeft al sinds decennia duurzaam gescheiden van zijn echtgenote. Volgens artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW en artikel 3, tweede lid, onder b, van de PW, wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. In dat verband is van belang dat eiser een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande ontvangt. De beoordeling van de onder 6.13 vermelde vraag vergt een op de specifieke situatie van eiser toegespitste beoordeling, waarbij het internationaal privaatrecht als uitgangspunt geldt. Dat heeft verweerder miskend.

6.16.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welk recht het huwelijksvermogensregime van eiser en zijn echtgenote beheerst.

6.17.

Eiser en zijn echtgenote zijn in [land] gehuwd, in 1960, dus voordat de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (dat van toepassing is op huwelijken gesloten op of na 1 september 1992) zijn gaan gelden. Het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 1905 is evenmin van toepassing, omdat [land] nimmer verdragspartij is geweest.

6.18.

Het huwelijksvermogensregime van eiser en zijn echtgenote valt daarmee onder de verwijzingsregels, door de Hoge Raad uiteengezet in het arrest Chelouche/Van Leer van
10 december 1976, NJ 1977, 275. Dit leidt tot het volgende. Niet is gebleken dat eiser en zijn echtgenote een rechtskeuze hebben gemaakt voor toepassing van een ander rechtsstelsel. Van toepassing is dan ook het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Er bestaat aanleiding ervan uit te gaan dat eiser en zijn echtgenote ten tijde van de huwelijkssluiting de Turkse nationaliteit hadden. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het huwelijksvermogensregime van eiser en zijn echtgenote wordt beheerst door Turks recht.

6.19.

Voor de periode vanaf de huwelijkssluiting tot 1 januari 2002 kende het (oude) Turks Burgerlijk Wetboek van 4 oktober 1926 als wettelijk stelsel de algehele scheiding van goederen, de uitsluiting van iedere gemeenschap. Tot 1 januari 2002 is dus geen sprake van een huwelijksgoederengemeenschap die voor verdeling vatbaar is. Op grond van het nieuwe Turks Burgerlijk Wetboek geldt voor op of na 1 januari 2002 gesloten huwelijken een gewijzigd huwelijksvermogensregime, kort gezegd een verrekening van de verwervingen tijdens het huwelijk. Artikel 10 van de Wet inzake de invoering en toepassing van het Turks Burgerlijk Wetboek ziet op het overgangsrecht. Dat artikel bepaalt dat tussen echtgenoten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Turks Burgerlijk Wetboek in het huwelijk zijn getreden, het tot deze datum toepasselijke huwelijksgoederenregime blijft gelden. Indien echtgenoten niet binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van het Turks Burgerlijk Wetboek hebben gekozen voor een ander huwelijksgoederenregime, worden zij vanaf die datum geacht te hebben gekozen voor het wettelijke huwelijksgoederenregime van dit wetboek. Niet is gebleken dat eiser en zijn echtgenote tussen 1 januari 2002 en 1 januari 2003 een keuze hebben gemaakt voor een ander huwelijksgoederenregime. Dat leidt er toe dat per 1 januari 2003 het nieuw Turks Burgerlijk Wetboek van toepassing is en dat het nieuwe stelsel met ingang van 1 januari 2002 het oude stelsel vervangt. Dat betekent dat het vermogen dat eiser en zijn echtgenote ieder voor zich vóór 1 januari 2002 hadden, als persoonlijk vermogen moet worden aangemerkt.

6.20.

De rechtbank stelt vast dat onweersproken is dat eisers echtgenote haar vermogen, bestaande uit landerijen, heeft verkregen uit een nalatenschap. Daarmee vallen deze landerijen in haar persoonlijk vermogen, dat geen verband houdt met het huwelijk en waarover alleen zij kan beschikken. Eiser beschikt dus niet over het vermogen van zijn echtgenote en kan daarover redelijkerwijs ook niet beschikken. Nu het bestreden besluit 2 berust op artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW (zie onder 6.11), op grond waarvan verweerder ervan uitgaat dat eiser wel (redelijkerwijs) kan beschikken over het vermogen van zijn echtgenote, berust het bestreden besluit 2 op een ondeugdelijke juridische grondslag.

6.21.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte het vermogen van eisers echtgenote heeft meegenomen in de vaststelling van eisers vermogen. Het vermogen van eisers echtgenote dient dus buiten beschouwing te worden gelaten. Verweerder heeft niet voldaan aan de op hem rustende last, als vermeld onder 6.7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder eisers AIO-aanvulling ten onrechte heeft ingetrokken en herzien. Daarmee kan ook de terugvordering geen stand houden.

7. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit 2 vernietigen.

8. In het kader van de vraag of de rechtbank aanleiding ziet zelf in de zaak te voorzien, overweegt de rechtbank als volgt.

8.1.

Uitgaande van de bepaling door verweerder van eisers vermogen in [land] op
€ 33.286,63, stelt de rechtbank vast dat van dat bedrag eisers schulden ten bedrage van
€ 27.606,24 dienen te worden afgetrokken (zie onder 6.4 tot en met 6.6). Alsdan resteert het bedrag € 5.680,39. Dat is (beduidend) minder dan de in het bestreden besluit 2 vermelde vermogensgrens voor een gehuwde van € 11.790,- op 1 juli 2015 en van € 11.370,- op
1 januari 2012. Van belang is voorts het volgende.

8.2.

De in het bestreden besluit 2 door verweerder gehanteerde vermogensgrens voor een gehuwde is in tegenspraak met de in de primaire besluiten 1 en 2 gehanteerde vermogensgrens voor een alleenstaande. De rechtbank wijst erop dat het bedrag van
€ 5.680,39 ook onder de in de primaire besluiten 1 en 2 vermelde vermogensgrens voor een alleenstaande uitkomt. Gelet hierop behoeft hetgeen eiser naar voren heeft gebracht met betrekking tot de taxatie van eisers eigen vermogen geen bespreking meer. Wanneer het standpunt van eiser zou worden gevolgd, zou dit immers tot een lager vermogen leiden, terwijl het vermogen van eiser reeds met de door verweerder gehanteerde taxatie onder de vermogensgrens voor een alleenstaande uitkomt. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij de primaire besluiten 1 en 2 zal herroepen. Dat betekent dat de situatie van vóór de primaire besluiten 1 en 2 weer geldt en dat eisers recht op een AIO-aanvulling met ingang van 17 april 2012 is blijven bestaan.

9. Omdat de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1.) In bezwaar is door eisers toenmalige gemachtigde niet verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar. Daarmee is niet voldaan aan artikel 7:15, eerste lid, van de Awb en kunnen geen punten voor het indienen van bezwaar en het verschijnen ter hoorzitting worden toegekend. Anders dan waar eiser in de nadere beroepsgronden van 22 mei 2017 op heeft gewezen is van een bestuurlijke lus geen sprake, zodat de rechtbank daar geen 0,5 punt voor toekent.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- herroept de primaire besluiten 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. S. Stenfert-Kroese en mr. C. Coster, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.