Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1853

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
18/740067-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer (39 jaar) om het leven gebracht door hem met een mes te steken. Dit gebeurde tijdens een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer in verband met een door het slachtoffer weggenomen voorraad drugs die mede toebehoorde aan verdachte.

Deskundigen die de verdachte hebben onderzocht, concluderen dat bij hem ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een ernstige gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het feit.

De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op. De rechtbank vindt dat in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, maar ook passend gelet op de ernst van de gepleegde feiten en omdat de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

De rechtbank legt daarnaast de maximaal aan verdachte op te leggen jeugddetentie op, te weten een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden. De rechtbank legt daarmee een hogere straf op dan geëist door de officier van justitie (14 maanden jeugddetentie), omdat naar het oordeel van de rechtbank vanuit het oogpunt van vergelding slechts de maximaal aan verdachte op te leggen jeugddetentie recht doet aan de ernst van het feit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77b
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740067-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 mei 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te Intermetzo JJI Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 april 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Het onderzoek is gesloten op 3 mei 2018.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 december 2017 te Sneek, (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans het lichaam, te steken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op grond van de verklaring van verdachte en het pathologisch onderzoek met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) kan worden bewezen dat verdachte met een mes in de zij van [slachtoffer] heeft gestoken en dat [slachtoffer] ten gevolge van deze steekwond is overleden. Dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] had, kan blijken uit de manier van steken; met kracht en door drie lagen kleding heen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar het mes in zijn hand had toen het mes het lichaam van [slachtoffer] binnendrong, maar dat het opzet op de dood van [slachtoffer] bij verdachte ontbrak. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes ter afdreiging ter hand heeft genomen en bij een val, veroorzaakt door een aanval van [slachtoffer] , een beweging met het mes heeft gemaakt, waarna [slachtoffer] zei dat verdachte hem gestoken had. Verdachte had de aanval van [slachtoffer] niet kunnen voorzien en het ter hand nemen van en dreigen met het mes brengt geen aanmerkelijke kans op een fatale afloop met zich mee, laat staan dat verdachte deze kans op de koop zou hebben toegenomen.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte handelde uit noodweer. [slachtoffer] viel verdachte aan. Verdachte was fysiek niet opgewassen tegen [slachtoffer] en het pakken en voor zich houden van een mes en vervolgens bij een nieuwe aanval steken met dat mes was geboden ter verdediging.

Meer subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan. In het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat het steken met een mes niet geboden was ter verdediging en dat verdachte de grenzen van proportionaliteit en/of subsidiariteit heeft overschreden, heeft verdachte dit gedaan als gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanval van [slachtoffer] .

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het dossier1 en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[slachtoffer] heeft tussen het tweede en zesde levensjaar van verdachte een relatie met de moeder van verdachte gehad. Toen verdachte naar de middelbare school ging is het contact met [slachtoffer] weer opgepakt. Verdachte (ten tijde van het ten laste gelegde 17 jaar oud) woonde bij zijn moeder in IJlst, maar bracht veel tijd door in de woning van [slachtoffer] aan de [straatnaam] , zowel met vrienden als alleen. Deze woning is gelegen op de eerste verdieping. Verdachte handelde ten tijde van het ten laste gelegde in cocaïne. [slachtoffer] was een van zijn afnemers.

Op 13 december 2017 was verdachte onder meer samen met [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) in de woning van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] bij zijn vriendin [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) verbleef. [slachtoffer] en [getuige 2] bestelden die dag meermalen cocaïne, welke tweemaal door verdachte en [getuige 1] bij hen werd bezorgd en eenmaal door verdachte en een andere jongen. In de loop van de avond verlieten verdachte en [getuige 1] de woning van [slachtoffer] . Verdachte ging naar het huis van zijn oma. In de nacht van 13 op 14 december gingen [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) naar de woning van [slachtoffer] . Daar vonden zij een forse hoeveelheid cocaïne. Een deel van deze cocaïne werd ter plekke opgerookt en de rest werd door hen meegenomen naar de woning van [getuige 2] . Daar kwam ook [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ), die samen met [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 3] gebruikte van de meegenomen voorraad cocaïne.

Verdachte begreep op enig moment dat [slachtoffer] in zijn ( [slachtoffer] 's) woning was geweest en sms'te om 23:20 uur naar [getuige 1] met de mededeling dat "zij daar zijn" en dat hij daar ook beter heen kon gaan. In de ochtend van 14 december 2017 om 11:02 uur belde [getuige 1] verdachte om te melden dat de voorraad cocaïne uit de woning van [slachtoffer] was verdwenen en dat [slachtoffer] had toegegeven dat hij het had gepakt. Verdachte was op dat moment op school in Sneek en vertrok meteen naar de woning van [slachtoffer] . Ondertussen belde [getuige 1] naar [slachtoffer] met de mededeling dat hij moest komen. Om 11:17 uur maakte de telefoon van verdachte verbinding met het wifi-netwerk in de woning van [slachtoffer] . [slachtoffer] werd door [getuige 5] en [getuige 2] met de auto afgezet bij zijn woning. In de woning ontstond vervolgens een conflict waarbij verdachte op enig moment [slachtoffer] met een mes in de zij heeft geraakt. Om 11:19 uur kwam de eerste melding bij 112 binnen waaruit blijkt dat [slachtoffer] voor zijn woning op straat in elkaar is gezakt.

Verdachte maakte het mes schoon in de keuken en terwijl [slachtoffer] op straat lag, verlieten verdachte en [getuige 1] de woning om vervolgens samen te vertrekken op de scooter van verdachte. [slachtoffer] overleed ter plekke. Na sectie bleek dat hij is overleden aan inwendige verbloeding ten gevolge van een steekverwonding in de linkerzij met een diepte van 17,5 centimeter.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen2 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 26 april 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] op 14 december 2017 gestoken met een mes.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 20 december 2017, opgenomen op pagina 169 e.v. van het dossier met nummer 2017327210-PV-004-01, gesloten op 9 maart 2018, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik had de simkaart met het telefoonnummer [mobielnummer] in gebruik.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een verslag van een tapgesprek, opgenomen op pagina 454 van voornoemd dossier, inhoudende:

Gesprek 14-12-2017 14:15:29

Beller: [mobielnummer]

Gebelde: [mobielnummer]

P: Mama.

M: Ja schat. (Er volgt een korte stilte) Ja schat.

P: Hij is dood.

M: Ja. ( er volgt een stilte van ongeveer twaalf seconden)

P: Ik ga nu gelijk. Ja?

M: Ja daarom moet je nu ook echt gaan schat. Heb je het echt gedaan of bescherm je iemand?

P: Ja. Echt.

4. Een deskundigenrapport DNA-onderzoek naar aanleiding van steekincident met dodelijke afloop in Sneek op 14 december 2017 afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.12.15.003 (aanvraag 002), d.d. 7 maart 2018 opgemaakt door F. van Gennip, op de afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als verklaring:

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAJG2626NL#01 een bemonstering (op snijvlak van lemmet ca. 3 cm van de punt aan kant met logo)

AAJG2627NL#01 een bemonstering (touw om heft)

Resultaten:

AAJG2626NL#01: DNA-profiel van een man, DNA kan afkomstig zijn van [slachtoffer] , matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

AAJG2627NL#01: DNA-mengprofiel van minimaal vier personen, DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte].

5. Een deskundigenrapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.12.15.003, d.d. 3 januari 2018 opgemaakt door B. Kubat, op de afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 334 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1978, is (samengevat) het navolgende gebleken:

Links in de buik/flank op ca. 110 cm vanaf de voetzoolrand en ca. 14 cm links naast de middellijn één streepvormige, scherprandige huidperforatie met geringe indroging van de wondranden en één spits en één stomp uiteinde, met aansluitend aan het stompe uiteinde een driehoekige huidkneuzing (afmeting ca. 0,9 bij 1 cm), lengte huidperforatie ca. 2,7 cm; aansluitend een steekkanaal verlopend naar rechts, minimaal hoofdwaarts en minimaal rugwaarts; in het kader van het steekkanaal een doorsteek door de buikwand, het nierkapsel links onder de nier, klieving van de linkerurineleider, drie maal schamping van de dunne darm en doorsteek door de lichaamsslagader (aorta) net boven de splitsing van de

beenslagaders (bifurcatie).

Interpretatie van resultaten

Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld - één steekletsel. Dit letsel heeft geleid tot ernstige inwendige letsels met name aan de lichaamsslagader en ernstig bloedverlies in de buikholte - verbloeding. De bevindingen passen bij verbloeding. De verbloeding verklaart het overlijden volledig. Conclusie: Het overlijden van [slachtoffer] wordt volledig verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van één steekletsel in de buik/flank links.

6. Een deskundigenrapport Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood afkomstig van het Maastricht UMC, zaaknummer 2017327210, d.d. 14 maart 2018 opgemaakt door F.C.H. Bakers, op de door afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als verklaring:

Naam overledene: [slachtoffer]

Er is een traject zichtbaar vanuit het huiddefect ter plaatse van de linker onderbuik (met uitpuilen van de darm), doorlopend in de spieren van de buikwand naar de buikholte.

Het traject is centraal in de buik te vervolgen door beschadiging van de aorta (grote lichaamsslagader) en het onderste centrale deel van de middenrifspier en eindigt aan de voorzijde van de eerste lumbale (lenden)wervel. De lengte van het traject van het huiddefect tot aan de eerste lumbale (lenden)wervel bedraagt circa 17,5 centimeter. Het traject loopt van links naar rechts, hoofdwaarts en iets van voor naar achter.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 5 januari 2018, opgenomen op pagina 245 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Het slachtoffer droeg een blauw vest, een wit vest, een blauw T-shirt, een spijkerbroek, een onderbroek, een paar sokken en een paar Nike sportschoenen. In elk kledingstuk wat het slachtoffer rond zijn romp droeg, was een perforatie aanwezig ter hoogte van de verwonding in de buik.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Het betoog dat niet kan worden aangenomen dat verdachte opzet had om [slachtoffer] te doden slaagt niet.

Opzet kan bij opzettelijke levensberoving ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -in dit geval de dood van [slachtoffer] - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door verbloeding, opgetreden ten gevolge van een circa 17,5 centimeter diepe steekwond in de zij. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij degene was die deze verwonding met een messteek heeft toegebracht. Gelet op de diepte van het steekkanaal - en het feit dat verdachte door twee vesten en een T-shirt heen heeft gestoken - concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte [slachtoffer] met veel kracht heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich door [slachtoffer] op deze plaats van het lichaam en dermate diep te steken, blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg daarvan het leven zou laten.

Verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest en zijn handelen kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van [slachtoffer] - behoudens contra-indicaties waarvan hier niet is gebleken - dat het niet anders kan dan dat hij die kans ook welbewust heeft aanvaard.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2017 te Sneek, in de gemeente Súdwest-Fryslân, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem met een mes in de buik te steken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Doodslag.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daarom ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Aan een verdachte die - kort gezegd - heeft gehandeld ter verdediging, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, zal moeten worden onderzocht of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten en bij de beoordeling van het beroep kunnen de nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn.3 Verdachte dient daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan aannemelijk is te achten dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank constateert dat verdachte - kort gezegd - het volgende heeft verklaard.

De voorraad cocaïne was van hem (alleen). Hij was erg boos dat [slachtoffer] deze voorraad had gestolen. Hij wilde [slachtoffer] hiervoor ter verantwoording roepen. [getuige 1] heeft in opdracht van hem, verdachte, gebeld naar [slachtoffer] om te zeggen dat [slachtoffer] naar zijn woning moest komen. [getuige 1] was daar al en verdachte kwam er ook naartoe. Verdachte was zo boos dat hij bij binnenkomst in de woning de televisie in de woonkamer kapot sloeg. Verdachte en [getuige 1] keken door het raam in de woonkamer aan de voorzijde uit naar [slachtoffer] , totdat zij hem zagen aankomen. [getuige 1] ging naar het toilet. [slachtoffer] kwam de woonkamer boos en agressief binnen. Er werd gesproken over wat er nog van de drugs over was en [slachtoffer] legde de drugs op tafel. Verdachte en [slachtoffer] kregen ruzie en [slachtoffer] gooide de bovenkant van de tafel naar verdachte. Ook gooide [slachtoffer] een dumbell (gewicht) naar verdachte. Verdachte wilde vluchten en sloeg een raam in. [slachtoffer] liep op verdachte af en wilde hem slaan.

Verdachte ontweek de slag en zag een groot mes in de vensterbank liggen. Verdachte pakte het mes, hield het voor zich en zei dat [slachtoffer] afstand moest houden. Verdachte stond met de rug naar het bed (in de woonkamer) en liep een paar passen naar achteren met het mes voor zich. [slachtoffer] stond tegenover hem bij de op de grond gevallen televisie en liep op verdachte af. [slachtoffer] wilde verdachte weer slaan. Verdachte ontweek de klap, viel tegen de bank en op dat moment stak hij [slachtoffer] , met een stekende beweging die volgens verdachte recht vooruit was. Verdachte had niet de bedoeling om [slachtoffer] te steken, het steken ging per ongeluk. Verdachte zag [getuige 1] pas weer nadat [slachtoffer] de woning had verlaten.

De rechtbank constateert dat voornoemde lezing van verdachte op verschillende punten niet in overeenstemming is met andere stukken in het dossier. De rechtbank wijst in dit verband vooreerst op het volgende.

- Uit de verklaring van [getuige 2] komt naar voren dat de bestelde en de later weggenomen cocaïne van verdachte en [getuige 1] was. Volgens [getuige 2] deden verdachte en [getuige 1] samen "hun ding" vanuit de woning van [slachtoffer] . [slachtoffer] was boos dat ze niet hadden gezegd dat er drugs in zijn woning lag.

- Uit de verklaringen van [getuige 3] blijkt dat [slachtoffer] boos was toen ze de cocaïne in zijn woning vonden, omdat hij met ze had afgesproken dat ze geen drugs meer achter zouden laten in zijn huis.

- Uit de verklaringen van [getuige 5] blijkt dat [slachtoffer] 's ochtends naar zijn woning wilde om met de jongens te praten en dat de jongens geld moesten krijgen voor de gebruikte drugs.

- Uit de verklaring van [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ) blijkt dat [getuige 6] zich 's ochtends op 14 december 2017 in de [straatnaam] bevond en dat hij een doffe klap en ruzie hoorde. Hij hoorde geschreeuw van drie mensen; twee wat hogere stemmen en een lage stem, waarna hij [slachtoffer] naar buiten zag komen en op straat in elkaar zag zakken.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de door [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 3] weggenomen cocaïne niet alleen van verdachte was, maar ook van [getuige 1] . Tevens gaat de rechtbank ervan uit dat [slachtoffer] naar zijn woning ging om met verdachte en [getuige 1] te praten. De rechtbank wijst er in dit verband tevens op dat [getuige 1] degene was die [slachtoffer] belde en hem opdroeg naar zijn woning te komen teneinde verantwoording af te leggen, alsmede dat [getuige 1] vervolgens samen met verdachte voor het raam heeft staan wachten op de komst van [slachtoffer] . Dat [getuige 1] gedurende de confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] in het geheel niet aanwezig was, maar zich heeft teruggetrokken op het toilet, wordt weersproken door de verklaring van [getuige 6] , die drie personen hoorde schreeuwen alvorens [slachtoffer] gewond de straat op liep. Dat [getuige 1] juist op het moment dat [slachtoffer] verscheen naar het toilet zou zijn gegaan, acht de rechtbank bovendien niet aannemelijk omdat het verdachte en [getuige 1] waren die beiden [slachtoffer] wilden aanspreken op de weggenomen cocaïne en hem om die reden hadden gesommeerd om naar zijn woning te komen.

De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat verdachte alleen met [slachtoffer] in de woonkamer was, hetgeen een wezenlijk verschil maakt bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich in een noodweersituatie bevond.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van het steken met het mes het volgende. Verdachte heeft verklaard dat het mes in de vensterbank lag voor het raam aan de voorzijde van de woning en dat hij het mes pas zag en ter hand nam toen [slachtoffer] hem aanviel.

Voor ditzelfde raam stonden verdachte en [getuige 1] toen zij in afwachting van [slachtoffer] 's komst naar buiten keken. De rechtbank constateert op basis van foto's in het dossier dat het om een groot mes en een smalle vensterbank gaat. Dat verdachte het mes pas in de vensterbank zag liggen en ter hand nam toen [slachtoffer] hem aanviel, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Ten aanzien van de manier van steken heeft verdachte verklaard dat dit gebeurde toen hij het mes voor zich had en hij een klap van [slachtoffer] wilde ontwijken, waarbij hij viel. Zoals eveneens overwogen met betrekking tot het bewijs van het opzet is de rechtbank van oordeel dat de aard van het letsel van [slachtoffer] niet in overeenstemming te brengen is met hetgeen door verdachte is aangegeven met betrekking tot de toedracht. Het mes is - door twee vesten en een T-shirt heen - het lichaam van [slachtoffer] diep binnengedrongen, hetgeen niet past bij vallend (en onbedoeld) steken. De richting van het steekletsel, te weten vanaf de linkerzij richting het midden van het lichaam, past evenmin bij het door verdachte geschetste voor zich houden van het mes terwijl [slachtoffer] op hem afkwam.

Alles overwegend is de lezing van verdachte niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer derhalve.

Het feit is strafbaar nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft (meer subsidiair) een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het maken van een beweging met een mes het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, gedreven door de angst en paniek die ontstond toen [slachtoffer] verdachte aanviel. Volgens de raadsman dient om die reden ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Noodweerexces kan aan de orde zijn indien in een noodweersituatie de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Daarvoor is allereerst vereist dat vastgesteld kan worden dat sprake is (geweest) van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Zoals reeds hiervoor is overwogen bij de beoordeling van het beroep op noodweer, acht de rechtbank de door verdachte aan dat beroep ten grondslag gelegde feitelijke toedracht van het steekincident niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweerexces kan daarom evenmin slagen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden, alsmede de oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel). De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd een aanhoudingsverzoek gedaan, omdat hij van mening is dat de rechtbank onvoldoende is voorgelicht om een juiste straf en/of maatregel op te leggen.

Hij heeft hiertoe aangevoerd dat weliswaar op grond van de (nader te bespreken) rapportages van de psychiater en de psycholoog kan worden vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, maar dat onvoldoende duidelijk is geworden of er sprake is van meerdere stoornissen en hoe een en ander heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde. Een observatie in het Forensisch Consortium Adolescenten (hierna: ForCa) zou hier meer duidelijkheid over kunnen verschaffen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 maart 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

Verdachte heeft het 39-jarige slachtoffer, zijn ex-stiefvader, om het leven gebracht door hem eenmaal met een mes in het lichaam te steken. Verdachte verbleef regelmatig in de woning van het slachtoffer en had goed contact met hem. Verdachte verkocht drugs aan het slachtoffer.

Toen bleek dat het slachtoffer (volgens verdachte niet voor het eerst) drugs van verdachte had gestolen, werd hij ter verantwoording geroepen. Bij de confrontatie die daarop ontstond in de woning van het slachtoffer, heeft verdachte het slachtoffer met een groot mes een dodelijke steekwond toegebracht, ten gevolge waarvan het slachtoffer voor zijn woning op straat overleed.

Verdachte heeft door zijn handelen het meest fundamentele recht aan het slachtoffer ontnomen: het recht om te leven. De gevolgen voor de nabestaanden zijn erg groot: zij zijn hun zoon/broer kwijt geraakt en hun leven zal nooit weer hetzelfde zijn. Over de impact van het verlies van haar zoon heeft de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting op indringende wijze gesproken.

Strafblad en rapportages

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder in aanraking is geweest met politie en/of justitie, maar niet voor een soortgelijk feit.

Over verdachte zijn verschillende rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op de volgende rapportages:

- het uitgebreide advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 29 april 2018;

- de rapportage van het Triple onderzoek Pro Justitia, bestaande uit:

- het Rapport Forensisch Milieuonderzoek d.d. 18 april 2018 opgesteld door

[naam] , forensisch milieurapporteur;

- het Psychologisch Onderzoek d.d. 22 april 2018 opgesteld door H.K. Meijer, GZ-psycholoog, ingeschreven in het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen voor het deskundigheidsgebied jeugd en volwassenen;

- het Psychiatrisch Onderzoek d.d. 20 april 2018 opgesteld door R.F. Ferdinand, kinder- en jeugdpsychiater.

Ter terechtzitting is op de rapportages een toelichting gegeven door de psycholoog H.K. Meijer, de psychiater R.F. Ferdinand, en [naam] namens de Raad en reclasseringswerker [naam] namens Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, afdeling jeugdreclassering.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte gelet op zijn leeftijd van 17 jaar ten tijde van het plegen van het delict wordt berecht binnen de kaders van het jeugdstrafrecht. Bij voornoemde persoonlijkheidsonderzoeken is besproken of bij de strafbepaling het sanctierecht voor meerderjarigen moet worden toegepast. De deskundigen hebben geadviseerd het jeugdstrafrecht bij verdachte toe te passen en de rechtbank neemt deze adviezen over. Dit impliceert dat voor een ernstig feit als doodslag het wettelijke strafmaximum van twee jaar jeugddetentie geldt en dat bij de strafoplegging in het bijzonder ook rekening wordt gehouden met de gevolgen van de strafoplegging voor de ontwikkeling van de jeugdige.

PIJ-maatregel

De vereisten om een PIJ-maatregel op te leggen staan opgesomd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het moet gaan om een feit van een zekere zwaarte, er moet sprake zijn van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van verdachte, de veiligheid van personen of goederen of de algemene veiligheid van personen moet oplegging van de maatregel eisen en de maatregel moet in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

- Feit

De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

- Stoornis

Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten hebben vermeld, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. De psychiater en psycholoog hebben beschreven dat verdachte lijdt aan een ernstige gedragsstoornis NAO en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Verdachte was al enige jaren bekend met ernstige gedragsproblemen. Hij gedroeg zich normoverschrijdend, heeft zich verloren in de drugshandel en is in staat gebleken gedurende langere tijd een dubbelleven (als drugsdealer) te leiden, wat hij goed verborgen heeft weten te houden voor zijn ouders. De gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling hebben in elk geval geleid tot het besluit van verdachte om [slachtoffer] te gaan confronteren met de missende drugs.

De psycholoog en psychiater hebben niet kunnen aangegeven in hoeverre verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was, gelet op het gebrek aan zicht dat zij op verdachte's emotionele binnenwereld hebben gekregen, maar hebben wel aangegeven dat verdachte in ieder geval niet volledig ontoerekeningsvatbaar was. Gelet op het feit dat de geconstateerde stoornis bij verdachte heeft geleid tot het aangaan van de confrontatie met [slachtoffer] en dat de stoornis eveneens aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het bewezenverklaarde.

- Gevaarscriterium

Het risico dat verdachte opnieuw een geweldsdelict pleegt wordt door de psychiater en psycholoog als hoog ingeschat. Bij de beoordeling van de mate van het gevaar dat verdachte vormt voor de algemene veiligheid van personen heeft de rechtbank tevens gekeken naar de ernst van het feit. Doodslag is een van de zwaarste feiten uit het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bekeken, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het gevaarscriterium en dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eist.

- Persoonlijke ontwikkeling verdachte

De verwachting van de psycholoog en psychiater is dat een langdurige intensieve behandeling in gedwongen kader nodig is om verandering bij verdachte te bewerkstelligen en daarmee het recidiverisico te beperken, onder meer gelet op het jarenlang bestaande gedragspatroon, het onderschatten van de eigen problemen en de geringe motivatie voor verandering (behoudens de wens om te stoppen met drugs dealen). Ambulante behandeling zal niet voldoende zijn omdat verdachte hiervoor onvoldoende gemotiveerd is, onvoldoende openheid van zaken wenst te geven en de noodzaak tot verandering onvoldoende inziet. Daarbij komt dat hij geen afstand wil nemen van antisociale contacten. Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zou volgens psycholoog en psychiater in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, weg van een antisociale ontwikkeling.

De vertegenwoordiger van de Raad heeft in haar rapport en ter terechtzitting eveneens geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Zij heeft hiertoe onder meer aangegeven dat er teveel risico's kleven aan een ambulant traject, gelet op de lage intrinsieke motivatie voor verandering bij verdachte en de beperkte mate waarin verdachte bereid is gebleken openheid van zaken te geven.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat is voldaan aan alle voorwaarden voor oplegging van een PIJ-maatregel. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de genoemde rapportages en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een behandeling in een ander kader dan een PIJ-maatregel niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, maar ook niet passend is gelet op de ernst van het feit en tevens onvoldoende tegemoetkomt aan het belang van de algemene veiligheid van personen.

Op grond hiervan en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is.

De rechtbank acht zich door de opgemaakte rapporten in combinatie met het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht, nu zij geen andere passende mogelijkheden ziet dan het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank acht nadere diagnostiek of onderzoek om meer zicht te krijgen op de emotionele binnenwereld van verdachte derhalve niet noodzakelijk, temeer nu nadere diagnostiek eveneens kan plaatsvinden binnen het kader van de PIJ-maatregel. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de raadsman dan ook af.

Alles overwegende zal de rechtbank de gevorderde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan verdachte opleggen. De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Jeugddetentie

Vervolgens is de vraag aan de orde of naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, die gericht is op beveiliging van de maatschappij en op behandeling van de verdachte, een jeugddetentie op zijn plaats is.

De officier van justitie heeft een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat uit het oogpunt van vergelding slechts de maximaal aan verdachte op te leggen jeugddetentie recht doet aan de ernst van het feit. Verdachte was weliswaar minderjarig, maar wel bijna achttien jaar oud en heeft zich bewust en gedurende een lange periode begeven in de drugswereld, met alle gevolgen van dien. Gelet op de ernst van het feit en de wettelijke beperking van het strafmaximum voor minderjarigen ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend geen aanleiding om een lagere straf op te leggen. De rechtbank sluit de ogen niet voor de omstandigheid dat verdachte zelf ook rouw ervaart door het verlies van het slachtoffer, zijn voormalige stiefvader, maar dit laat onverlet dat verdachte dit leed zelf heeft veroorzaakt en bovenal de naasten van het slachtoffer in diepe rouw heeft gedompeld, terwijl hij - naar het oordeel van de rechtbank - geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de gebeurtenissen op 14 december 2017.

Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte 24 maanden jeugddetentie opleggen, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft verbleven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77s en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

en

een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. W.S. Sikkema en mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 mei 2018.

1 Het proces-verbaal met nummer 2017327210-PV-004-01, gesloten op 9 maart 2018.

2 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt en bevinden zich in het proces-verbaal met nummer 2017327210-PV-004-01, gesloten op 9 maart 2018.

3 Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.