Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2031

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
6550337 AR VERZ 17-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst, bestuurder stichting na vennootschapsrechtelijk ontslag.

g. grond, geen d. of e. grond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/156 met annotatie van Mr. K. Wiersma
RAR 2018/130
RO 2018/60
JOR 2018/238 met annotatie van mr. J.H. Bennaars
JONDR 2018/740
AR-Updates.nl 2018-0622
OR-Updates.nl 2018-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer.: 6550337 AR VERZ 17-139

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 30 mei 2018

inzake

de stichting STICHTING NORDWIN COLLEGE,

gevestigd te Leeuwarden,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. G.N. Paanakker,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma.

Partijen zullen hierna Nordwin College en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Nordwin College heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, ingekomen ter griffie op 27 december 2017, voorzien van 50 producties. Nordwin College heeft op 8 februari 2018 een aanvullend verzoekschrift ingediend, wederom strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , voorzien van de producties 51 tot en met 66.

1.2.

[verweerder] heeft op 27 februari 2018 een verweerschrift en een zelfstandig tegenverzoek ex artikel 7:686 BW ingediend (met 44 producties), waarbij hij heeft verzocht Nordwin College te veroordelen om hem binnen 24 uur na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder op de gebruikelijke wijze en zonder beperkingen te hervatten, zoals deze werden verricht tot 4 december 2017, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag of gedeelte van een dag dat Nordwin College in gebreke blijft na betekening van deze beschikking hieraan te voldoen, met veroordeling van Nordwin College in de kosten van het geding.

1.3.

Vervolgens heeft Nordwin College bij schrijven van 27 februari 2018 en 5 maart 2018 de producties 67 tot en met 72 in het geding gebracht.

1.4.

Op 6 maart 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

1.5.

Vervolgens is de zaak aangehouden voor mediation.

1.6.

Bij brieven van respectievelijk 17 april 2018 en 16 april 2018 hebben partijen verzocht beschikking te geven omdat de mediation niet tot het gewenste resultaat had geleid.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2. Hieronder volgt een opsomming van de - naar het oordeel van de kantonrechter - voor de beoordeling relevante feiten.

2.1.

Nordwin College is een groen regionaal opleidingscentrum voor VMBO, MBO en contractonderwijs met vestigingen in Leeuwarden, Buitenpost, Sneek en Heerenveen, met zo'n 3500 studenten en cursisten.

2.2.

De stichting kent twee (statutaire) organen: een Raad van Toezicht (RvT) en een College van Bestuur (CvB). De RvT is bevoegd om over te gaan tot benoeming, schorsing en ontslag van een lid van het CvB.

2.3.

De RvT bestaat uit vijf personen, te weten de heren [Z] (voorzitter) (hierna te noemen [Z] ) en [Y] en de dames [X] (hierna te noemen [X] ), [W] en [V] . Krachtens een besluit van 17 mei 2011 is [verweerder] per 1 september 2011 benoemd tot statutair bestuurder. Tot 1 juni 2017 bestond het CvB uit twee personen, te weten [verweerder] en mevrouw [U] (hierna te noemen [U] ).

2.4.

Naast statutair bestuurder is [verweerder] per 1 september 2011 werkzaam bij Nordwin College op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van bestuurder tegen een bruto maandsalaris van laatstelijk € 7.740,- exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao mbo 2016-2017 (hierna te noemen de cao) van toepassing. [verweerder] is thans [leeftijd] oud.

2.5.

Op 14 februari 2016 hebben RvT en CvB een 'opzet prestatieafspraken College van Bestuur 2016' opgesteld. De RvT heeft [verweerder] en [U] op basis van deze prestatieafspraken in december 2016 beoordeeld. Het concept beoordelingsverslag van 19 december 2016 met betrekking tot [verweerder] vermeldt (voor zover van belang):

Deze beoordeling bleek behoorlijk unaniem en de scores worden gedeeld, eerste de positieve (beeldvorming buitenwereld, totstandkoming meerjarenbegroting, relatie met stakeholders en partners) en daarna de verbeterpunten ('in control' zijn op deels onderwijskwaliteit, bedrijfsvoering waarvan mn ICT, professionalisering van staf en middenmanagement). (…..)

[Z] (kantonrechter: [Z] ) stelt vast dat dit, indicatief uiteraard, een gemiddelde geeft van 3,25. Hij oppert dat het een mooi streven zou zijn om, wellicht in stappen, toe te werken naar een gemiddelde van 4. Dit acht de raad ook haalbaar. Hij stelt dat het beeld van de raad is dat ook in 2016 nog veel operationele druk was en is en wenst [verweerder] (kantonrechter: [verweerder] ) in plaats van dezelfde operationele drukte in 2017 vooral meer bestuurlijke drukte toe, met een professionele staf en professioneel management. Waardering wordt geuit voor datgene wat de afgelopen 5 jaar is bereikt, Nordwin grotendeels operationeel in orde en weer op de kaart met een goede naam. Nu is het zaak dit professioneel en bestuurlijk te borgen in de gehele organisatie.

[verweerder] geeft hierop aan het weliswaar eens te zijn met de genoemde scores, maar het niet eens te zijn met een gemiddelde van 3,25 en de opmerking over operationele drukte. Hij "gaat niet voor minder dan een 4" omdat er naar zijn idee erg veel gebeurd is onder omstandigheden die niet bepaald ideaal waren. Hij schetst dat hij een aantal jaren geleden gestart is in een chaos, dat hij 'oud' moest afbouwen naar 'nieuw' met beperkte mogelijkheden op het gebied van bijvoorbeeld financiële middelen en personeel. Hij stelt nogmaals het niet eens te zijn met het beeld en gemiddelde.

(…..)

De raad verwacht van [verweerder] dat hij planmatiger en beter voorbereid ruimte neemt om de raad mee te nemen in zijn standpunten en potentiële plannen: vooruitkijken en daarop tijdig anticiperen, het gesprek hierover proactief organiseren. Het voelt voor de raadsleden nu nog te vaak als waan van de dag, ad hoc. Dit patroon tekent zich op een aantal dossiers af.

(…..)

Op verzoek geeft ze (lees: [X] ) aan dat ook de afgelopen twee jaren de inhoud van het beoordelingsgesprek veel leek op de inhoud van het huidige gesprek: de beoordelaars stellen dat het bestuur meer moet gaan besturen en de operatie op orde brengen zodat dit gedelegeerd kan worden en het bestuur stelt zich op het standpunt dat het ook een hectische periode is geweest en dat er heel veel is gebeurd waar naar hun idee te weinig waardering voor is. De raad stelt zich op het standpunt dat dit patroon voor 2017 niet meer acceptabel is. Want daarmee blijft de organisatie te kwetsbaar en te afhankelijk van 1 of 2 leden (i.c. de RvB).

(…..)

Hij (lees: [Z] ) noemt als kernpunten nogmaals het professionaliseren van staf (niveau op orde brengen en afbouw externe inhuur) en middenmanagement zodat er (meer) gedelegeerd en gemonitord kan worden, het bestuurlijk optreden van [verweerder] in de organisatie, waarbij hij ver(der) vooruit kijkt, daarop tijdig anticipeert met planvorming en de raad daar op proactieve wijze in meeneemt, en het verder afbouwen van inzet van CvB in de operatie.

2.6.

[verweerder] heeft op 14 januari 2017 aan de RvT een uitvoerige 'persoonlijke beschouwing n.a.v. mijn beoordelingsgesprek over 2016' gegeven, waarin hij onder meer aangeeft dat in het gesprek meerdere punten zijn genoemd die hij niet kan plaatsen en dat hij in het gesprek weinig ruimte heeft ervaren om te reageren op de kritiekpunten van de RvT.

2.7.

Bij brief van 13 februari 2017 heeft de Inspectie van het Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het 'Rapport van bevindingen financieel continuïteitstoezicht bij Stichting Nordwin College' aan het CvB toegestuurd. Dit rapport vermeldt onder meer:

De bevindingen in hoofdstuk 2 wijzen uit dat de financiële resultaten nog niet op orde zijn, maar wel verbeteren en dat de financiële continuïteit van de instelling in de komende drie jaar niet in het geding is. Wel moet de instelling alert blijven op zijn financiële ontwikkelingen, en zich met name richten op sluitende exploitatieresultaten, voortzetting van de beheersing van de uitgaven van investeringen en de voorgenomen afstelling van de kosten in relatie met de verwachte ontwikkeling van het aantal deelnemers/leerlingen.

Het CvB heeft dit rapport niet in afschrift verzonden naar de RvT.

2.8.

[U] is per 1 juni 2017 uit het bestuur getreden en vertrokken en niet opgevolgd. Sindsdien is [verweerder] enig bestuurder.

2.9.

Het verslag van de vergadering van de RvT en het CvB van 23 mei 2017 vermeldt onder meer:

3 Accountantsverslag (i.a.v. KPMG en controller)

(…..)

c. Begroting, prognose en gerealiseerd resultaat

Het gerealiseerde resultaat (€ 407.745,- negatief) is ongeveer € 91.000,- gunstiger dan het begrote resultaat. Er zijn geen incidentele baten en lasten die dit beïnvloeden. Dit is een positieve ontwikkeling richting de toekomst. Het is wel van belang om de liqiditeitsplanning en de sturing daarop goed in de gaten te houden.

2.10.

[verweerder] heeft de RvT op 27 juli 2017 een 'update overschrijding loonkosten, stand van zaken bezuinigingen op groen MBO-onderwijs, gestegen verzuim en voortgang verbouwingen' gestuurd. In die notitie schrijft [verweerder] onder meer:

Er is sprake van een flinke overschrijding van de begroting op het punt van de loonkosten, vooral als gevolg van een sterke stijging van het ziekteverzuim. Er moest aanzienlijk meer uren worden vervangen dan vooraf was ingecalculeerd; wij verwachten dat dit over heel 2017 om een bedrag van 495.000 euro extra zal gaan bij gelijkblijvend verzuim. Daarnaast zullen de loonkosten voor onderwijzend personeel over de periode tot en met december hoger uitkomen (plus 118.000 euro) omdat we meer nieuwe deelnemers hebben dan de prognose voor 2017/2018. We verwachten een extra negatief resultaat van 663.000 euro, óók omdat we te maken hebben met hogere exploitatiekosten van ca. 50.000 euro als gevolg van diverse prijsstijgingen (o.a. schoonmaak, leermiddelen).

(…..)

De reparatie van de bekostiging komt voor het groene onderwijs als geroepen. Er zijn momenteel al meerdere AOC's die, net als wij, in financiële problemen dreigen te geraken. Mocht de reparatie er niet (spoedig) van komen, dan zullen wij ons ernstig moeten bezinnen op de consequenties voor het zelfstandig voorbestaan van onze school.

Naar aanleiding hiervan heeft [verweerder] in september 2017 een eerste concept-meerjarenbegroting gepresenteerd waarin werd voorzien in een drietal scenario's.

2.11.

Op 13 oktober 2017 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de RvT en [verweerder] in De Neushoorn te Leeuwarden, waarbij het fusieproces met verschillende fusiepartners is verkend.

2.12.

Op 17 oktober 2017 is er met [Z] en [X] , leden van de RvT, een tussenevaluatie gehouden over het functioneren van [verweerder] . In dit verslag staat vermeld (voor zover van belang):

[Z] brengt nog een punt van aandacht in vanuit de Raad van Toezicht. Die zou [verweerder] graag wat meer regie zien voeren op het proces van continuïteit van Nordwin binnen de actuele ontwikkelingen. De Raad voelde zich overvallen door de gang van zaken, had graag eerder meegenomen willen worden in deze gedachten. [verweerder] zegt dat ontwikkelingen wel echt snel gaan, een jaar geleden stond de school er heel anders voor. [Z] en [X] (kantonrechter: [X] ) stellen dat er uiteraard veel onduidelijk is, maar je kunt ook eerder inhoudelijk afwegingen maken wat je als school wilt, welke kroonjuwelen je hebt, wat te doen als er zich onverwachte ontwikkelingen voordoen, wat bijvoorbeeld dan potentiële (fusie)partners zijn. Dat gesprek had ook in het verlengde van het Koersplan al gevoerd kunnen worden. [verweerder] zegt dat aandachtspunt te snappen en probeert dit mee te nemen. We nemen het jaarplan 2017 door, constateren dat hij geactualiseerd moet worden, maar dat er veel zaken op groen staan. Spannendste is nu de komst van de Inspectie en de discussie rondom wel of geen fusie. Hiermee besluiten we het gesprek.

2.13.

In een voortgangsrapportage van 8 november 2017 heeft [verweerder] de RvT geïnformeerd over de laatste stand van zaken. In de vergadering van de RvT heeft [verweerder] hier een toelichting op gegeven. De RvT heeft daarop aangegeven behoefte te hebben aan een andere cijfermatige onderbouwing en de RvT heeft het CvB verzocht om KPMG hiervoor te benaderen.

2.14.

[verweerder] heeft op 24 november 2017 de conceptkaderbrief voor de begroting 2018 en de (meerjaren-)begroting 2018 aan de RvT gestuurd. De conceptkaderbrief vermeldt onder meer (voor zover van belang):

Omdat we in meerjarenperspectief onvoldoende resultaat kunnen boeken, ziet de toekomst van Nordwin College er zorgelijk uit als verandering achterwege blijft. De consequenties van de jarenlange bezuinigingen en de afnemende slagkracht van de organisatie in relatie tot de naderende krimp moeten we onder ogen zien. Het CvB van Nordwin College oriënteert zich momenteel, in nauw overleg met de RvT, op kansrijke verbindingen met andere onderwijspartners. Onze ambities, kernwaarden en sterke punten zoals deze in verwoord in Koers 2022 vormen daarbij het vertrekpunt. Nordwin College heeft veel moois te bieden en er is veel bereikt waar we door het versterken van de banden met andere partners ongetwijfeld nog beter op kunnen doorbouwen. Onze zelfstandige positie is hierbij niet bij voorbaat een vanzelfsprekendheid.

2.15.

In een e-mail van 26 november 2017 aan [Z] ter voorbereiding op een gesprek met de voorzitters van het Friesland College en Friese Poort meldt [verweerder] :

Je hebt het in je mail over een eerste kennismaking (dat geldt althans voor de RvT). Met welke agenda gaan we wat jou betreft in het gesprek zitten?

De laatste bijeenkomst gaf de RvT mij allerlei signalen dat men nog lang niet toe is aan praten over het opgeven van de zelfstandige positie, laat staan om nu een keuze te maken voor een bepaalde onderwijsinstelling. Ik krijg daaruit de indruk en jouw mail versterkt me daarin, dat we er morgen wat de RvT beter niet over kunnen beginnen. Dat vind ik verwarrend. Afgelopen week ben ik met het management bezig geweest om de organisatie voor te bereiden op een nieuwe toekomst. In de bij de (meerjaren-)begroting behorende kaderbrief ben ik er heel duidelijk over. Vanuit mijn bestuurlijke verantwoordelijkheid kan ik ook niet anders.

De begrotingsstukken met de kaderbrief worden komende week verspreid aan de drie medezeggenschapsraden van NC. Hiermede gaat het voor iedereen helder worden: wij kunnen niet alleen door.

2.16.

In reactie daarop heeft [Z] bij e-mail van 26 november 2017 aan [verweerder] meegedeeld:

We zijn zeer ontstemd hierover en geven daarom als Raad van Toezicht jou de opdracht de verzending van de kaderbrief direct op te schorten tot nader order, alsmede alle communicatie over samenwerking, fusie, mogelijk opgeven van zelfstandigheid van Nordwin College in de breedste zin, direct te staken.

2.17.

[verweerder] heeft hierop bij e-mail van 26 november 2017 aan [Z] aangegeven:

De kaderbrief is alleen nog naar de RvT verzonden i.v.m. de bespreking van komende dinsdag in de Financiële Commissie. De inhoud van de bespreking wordt meegenomen bij de opstelling van de definitieve kaderbrief waarbij ik voornemens ben om die donderdagmorgen met de (meerjaren-) begroting te verspreiden aan de raad. Het is nu de tijd en het is mijn verantwoordelijkheid om die stukken aan hen op te sturen.

2.18.

[Z] heeft hierop in een e-mail van 27 november 2017 aangegeven dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn wat de RvT van hem verlangt en dat een andere benadering, zowel qua proces als qua communicatie, niet is toegestaan.

2.19.

Op 28 november 2017 heeft de Financiële Commissie van de RvT haar positieve advies aan de (meerjaren-)begroting 2018 onthouden en aangegeven dat de cijfers getoetst dienden te worden door KPMG.

2.20.

[verweerder] heeft bij e-mail van 29 november 2017 aan [Z] meegedeeld (voor zover van belang):

Wat betreft de instructie die de RvT heeft gemeend mij te moeten opleggen aangaande de in- en externe communicaties, wijs ik de RvT op mijn verantwoordelijkheid om met alle actoren binnen en buiten de organisatie te communiceren en om voorbereidingen te treffen die passend zijn in het licht van de thans voorliggende begroting en toekomstverwachting. Uiteraard snap ik dat we, RvT en ondergetekende, in gesprek zijn met onderwijspartners en dat we daar in alle zorgvuldigheid en discretie mee om moeten gaan.

Ik kan mededelen dat ik de conceptbegrotingen en de daarbij behorende kaderbrief heb doorgestuurd aan alle leidinggevenden en dat de stukken ter instemming aan de Ondernemingsraad, de Studentenraad en de Ouderraad zijn aangeboden. Zodra KPMG haar onderzoek heeft voltooid en de cijfers heeft gecontroleerd, zal ik e.e.a. ook ter instemming voorleggen aan de RvT. Ik verzoek KPMG nogmaals om dit voor 15/12 a.s. af te ronden.

2.21.

Op 4 december 2017 heeft de RvT van Nordwin College [verweerder] geschorst als (enig) lid van het CvB. Sinds die datum is [T] bij ontstentenis of belet van de bestuurders bevoegd Nordwin College te vertegenwoordigen.

2.22.

Op 18 december 2017 heeft de RvT [verweerder] als statutair bestuurder ontslagen. De statutaire schorsing is vervolgens omgezet in een schorsing op grond van artikel 2.7 lid 1 cao mbo en aangekondigd is dat de RvT voornemens is [verweerder] te schorsen op basis van artikel 2.7 lid 2 sub c cao mbo voor de duur van de ontbindingsprocedure.

2.23.

De Inspectie van het Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft bij brief van 14 december 2017 aan de RvT bericht dat zij het voornemen heeft het Nordwin College onder verscherpt financieel toezicht te stellen.

2.24.

[verweerder] heeft in kort geding wedertewerkstelling gevorderd in zijn functie. De mondelinge behandeling van dit kort geding heeft plaatsgevonden op 27 december 2017. Door de kantonrechter te Leeuwarden is in zijn vonnis van 5 januari 2018 onder meer overwogen:

5.8.

Nordwin College heeft benadrukt dat haar besluit om [verweerder] niet langer te werk te stellen als bestuurder een tijdelijke noodmaatregel betrof. Volgens Nordwin College is het niet mogelijk dat [verweerder] zijn werkzaamheden als bestuurder voortzet omdat de Raad van Toezicht geen vertrouwen meer heeft in een verdere samenwerking met [verweerder] . Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit onvoldoende om [verweerder] niet langer toe te laten tot zijn werkzaamheden, nu blijkens hetgeen Nordwin College in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd, die vertrouwensbreuk in belangrijke mate is veroorzaakt door het feit dat de Raad van Toezicht en [verweerder] verschillende visies hebben op de taken en bevoegdheden van het College van Bestuur ten opzichte van die van de Raad van Toezicht en op de te bewandelen weg en het tempo waarin maatregelen genomen moeten worden met betrekking tot de toekomst van het Nordwin College. Het zijn deze twee thema's die, naar de kantonrechter begrijpt, in overwegende mate ten grondslag hebben gelegen aan de schorsing van [verweerder] . Niet is gesteld of gebleken dat partijen hierover inhoudelijk het gesprek zijn aangegaan om te proberen op die thema's een gezamenlijke visie te ontwikkelen. Daarentegen is de Raad van Toezicht op 4 december 2017 overgegaan tot de schorsing van [verweerder] als (statutair) bestuurder, zonder hoor- en wederhoor toe te passen. De [verweerder] gegeven termijn van één werkdag (vrijdag 1 december 2017) om zich voor te bereiden op een vergadering waarin zijn schorsing als (statutair) bestuurder aan de orde kwam, kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet als een redelijke termijn worden aangemerkt. Nordwin College heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om voorshands te kunnen oordelen dat er sprake was een spoedsituatie, op grond waarvan Nordwin College niet de termijn van tenminste zeven dagen als bedoeld in artikel 13 lid 4 van de statuten in acht behoefde te nemen. De Raad van Toezicht twijfelde over de door juistheid van de door [verweerder] gepresenteerde financiële cijfers en wilde een onderzoek daarvan, uitgevoerd door KPMG. De Raad van Toezicht heeft dat onderzoek echter niet afgewacht, terwijl [verweerder] - vanuit zijn visie op de taken en bevoegdheden van het College van Bestuur - deze financiële cijfers intern heeft gedeeld met allen die daaraan hun instemming dienden te verlenen. Dat was weliswaar tegen de instructies van de Raad van Toezicht, maar dat rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet de door de Raad van Toezicht getroffen noodmaatregel.

Nordwin College is door de kantonrechter in kort geding veroordeeld om [verweerder] binnen 24 uur na betekening van het vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder op basis van zijn arbeidsovereenkomst op de gebruikelijke wijze te hervatten zoals deze werden verricht tot 4 december 2017, met uitzondering van de [verweerder] voorheen toekomende statutaire bevoegdheden behorend bij de functie van voorzitter van het CvB, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag.

2.25.

De RvT heeft per 8 januari 2018 een waarnemend statutair bestuurder aangesteld, mevrouw [S] (hierna te noemen [S] ).

2.26.

Bij e-mail van 11 januari 2018 heeft [Z] aan [verweerder] meegedeeld:

Naar aanleiding van ons gesprek op maandag 8 januari jl. omtrent de invulling van je werkzaamheden, met inachtneming van de uitspraak in kort geding, heb ik namens de Raad van Toezicht hieronder (een voorstel voor) de kaders daarvoor aangegeven. Op jouw verzoek bevestig ik dat middels deze mail.

(…..)

Aan jou wordt, uitvoerend, de dagelijkse leiding gegeven aan de interne organisatie van Nordwin College. Zonder hiermee uitputtend te zijn doch in elk geval binnen de opdrachten, richtlijnen, kaders, beleidsvoornemens et cetera, zoals die door de waarnemend statutair bestuurder aan jou worden verstrekt.

2.27.

KPMG heeft op verzoek van Nordwin College een 'Rapportage validatie meerjarenbegroting 2018-2022' opgesteld, gedateerd 18 januari 2018.

2.28.

Nordwin College heeft op 22 januari 2018 hoger beroep ingesteld tegen het kort geding vonnis van 5 januari 2018.

2.29.

[verweerder] heeft bij dagvaarding d.d. 22 januari 2018 (tevens inhoudende een vordering tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.) een verklaring voor recht gevorderd dat zowel het besluit van 4 december 2017 tot schorsing van [verweerder] als statutair bestuurder als het besluit van 18 december 2017 tot ontslag van [verweerder] als statutair bestuurder nietig zijn danwel gevorderd dat deze vernietigd worden, en gevorderd om Nordwin College te verbieden om verdere uitvoeringshandelingen of rechtsmaatregelen te nemen gebaseerd op deze besluiten.

2.30.

Op 24 januari 2018 hebben [verweerder] en [S] tijdelijke werkafspraken gemaakt over een onderlinge taakverdeling. Tijdens het gesprek met [S] werd [verweerder] gebeld door zijn echtgenote met de mededeling dat de RvT hem bij brief van 23 januari 2018 met ingang van diezelfde datum geschorst had op grond van artikel 2.8 lid 2 sub c cao mbo, welk voornemen reeds was geuit in de brief van 18 december 2017 (zie r.o. 2.22). De RvT heeft [verweerder] daarbij aangegeven dat tot de uitspraak in hoger beroep geen uitvoering zou worden gegeven aan deze schorsingsmaatregel.

2.31.

[Z] heeft ter toelichting op 24 januari 2018 aan [verweerder] meegedeeld:

Bij brief van 23 januari 2018 heeft de Raad van Toezicht u met ingang van diezelfde datum geschorst op grond van artikel 2:7 lid 2 sub c cao mbo. Echter, gezien het vonnis van 5 januari 2018 en de aankondiging van uw raadsman dat u bij een (nieuwe) schorsing alsnog de dwangsommen zal verbeuren, heeft de Raad van Toezicht om hem moverende redenen vooralsnog besloten om tot de uitspraak in hoger beroep in feite geen uitvoering te geven aan de opgelegde schorsingsmaatregel van 23 januari 2018. Dit laat onverlet dat de Raad van Toezicht primair van mening is dat Nordwin College bij uitvoering van de opgelegde schorsing van 23 januari 2018 sowieso geen dwangsom verschuldigd is, nu het een nieuw opgelegde schorsingsmaatregel betreft. Gezien de inmiddels ontstane situatie en de al lopende procedures heeft de Raad van Toezicht ervoor gekozen op dit moment geen zogenaamd executiegeschil te starten.

De schorsingsmaatregel van 23 januari 2018 blijft echter wel gehandhaafd. Feit is namelijk dat naar het oordeel van de Raad van Toezicht het in het belang van Nordwin College is dat u aankomende periode geschorst blijft en/of wordt.

Concreet betekent dit dat u - ondanks de schorsingsmaatregel d.d. 23 januari 2018 - vooralsnog nog steeds te werk wordt gesteld in uw functie van bestuurder zoals is bepaald in het vonnis van 5 januari 2018, totdat het Gerechtshof dan wel de Raad van Toezicht alsnog anders beslist.

2.32.

[S] heeft bij e-mail van 25 januari 2018 om 00.23 uur aan [verweerder] bericht:

Ik was vanmiddag oprecht blij dat het voor het eerst mogelijk was om een constructief gesprek met elkaar te hebben over de taakverdeling tussen ons. (…..). Ik vond het vanmiddag een prettig gesprek. Jammer dat het niet eerder plaats kon vonden omdat het uitblijven van dit gesprek de organisatie de afgelopen weken geschaad heeft.

In ons vervolggesprek ging jij een urgent telefoontje plegen. Vervolgens liep je op de gang met de tekst "het is weer zover, ik ben weer geschorst".

Gelijk heb ik toen tegen je gezegd, [verweerder] dat ligt anders, kom mee naar je kamer, om verdere schade in de organisatie te beperken. Immers, verschillende medewerkers waren getuige van je uitspraak. Ik heb jou uitgelegd hoe eea m.i. in elkaar steekt. Voor jou was dit niet voldoende. (…..),

Groot was mijn verbazing en daarna ontsteltenis, toen je me om 17.00 uur belde met de mededeling; De schorsing moet direct worden ingetrokken door [Z] of ik ga iedereen informeren, de raden en verder".

Ik heb dit als bedreigend ervaren voor de organisatie. Immers, door jouw eerder uitlatingen in de pers staat het Nordwin College toch al onder de schijnwerpers. Niet goed voor de organisatie en ik maak me daar dan ook zorgen over.

[verweerder] , gegeven deze omstandigheden vervallen de gemaakte afspraken over jouw taken die je de komende drie weken op je zou nemen.

2.33.

[verweerder] verricht sinds 25 januari 2018 geen werkzaamheden meer voor Nordwin College.

2.34.

In februari 2018 hebben partijen zonder succes een mediationtraject gevolgd en na de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften hebben partijen (nogmaals) een mediationtraject gevolgd. Dit traject is evenmin succesvol afgesloten.

3 Het verzoek van Nordwin College

3.1.

Nordwin College verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, primair onderdeel d (ongeschiktheid voor de functie), subsidiair onderdeel e (verwijtbaar handelen of nalaten, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren), meer subsidiair onderdeel g (een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren) en uiterst subsidiair onderdeel h (ander dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te lasten voortduren) BW.

3.2.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

4 De beoordeling van het verzoek

Inleiding

4.1.

Het stichtingenrecht is geregeld in titel 2 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Er hoeft slechts één orgaan te zijn: het bestuur. De statuten van een stichting kunnen voorzien in de mogelijkheid van intern toezicht door middel van een raad van toezicht. Bij Nordwin College is sprake van een bestuur (CvB) en een raad van toezicht (RvT).

4.2.

Daarnaast is in de literatuur aanvaard dat er bij een stichting sprake kan zijn van een monistisch bestuursmodel (ook wel one tier board genoemd). Binnen het bestuur worden de taken dan zodanig verdeeld dat een aantal bestuursleden zich met uitvoerende zaken bezighoudt en een aantal met het toezicht op de uitvoerende bestuurders. Zowel uitvoerende bestuurders als niet-uitvoerende bestuurders zijn bestuurders en maken deel uit van het bestuur. Deze situatie doet zich bij Nordwin College niet voor. Voor zover [verweerder] heeft verwezen naar een monistische structuur bij Nordwin College, zal de kantonrechter hieraan voorbijgaan. Dat er twee afzonderlijke organen zijn bij Nordwin College, een CvB en een RvT, staat niet ter discussie.

Ontvankelijkheid

4.3.

[verweerder] heeft ter zitting aangevoerd dat Nordwin College niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was bij het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verweerder] heeft [T] , degene die is benoemd om bij ontstentenis of belet van de bestuurders het Nordwin College te vertegenwoordigen, niet het besluit genomen om op 27 december 2017 het ontbindingsverzoek in te dienen. Volgens [verweerder] heeft de RvT dit besluit genomen en heeft zij zich daarmee een bestuurstaak toegeëigend. Nordwin College dient volgens [verweerder] dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek.

4.4.

De kantonrechter zal aan voormeld verweer van [verweerder] voorbijgaan. Nordwin College heeft in reactie op het verweer van [verweerder] ter zitting aangegeven dat de heer [T] achter de indiening van het verzoekschrift staat. Dat Nordwin College bij het indienen van het verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn vertegenwoordigd, zoals [verweerder] heeft betoogd, is niet gebleken.

4.5.

Voorts voert [verweerder] aan dat een rechtsgeldig stichtingsrechtelijk ontslag als bestuurder een noodzakelijke voorwaarde is voor een ontslag in de arbeidsrechtelijke relatie. [verweerder] betwist de rechtsgeldigheid van het stichtingsrechtelijk ontslagbesluit.

4.6.

De kantonrechter overweegt als volgt.

De rechtspositie van de bestuurder van een stichting kenmerkt zich door een aanwezigheid van een dubbele rechtsbetrekking: een rechtspersoonsrechtelijke verhouding en een contractuele verhouding (de arbeidsovereenkomst). Bij de stichting heeft het ontslag als bestuurder niet automatisch tot gevolg dat in beginsel ook de arbeidsovereenkomst met de bestuurder eindigt. Uit artikel 7:671 BW vloeit voort dat voor een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever schriftelijke instemming van de werknemer of toestemming van het UWV vereist is. Deze verplichting geldt niet indien het een opzegging van een bestuurder van een rechtspersoon betreft van wie herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van boek 2 BW niet mogelijk is (artikel 7:671 lid 1 sub e BW). De stichting valt niet onder deze uitzondering van artikel 7:671 lid 1 sub e BW. Voor de bestuurder van een stichting is dus een andere positie gecreëerd dan voor bestuurders van andere rechtspersonen.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat het feit dat [verweerder] de rechtsgeldigheid van het stichtingsrechtelijk ontslag in rechte heeft aangevochten in een thans nog lopende procedure, niet betekent dat Nordwin College niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Vooralsnog is dat ontslag in rechte immers niet aangetast. Evenmin ziet de kantonrechter hierin aanleiding om, zoals [verweerder] heeft verzocht, de beslissing op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan te houden tot het moment dat in de artikel 223 Rv-procedure is geoordeeld over de rechtsgeldigheid van het stichtingsrechtelijk ontslagbesluit, nu de wetgever voor ogen heeft gehad dat een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst met de nodige voortvarendheid wordt behandeld en beoordeeld.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.8.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

- Ongeschiktheid voor de functie -

4.9.1.

Ter onderbouwing van voormelde ontslaggrond heeft Nordwin College het volgende naar voren gebracht. Volgens Nordwin College was er in 2014 en 2015 al de nodige kritiek op het functioneren van [verweerder] . Vervolgens heeft de RvT in het beoordelingsgesprek van 19 december 2016 aan [verweerder] geprobeerd duidelijk te maken dat bij de RvT nog steeds het gevoel leefde dat [verweerder] de bedrijfsvoering niet onder controle had. [verweerder] kon zich niet vinden in deze negatieve beoordeling en om de lucht te klaren voerde [verweerder] in januari en februari 2017 individuele evaluatiegesprekken met de leden van de RvT. Volgens Nordwin College heeft [verweerder] niets uit die gesprekken opgehaald en toonde hij een gebrek aan zelfreflectie. De RvT heeft daarop aangegeven de negatieve beoordeling over het jaar 2016 te zullen handhaven, waarbij de RvT [verweerder] heeft aangegeven dat hij zelf moest aangeven welke middelen hij wilde inzetten om zijn functioneren te verbeteren.

4.9.2.

Daarnaast heeft [verweerder] volgens het Nordwin College nagelaten de RvT vroegtijdig te informeren over belangrijke ontwikkelingen. De RvT is geschrokken van de notitie van [verweerder] van 27 juli 2017. De opmerking van [verweerder] in die notitie dat Nordwin College zich ernstig moest bezinnen op de consequenties voor het zelfstandig voortbestaan van de school was volkomen nieuw voor de RvT.

4.9.3.

Nordwin College stelt voorts dat de RvT [verweerder] opdracht heeft gegeven de conceptkaderbrief 2018 en de (meerjaren-)begroting 2018 niet verder verspreiden en eerst met de RvT te overleggen teneinde een positief advies te verkrijgen op nader toegelichte en eventueel aangepaste informatie. Uit de reacties van [verweerder] , met name de e-mails van [verweerder] van 26 en 29 november 2017 blijkt dat [verweerder] zich niets aan wenstte te trekken van de nadrukkelijk aan hem gegeven instructies om terughoudendheid te betrachten. In strijd met de nadrukkelijke opdracht van de RvT heeft [verweerder] diverse geledingen binnen het Nordwin College geïnformeerd over de slechte financiële situatie, terwijl de RvT had aangegeven hier eerst onderzoek naar te willen laten verrichten. Vanuit het volgens het Nordwin College misplaatste idee van 'bestuurlijke verantwoordelijkheid' heeft [verweerder] gehandeld in strijd met nadrukkelijke verboden van de RvT en toch het management, de directieraad, de studentenraad en de ondernemingsraad geïnformeerd, waarmee hij doelbewust heeft voorgesorteerd op het scenario dat het Nordwin College zijn zelfstandigheid kwijt zou raken, terwijl het onderzoek van KPMG nog in volledig in gang was.

4.10.1.

Volgens [verweerder] is zijn functioneren nimmer onderwerp van discussie geweest.
werd één keer per jaar uitgenodigd voor een 'evaluatiegesprek' met een delegatie van de RvT. Uit de verslagen van 2013 en 2014 komt geen kritiek op zijn functioneren naar voren. In 2015 werd het CvB gevraagd zich meer met de grote strategische lijnen bezig te houden en om toekomstplannen te ontwikkelen. Van daadwerkelijke kritiek op zijn functioneren was volgens [verweerder] geen sprake, laat staan dat een verbeterplan werd ontwikkeld. In december 2016 vernam [verweerder] voor het eerst dat hij in de visie van de RvT op een aantal gebieden onvoldoende had gescoord. De totaalscore was wel voldoende. [verweerder] heeft op 23 december 2016 laten weten zich niet in de beoordeling te kunnen vinden en de kritiek op zijn functioneren onvoldoende specifiek te vinden. Op 14 januari 2017 heeft [verweerder] een persoonlijke beschouwing geschreven op de beoordeling. In verband met de enigszins gespannen situatie naar aanleiding van de beoordeling hebben [verweerder] en de RvT afgesproken dat hij met individuele RvT-leden een gesprek zou hebben en daarna een presentatie zou maken voor de RvT. Tevens is daarbij afgesproken, aldus [verweerder] , dat de beoordeling over 2016 niet in het dossier zou worden opgenomen en dat voor 2017 een duidelijke beoordelingssystematiek zou worden ontwikkeld. De beoordeling van 2016, waarop door Nordwin College sterk de nadruk is gelegd, bevindt zich ook niet in zijn personeelsdossier. In de tussenevaluatie van 17 oktober 2017 is opnieuw nauwelijks sprake van gefundeerde kritiek.

4.10.2.

[verweerder] betwist voorts dat hij de RvT niet vroegtijdig zou hebben geïnformeerd. In de vergadering van de RvT van 23 maart 2017 is al gesproken over intensivering van de samenwerking met andere AOC's en in de vergadering van 23 mei 2017 heeft [verweerder] aan de orde gesteld dat het verzuimpercentage over het eerste kwartaal 7,3% was en dat deze ontwikkeling hem zorgen baarde. [verweerder] heeft de RvT in juni 2017 nader geïnformeerd en hij heeft het voortouw genomen in het formuleren van de benodigde stappen. In dat kader heeft hij de RvT ook meegenomen in een scenario waarbij het Nordwin College niet zelfstandig zou voortbestaan maar door middel van een fusie zou opgaan in een andere onderwijsinstelling. [verweerder] verwijst in dat kader naar de in september 2017 geschetste scenario's in de concept meerjarenbegroting en naar de bijeenkomst in oktober 2017 in De Neushoorn.

4.10.3.

Volgens [verweerder] is in november 2017 'ruis' ontstaan toen de voorzitter van de RvT hem verbood om bij de verkennende gesprekken met de leden van het CvB en de RvT van respectievelijk Friese Poort en Friesland College over een mogelijke samenwerking een presentatie te houden en toen de RvT weigerde [verweerder] toestemming te verlenen voor een nevenfunctie bij Staatsbosbeheer. Tegelijkertijd speelde de discussie rond de meerjarenbegroting 2018/2022 en de kaderbrief. [verweerder] heeft op grond van zijn verantwoordelijkheid als bestuurder deze stukken ter advisering naar alle raden gestuurd, waarbij hij de passage over het al dan niet zelfstandig voortbestaan van Nordwin College uit de concept-kaderbrief heeft geschrapt. Volgens [verweerder] had de RvT als toezichthoudend orgaan niet het recht om hem de verspreiding van deze stukken te verbieden.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4.11.1.

Aan een geslaagd beroep op de d-grond worden de volgende voorwaarden gesteld: (i) de ongeschiktheid is geen gevolg van ziekte of gebreken, (ii) de werkgever heeft de werknemer tijdig van het onvoldoende functioneren in kennis gesteld, (iii) de werkgever heeft de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren, (iv) de ongeschiktheid is niet het gevolg van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer en (v) herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie binnen redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, is niet mogelijk of ligt niet in de rede.

4.11.2.

De werkgever kan op verschillende manieren aannemelijk maken dat sprake is van onvoldoende geschiktheid voor de functie. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig signaleren en begeleiden bij verbeterpunten, het voeren van corrigerende gesprekken, het geven van begeleiding, het aanbieden van een cursus of aanvullende scholing, het aanpassen van de werkzaamheden of de werkplek en het onderzoeken van herplaatsingsmogelijkheden en het aanbieden van een alternatieve functie.

4.11.3.

Uit de literatuur en jurisprudentie komt verder nog naar voren dat om een geslaagd beroep op disfunctioneren te kunnen doen, de werkgever een dossier zal moeten hebben opgebouwd waaruit duidelijk naar voren komt dat hij de werknemer tijdig heeft geïnformeerd over zijn tekortkomingen rond zijn functioneren en welke inspanningen hij heeft gedaan om de werknemer in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren door middel van een concreet verbetertraject. In het verbetertraject/verbeterplan zullen de tekortkomingen van de werknemer worden beschreven en zal een helder (realistisch) tijdsplan staan: welke termijn wordt de werknemer gegeven om zijn functioneren te verbeteren. Het plan van aanpak zal zoveel mogelijk concrete doelstellingen bevatten. Een verbetertraject kan in vele vormen plaatsvinden, ook op informele wijze, zolang maar voldoende duidelijk is getracht tot verbetering in het functioneren van de werknemer te komen en dit ook voldoende duidelijk kenbaar is gemaakt aan de werknemer en met de werknemer als zodanig is besproken.

4.11.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in casu geen sprake is van een voldragen

d-grond. Nordwin College verwijst ter onderbouwing van het disfunctioneren van [verweerder] in de eerste plaats naar de beoordeling van het functioneren van [verweerder] van december 2016. Weliswaar heeft [verweerder] deze beoordeling betwist en heeft hij aangevoerd dat deze beoordeling geen onderdeel uitmaakt van zijn personeelsdossier, maar het was [verweerder] daarmee wel bekend dat de RvT kritiek had op zijn functioneren. Deze kritiek beperkte zich echter tot een beperkt aantal onderdelen van zijn functioneren en de totaalscore was daarmee kennelijk voldoende. De RvT heeft hierin bovendien geen aanleiding gevonden om [verweerder] een verbetertraject aan te bieden. Daarentegen heeft zij - na het vertrek van de andere bestuurder per juni 2017 - volstaan met een eenhoofdig CvB, bestaande uit [verweerder] . Weliswaar heeft [verweerder] begin 2017 gesprekken gevoerd met de afzonderlijke leden van de RvT - welke gesprekken door Nordwin College thans worden aangeduid als 'mediation' - maar zulks kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gekwalificeerd als het aanbieden van een voldoende concreet verbetertraject.

4.11.5.

Vervolgens heeft in oktober 2017 een tussenevaluatie plaatsgevonden (zie r.o. 2.12.) Ook hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van ongeschiktheid voor de functie, noch dat [verweerder] in verband daarmee een verbetertraject is aangeboden. In deze tussentijdse evaluatie komen de verwijten die Nordwin College [verweerder] thans maakt over onder meer de ontijdigheid van de informatievoorziening, welke ontijdigheid zou moeten maken dat [verweerder] niet geschikt is voor zijn functie, niet uitdrukkelijk aan de orde. De RvT heeft daarin slechts vermeld dat de RvT graag zou zien dat [verweerder] meer regie zou voeren op het proces van continuïteit van Nordwin College binnen de actuele ontwikkelingen en dat de RvT zich overvallen voelde en dat men graag eerder meegenomen had willen worden in de fusiegedachten van [verweerder] . Overigens hebben de RvT en [verweerder] daarover in oktober 2017 in de Neushoorn nog nader overleg over gevoerd en zijn er daarna verkennende gesprekken geweest met Friese Poort en Friesland College, waar de RvT van op de hoogte was.

4.11.6.

Hetgeen vervolgens in november 2017 heeft plaatsgevonden met betrekking tot (de communicatie over) de (meerjaren)begroting en de (concept)kaderbrief (zoals blijkt uit r.o. 2.15 e.v.) kan naar het oordeel van de kantonrechter evenmin leiden tot de kwalificatie 'ongeschikt voor de functie'. In dat debat heeft de RvT naar het oordeel van de kantonrechter miskent dat de RvT zich niet in de positie bevindt om instructies en ge- en verboden uit te vaardigen aan het CvB.

4.11.7.

Nordwin College heeft voorts aangevoerd dat bij de vraag of [verweerder] een reële kans moet hebben gekregen om zijn functioneren te verbeteren rekening moet worden gehouden met het feit dat [verweerder] enig lid is van het CvB en de hoogste werknemersfunctie bekleedt. Dat laat naar het oordeel van de kantonrechter onverlet dat ook aan een werknemer in deze positie in voldoende mate in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Dat een dergelijk traject 'zinloos' zou zijn geweest, zoals Nordwin College onder verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter Amsterdam van 2 december 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:8600) heeft aangevoerd, volgt de kantonrechter niet. Dat [verweerder] waardering vraagt voor de door hem behaalde positieve resultaten en een andere visie heeft op zijn functioneren, betekent niet dat hem geen verbetertraject had moeten worden aangeboden, waarin [verweerder] de volgens Nordwin College ontbrekende competenties had kunnen ontwikkelen. Anders dan in de zaak die bij de kantonrechter Amsterdam voorlag, heeft [verweerder] geen enkele coaching gehad. Dat de RvT hierop aangedrongen heeft en dat [verweerder] dit zou hebben geweigerd is niet gebleken. De kantonrechter merkt daarbij voorts op dat de gesprekken die [verweerder] begin 2017 met de afzonderlijke leden van de RvT heeft gevoerd niet als een informeel verbetertraject kunnen worden beschouwd, nu deze gesprekken bedoeld waren 'om de lucht te klaren', zoals Nordwin College ook zelf nog in haar verzoekschrift heeft aangegeven.

- verwijtbaar handelen of nalaten -

4.12.

Ter zake de e-grond heeft Nordwin College vooropgesteld dat de

RvT statutair gezien het hoogste orgaan is van het Nordwin College. Vanuit die perceptie worden [verweerder] een aantal verwijten gemaakt, waaronder het niet verstrekken aan de RvT van de voor haar uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens zoals informatie over strategische planvorming en kengetallen. Nordwin College heeft dit verwijt echter niet nader toegelicht, evenmin als het [verweerder] gemaakte verwijt dat [verweerder] de toezichthoudende functie van de Raad van Toezicht in ernstige mate belemmert.

4.13.

Voor het overige verwijt het Nordwin College [verweerder] hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.11.6. is weergegeven. Zoals hiervoor reeds is overwogen gaat het Nordwin College er hierbij ten onrechte van uit dat de RvT het hoogste orgaan is van het Nordwin College en dat zij in de positie zou zijn om het CvB aanwijzingen en instructies te geven. Nordwin College miskent daarmee dat het CvB is belast met het besturen van het Nordwin College en de RvT met het toezicht daar op. 'Toezicht' impliceert dat er aanwijzingen kunnen worden gegeven en dat het CvB kan worden gevraagd om tekst en uitleg te geven over bestuurshandelingen, maar betekent niet dat de RvT op de stoel van de bestuurder kan gaan zitting als de richting die het CvB opgaat de RvT niet zint. Evenmin is gebleken dat [verweerder] zonder toestemming van de RvT besluiten heeft genomen waarvoor volgens de statutaire regeling van Nordwin College voorafgaande goedkeuring van de RvT vereist was, danwel dat [verweerder] zijn geheimhoudingsplicht uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden door een brief te sturen naar de Onderwijsinspectie, de MBO-raad en de AOC-raad, en daarin openheid heeft gegeven over de diverse interne problemen.

4.14.

Evenmin treft doel het door Nordwin College bij aanvullend verzoek aan het adres van [verweerder] geuite verwijt dat hij het rapport van bevindingen van financieel continuïteitstoezicht van 13 februari 2017 niet onder de aandacht van de RvT heeft gebracht. Niet is gesteld of gebleken dat [verweerder] dit bewust heeft nagelaten. Bovendien was [verweerder] begin 2017 niet het enige bestuurslid. Van een voldragen e-grond is derhalve geen sprake.

- verstoorde arbeidsrelatie -

4.15.

Voor toepassing van deze ontbindingsgrond is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, kan de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is, wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn. (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220).

4.16.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een wederzijds vertrouwen tussen (de leden van) de RvT en (de leden van) het CvB noodzakelijk voor het voortbestaan van het Nordwin College. Duidelijk is geworden dat de RvT geen vertrouwen meer heeft in [verweerder] als enig lid van het CvB en dat de door partijen gevolgde mediationtrajecten niet hebben geleid tot mogelijkheid om te komen tot een vruchtbare samenwerking.

4.17.

Anders dan Nordwin College heeft aangevoerd, is het naar het oordeel van de kantonrechter echter niet [verweerder] geweest die op een breuk heeft aangestuurd, maar de RvT. De RvT heeft [verweerder] immers willen beletten dat hij zich kon kwijten van zijn taken en bevoegdheden als bestuurder, door [verweerder] aanwijzingen en instructies te willen geven en hem bovenal te verbieden de concept (meerjaren)begroting 2018 en de kaderbrief binnen de organisatie te verspreiden. Dat de RvT de concept (meerjaren)begroting nog wilde laten toetsen door KPMG omdat de financiële gegevens volgens de Financiële Commissie van de RvT niet juist konden zijn, verleende de RvT nog niet de bevoegdheid om [verweerder] de verspreiding daarvan te verbieden. Daarnaast kan de RvT een verwijt worden gemaakt van haar optreden ter zake de statutaire schorsing en het ontslag van [verweerder] als statutair bestuurder. De kantonrechter verwijst daartoe naar hetgeen in het kort geding vonnis van

5 januari 2018 is overwogen (zie r.o. 2.24.). In hoeverre deze schorsing en dit ontslag nietig of vernietigbaar moet worden geacht, is niet aan de kantonrechter ter beoordeling. Wel is de kantonrechter van oordeel dat de RvT hiermee de positie van [verweerder] als (feitelijk) bestuurder van Nordwin College (in arbeidsrechtelijke zin), ernstig heeft bemoeilijkt.

4.18.

Nordwin College heeft in dit kader tevens het gedrag van [verweerder] rond zijn nevenfunctie bij Staatsbosbeheer aan de orde gesteld. Volgens Nordwin College is [verweerder] bij voortduring teruggekomen op de geweigerde toestemming terwijl de RvT gemotiveerd had aangegeven dat de uitoefening van een zodanige nevenfunctie zou leiden tot zodanig tijdsbeslag dat daardoor de hoofdfunctie in het gedrang zou komen. De kantonrechter kan Nordwin College hierin niet volgen. Gezien de argumenten die [verweerder] heeft aangevoerd om deze nevenfunctie te mogen aanvaarden (waaronder met name het belang van de functie voor Nordwin College en het verwachte zeer beperkte tijdsbeslag), acht de kantonrechter het niet meer dan begrijpelijk dat [verweerder] zich bij deze summierlijk toegelichte weigering van de RvT niet zomaar wenste neer te leggen en bij herhaling heeft getracht de RvT van het belang van toestemming te overtuigen.

4.19.

Ook de door de RvT genomen maatregel van 23 februari 2018, te weten de herhaalde schorsing van [verweerder] , heeft de relatie tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter (nodeloos) verder onder druk gezet. De RvT is overgegaan tot schorsing, terwijl daartoe - ook in de eigen visie van de RvT - geen noodzaak bestond. De RvT heeft bij die schorsing immers aangegeven dat deze niet ten uitvoer zou worden gelegd en dat [verweerder] zijn werkzaamheden voort zou kunnen zetten. Aangezien een schorsing impliceert dat de werkzaamheden dienen te worden gestaakt (zoals ook is bepaald in de cao mbo), heeft de RvT naar het oordeel van de kantonrechter aldus een onbegrijpelijke beslissing genomen waarmee ze de relatie tussen partijen bovendien verder onder druk heeft gezet. Vervolgens heeft [S] - in reactie op een op zichzelf zeer begrijpelijke reactie van [verweerder] - van het ene op het andere moment alle met [verweerder] gemaakte afspraken ingetrokken, zonder dat daar naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aanleiding voor bestond. Dat [verweerder] boos is geworden omdat hij wederom was 'geschorst' acht de kantonrechter in het licht van het vorengaande begrijpelijk. De gestelde reactie van [verweerder] - volgens Nordwin College heeft hij luidruchtig kenbaar gemaakt dat de schorsing van tafel moest, waarbij hij met de deuren heeft geslagen, hetgeen door [verweerder] gemotiveerd is betwist - rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter niet de daarop van de zijde van Nordwin College gevolgde actie, waarbij de tijdelijke afspraken over een taakverdeling onmiddellijk weer werden ingetrokken.

4.20.

Vast staat echter dat [verweerder] als statutair bestuurder is ontslagen, welk besluit door de vijf leden van de RvT unaniem is genomen. Hoewel [verweerder] dit ontslag aanvecht, is het op dit moment een gegeven dat [verweerder] geen statutair bestuurder is. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat van Nordwin College thans in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] nog langer voort te laten duren. Partijen hebben zulks wel getracht, maar dit is niet succesvol gebleken. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat er door ontbinding een einde aan de arbeidsovereenkomst dient te komen.

4.21.

Het verzoek van Nordwin College zal dan ook worden toegewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671 b lid 8 onder a BW zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 juli 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van één maand.

4.22.

Nu ontbinding op de meer subsidiaire g-grond zal worden toegewezen, behoeft de uiterst subsidiair aangevoerde h-grond geen bespreking.

4.23.

Nordwin College heeft ter gelegenheid van de mondelinge handeling nog verzocht de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe te wijzen onder toekenning van de uitkeringsregeling bij werkloosheid overeenkomstig de cao mbo zoals bepaald in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst en aldus niet onder toekenning van de transitievergoeding. Dit verzoek zal worden gepasseerd. Allereerst omdat het verzoek in een zodanig laat stadium is gedaan dat het debat ter zitting hier niet of nauwelijks over kon worden gevoerd, terwijl het verzoek voorts verband houdt met de vraag of [verweerder] na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de werkloosheidswet. De beoordeling van die vraag ligt niet bij de kantonrechter maar vloeit voort uit de daarvoor geldende (wettelijke) regelingen.

4.24.

De kantonrechter ziet in al het vorengaande aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 Het tegenverzoek en de beoordeling daarvan

5.1.

[verweerder] heeft, bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, verzocht Nordwin College te veroordelen om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder op de gebruikelijke wijze en zonder beperkingen te hervatten. Nu naar het oordeel van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, ligt het tegenverzoek van [verweerder] voor afwijzing gereed.

5.2.

Ook met betrekking tot het tegenverzoek zal de kantonrechter de kosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 juli 2018;

6.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de zaak van het tegenverzoek

6.3.

wijst het verzoek van [verweerder] af;

6.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018 door

mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 471