Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1843

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
LEE 17/486 en LEE 17/2415
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeken om regularisatieovereenkomsten af te sluiten met de Luxemburgse autoriteiten over de jaren 2010 tot en met 2012 en over het jaar 2013, heeft de Svb afgewezen.

Ten aanzien van de periode 1 januari 2010 tot 1 mei 2010 was de Svb onbevoegd. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het besluit ten aanzien van die periode bekrachtigd en heeft de Svb mandaat verleend hem rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De rechtbank passeert het bevoegdheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

De Svb heeft de regularisatieverzoeken ten onrechte niet doorgestuurd naar de bevoegde Luxemburgse autoriteiten. Hoewel dat in strijd is met artikel 18 van de Vo 883/2004 ziet de rechtbank aanleiding het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Over 2013 heeft de Svb het verzoek mogen afwijzen, omdat nog een fiscale rechterlijke procedure loopt. Als en nadat in die procedure een finaal negatief oordeel is gegeven over eisers vermeende recht op vrijstelling van premieheffing van de volksverzekeringen, staat het eiser vrij opnieuw een regularisatieverzoek in te dienen. Beroep ongegrond.

Voor de jaren 2010 tot en met 2012 - met uitzondering van een periode waarover geen geschil bestaat, omdat over die periode al een correcte afdracht van premies in de bevoegde lidstaat Luxemburg heeft plaatsgevonden – geldt dat niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:CRVB:2017:2634). Verweerder heeft de afwijzing in redelijkheid mede kunnen baseren op de omstandigheid dat eiser uit een brief uit 2009 van de Belastingdienst had kunnen afleiden dat hij over de van belang zijnde periodes premieplichtig was in Nederland. Eiser was immers werkzaam op binnenvaartschepen met een Nederlandse eigenaar en exploitant. Verweerder heeft, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid, op goede gronden besloten het regularisatieverzoek af te wijzen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/486 en LEE 17/2415

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2018 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. A. van der Weerd)

en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister).

Procesverloop

LEE 17/486

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser om voor 2013 een regularisatieovereenkomst met de [naam autoriteiten] autoriteiten af te sluiten.

Bij besluit van 13 januari 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 mei 2017, met bijlagen, heeft eiser de gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft daarop gereageerd bij brief van 3 juli 2017.

Bij brief van 9 juli 2017 heeft eiser meegedeeld dat hij beroep instelt tegen het (hierna onder LEE 17/2415 vermelde) besluit van 30 juni 2017 van verweerder en heeft hij dat besluit meegestuurd. Eiser heeft in voormelde brief verzocht om de voor 12 juli 2017 geplande behandeling ter zitting van de zaak LEE 17/486 te verdagen en het beroep in beide zaken op een nader te bepalen zittingsdatum gevoegd te behandelen. De rechtbank heeft het verzoek om verdaging van de zaak LEE 17/486 toegewezen en heeft de behandeling van die zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

LEE 17/2415

Bij besluit van 30 december 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser om voor 2010 tot en met 2012 een regularisatieovereenkomst met de [naam autoriteiten] autoriteiten af te sluiten.

Bij besluit van 30 juni 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 4 augustus 2017 en van 15 augustus 2017 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld.

In beide zaken heeft de rechtbank bij faxbericht van 19 januari 2018 aan de minister verzocht per omgaande mee te delen of de minister het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 bekrachtigt voor de periodes tijdens welke de Svb niet bevoegd was de besluiten te nemen. Daarnaast heeft de rechtbank verzocht aan te geven of de minister de Svb machtigt hem ter zake in rechte te vertegenwoordigen.

De minister heeft geantwoord bij faxbericht van 24 januari 2018.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 27 oktober 2015 heeft eiser aan verweerder verzocht om op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) voor de periode van 2010 tot en met 31 maart 2013 een regularisatieovereenkomst met de bevoegde [naam autoriteiten] autoriteiten af te sluiten. Een dergelijk verzoek dient ter voorkoming van het betalen van sociale premies ingevolge de Nederlandse wetgeving naast die ingevolge de [naam autoriteiten] wetgeving.

Bevoegdheid

2. Ambtshalve dient de rechtbank te beoordelen of de bestreden besluiten 1 en 2 bevoegd zijn genomen.

3. Eiser heeft de bevoegdheid van verweerder tot het nemen van de bestreden besluiten 1 en 2 bestreden. Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft eiser verwezen naar de uitspraak van 13 januari 2017 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2017:334.

Bestreden besluit 1

4. Het bestreden besluit 1 ziet op het jaar 2013.

4.1.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578, onder rechtsoverweging 4.3, onder meer geoordeeld dat, voor zover het in dat geschil - kort gezegd - voorliggende verzoek om te bevestigen dat betrokkene van 2005 tot en met medio 2011 voor de sociale zekerheidswetgeving uitsluitend in [naam land] verzekerd is geweest, (ook) is aan te merken als verzoek om op grond van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004, een regularisatieprocedure te starten, de Svb over de periode 1 mei 2010 tot en met medio 2011 is aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. Daarbij heeft de CRvB verwezen naar artikel 1, onderdeel p en q, van Vo 883/2004 en het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat het in onderhavig geschil gaat om een verzoek op grond van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004. De CRvB heeft zich in voormelde uitspraak uitgelaten over onder meer de periode 1 mei 2010 tot en met medio 2011. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden waarom ten aanzien van de bevoegdheid van de Svb ná medio 2011 tot een ander inzicht gekomen zou moeten worden. In acht genomen artikel 1, onderdeel p en q, van Vo 883/2004 en artikel 1, onder a en b, en artikel 2, eerste lid, onder a en b, van het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank, is naar het oordeel van de rechtbank de Svb in onderhavig geschil bevoegd. Het bestreden besluit 1 is dus door de voor Nederland bevoegde autoriteit genomen.

4.3.

Het beroep op rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 13 januari 2017 van de rechtbank Rotterdam (zie onder 3) kan eiser niet baten, nu die rechtbank in de genoemde rechtsoverweging, mede onder verwijzing naar de uitspraak van 9 september 2016 van de CRvB als genoemd onder 4.1, oordeelt over de periode tot 1 mei 2010, terwijl het bestreden besluit 1 ziet op het jaar 2013. De beroepsgrond faalt.

Bestreden besluit 2

4.4.

Het bestreden besluit 2 ziet op de jaren 2010, 2011 en 2012.

4.5.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578 en ECLI:NL:CRVB:2016:3556, en van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634, dient vastgesteld te worden dat het bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op de periode 1 januari 2010 tot 1 mei 2010, onbevoegd is genomen.

4.6.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat de Svb voor de periode
1 januari 2010 tot 1 mei 2010 niet bevoegd was om te beslissen op het verzoek tot regularisatie. De gemachtigde van verweerder heeft meegedeeld dat hij op 24 januari 2018, om 09:45 uur, een mail van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ontvangen, waarin is bevestigd dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het besluit heeft bekrachtigd en dat de minister mandaat aan de Svb heeft verleend om hem rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De rechtbank ziet geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van voormelde mededeling van de gemachtigde van verweerder ter zitting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit meerdere uitspraken van de CRvB blijkt dat dit de gebruikelijke gang van zaken is met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder. Op
24 januari 2018 heeft de rechtbank een faxbericht van 24 januari 2018 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontvangen, waarin staat hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu blijkens de mededeling van de gemachtigde van verweerder ter zitting van 24 januari 2018 de minister het bestreden besluit 2 heeft bekrachtigd en eiser hierdoor niet wordt benadeeld, zal het bevoegdheidsgebrek dat is verbonden aan het bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Anders dan eiser ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de gemachtigde van verweerder voormelde mededeling eerst ter zitting heeft gedaan geen reden om tot een ander oordeel te komen. Daartoe is van belang dat eiser (ook) door de late bekrachtiging door de minister niet wordt benadeeld.

4.8.

Ten aanzien van de bevoegdheid van verweerder over de periodes 1 mei 2010 tot en met 15 september 2011 en 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 verwijst de rechtbank naar hetgeen eerder is overwogen onder 4.2 en concludeert dat verweerder over voormelde periodes tot beslissen bevoegd is.

Bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2

4.9.

Met de op 4 augustus 2017 ingediende aanvulling op de beroepsgronden in de zaak 17/2415, waarbij eiser heeft gewezen op de uitspraak van 27 juli 2017 van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2017:5751) en de verwijzing ter zitting door eiser naar de uitspraak van 2 november 2015 van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2015:12471), stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was naar aanleiding van beide verzoeken een besluit te nemen, omdat verweerder de regularisatieverzoeken had moeten doorsturen naar de [naam autoriteiten] autoriteiten.

4.10.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting meegedeeld dat het juist is dat verweerder de verzoeken had moeten doorsturen, gelet op artikel 18 van de Vo 883/2004. De gemachtigde van verweerder heeft daarbij aangegeven niet in te zien wat eiser er mee opschiet als dat in de huidige stand van de procedure alsnog zou gebeuren. Verweerder zou niet anders hebben beslist dan de besluiten die nu voorliggen, zij het dat de [naam autoriteiten] autoriteiten akkoord zouden kunnen gaan. Ook al zou dat zo zijn, dan betekent dat niet dat verweerder daaraan gehouden is. Verweerder heeft immers een discretionaire bevoegdheid, zoals volgt uit de uitspraken van de CRvB van 9 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3556) en van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634) en die bevoegdheid houdt tevens in afwijzend op de verzoeken te kunnen beslissen.

4.11.

Met hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, staat vast dat verweerder de regularisatieverzoeken ten onrechte niet heeft doorgestuurd naar de bevoegde [naam autoriteiten] autoriteiten. Hoewel verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 18 van de Vo 883/2004, ziet de rechtbank, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aanleiding om het gebrek in dit geval met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Hiertoe is van belang dat verweerder met het nemen van de bestreden besluiten op de door eiser ingediende verzoeken om een regularisatieovereenkomst met de bevoegde [naam autoriteiten] autoriteiten af te sluiten, al inhoudelijk heeft beslist. De rechtbank zal daarom onder LEE 17/486 en LEE 17/2415 overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 2. Alvorens daartoe over te gaan, zal de rechtbank ingaan op hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, als hierna aangegeven onder 5.

5. Ter zitting heeft eiser het volgende naar voren gebracht. Verweerder stelt dat de [naam schip] een Nederlands schip uit [plaatsnaam] in Nederland is, maar eiser heeft vlak voor de zitting ontdekt dat de eigenaar van het schip een Belg is en dat [plaatsnaam] niet in Nederland ligt, maar in België, bij Antwerpen. Daarmee, zo stelt eiser, blijkt nu sprake te zijn van een heel andere situatie dan waar verweerder vanuit is gegaan. De Belastingdienst heeft een fout gemaakt. Eiser stelt zich op het standpunt dat alsnog een onderzoek ingesteld moet worden.

6. In hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht als omschreven onder 5 ziet de rechtbank geen reden het onderzoek te heropenen. Daartoe overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634, dat het in onderhavige gedingen gaat om de beoordeling van de weigering door verweerder om een regularisatieprocedure te starten over al verstreken verzekeringstijdvakken. De vraag of al dan niet ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat ligt niet ter toetsing voor.

Inhoudelijke beoordeling

LEE 17/486

7. Bij het primaire besluit 1, gehandhaafd bij het bestreden besluit 1, heeft verweerder op het verzoek om regularisatie over het jaar 2013 afwijzend beslist. Redengevend daartoe is het volgende. De mogelijkheid tot regularisatie is een discretionaire bevoegdheid en dat betekent dat verweerder bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige beleidsvrijheid toekomt. In het kader van die bevoegdheid hanteert verweerder het uitgangspunt dat hij op een regularisatieverzoek geen inwilligende beschikking neemt, zolang een door de Belastingdienst genomen beslissing inzake verzekerings- en premieplicht niet in rechte vast staat. Eiser heeft van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 in dienstbetrekking gewerkt bij [naam Rijnvaartschip] te [naam land] en heeft zijn werkzaamheden verricht aan boord van het Rijnvaartschip “ [naam van het schip] ”. Gedurende de in geding zijnde periode was dat schip eigendom van Scheepvaartbedrijf [naam Scheepvaartbedrijf] te [naam plaats] , die tevens de exploitant van het schip was gedurende deze periode. Op grond van voormelde gegevens heeft de Belastingdienst geoordeeld dat op eiser over het jaar 2013 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is en heeft hij eiser een aanslag opgelegd inzake de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Omdat eiser beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2016 van de Belastingdienst, staat de aanslag nog niet in rechte vast. Om die reden wijst verweerder het verzoek tot regularisatie af. Verweerder zal eisers verzekeringspositie opnieuw beoordelen als de aanslag premies volksverzekeringen over 2013 in rechte vast staat.

8. In het verweerschrift heeft verweerder verwezen naar de beleidsregels SB2146. Voorts heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van 9 september 2016 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2016:3556.

9. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

9.1.

Zoals vastgesteld onder 4, ziet het bestreden besluit 1 op het jaar 2013.

9.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het verzoek niet had mogen afwijzen op de enkele grond dat er nog een geschil met de Belastingdienst aanhangig is. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1087.

9.3.

Vastgesteld dient te worden dat tegen de door eiser onder 9.2 aangehaalde uitspraak hoger beroep is ingesteld, waarop de CRvB bij uitspraak van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3556, heeft beslist. De aangevallen uitspraak is vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit in die zaak is ongegrond verklaard. Nu de onder 9.2 vermelde uitspraak is vernietigd, kan het beroep van eiser op die uitspraak niet slagen.

9.4.

In de uitspraken van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3556 en ECLI:NL:CRVB:2016:3578, heeft de CRvB het door de bevoegde autoriteit gehanteerde uitgangspunt dat op een verzoek op grond van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 afwijzend wordt beslist, zolang er een procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving, geenszins onredelijk geacht en heeft hij dit toegelicht als volgt. Hangende een dergelijke procedure bestaat er immers nog geen duidelijkheid over de toe te passen wetgeving en nog onduidelijk is of het noodzakelijk is een regularisatieprocedure te starten teneinde het door een betrokkene gewenste resultaat te bereiken. In dat verband is mede het belang van rechtseenheid en rechtszekerheid in aanmerking genomen. Daarbij geldt dat het nut en het doel van de beoogde overlegprocedure mede worden bepaald door juist de uitkomst van lopende rechterlijke procedures inzake de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte omstandigheden. Daarbij heeft de CRvB overwogen dat in dat geval niet was gebleken van omstandigheden om in voor de betrokkene begunstigende zin af te wijken van het door de Svb gehanteerde uitgangspunt.

9.5.

Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in het geval van eiser niet gebleken. Dat betekent dat verweerder het verzoek om regularisatie heeft mogen afwijzen, omdat nog een fiscale rechterlijke procedure loopt. Zoals de CRvB in de uitspraken van 9 september 2016 heeft overwogen, staat het eiser vrij opnieuw een regularisatieverzoek in te dienen, als en nadat er in de fiscale rechterlijke procedure een finaal negatief oordeel is gegeven over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. De rechtbank wijst er op dat de CRvB in de uitspraak van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634, wederom heeft geoordeeld het door verweerder gehanteerde uitgangspunt om op een verzoek als het onderhavige een afwijzend besluit te nemen, zolang er nog een fiscale rechterlijke procedure loopt, niet onredelijk te achten en dat de CRvB te dien aanzien heeft verwezen naar haar onder 9.4 vermelde uitspraken van 9 september 2016. In de enkele, eerst ter zitting ingebrachte stelling dat sprake zou zijn van verzekeringsplicht in [naam van het land] , ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen.

9.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder de afwijzing van het verzoek in redelijkheid heeft kunnen baseren op het feit dat nog een fiscale rechterlijke procedure aanhangig is. Het beroep van eiser slaagt dus niet.

LEE 17/2415

10. Bij het primaire besluit 2, gehandhaafd bij het bestreden besluit 2 met een verbeterde motivering, heeft verweerder het verzoek afgewezen en heeft hij daartoe overwogen als volgt. De Belastingdienst heeft geoordeeld dat op eiser over de periodes 1 januari 2010 tot en met 15 september 2011 en 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is en heeft eiser daarom voor die periodes aangeslagen voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Desgevraagd heeft de Belastingdienst aan verweerder meegedeeld dat voor 2010 tot en met 2012 de premie-aanslag in rechte vast staat. De mogelijkheid tot regularisatie is een discretionaire bevoegdheid van verweerder en verweerder komt daarom bij de beoordeling van een regularisatieverzoek grote beleidsvrijheid toe. Verweerder heeft het verzoek beoordeeld op grond van de beleidsregels “Verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst (SB2146)”. Eiser had op grond van de brief van 19 oktober 2009 van de Belastingdienst inzake de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2007 kunnen weten dat hij over 2010 tot en met 2012 premieplichtig was in Nederland. Uit die brief had eiser kunnen en moeten afleiden dat op grond van het Rijnvarendenverdrag zijn sociale verzekeringspositie wordt vastgesteld aan de hand van de vestigingsplaats van de eigenaar/exploitant van het binnenvaartschip waar eiser werkzaam op was. In 2007 verkeerde eiser weliswaar niet in dezelfde situatie als in de bestreden periodes, maar wel in een vergelijkbare situatie. Volgens de brief van 19 oktober 2009 was eiser toentertijd namelijk verzekerd in Duitsland, omdat de eigenaar/exploitant van het schip waar eiser toen op werkte, een in Duitsland gevestigde onderneming was. In de aan de orde zijnde periodes was eiser werkzaam op een binnenvaartschip met een Nederlandse eigenaar/exploitant en het had eiser dan ook duidelijk moeten zijn dat hij op grond van het Rijnvarendenverdrag en later de Rijnvaartovereenkomst in Nederland verzekerd was. Dat eiser is doorgegaan met premiebetaling in [naam land] komt voor zijn rekening.

11. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit 2 en heeft dat besluit gemotiveerd bestreden. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich niet kan baseren op het door verweerder gehanteerde beleid, omdat het beleid voor eiser ten tijde van de ter beoordeling voorliggende periodes niet kenbaar was. Uit de brief van 19 oktober 2009 van de Belastingdienst heeft eiser niet kunnen afleiden dat hij in de jaren 2010 tot en met 2012 in Nederland verzekerd was.

12. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

12.1.

Zoals eerder is vastgesteld onder 4.4, ziet het bestreden besluit 2 op de jaren 2010, 2011 en 2012.

12.2.

In het bestreden besluit 2 staat dat over de periode 16 september 2011 tot en met 31 juli 2012 de exploitant van het motorschip de “ [naam schip] XVII”, op welk schip eiser werkzaam was, gevestigd was in [naam land] . Dat betekent dat over die periode de Nederlandse sociale wetgeving niet op eiser van toepassing is. Over die periode heeft al een correcte afdracht van premies in de bevoegde lidstaat, [naam land] , plaatsgevonden. Om die reden is het niet mogelijk, zo staat in het bestreden besluit 2, over die periode een overeenkomst te sluiten, omdat is gebleken dat geen sprake is van ten onrechte afgedragen premies.

12.3.

Ter zitting heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat het juist is dat partijen het eens zijn over de periode 16 september 2011 tot en met 31 juli 2012.

12.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is de periode 16 september 2011 tot en met 31 juli 2012.

12.5.

Ter beoordeling liggen daarom voor de periodes 1 januari 2010 tot en met 15 september 2011 en 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012.

12.6.

Met het bestreden besluit 2 staat vast dat over de periodes 1 januari 2010 tot en met 15 september 2011 en 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is; de premie-aanslag over 2010 tot en met 2012 staat immers in rechte vast. Dat betekent dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van de lidstaat [naam land] en dat ten onrechte afdracht van premies in [naam land] heeft plaatsgevonden.

12.7.

In de uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634) heeft de CRvB onder 3.1 het standpunt van de Svb in hoger beroep in die zaak als volgt samengevat.
“De Svb maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, indien vast staat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het Rijnvarendenverdrag voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid. De Svb wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren. Omdat de Svb, evenals de Belastingdienst, is geconfronteerd met een toenemend aantal al dan niet legale constructies dat is gericht op vermindering van afdracht van belastingen en premies in Nederland, en de Svb het gebruik daarvan niet in de hand wil werken, is vanaf 2013 in de beleidsregels van de Svb opgenomen dat de Svb geen regularisatie bevordert indien toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven en de Svb vermoedt dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie en dit de betrokkene, voor wie de regularisatie is aangevraagd, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien voor betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie, of als betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afdracht van premies in de verkeerde lidstaat. Daartoe zal moeten blijken van meer in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden.”.

12.8.

In die uitspraak heeft de CRvB voorts onder 4.3.3 overwogen dat voorop wordt gesteld dat het niet onredelijk is dat de Svb de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven discretionaire bevoegdheid een regularisatieprocedure te entameren over reeds verstreken verzekeringstijdvakken alleen toepast indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden en dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daar in dit verband precies onder moet worden verstaan. De CRvB heeft er daarbij op gewezen dat het een legitieme wens van de Svb is om het gebruik van door de Belastingdienst bestreden zogenoemde schijnconstructies niet in de hand te werken.

12.9.

Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van 28 juli 2017 van de CRvB ligt de vraag ter beoordeling voor of is gebleken van (voldoende) in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden.

12.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval niet gebleken. In het geval van eiser heeft verweerder in redelijkheid de afwijzing mede kunnen baseren op de omstandigheid dat eiser uit de brief van 19 oktober 2009 van de Belastingdienst had kunnen afleiden dat hij gedurende de jaren 2010 tot en met 2012, behoudens de periode 16 september 2011 tot en met 31 juli 2012, premieplichtig was in Nederland. Eiser was gedurende de jaren 2010 tot en met 2012, behoudens de periode 16 september 2011 tot en met 31 juli 2012, immers werkzaam op binnenvaartschepen met een Nederlandse eigenaar en exploitant. Hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, als vermeld onder 5, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

12.11.

Reeds op grond van de uitspraak van 28 juli 2017 van de CRvB faalt eisers beroepsgrond inzake het vermeende niet van toepassing zijnde beleid.

12.12.

Uit de uitspraak van 28 juli 2017 van de CRvB volgt eveneens dat eisers eerst ter zitting ingebrachte en niet onderbouwde stelling dat het door verweerder gehanteerde beleid strijdig is met de Vo 883/2004, niet kan slagen.

12.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid, op goede gronden besloten het regularisatieverzoek van eiser voor de onder 12.5 genoemde periodes af te wijzen.

13. De beroepen in LEE 17/486 en LEE 17/2415 zijn ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

LEE 17/486

- verklaart het beroep ongegrond.

LEE 17/2415

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en
mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.