Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1991

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
18/930256-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling volgt voor gekwalificeerde doodslag op een 12 jarig meisje. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en TBS met dwangverpleging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930256-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 mei 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de PI te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 14 oktober 2017,

te of nabij [pleegplaats] , althans in de gemeente Staphorst, in elk geval in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat

opzet [slachtoffer] bij haar keel/hals (vast)gepakt/(vast)gegrepen en/of (vervolgens)

haar keel/hals/luchtpijp dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of dichtgedrukt/dichtgeknepen

gehouden en/of (met kracht) zijn, verdachtes handen en/of vuisten op haar keel/hals gedrukt,

tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar

feit, te weten het met die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige

handeling(en) plegen (zoals bedoeld in en strafbaar gesteld in artikel 247 Wetboek van

Strafrecht) en/of

met ontuchtig oogmerk die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe heeft bewogen getuige te zijn van één of meer seksuele handelingen (zoals bedoeld in en strafbaar gesteld in artikel

248d Wetboek van Strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en)

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf straffeloosheid te verzekeren

(art. 288 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 14 oktober 2017,

te of nabij [pleegplaats] , althans in de gemeente Staphorst, in elk geval in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat

opzet [slachtoffer] bij haar keel/hals (vast)gepakt/(vast)gegrepen en/of (vervolgens)

haar keel/hals/luchtpijp dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of dichtgedrukt/dichtgeknepen

gehouden en/of (met kracht) zijn, verdachtes handen en/of vuisten op haar keel/hals gedrukt,

tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

(art. 287 Wetboek van Strafrecht)

en/of

verdachte op of omstreeks 14 oktober 2017,

te of nabij [pleegplaats] , althans in de gemeente Staphorst, in elk geval in Nederland,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

bestaande die ontuchtige handeling(en) uit het meermalen, althans eenmaal, zoenen van die

[slachtoffer] en/of zich aftrekken in het zicht en/of bijzijn en/of ten overstaan van die

[slachtoffer] en/of zijn, verdachtes (stijve) penis aan [slachtoffer] tonen en/of zijn,

verdachtes (stijve) penis bewegen naar, althans in de richting van het gezicht, althans het

lichaam van die [slachtoffer] ;

(art. 247 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen dat

verdachte op of omstreeks 14 oktober 2017,

te of nabij [pleegplaats] , althans in de gemeente Staphorst, in elk geval in Nederland,

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, van wie hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig

oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft

verdachte zich in het zicht en/of bijzijn en/of ten overstaan van [slachtoffer] afgetrokken

en/of zijn, verdachtes, (stijve) penis aan [slachtoffer] getoond en/of zijn, verdachtes

(stijve) penis bewogen naar, althans in de richting van haar gezicht, althans het lichaam van

[slachtoffer] ;

(art. 248d Wetboek van Strafrecht)

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd, in die zin dat sprake is van (gekwalificeerde) doodslag, voorafgegaan door het plegen van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat het voor doodslag vereiste (voorwaardelijk) opzet niet kan worden bewezen. Volgens de raadsman is - zakelijk weergegeven - aannemelijk dat verdachte op het moment van handelen verkeerde in een acute dissociatieve toestand, waardoor ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman onder meer verwezen naar jurisprudentie, enkele passages uit de verklaringen van verdachte, alsmede enkele passages uit de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de reeds geconsulteerde gedragsdeskundigen op te dragen (aanvullend) onderzoek te doen naar de mogelijke aanwezigheid van een acute dissociatieve toestand bij verdachte op het moment van handelen en naar de vraag wat dat zou betekenen voor het inzicht van verdachte in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan op dat moment.

Volgens de raadsman dient verdachte ook van het (in verschillende varianten) tenlastegelegde zedendelict te worden vrijgesproken, nu een veroordeling voor dit feit niet slechts kan worden gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, terwijl het noodzakelijke steunbewijs daarvoor ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van het bewijs neemt de rechtbank de verklaringen van verdachte zoals hij die heeft afgelegd op 14 oktober 2017 (enkele uren na zijn aanhouding), 15 oktober 2017, 18 oktober 2017 (bij de rechter-commissaris) en 25 oktober 2017 als uitgangspunt. Gedurende deze verhoren, zoals hierna onder de bewijsmiddelen opgenomen, verklaart verdachte gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent, terwijl er op dat moment nog geen onderzoeksresultaten voorhanden waren waarop hij zijn verklaringen zou hebben kunnen baseren. Verdachte verklaart over de manier waarop hij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) om het leven heeft gebracht, hetgeen wordt ondersteund door de bevindingen in het schouwverslag en sectierapport en de daarin beschreven letsels die op het lichaam van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Andere informatie die verdachte tijdens deze verhoren heeft gegeven is door de politie onderzocht en blijkt telkens overeen te stemmen met verdachtes verklaring.

De rechtbank gaat uit van de volgende gang van zaken, zoals volgt uit het tegen verdachte opgemaakte proces-verbaal. Op 14 oktober 2017 is [slachtoffer] rond 12:00 uur met verdachte in zijn auto vertrokken vanaf de zorgboerderij in [plaats] , de woonplaats van verdachte en zijn vriendin, de moeder van [slachtoffer] . Het plan is om een cadeautje voor de moeder van [slachtoffer] te kopen, maar al snel veranderen de plannen en verdachte rijdt (uiteindelijk) met [slachtoffer] in de richting van Staphorst, om vervolgens te stoppen op het zogenaamde [straatnaam], een bospad in de buurt van [pleegplaats] . Verdachte heeft daar in de auto geprobeerd [slachtoffer] te (tong)zoenen. Op enig moment heeft verdachte zijn penis uit zijn broek gehaald en heeft hij in het bijzijn van [slachtoffer] gemasturbeerd. Verdachte heeft zich over [slachtoffer] heen gebogen, nogmaals geprobeerd haar te (tong)zoenen, waarna [slachtoffer] is gaan gillen. Verdachte heeft vervolgens zijn hand op [slachtoffer] 's mond gelegd, waarop [slachtoffer] heeft gezegd dat ze nog veel harder kon gillen. Uit angst dat [slachtoffer] zou navertellen wat zich kort daarvoor had afgespeeld, heeft verdachte met zijn beide handen de keel en/of hals van [slachtoffer] dichtgeknepen, totdat haar lippen wit werden. Verdachte is daarna naar het politiebureau in Zwolle gereden om zich aan te geven, met op de bijrijdersstoel het levenloze lichaam van [slachtoffer] , dat hij heeft bedekt met jassen. Verdachte heeft omstreeks 15:00 uur in paniek zijn moeder opgebeld en haar verteld dat hij iets ergs had gedaan. Moeder zegt tegen verdachte dat hij zich moet melden bij de politie. Verdachte meldt zich niet bij het politiebureau in Zwolle maar rijdt richting Assen. Uiteindelijk meldt verdachte zich rond 19:00 uur 's avonds bij het politiebureau aan de Balkengracht in Assen en hij vertelt iemand om het leven te hebben gebracht, waarna het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in zijn auto wordt aangetroffen.

Opzet
De verdediging heeft bepleit dat het bij verdachte aan opzet heeft ontbroken, vanwege een acute dissociatieve toestand waarin hij op het moment van handelen zou zijn geraakt. De rechtbank stelt voorop dat dergelijk toestandsbeeld slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake. In gevallen waarin het delict een activiteit van de dader vergt, met een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies, ligt het aannemen van een minimaal inzicht al snel voor de hand.

De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, niet aannemelijk is geworden. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren gedetailleerd verklaard over de wijze waarop hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Tijdens zijn eerste verhoor verklaart hij dat hij, op het moment dat hij [slachtoffer] wilde tongzoenen maar zij dit niet wilde, [slachtoffer] 's hals met zijn duimen heeft dichtgeknepen. Verdachte zag en hoorde toen dat [slachtoffer] trapte met haar benen en geluiden maakte. Tijdens zijn tweede verhoor geeft verdachte aan dat hij denkt dat het tien minuten tot een kwartier duurde en dat hij hoorde dat [slachtoffer] daarna nog een laatste keer zuchtte en dat hij zag dat er bloed uit haar neus kwam. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte bewuste herinneringen heeft aan zijn handelen, enig besef heeft gehad van tijd en gedurende zijn handelen heeft waargenomen hoe [slachtoffer] op zijn handelen reageerde. De beschreven handelingen vergen voorts enige lichamelijke coördinatie. Dit alles past niet bij het beeld van iemand bij wie het inzicht in de draagwijdte van zijn handelen volledig ontbreekt. Dat verdachte de situatie achteraf (ook) heeft beschreven als 'een waas' doet hieraan niet af.

De door de raadsman aangehaalde passages uit de rapportages van de gedragsdeskundigen nopen evenmin tot een ander oordeel. In beide rapportages is telkens onder het kopje 'Verband diagnose en delict' beschreven hoe het gedrag en de handelingen van verdachte vanuit de bij hem geconstateerde stoornissen zijn te verklaren. De gedragsdeskundigen gaan er beiden vanuit dat bij verdachte op enig moment sprake is geweest van een volledig verlies van zelfbeheersing en het niet kunnen komen tot gedragsalternatieven, maar volgens de deskundigen valt dit te verklaren vanuit de bij verdachte geconstateerde stoornis en gebrekkige ontwikkeling. De deskundigen komen vervolgens tot het advies het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Ook deze bevindingen verhouden zich niet met een toestandsbeeld waarbij het verdachte aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

De door verdachte verrichte gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van de dood van [slachtoffer] dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Afwijzing aanvullend onderzoek gedragsdeskundigen

De rechtbank acht het niet noodzakelijk nader (aanvullend) onderzoek te laten verrichten naar de mogelijke aanwezigheid van een acute dissociatieve toestand en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af. Beide gedragsdeskundigen hebben zich reeds impliciet1 dan wel expliciet2 uitgelaten over de mogelijkheid dat sprake is geweest van 'dissociatie' en hebben daaraan, anders dan in de door de raadsman in zijn pleitnota aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, in hun rapportages een beschouwing gewijd. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht om een juridisch oordeel te kunnen vellen over de mate waarin verdachte zijn wil om te handelen ten tijde van het tenlastegelegde heeft kunnen bepalen.

Oogmerk

Het oogmerk van de verdachte om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit verdachtes verklaring dat hij bang was dat [slachtoffer] iets zou gaan zeggen over de seksuele handelingen die hij in de auto had verricht. Dat risico wilde verdachte op dat moment niet nemen; [slachtoffer] mocht het niet kunnen navertellen. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van de in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht vereiste betrapping op heterdaad. [slachtoffer] zelf heeft verdachte op heterdaad betrapt en volgens de eigen verklaring van verdachte volgde de doodslag vrijwel direct op de door verdachte gepleegde zedendelicten, meer in het bijzonder naar aanleiding van het gegil van [slachtoffer] .

Ontucht met een minderjarige en seksueel corrumperen

De rechtbank kwalificeert het voorafgaand aan de doodslag gepleegde misdrijf als het plegen van ontucht met een persoon beneden de 16 jaar voor wat betreft het (tong)zoenen van [slachtoffer] en het over haar heen hangen en als seksueel corrumperen in het bijzijn van een persoon beneden de 16 jaar voor wat betreft het tonen van zijn, verdachtes, penis en het masturberen in het bijzijn van [slachtoffer] .

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.

14 oktober 2018, opgenomen op pagina 260 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN33R017092-HASTIGA d.d. 3 januari 2018, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik was er op 14 oktober 2017 alleen bij en zij. Ik heb haar de hals dichtgeknepen. Met de duimen. Ik had zo'n buikpijn en ik kon niet meer slapen van dat magie (de rechtbank begrijpt: meisje). Ik zei tegen mezelf ik kan niet verliefd zijn op haar. Ik heb haar kusjes gegeven. Het is gebeurd bij [pleegplaats] , in de buurt van het [straatnaam]. Ik had gevraagd aan [naam 1] (de rechtbank begrijpt: de moeder van [slachtoffer] ) of ik [slachtoffer] even mee mocht hebben in de auto. Ik wilde een stukje lopen met [slachtoffer] . Dat wilde zij niet. Toen ging ik over haar heen hangen om haar een kusje te geven. Ik wilde haar tongzoenen maar dat wilde zij niet. Een keer kan toch wel zei ik tegen haar. Ze begon toen te trappen en te gillen. Ik heb toen de duimen in haar hals gezet. Ik zag toen dat ze geluiden maakte en bewegingen met haar benen. Dat was in het beginstadium.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 oktober 2017, opgenomen op pagina 265 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik zat naast haar. Ik aaide over haar haar. Ik zat half op haar. Ik gaf haar een kus en deed haar geloof ik pijn. Ze zei ook "je doet mij pijn". Ze begon ook een beetje te gillen daarbij. Ik probeerde haar op de mond te zoenen. Ik kon niet meer terug en toen is het gebeurd. Ik heb haar toen bij de hals gepakt. Met die duimen erin. Ik wilde kusjes geven toen ik over haar heen hing. Kusjes op de wang vond ze niet zo erg maar op de mond wel. Ze zei "niet doen, ik wil naar mama toe". Ik kon niet meer stoppen.

Ik had wel weg kunnen rijden. Ik was bang dat ze er iets over zou gaan zeggen. Dat spookte wel door mij heen. Ik probeerde nog een keer haar te zoenen op de mond. En toen dit niet lukte greep ik haar bij de hals. Met beide handen. Ik heb haar gewurgd. Ze verzette zich met haar benen. Ze bewogen heen en weer. Maar ik (dit monster) ging gewoon door. Ik likte haar op haar wang. Ik heb haar wel 8 keer kort gekust op de mond. Totdat ze er niet meer was. Dit duurde denk ik 10 minuten tot een kwartier. Ze zuchtte nog een keer en ze had bloed uit de neus. Ik zag dat haar lippen wit waren. Ik wist toen dat ze het niet meer redde. Ik heb toen de stoel van [slachtoffer] achterovergelegd en heb jassen over haar heen gelegd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte inverzekeringstelling en inbewaringstelling d.d. 18 oktober 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris van bovengenoemde rechtbank en als los document opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik blijf bij de verklaring zoals ik die bij de politie heb afgelegd. Ik heb mijn broek wel naar beneden gedaan en mijn penis uit mijn broek gedaan. Ik heb haar wel over mij heen getrokken. Ze schrok van mij. De reden dat ik mijn penis uit mijn broek haalde, was dat ik wilde klaar komen op haar mooie gezichtje. Ze heeft gegild dat ik het niet moest doen. Ik heb in elk geval met mijn beide duimen haar keel dichtgeknepen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 oktober 2017, opgenomen op pagina 280 e.v. voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik kruip een beetje naar haar toe. Ze zag dat dat ding uit de broek zag en toen begon ze te gillen. Ze zag dat de broek open was. Toen zei ze: nee [verdachte] , niet doen. Ze zat een beetje achterover in de auto. Achteraf gezien had ik het risico moeten nemen en haar mee moeten nemen naar huis en moeten zeggen dat ze het aan haar moeder moest vertellen.

5. Een deskundigenrapport met bijlagen afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.10.13.152, d.d. 23 januari 2018, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige en als los document gevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 12 jaren, wordt het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen van:

- uitwendig mechanisch stomp botsend geweld of (samen)drukkend geweld op de neus en de mond (smoren);

- uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurgen), al of niet in combinatie met stomp botsend geweld;

- of een combinatie van beide.

Indien ook sprake is geweest van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op de romp of (samen)drukkend geweld op romp kunnen invloeden daarvan een medeoorzaak voor of bijdrage aan de dood hebben geleverd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 14 oktober 2017 te of nabij [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] bij haar keel/hals vastgepakt en vervolgens haar keel/hals/luchtpijp dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het met die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen en met ontuchtig oogmerk die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd. De officier van justitie beschouwt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de oplegging van de straf rekening te houden met de schuldbewuste en coöperatieve proceshouding van verdachte, alsmede met de verminderde mate waarin het tenlastegelegde hem kan worden toegerekend. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een veroordeling van het primair tenlastegelegde zou komen, een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 5 jaar in combinatie met TBS met verpleging of met voorwaarden passend zou zijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een 12-jarig meisje en heeft haar om dit te verhullen vervolgens om het leven gebracht. Dit meisje, de dochter van verdachtes vriendin, vertrouwde verdachte blindelings en is op de bewuste dag vol vertrouwen bij hem in de auto gestapt. Uit meerdere getuigenverklaringen blijkt dat verdachte gevoelens voor [slachtoffer] koesterde. Gevoelens waarvan hij wist dat ze volkomen ongepast waren, maar waardoor hij zich desalniettemin heeft laten leiden. In plaats van [slachtoffer] die dag weer veilig bij haar moeder thuis te brengen, heeft verdachte haar meegenomen naar een afgelegen plek en haar daar geconfronteerd met seksuele handelingen, die puur gericht waren op het bevredigen van zijn eigen gevoelens. Als [slachtoffer] verdachte vraagt om op te houden en gilt van angst kiest verdachte opnieuw voor zichzelf en laat hij zich volledig leiden door de angst om betrapt te worden. [slachtoffer] vecht voor haar leven maar is volkomen weerloos in de handen van verdachte. Verdachte ontneemt [slachtoffer] , een meisje dat haar hele toekomst nog voor zich had, het leven. In de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen is op indrukwekkende wijze verwoord hoe verdachte de ouders van [slachtoffer] , haar broertje, grootouders en andere betrokkenen daarmee onnoemelijk veel leed heeft toegebracht. Bovendien is de rechtsorde ernstig geschokt door het door verdachte gepleegde feit.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapportage forensisch milieuonderzoek van

[naam 2] , forensisch milieuonderzoeker, d.d. 8 februari 2018, de rapportage van psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van D.T. van der Werf, psychiater, d.d. 24 maart 2018 en de rapportage van psychologisch onderzoek Pro Justitia van J.M. de Jonge, GZ-psycholoog, d.d. 28 maart 2018. In het bijzonder heeft de rechtbank gelet op het volgende.

De psycholoog en psychiater komen in hun rapportages tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een matig verstandelijke beperking in combinatie met een ziekelijke stoornis in de vorm van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Tevens is sprake van problemen in het gebruik van alcohol (in remissie) bij daarnaast forse nicotine-afhankelijkheid. De gebrekkige ontwikkeling (verstandelijke beperking) en ziekelijke stoornis (ASS) beïnvloedden verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

De beperkingen vanuit de verstandelijke beperking en de ASS zijn bij betrokkene vooral terug te zien in de behoefte aan structuur, voorspelbaarheid en zekerheid. Zijn emotie en agressieregulatievaardigheden zijn beperkt en hij laat beperkte/inadequate copingvaardigheden zien. Empathie is beperkt ontwikkeld, planning en overzien van gevolgen is in ontwikkeling. Verdachte overziet de problemen niet en kan gevolgen van zijn gedrag hierdoor moeilijk overzien. Wanneer zaken anders lopen dat hij had gedacht/gehoopt kan betrokkene moeilijk hanteren vanuit zijn pathologie. Verdachte is geneigd om problemen weg te maken; hij reageert impulsief waarbij agressie vaker aan de orde is geweest. Volgens de deskundigen komen deze beperkingen voort uit de geconstateerde verstandelijke beperking en de autisme spectrum stoornis zijn deze van dien aard dat geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien schuldig bevonden, verminderd toe te rekenen. De onderzoekers schatten het recidiverisico in als matig tot hoog op het moment dat verdachtes psychopathologie onbehandeld zou blijven. Beide onderzoekers adviseren een klinisch behandeltraject in het kader van een TBS met voorwaarden van ongeveer 2 jaar, waarna ruim de tijd genomen zal moeten worden voor een geleidelijke terugkeer naar de maatschappij.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid over en maakt die tot de hare.

De rechtbank acht het - alles overziend - noodzakelijk om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de door de officier van justitie gevorderde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar. Deze straf is lager dan de straf die de rechtbank opgelegd zou hebben indien de verdachte geheel toerekeningsvatbaar zou zijn geweest.


Gelet op de inhoud van de rapporten en de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek, alsmede de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een langdurige bescherming van de maatschappij en begeleiding van verdachte in de vorm van een TBS-maatregel noodzakelijk is. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan de oplegging van een TBS-maatregel, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert dwangverpleging noodzakelijk. De rechtbank overweegt voorts dat de TBS-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank ziet, gelet op de hoogte van de straf die zij zal opleggen geen mogelijkheid tot het opleggen van een TBS met voorwaarden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. M.C. van Woudenberg, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2018.

Mr. G. Eelsing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De rapportage van psychologisch onderzoek Pro Justitia van J.M. de Jonge, GZ-psycholoog, d.d. 28 maart 2018, p. 25 en 26.

2 De rapportage van psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van D.T. van der Werf, psychiater, d.d. 24 maart 2018, p. 23.