Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1951

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
C/19/113888 / HA ZA 16-55
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erflater en erflaatster hebben hun woning verkocht aan hun kleinzoon. De legitimarissen stellen dat de waarde van de woning hoger was dan de koopsom en dat hierdoor sprake is van een gift. Erflater en erflaatster hebben aangesloten bij de WOZ waarde. Re

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0096
JERF 2018/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/113888 / HA ZA 16-55

Vonnis van 30 mei 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Verheul te Groningen,

tegen

[gedaagde] in haar hoedanigheid en handelend als executeur in de nalatenschap van [GSF],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.S. Santema te Drachten.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. (ieder afzonderlijk: [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] , [eiser sub 5] ) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 1 september 2016,

  • -

    akte in het geding brengen aanvullende producties van [gedaagde] ,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de akte van [eiser] c.s.

  • -

    de akte van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het proces-verbaal

2.1.

Ter comparitie hebben partijen ingestemd met het opmaken van een proces-verbaal na afloop van de zitting. De rechtbank heeft dit proces-verbaal echter niet gelijk na de comparitie opgemaakt. Pas nadat de zaak voor vonnis stond, is het proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank biedt hiervoor haar excuses aan. Bij partijen is door deze gang van zaken onduidelijkheid ontstaan welke stukken nog door [gedaagde] zouden worden overgelegd. De rechtbank verwijst voor de afspraken die hierover zijn gemaakt, naar het proces-verbaal.

3 De feiten

3.1.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] , [eiser sub 5] en [gedaagde] zijn de kinderen van [GS] (hierna: vader) en [GF] (hierna: moeder). [GH] is de zoon van [gedaagde] .

3.2.

Vader en moeder hebben in een woonboerderij gewoond. Nadat de woonboerderij in 2004 volledig was afgebrand, hebben vader en moeder de woonboerderij herbouwd. Vervolgens hebben zij de woonboerderij verkocht en geleverd aan [GH] . Zij zijn zelf in de woonboerderij blijven wonen. In de akte van levering van 27 december 2010 staat onder meer het volgende:

"Op grond daarvan levert verkoper bij deze aan koper, die hierbij aanvaardt onder de verplichting aan verkoper casu quo de langstlevende hunner te verlenen de hierna te vestigen zakelijke rechten van gebruik en bewoning: de woning / boerderij, met verdere opstallen, ondergrond, er, land en toegangsweg, plaatselijk bekend als [adres] , bestaande uit:

- (…)

- (…)

- een aan partijen genoegzaam bekend gedeelte , ter grootte als na kadastrale meting zal blijken, van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie O nummer 331 (…)
zulks onder voorbehoud van vestiging ten behoeve van verkoper casu quo de langstlevende hunner van de hierna te noemen zakelijke rechten van gebruik en bewoning.

(…)

KOOPPRIJS

1. Vaststelling koopprijs
Partijen hebben de waarde van het registergoed in onbewoonde staat, vrij van huur of enig beperkt recht en ontruimd vastgesteld op vierhondervijfentwintigduizend euro (€ 425.000,00) zijnde de WOZ-waarde van het registergoed voor het heffingsjaar tweeduizend tien.

Hierop komt in mindering de waarde van de door voorbehouden beperkte rechten van gebruik en bewoning, welke waarde overeenkomstig de rekentabellen van Het Uitvoeringsbesluit Successieweg 1956 tussen partijen is bepaald op éénhonderdtweeduizend euro (€ 102.000,00),
zodat als koopsom voor de (bloot)eigendom van het registergoed resteert driehonderdrieëntwintigduizend euro (€ 323.000,00).

(…)"

In de akte van levering staat over het voldoen van de koopsom dat deze in twee delen wordt gesplitst.

A. Een gedeelte van € 100.000,00 wordt omgezet in een lening, waarvoor koper aan verkoper hypothecaire zekerheid dient te bieden.

B. Het restgedeelte van € 223.000,00 wordt eveneens omgezet in een lening.

C. De helft van het restgedeelte ad € 111.500,00 wordt aan koper kwijtgescholden.

D. De andere helft blijft koper schuldig via een lening voor onbepaalde tijd waarover een rente is verschuldigd van 6% per jaar.

3.3.

Op 3 juni 2011 hebben vader en moeder aan [GH] twee percelen grond geleverd, welke in de akte van levering als volgt zijn omschreven:

"grond gelegen bij het perceel [adres] , bestaande uit:

- het gehele perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie O nummer 307 , groot drieënzeventig are en veertig centiare (73,40a);

- het ten name van de comparant sub 1.a [toevoeging rechtbank: vader] staande resterende gedeelte ter grootte als na kadastrale uitmeting zal blijken, van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie O nummer 331 ;"

De koopsom van € 25.000,00 is omgezet in een lening die maandelijks door koper zal worden afgelost en waarover een rente is verschuldigd van 4,5% per jaar. Bepaald is dat [GH] maandelijks aan aflossing en rente € 350,00 betaalt.

3.4.

Vader is op 10 augustus 2012 overleden. Moeder en de zes kinderen waren zijn erfgenamen. Als gevolg van vaders testament van 13 juli 2005 is de nalatenschap van vader overeenkomstig de wet verdeeld, waarbij alle tot de nalatenschap behorende goederen door moeder zijn verkregen en ieder van de overige erfgenamen een geldvordering heeft verkregen ten laste van moeder ter grootte van de waarde van zijn of haar erfdeel.

3.5.

Bij testament van 4 oktober 2013 heeft moeder [gedaagde] tot haar enige en algehele erfgenaam benoemd. Tevens heeft zij [gedaagde] als executeur benoemd

3.6.

Bij brief van 18 maart 2014 hebben [eiser sub 1] , [eiser sub 4] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 5] moeder om inlichtingen gevraagd over schenkingen die door vader zijn gedaan en hebben zij aangegeven dat de kinderen aanspraak maken op hun legitieme portie, voor zover deze hoger is dan hun erfdeel.

3.7.

Er is een boedelbeschrijving van de nalatenschap van vader van 30 juni 2014, die getekend is door moeder. Volgens deze boedelbeschrijving behoort tot de nalatenschap onder meer een perceel braakliggend grond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] O 308, waarvan de waarde is geschat op € 2.200,00. Verder zijn er onder meer twee vorderingen op [GH] van € 136.008,00 en € 19.750,00 en is er een vordering op [gedaagde] van € 49.000,00. Het saldo van de nalatenschap van vader bedraagt volgens deze boedelbeschrijving € 120.089,00, terwijl het erfdeel van moeder en van elk van de kinderen € 17.155,57 bedraagt. In de boedelbeschrijving is tevens de legitimaire massa berekend. Daarvoor zijn als giften opgenomen: aan [eiser sub 4] € 3.403,35, aan [eiser sub 3] € 896,22, aan [eiser sub 5] € 4.299,31 en aan [GH] € 11.500,00. De legitieme portie per kind bedraagt volgens deze berekening € 17.156,28.

3.8.

Moeder is op 9 oktober 2014 overleden. Bij brieven van 20, 21, 23 en 25 februari 2015 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 5] respectievelijk [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 2] aanspraak gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] c.s. vordert samengevat - ter zake van de nalatenschap van vader:

Primair:

A. Het saldo in de nalatenschap vast te stellen op € 139.277,00 en te bepalen dat ieder der erfgenamen een bedrag van 1/7 gedeelte toekomt, zijnde € 19.897,71, te vermeerderen met eventuele waardevermeerderingen/vorderingen,
B. De legitimaire massa vast te stellen op € 458.451,52 en ter zake vast te stellen dat ieder der erfgenamen een bedrag van 1/14 gedeelte toekomt, zijnde € 32.746,54, te vermeerderen met eventueel nog nader vast te stellen giften/schenkingen,

C. Veroordeling van [gedaagde] om de geldvorderingen uit de nalatenschap te vermeerderen met het verschil tussen de geldvorderingen en de legitieme porties (voor zover de legitieme porties hoger zijn dan de geldvorderingen), voorshands berekend op een bedrag van € 32.746,54 uit te keren met vermindering van eventueel reeds uitgekeerde bedragen voorzover rechtens relevant, althans haar te veroordelen tot betaling van een dusdanig bedrag als de rechtbank in goede justitie billijk acht, inclusief de verschuldigde rente vanaf de dag van overlijden van moeder,

Subsidiair:

D. Benoeming van een boedelnotaris en onzijdig persoon.

4.2.

[eiser] c.s. vordert - samengevat - ter zake van de nalatenschap van moeder:

Primair:

E. Vaststelling van de legitimaire massa en de daaruit voortvloeiende respectievelijke legitieme porties, te vermeerderen met 1/12e gedeelte van de nog vast te stellen schenkingen na het overlijden van vader;

F. Veroordeling van [gedaagde] tot uitkering van het bedrag zoals vastgesteld onder E, na vermindering van eventueel reeds uitgekeerde bedragen voor zover rechtens relevant, althans een dusdanig bedrag als de rechtbank in goede justitie billijk acht, steeds inclusief de verschuldigde rente vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt,

G. Voor het geval de nalatenschap van moeder ontoereikend mocht zijn om de aldus berekende geldvorderingen uit te keren, [gedaagde] te gelasten c.q. te veroordelen tot inkorting over te gaan bij [GH] , dan wel een andere begiftigde,

Subsidiair:

H. Benoeming van een boedelnotaris en een onzijdig persoon.

4.3.

Daarnaast vordert [eiser] c.s.:

I. [gedaagde] te veroordelen om de volgende stukken te overleggen:

- de PGB rekening van aanvang tot 4 juni 2014;

- de PGB (WMO) rekening van aanvang tot 1 januari 2014;

- de betaalrekening 94.44.01.084 van 1 januari 2003 tot en met 20 oktober 2005;

- de spaarrekening 97.30.25.689 van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005;

- de spaarrekening 91.43.83.523 van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 en van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2014;

- de bankrekening 91.44.11.837 van aanvang tot opheffing in april 2006;

- de bankrekening 91.43.67.757 van aanvang tot opheffing in april 2006;

- de hoog rendement rekening 94.43.67.757;

- de bankrekening uit erfenis 91.44.11.837 en

- alle nadere relevante stukken die niet eerder zijn overgelegd

en

J. [gedaagde] - primair persoonlijk en subsidiair in haar functie als executeur - te veroordelen in de kosten van het geding.

4.4.

[gedaagde] voert verweer.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Partijen zijn zowel verdeeld over de omvang van de nalatenschappen van vader en van moeder als over de omvang van de giften die bij de berekening van de legitieme porties moeten worden betrokken. De rechtbank zal hieronder de verschillende posten, waarover verschil van mening bestaat, bespreken. Wat betreft de informatieverplichting van [gedaagde] merkt de rechtbank vooraf het volgende op. [gedaagde] zal als executeur in de nalatenschap van moeder inzage en afschrift moeten verschaffen van alle bescheiden die [eiser] c.s. voor de berekening van hun legitieme portie behoeven. Ook zal zij hen desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen dienen te verstrekken (artikel 4:78 lid 1 BW). Tevens dient [gedaagde] een boedelbeschrijving op te maken en op basis daarvan de schulden te voldoen en de vorderingen te innen. Ook voor wat betreft de nalatenschap van vader zal zij inlichtingen moeten verstrekken aan de mede erfgenamen (artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang gelezen met de artikelen 4:148 en 4:78 BW). Op basis van deze inlichtingen moet [eiser] c.s. in staat zijn om de legitieme porties te berekenen en te vorderen. Op haar rust ter zake in beginsel de stelplicht en voor zover nodig de bewijslast (artikel 150 Rv.).

Vordering op [GH]

5.2.

De rechtbank stelt vast dat [GH] drie leningen had lopen bij vader en moeder. Twee leningen vloeien voort uit de koop van de woonboerderij: Lening A ad € 100.000,00 en lening D ad € 111.500,00. Blijkens de akte van levering van de woonboerderij is de rente op lening D 6% per jaar. De rente op lening A staat niet in de akte van levering vermeld. Uit de berekening die door [eiser] c.s. is opgemaakt en voorzien is van commentaar door [gedaagde] (productie 9 bij conclusie van antwoord) leidt de rechtbank af dat de rente op deze lening 4,5% is. De derde lening van [GH] betreft de koop van het stuk land ad € 25.000,00 tegen een rente van 4,5%, waarop [GH] maandelijks € 350,00 dient te betalen voor aflossing en rente. Volgens de boedelbeschrijvingen die door [gedaagde] ten behoeve van de comparitie zijn opgemaakt en zijn toegezonden bij brief van 16 augustus 2016, bedroeg de vordering op [GH] ten tijde van het overlijden van vader € 156.956,00 (€ 136.008,00 + € 20.948,00) en ten tijde van het overlijden van moeder € 149.891,00 (€ 136.008,00 + € 13.883,00).

Volgens [eiser] c.s. is deze berekening niet correct en resteerde op het moment van overlijden van vader nog een vordering van € 157.348,00, waarna nog een bedrag van € 6.250,00 is afgelost.

5.3.

De rechtbank is thans niet in staat om het precieze bedrag van de vordering op [GH] ten tijde van overlijden van vader en ten tijde van overlijden moeder vast te stellen. Kennelijk heeft [GH] wel rente betaald en ook aflossingen gedaan, maar partijen hebben geen duidelijk overzicht overgelegd waaruit blijkt hoeveel is afgelost, hoeveel rente is betaald en hoe hoog de openstaande rente was. Het is in eerste instantie aan [gedaagde] als executeur van de nalatenschap van moeder om hierover meer duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank zal [gedaagde] opdragen deze duidelijkheid bij akte te verschaffen, waarop [eiser] c.s. bij antwoordakte mag reageren. De rechtbank verzoekt [gedaagde] daarbij ook duidelijk te maken welk deel van de lening die bij (ver)koop van de woonboerderij is verstrekt, is kwijtgescholden en wanneer dat is gedaan. Volgens de door [gedaagde] opgestelde boedelbeschrijvingen is namelijk twee keer € 111.500,00 kwijtgescholden. Volgens [GH] (productie 12 bij conclusie van dupliek) is bij afzonderlijke akte een bedrag kwijtgescholden. Dit zou er mogelijk op duiden dat ook lening D op enig moment is kwijtgescholden.

Gift [GH] bij (ver)koop woonboerderij

5.4.

Niet in geschil is dat [GH] bij de (ver)koop van de woonboerderij, in ieder geval voor wat betreft de kwijtschelding van een deel van de lening, is bevoordeeld en dat dit als een gift moet worden aangemerkt, die bij de berekening van de legitieme porties moet worden betrokken. Blijkens de door [gedaagde] opgestelde boedelbeschrijvingen gaat het hier om twee schenkingen van elk € 111.500,00. De vraag is of ook voor wat betreft de koopprijs sprake is van bevoordeling van [GH] , die als gift moet worden aangemerkt. Volgens [gedaagde] is dat niet het geval omdat de woonboerderij voor een reële prijs, te weten de WOZ-waarde, is verkocht. Volgens [eiser] c.s. is dat wel het geval omdat geen sprake was van een reële koopprijs. De werkelijke waarde lag volgens [eiser] c.s. hoger dan de WOZ-waarde, waarbij [eiser] c.s. zich beroept op een taxatie van makelaar [B] waarin de marktwaarde van de woonboerderij vrij van gebruik voor de peildatum 2010 is getaxeerd op € 500.000,00 en onder bezwaar van gebruik en bewoning op € 450.000,00 (50%) of € 400.000,00 (100%). Bovendien is volgens [eiser] c.s. ten onrechte rekening gehouden met vruchtgebruik, terwijl [GH] van meet af aan zelf over de woning kon beschikken.

5.5.

De rechtbank overweegt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt (artikel 7:187, lid 2, BW). Hiervoor is niet alleen vereist dat er sprake is van bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordeling. De gever moet de bedoeling hebben om de ontvanger te verrijken1. Deze bevoordelingsbedoeling moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld (vgl. HR 15 juni 1994, NJ 1995/577 en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7272).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanwijzingen dat vader en moeder de bedoeling hadden [GH] bij de verkoop van de boerderij nog meer te bevoordelen dan de genoemde kwijtschelding van een deel van de lening. Weliswaar staat in de verklaring die vader en moeder bij de notaris hebben afgelegd (productie 2 bij dagvaarding) dat zij de woonboerderij zo voordelig mogelijk willen overdragen aan [GH] en dat zij slechts € 100.000,00 hoeven te ontvangen naast een levenslang woonrecht op de boerderij, maar bij het bepalen van de verkoopprijs hebben zij aansluiting gezocht bij de op dat moment geldende WOZ-waarden. Op genoemde waarde hebben zij een bedrag in mindering gebracht voor het bij de levering tegelijkertijd gevestigde levenslange zakelijke recht van gebruik en bewoning door vader en moeder. Dit bedrag hebben zij - zoals niet in geschil is - bepaald overeenkomstig de rekentabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Aldus hebben zij naar het oordeel van de rechtbank objectieve maatstaven gehanteerd. Voor wat betreft de bepaling van de koopprijs blijkt hieruit geen bedoeling tot bevoordeling van [GH] . Het had op de weg van [eiser] c.s. gelegen om aan te tonen dat de WOZ-waarde geen juiste waarde was èn dat vader en moeder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn. Dit laatste heeft [eiser] c.s. niet aangetoond. Dat makelaar [B] in 2015 de woonboerderij tegen de peildatum van 2010 hoger heeft getaxeerd, duidt er op dat vader en moeder wellicht bij vrije verkoop een hogere prijs hadden kunnen ontvangen, maar dat wil nog niet zeggen dat vader en moeder bij het bepalen van de koopprijs zich hiervan bewust waren en evenmin dat zij ook beoogden om [GH] aldus te bevoordelen. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat [GH] op enig moment, kennelijk met instemming van vader en moeder, in de woonboerderij is gaan wonen, ook niet als zou worden aangenomen, zoals [eiser] c.s. suggereert, dat het reeds bij verkoop en levering van de woonboerderij de bedoeling was dat [GH] in de woonboerderij zou gaan wonen. Door het recht op gebruik en bewoning van vader en moeder mistte [GH] tot het moment van overlijden van beiden het volle eigendom, hetgeen een relevante waarde verminderende factor is.

5.6.

[eiser] c.s. heeft overigens geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit deze bevoordelingsbedoeling kan worden afgeleid. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat de waardevermeerdering na verbouwing van de woonboerderij moet worden betrokken bij de vraag of sprake is van een gift. De rechtbank kan dit niet volgen. Zij ziet niet in waarom de verbouwing die na levering van de woonboerderij aan [GH] heeft plaatsgevonden, relevant kan zijn voor de vraag of er bij het bepalen van de koopprijs sprake was van een gift aan [GH] . [eiser] c.s. acht het ongeloofwaardig dat [GH] deze verbouwing zelf heeft betaald, zoals door [gedaagde] is gesteld, maar heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat de verbouwing is betaald door vader en moeder en daarmee als een gift aan [GH] zou moeten worden aangemerkt. Wat betreft de (her)bouwkosten van de woonboerderij die door vader en moeder zijn betaald, merkt de rechtbank op dat deze kosten in de WOZ-waarde van 2010 worden geacht te zijn verdisconteerd.

5.7.

Ter comparitie van partijen is door [gedaagde] toegezegd dat zij de taxatie van de belastingdienst zou overleggen, ter onderbouwing van haar stelling dat ook de belastingdienst niet is uitgegaan van een schenking. [gedaagde] heeft de taxatie van de belastingdienst niet overgelegd, maar gesteld niet over deze taxatie te beschikken. De rechtbank verbindt geen consequenties aan het niet overleggen van deze taxatie, nu [eiser] c.s. niet heeft betwist dat de taxatie door de belastingdienst niet heeft geleid tot een extra heffing van het schenkingsrecht. Daarom mag aangenomen worden dat ook de belastingdienst in de koopprijs geen reden heeft gevonden om van een schenking uit te gaan.

5.8.

Ook de bewoning van de woonboerderij door [GH] kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een gift worden aangemerkt. [gedaagde] heeft hierover verklaard dat [GH] de zolder, die vader en moeder niet gebruikten, heeft verbouwd om een zelfstandige woonruimte te creëren. Door [eiser] c.s. is dit niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat. Aldus is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat door de inwoning van [GH] sprake was van verarming bij vader en moeder.

Gift aan [GH] bij (ver)koop percelen grasland (destijds [woonplaats] O nummers 307 en 331)

5.9.

Of bij de (ver)koop van voornoemde percelen land in 2011 aan [GH] , sprake was van een gift, kan de rechtbank thans nog niet beantwoorden. Anders dan bij de (ver)koop van de woonboerderij is niet duidelijk geworden hoe deze koopprijs tot stand is gekomen. Een aanwijzing dat er sprake was van een oogmerk van bevoordeling kan worden gevonden in de taxatie van makelaar [B] die de percelen heeft getaxeerd op een waarde van € 60.000,00 terwijl de koopprijs is bepaald op € 25.000,00. Anderzijds moet worden aangenomen dat makelaar [B] van een enigszins te groot terrein is uitgegaan. Door [gedaagde] is immers genoegzaam aannemelijk gemaakt dat bij de verkoop van de woonboerderij van de woonboerderij al een deel van de grond was inbegrepen. Dit blijkt zowel uit de akte van levering van de woonboerderij als uit de akte van levering van de percelen land. Niet duidelijk is evenwel geworden hoe groot het gedeelte van het perceel was dat al bij de verkoop van de woonboerderij was inbegrepen.

5.10.

De rechtbank zal een deskundige benoemen met de vraag of een koopprijs van € 25.000,00 in 2011 een reële koopprijs was en zo niet wat dan wel een reële koopprijs zou zijn geweest. Bij gebreke aan andere objectieve gegevens waaruit de bedoeling van vader en moeder blijkt, zal de rechtbank bij een aanzienlijk verschil in waardering uitgaan van een bedoeling tot bevoordeling van [GH] bij de verkoop van deze percelen grasland. Voorafgaand aan de taxatie zal [gedaagde] op grond van objectieve gegevens aannemelijk moeten maken wat de omvang was van deze percelen, bij gebreke waarvan de rechtbank zal uitgaan van het gehele oppervlakte van de genoemde percelen.

5.11.

Voor zover aangenomen zou moeten worden dat hier sprake is van een gift, zal deze op grond van artikel 4:67, aanhef en onder e, BW bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking moeten worden genomen. De waardering van de gift vindt plaats naar het tijdstip van de prestatie (artikel 4:66, lid 1, BW).

Perceel grond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] O 305

5.12.

Partijen verschillen van mening over de waarde van dit stuk land, dat tot de nalatenschappen van vader en moeder behoort. Er zijn taxaties overgelegd van makelaar [B] en van makelaar [S] die van verschillende waardes uitgaan (€ 3.500,00 respectievelijk € 1.750,00), waarbij er onenigheid is over de omvang van het terrein. De rechtbank zal de te benoemen deskundige tevens opdragen dit perceel te waarderen naar overlijdensdatum van vader en van moeder en daarbij de juiste omvang vast te stellen.

Vordering op [gedaagde]

5.13.

Volgens de door [gedaagde] opgestelde boedelbeschrijvingen van de nalatenschappen van vader en moeder bedroeg de omvang van de vordering op haar ten tijde van het overlijden van vader € 49.000,00 en ten tijde van het overlijden van moeder € 47.700,00. [eiser] c.s. betwist de juistheid hiervan en wijst daarbij op de jaarrekening van Alfa accountants, waarin de vordering per 31 december 2002 nog op € 80.986,00 was gesteld. [gedaagde] heeft gesteld dat de vordering van haar vader en moeder op haar is afgelost door betalingen en door werkzaamheden voor vader en moeder. Bij akte in het geding brengen aanvullende producties heeft zij een vijftal overzichten overgelegd met daarop de stand van zaken ter zake van de schuld per 31 december 2011 (€ 52.800,00), 27 juni 2012 (€ 51.200,00), 2 juni 2012 (€ 49.000,00), 2 juni 2013 (€ 48.300,00), 12 oktober 2013 (€ 47.800,00) en 23 december 2013 € 47.700,00. Van de vordering zijn volgens deze overzichten bedragen afgetrokken met als omschrijvingen "aflossing", "extra zorg/arbeid", "vakantiegeld", "extra voor de goede zorg en geen vakantie", "hartelijke gefeliciteerd met je verjaardag" en "kerstpakket". De overzichten zijn voorzien van een handtekening van moeder. [eiser] c.s. betwist de authenticiteit van deze overzichten en van de handtekeningen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat sprake is van giften.

5.14.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist dat de vordering op haar per 31 december 2002 € 80.986,00 bedroeg. Haar verweer dat zij de vordering (gedeeltelijk) heeft afgelost, moet als een zogenoemd bevrijdend verweer worden aangemerkt. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten op haar (artikel 150 Rv.). Als van de juistheid van de handtekening van moeder wordt uitgegaan, leveren de door [gedaagde] overgelegde overzichten van de schuld onderhandse aktes die tussen moeder - en haar erfgenamen - en [gedaagde] dwingend bewijs op. Nu [eiser] c.s. de authenticiteit van de overzichten en de handtekeningen ontkent, zal [gedaagde] moeten bewijzen dat de handtekeningen op deze overzichten van moeder afkomstig zijn (artikel 159, lid 2, BW). [gedaagde] heeft aangegeven dit bewijs te willen leveren door een deskundige die door de rechtbank wordt benoemd. De rechtbank zal daartoe overgaan.

5.15.

Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat de vordering van haar vader en moeder op haar is afgelost door haar werkzaamheden voor vader en moeder, merkt de rechtbank het volgende op. Als deze stelling juist is, moeten deze "betalingen", zoals door [eiser] c.s. terecht is betoogd, als een gift worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] en vader en moeder voor haar werk een beloning zijn overeengekomen. Van nakoming van een verplichting is dus geen sprake. De door [gedaagde] geschetste gang van zaken duidt op de wens van vader en moeder om [gedaagde] te bevoordelen uit dankbaarheid voor de door haar verrichte werkzaamheden. Deze giften moeten op grond van artikel 4:67, aanhef en onder d, BW bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking worden genomen.

Vordering van oom [J] op [gedaagde]

5.16.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] ƒ 90.000,00 van oom [J] heeft geleend, waarop zij ƒ 20.000,00 heeft afgelost, waardoor ƒ 70.000 (€ 31.764,62) resteerde. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde] die zij ter comparitie van partijen heeft gedaan, dat het een lening van haar man betreft, nu deze stelling op geen enkele wijze is gestaafd en ook in tegenspraak is met de stukken waaruit blijkt van een vordering op [gedaagde] en in tegenspraak is met haar stelling dat de lening is kwijtgescholden vanwege haar werk voor oom [J] . De rechtbank stelt verder, als niet in geschil zijnde, vast dat oom [J] op 1 april 2003 is overleden en vader zijn enig erfgenaam was.

5.17.

[eiser] c.s. stelt dat vader als enig erfgenaam van oom [J] het restant van de vordering, die volgens haar inclusief rente tenminste € 44.3016,14 bedroeg, heeft kwijtgescholden en dat dit bedrag als gift bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking moet worden genomen. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat zij werkzaamheden heeft verricht voor oom [J] , die in mindering werden gebracht op de lening. Deze aflossingen heeft zij opgegeven bij de aangifte Inkomstenbelasting. In bijzijn van vader en moeder heeft vervolgens oom [J] het restant in zijn geheel kwijtgescholden.

5.18.

De rechtbank overweegt dat als het verweer van [gedaagde] dat zij het restant van de lening tijdens leven van oom [J] heeft afgelost door (onder andere) haar werkzaamheden voor oom [J] en/of het restant van de lening door oom [J] is kwijtgescholden, juist is, de vordering niet relevant voor de nalatenschappen van vader en moeder. De rechtbank merkt dit aan als een bevrijdend verweer waarvoor op [gedaagde] c.s. ter zake stelplicht en bewijslast rust. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij in een nadelige bewijspositie wordt gebracht doordat [eiser] c.s. deze kwestie nooit eerder naar voren heeft gebracht. [eiser] c.s. heeft (gemotiveerd) betwist dat zij deze kwestie niet eerder naar voren hebben gebracht. De rechtbank onderkent de moeilijke bewijspositie van [gedaagde] c.s. maar ziet daarin onvoldoende grond om tot een andere bewijslastverdeling te komen en merkt daarbij op dat [gedaagde] zich er als begunstigde van bewust had moeten zijn dat zij op enig moment rekenschap zou moeten afleggen van deze begunstiging.

5.19.

[gedaagde] heeft na het overlijden van oom [J] zelf een berekening opgesteld van de omvang van de vordering per 31 december 2002 (productie 24 bij dagvaarding). De rechtbank leidt hieruit af dat [gedaagde] erkent dat zij per 31 december 2001 een schuld open had staan bij oom [J] van € 31.764,62. Daarop heeft zij volgens dit overzicht gedurende 2002 € 8.000,00 afgelost, heeft oom [J] haar een schenking gedaan van € 2.250,00 en is aan haar voor verzorging/gemaakte kosten € 8.212,50 (365 dagen x 1,5 uur x € 15,00) betaald. Na aftrek van deze bedragen resteerde per 31 december 2002 een schuld van € 13.302,12. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] aldus dat dit bedrag in 2013 door oom [J] is kwijtgescholden. [eiser] c.s. heeft hiertegen ingebracht dat een en ander niet blijkt uit de administratie van oom [J] en dat dit ook in strijd is met verklaringen die oom [J] op zijn laatste verjaardag heeft gedaan. Daarnaast heeft [eiser] c.s. gewezen op de aangifte Inkomstenbelasting van oom [J] over 2013 waarin nog een vordering op [gedaagde] staat vermeld van € 9.182,00. Volgens [gedaagde] berust deze aangifte op een vergissing.

5.20.

De rechtbank zal [gedaagde] opdragen te bewijzen dat de vordering van oom [J] op haar van € 31.764,62 voor zijn overlijden op 1 april 2003 is afgelost en kwijtgescholden.

5.21.

Mocht [gedaagde] niet slagen in de bewijsopdracht en aangenomen moeten worden dat sprake is geweest van een gift van vader, dan zal deze gift bij de berekening van de legitieme portie van vader moeten worden betrokken (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8057 en de aldaar genoemde parlementaire geschiedenis).

Giften aan [gedaagde] overig

5.22.

[eiser] c.s. heeft gesteld dat er sprake is van nog meer giften aan [gedaagde] . In ieder geval hebben vader en moeder in 1989 ƒ 3.233,00, in 1990 ƒ 5.000,00 en in 1992 ƒ 4.000,00 (totaal € 5.551,09) via de echtgenoot van [gedaagde] , de heer [H] , aan [gedaagde] hebben gegeven. Vergelijkbare giften zijn ook aan [eiser sub 4] , [eiser sub 5] en [eiser sub 3] gedaan. [eiser] c.s. vermoedt dat er meer giften zijn gedaan en wijst op de boedelbeschrijving van de nalatenschap van vader die door moeder is opgemaakt en waar onder de giften aan [eiser sub 4] , [eiser sub 3] en [eiser sub 5] staat:
"N.B. onderliggende stukken voor deze schenkingen, als limitatief opgegeven, alsmede de opgegeven schenkingen aan [gedaagde] , zijn niet aanwezig. Mevrouw [GSF] geeft aan dat haar wel schenkingen bekend zijn, maar dat dit om hogere bedragen gaat. Daarnaast: eventuele overboekingen aan [gedaagde] zijn in het kader van verrichte werkzaamheden gedaan, geen sprake van schenkingen)".

[eiser] c.s. merkt op dat het PGB naar de bankrekening van [H] is gegaan. Zij acht het niet aannemelijk dat [gedaagde] daarnaast extra werk heeft verricht waarvoor vader en moeder haar hebben betaald. Zij stelt dat [gedaagde] opgave moet doen van de schenkingen aan haar.

5.23.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] niet meer de authenticiteit betwist van de schriftjes van vader waar [eiser] c.s. voormelde schenkingen aan hebben ontleend en daarmee voornoemde giften die in 1989, 1990 en 1992 aan haar echtgenoot zijn gedaan, niet (meer) betwist.

Nu deze giften zijn gedaan aan haar echtgenoot - met wie zij niet in gemeenschap van goederen is getrouwd - en langer geleden zijn gedaan dan vijf jaar voor het overlijden, behoeven deze zoals [gedaagde] terecht stelt, niet bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking te worden genomen. [eiser] c.s. heeft niet dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat deze giften kennelijk zijn gedaan met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld (artikel 4:67, onder a, BW). Vergelijkbare giften zijn immers ook gedaan aan [eiser sub 4] , [eiser sub 3] en [eiser sub 5] . [eiser sub 5] heeft ter comparitie opgemerkt dat haar ouders traditioneel geld gaven aan de man. De rechtbank merkt hierover op dat dit onverlet laat, dat het geld niet aan [gedaagde] zelf is gegeven. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden dat vader en moeder hebben beoogd het geld aan [gedaagde] te geven en dat de rekening van [H] alleen als "doorgeefluik" is gebruikt.

5.24.

Op de vermoedens van [eiser] c.s. dat nog meer giften aan [gedaagde] zijn gedaan, zal de rechtbank onder het hierna volgende kopje ingaan.

Vordering tot overleggen stukken

5.25.

[eiser] c.s. stelt dat [gedaagde] vanaf 2003 de boekhouding van vader en moeder deed en dat er ongeveer € 65.000,00 is verdwenen. Met de vordering tot het overleggen van stukken beoogt [eiser] c.s. duidelijkheid te krijgen over dit verdwenen geld. Als niet duidelijk wordt, waar dit bedrag is gebleven, dient er volgens [eiser] c.s. vooralsnog vanuit te worden gegaan dat dit bedrag aan [gedaagde] is geschonken.

5.26.

[gedaagde] betwist dat zij vanaf 2003 boekhouding deed. Pas in 2006 heeft zij de boekhouding van de accountant overgenomen. Vanaf die datum heeft zij de boekhouding overgelegd. De rest is niet meer beschikbaar. Zij hoeft ook geen rekening en verantwoording af te leggen.

5.27.

De rechtbank wijst op de plicht van [gedaagde] als executeur om inzage en afschrift te verschaffen van alle bescheiden die [eiser] c.s. voor de berekening van hun legitieme porties behoeven (zie hiervoor onder 5.1). Inzage in de administratie van voor het overlijden behoort tot deze verplichting om [eiser] c.s. in staat te stellen te beoordelen in hoeverre er giften zijn gedaan die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen. Die plicht gaat evenwel niet zo ver dat zij ook rekening en verantwoording hoeft af te leggen over het beheer van het geld van vader en moeder (vgl. Hoge Raad 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4167). Zij hoeft ook geen verantwoording af te leggen over het PGB dat zij heeft ontvangen. Afgifte of inzage in de PGB rekeningen is daarom niet nodig. De vordering wordt in zoverre afgewezen.

5.28.

[gedaagde] heeft een groot aantal bankafschriften en afschriften van jaarrapporten van de accountant, aangiftes Inkomstenbelasting en belastingaanslagen aan [eiser] c.s. verstrekt (een overzicht is opgenomen in productie 3 bij conclusie van antwoord). Afschriften van de in de vordering genoemde bankrekeningen over de aldaar genoemde periodes (zie hiervoor onder 4.3) zijn niet in het overzicht opgenomen.

De rechtbank begrijpt dat die stukken niet zijn overgelegd. Volgens [gedaagde] kunnen deze stukken niet meer worden achterhaald. Een deel is verloren gegaan bij de brand in 2004. Bovendien zijn de bankrekeningen opgeheven en is de bewaartermijn van zeven jaar verstreken.

De rechtbank constateert dat de bewaartermijn van spaarrekening 91.43.83.523 over een gedeelte van de opgevraagde periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2014 nog niet is verstreken. [gedaagde] zal als executeur deze afschriften bij de bank kunnen opvragen. De rechtbank zal [gedaagde] op voet van artikel 22 Rv. bevelen deze stukken te overleggen.

Het is de rechtbank niet bekend wanneer de bankrekening uit erfenis 91.44.11.837 is opgeheven en of de bewaartermijn van deze stukken al is verstreken. [gedaagde] dient onderbouwd aan te geven wanneer deze rekening is opgeheven. Voor zover de afschriften van deze rekening nog kunnen worden achterhaald, dient [gedaagde] deze ook te overleggen. De rechtbank gaat er vanuit dat de overige genoemde bankafschriften niet meer beschikbaar zijn en dat [gedaagde] daarom ook niet kan worden bevolen deze te overleggen.

Auto

5.29.

De rechtbank stelt als niet in geschil zijnde vast dat de Peugeot die vader en moeder op 8 oktober 2009 hebben gekocht, bij aankoop op naam is komen te staan van [GH] en dat [GH] ook de wegenbelasting voor deze auto altijd heeft betaald. Dit duidt er op dat vader en moeder de Peugeot aan [GH] hebben geschonken. Anderzijds zijn er voldoende aanwijzingen dat de Peugeot alleen op naam van [GH] is gezet, maar het eigendom bij vader en moeder is gebleven. Dat het eigendom bij vader en moeder is gebleven, blijkt uit het testament van moeder van 4 oktober 2013, waarbij zij de auto, trekker en alle werktuigen en akkerbouwwerktuigen heeft gelegateerd aan [kleinzoon] (de broer van [GH] ) en wordt ondersteund door de schriftelijke verklaringen van [GvEB] en [GvE] (productie 4 bij conclusie van antwoord), alsmede de schriftelijke verklaring van [GH] (productie 12 bij conclusie van dupliek). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de Peugeot tot de nalatenschappen behoort en voor wat betreft de nalatenschap van vader gewaardeerd moet worden tegen de datum van overlijden van vader en voor de nalatenschap van moeder moet worden gewaardeerd tegen de datum van overlijden van moeder. Niet in geschil is dat de waarde op het moment van overlijden van vader € 5.500,00 en op het moment van overlijden van moeder € 3.500,00 was.

Tractor

5.30.

Niet in geschil is dat ook de tractor die aan [kleinzoon] is gelegateerd een waarde vertegenwoordigt van € 3.500,00 en tot de omvang van de nalatenschappen behoort.

Goud en zilver

5.31.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord en conclusie van dupliek meer duidelijkheid gegeven over de sieraden. Zij schat de waarde van de sieraden op € 100,00. [eiser] c.s. heeft deze schatting niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van deze waarde uitgaat. De rechtbank ziet geen reden om een deskundige te benoemen om de sieraden te taxeren.

Rente

5.32.

[gedaagde] heeft gesteld dat zij niet in gebreke is gesteld en dat zij daarom geen rente is verschuldigd. [eiser] c.s heeft dit betwist en daarbij gewezen op haar brief van 10 augustus 2015 (productie 43 bij conclusie van repliek), maar heeft tegelijkertijd erkend dat de rente niet aan de orde is nu de wettelijke rente niet boven de 6% is geweest. De rechtbank constateert dat gelet hierop inderdaad geen rente over de legitieme porties is verschuldigd (artikel 4:84 BW).

Inkorting

5.33.

De vordering om [gedaagde] te gelasten c.q. te veroordelen om tot inkorting over te gaan bij [GH] voor het geval de nalatenschap van moeder ontoereikend mocht zijn, kan niet worden toegewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 4:89 BW dienen de legitimarissen deze inkorting rechtstreeks bij [GH] te vorderen. [eiser] c.s. heeft dit erkend, maar betoogt dat de wet niet verbiedt dat de executeur tot inkorting kan overgaan. De rechtbank overweegt dat het inderdaad de plicht van [gedaagde] is als executeur om de vorderingen op de nalatenschap te voldoen. Zij kan in dat verband aankloppen bij de begiftigde, maar zij kan niet namens de legitimarissen een vordering instellen. [gedaagde] vertegenwoordigt als executeur immers alleen de erfgenamen en niet de legitimarissen. Een vordering in rechte zullen de legitimarissen zelf moeten instellen.

Conclusie

5.34.

De rechtbank zal twee bewijsopdrachten aan [gedaagde] verstrekken.

5.35.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rolzitting over zes weken. Op deze rolzitting zal [gedaagde] de volgende informatie moeten verschaffen:

1. Een duidelijk overzicht waaruit de omvang van de vorderingen op [GH] blijkt en waarbij is aangegeven hoeveel door [GH] is afgelost, hoeveel rente is betaald en hoe hoog de openstaande rente was (zie 5.3). [gedaagde] dient daarbij ook duidelijk te maken welk deel van de lening die bij (ver)koop van de woonboerderij is verstrekt, is kwijtgescholden en wanneer dat is gedaan;

2. Op grond van objectieve gegevens aannemelijk maken wat de omvang was van de percelen grond die op 3 juni 2011 aan [GH] zijn geleverd (zie 5.10);

3. Voor zover nog beschikbaar bij de bank, afschriften te overleggen van spaarrekening 91.43.83.523 over de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2014 alsmede van de bankrekening uit erfenis 91.44.11.837 (zie 5.28). Mocht zij deze afschriften niet van de bank kunnen verkrijgen, dan zal zij daarvan bewijs moeten overleggen. Tevens dient zij onderbouwd aan te geven wanneer de bankrekening uit erfenis is opgeheven.

4. Zich uit te laten over de persoon van de deskundige die door de rechtbank dient te worden benoemd ten aanzien van de vraag of een koopprijs van € 25.000,00 voor de percelen grond die op 3 juni 2011 aan [GH] zijn geleverd destijds een reële koopprijs was en zo niet wat dan wel een reële koopprijs zou zijn geweest (zie 5.10) alsmede over de waarde en de omvang van het terrein [woonplaats] O 305 (zie 5.12). [gedaagde] dient zich tevens uit te laten over de aan deze deskundige te stellen vragen;

5. Zich uit te laten over de persoon van de deskundige die door de rechtbank dient te worden te benoemd met de vraag of de handtekeningen op de door [gedaagde] overgelegde overzichten origineel zijn en van moeder afkomstig en de aan deze deskundige te stellen vragen (zie 5.14);

6. De wijze waarop [gedaagde] aan de bewijsopdracht wil voldoen dat de vordering van oom [J] op haar van € 31.764,62 voor zijn overlijden op 1 april 2003 is afgelost en kwijtgescholden (zie 5.20).

5.36.

[eiser] c.s. zal in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte hierop te reageren.

5.37.

Daarna zal de rechtbank bij afzonderlijk vonnis deskundigen benoemen. In de tussentijd kunnen al wel vast eventuele getuigen worden gehoord. In afwachting van de nadere bewijslevering wordt elke overige beslissing aangehouden.

5.38.

De rechtbank wijst [gedaagde] (wellicht ten overvloede) op het bepaalde in artikel 22 Rv. dat voor zover zij weigert gevraagde stukken te overleggen en de rechtbank deze weigering niet gerechtvaardigd acht, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

draagt [gedaagde] op te bewijzen:
1. dat de handtekeningen op de door [gedaagde] overgelegde overzichten origineel zijn en van moeder afkomstig;

2. feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vordering van oom [J] op [gedaagde] van € 31.764,62 voor zijn overlijden op 1 april 2003 is afgelost en kwijtgescholden,

6.2.

verwijst de zaak weer naar de rol 11 juni 2018 voor akte aan de zijde van [gedaagde] over hetgeen is opgenomen onder 5.35, waarna [eiser] c.s. in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte op de rol van zes weken nadien te reageren,

6.3.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken eveneens op de rol van 4 juni 2018 in het geding moet brengen,

6.4.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2018 tot en met december 2019 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.M. Schothorst in het gerechtsgebouw te Assen aan Brinkstraat 4,

6.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 20182

1 F.W.J.M. Schols, Schenking en gift(Mon. BW nr. B82) 2011/7, Hoofdstuk 7

2 type: MS coll: