Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1838

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
18/840003-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de gedrag beïnvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden wegens diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. DUT gedragsbeïnvloedende maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77w
Wetboek van Strafrecht 77wc
Wetboek van Strafrecht 77wa
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840003-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840050-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. [geboortedatum] 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te Groningen,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te Juvaid locatie Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van

13 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een (Louis Vuitton) tas en/of een laptoptas

(met/) en/of een laptop/notebook (Acer Aspire) en/of een IDkaart, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte

- onverhoeds en/of met kracht die (Louis Vuitton) tas (plotseling en/of van

achteren) uit en/of onder de arm(en) van die [slachtoffer 1] (vandaan) heeft

getrokken en/of

- heeft getrokken aan de laptoptas en/of

- een schroevedraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die P.F.

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond en/of aan hem/hen

heeft toegevoegd; "Ik ga je steken (en/of djoeken)" en/of "Ik zweer je ik maak

je dood" en/of "Ik maak jullie dood" en/of "Ik maak jullie dood als jullie

niet naar achteren gaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met die/dat

schroevedraaier, althans scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken en/of

stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de deels bekennende verklaring van verdachte ter zitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hoewel verdachte heeft ontkend dat hij een wapen (schroevendraaier) heeft gebruikt, op grond van de verklaringen van aangever, medeverdachte [medeverdachte 1] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kan worden bewezen dat verdachte met een schroevendraaier heeft gezwaaid, daarmee stekende bewegingen heeft gemaakt en aangever heeft geraakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde grotendeels wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte met een schroevendraaier heeft gedreigd en gestoken. Primair heeft de raadsman verzocht om verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat alleen bewezen kan worden dat verdachte de schroevendraaier heeft getoond. Er is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte met de schroevendraaier heeft gestoken of stekende bewegingen heeft gemaakt.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft van het hem ten laste gelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij een schroevendraaier heeft getoond, aangever en getuige [slachtoffer 2] verbaal heeft bedreigd en hen met de schroevendraaier heeft gestoken en met de schroevendraaier stekende
en/of zwaaiende bewegingen in hun richting heeft gemaakt. De rechtbank acht op grond van de na te noemen bewijsmiddelen dit gedeelte van het ten laste gelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2018, opgenomen op pagina 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland van onderzoek NN2R018005-GLAMPI d.d. 9 maart 2018, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 1] :

Ik hoorde de jongen zeggen: 'Ik ga je steken!, ik zweer je ik maak je dood!', of woorden van gelijke strekking en betekenis. Ik hoorde de jongen zeggen: 'Ik ga je djoeken!'. Ik zag dat de jongen een voorwerp uit zijn rechter jaszak pakte. Ik zag dat de jongen dreigend, kwaad in mijn richting keek. Ik voelde mij zo bedreigd dat de tas mij niet zoveel meer uit maakte. (..)

Ik zag dat hij mij probeerde te steken. Ik zag dat de jongen stekende bewegingen maakte naar de zijkant van mijn lichaam, mijn linkerzijde. Ik voelde mij bedreigd. Nu zag ik dat het geen mes was wat de jongen had, maar een schroevendraaier. Dit was een lange schroevendraaier, ongeveer 25 centimeter lang. Ik voelde dat de jongen mij enkele malen, in ieder geval 3 maal, raakte met de schroevendraaier. Ik voelde pijn op mijn linkerarm, op die plaats waar de jongen mij zojuist geraakt had met de schroevendraaier. Ik zag dat de jongen nu probeerde om [slachtoffer 2] te steken. Ik zag dat de jongen [slachtoffer 2] ook raakte met de schroevendraaier.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

11 januari 2018, opgenomen op pagina 128 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

De jongen stopte met rennen en begon met een schroevendraaier te zwaaien. Ik hoorde hem zeggen: 'Ik maak jullie dood!' Daarna probeerde hij [slachtoffer 1] weer te pakken en ik zag dat [slachtoffer 1] weer begon te rennen. Toen ben ik naar [slachtoffer 1] en de jongen toegelopen en begon de jongen weer met de schroevendraaier te zwaaien. Ik hoorde hem weer schreeuwen: 'Ik maak jullie dood als jullie niet naar achteren gaan!' Doordat de jongen wild aan het zwaaien was met de schroevendraaier richting [slachtoffer 1] en ik dichtbij stond, raakte hij mij met de schroevendraaier op mijn rechterhand. Ik zag daarna een rode kras op mijn rechter hand.

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het bewezen verklaarde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

3. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2018;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2018, opgenomen op pagina 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland van onderzoek NN2R018005-GLAMPI d.d. 9 maart 2018, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 1] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen. Op grond van de aangifte en de verklaring van [slachtoffer 2] acht de rechtbank niet alleen wettig, maar ook overtuigend bewezen dat verdachte een schroevendraaier heeft getoond, aangever en getuige [slachtoffer 2] verbaal heeft bedreigd en met de schroevendraaier heeft gestoken en stekende bewegingen heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van de medeverdachte aan de diefstal met geweld, gelet op zijn betrokkenheid bij de voorbereiding en de uitvoering daarvan, van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van medeplegen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte verdachte opdracht heeft gegeven het feit te plegen en, kort voor de beroving, met verdachte heeft besproken wie er beroofd zou moeten worden en welke goederen gestolen zouden moeten worden. De medeverdachte is vervolgens ten tijde van de diefstal op een afstandje in een auto blijven wachten om vervolgens, direct na de diefstal, verdachte met de auto op te halen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 januari 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (Louis Vuitton) tas en een laptoptas met een laptop/notebook (Acer Aspire) en een ID-kaart, toebehorende aan

[slachtoffer 1] , welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- onverhoeds en/of met kracht die (Louis Vuitton) tas plotseling en van achteren onder de arm van die [slachtoffer 1] vandaan heeft getrokken en

- heeft getrokken aan de laptoptas en

- een schroevendraaier aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond en aan hem/hen heeft toegevoegd: "Ik ga je steken (en/of djoeken)" en/of "Ik zweer je ik maak je dood" en/of "Ik maak jullie dood" en/of "Ik maak jullie dood als jullie

niet naar achteren gaan", en

- vervolgens die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met die

schroevendraaier heeft gestoken en stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 300 dagen waarvan 197 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d.

9 april 2018 (hierna: de Raad) en het rapport van de jeugdreclassering d.d. 5 april 2018. Een van deze voorwaarden betreft het verbod om direct, dan wel indirect, contact te hebben met de medeverdachten. Dit betreffen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3]. Toezicht en begeleiding dienen te worden uitgevoerd door Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden.

Voorts vordert de officier van justitie dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt opgelegd voor de duur van 12 maanden waaraan eveneens de voorwaarden worden verbonden zoals opgenomen in het rapport van de Raad d.d. 9 april 2018 en het rapport van de jeugdreclassering d.d. 5 april 2018 waaronder ITB Harde Kern voor de duur van zes maanden en Elektronische Controle voor de duur van drie maanden. Wanneer verdachte hier niet of niet naar behoren aan meewerkt, dient hier een jeugddetentie tegenover te staan voor de duur van 12 maanden. De officier van justitie vordert tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat hij zich kan vinden in de door de officier van justitie gevorderde strafeis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 11 januari 2018 schuldig gemaakt aan het medeplegen van

-kort gezegd- een straatroof. Dit heeft hij gedaan in opdracht van de medeverdachte, bij wie hij een schuld had. Terwijl aangever en getuige [slachtoffer 2] op de bus stonden te wachten, heeft verdachte een tas onder de arm van aangever vandaan getrokken. Vervolgens heeft verdachte een schroevendraaier aan aangever en [slachtoffer 2] getoond en gedreigd met de schroevendraaier te steken. Verdachte heeft vervolgens de laptoptas met laptop van aangever weggenomen en hij heeft met de schroevendraaier stekende dan wel zwaaiende bewegingen in de richting van aangever en getuige [slachtoffer 2] gemaakt. Vervolgens heeft de medeverdachte hem met de auto opgepikt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij door het plegen van de diefstal een schuld bij één van de medeverdachten kon inlossen. Door op deze manier, ten koste van anderen, snel aan geld te komen, is verdachte totaal voorbij gegaan aan de enorme impact van een dergelijk feit op het slachtoffer en de getuige. De rechtbank rekent verdachte dit aan. Bovendien versterkt een delict als het onderhavige ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, onlangs onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en zich ten tijde van het bewezen verklaarde feit in een proeftijd bevond.

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de Raad van 9 april 2018. Uit het advies volgt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met politie en justitie. Verdachte is opgegroeid in een gezin waarin sprake is van psychische problematiek bij beide ouders. De problematiek van de gezinsleden heeft veel impact gehad op het functioneren en de ontwikkeling van verdachte, in die mate dat het zijn ontwikkeling in negatieve zin heeft beïnvloed. Door een gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling, de gediagnosticeerde norm-overschrijdende gedragsstoornis en traumatische gebeurtenissen in het verleden, is verdachte onvoldoende in staat om zijn emoties te uiten en te reguleren en zijn gedrag aan te passen aan de situatie. Als gevolg hiervan spelen er momenteel moeilijkheden op diverse gebieden. De Raad acht het van groot belang dat de behandeling van verdachte doorgang vindt. Het algehele recidiverisico wordt hoog ingeschat. Het bieden van structuur, duidelijkheid en aanpak van onderliggende problematiek is essentieel om de kans op recidive in de toekomst te verkleinen. De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van 12 maanden omdat verdachte het best functioneert bij een langdurige intensieve begeleiding en een duidelijke structuur waarbij verdachte weet wat er van hem wordt verwacht.

Uit het advies van de jeugdreclassering d.d. 5 april 2018 volgt dat de jeugdreclassering oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel haalbaar acht en een passende straf vindt. Met alleen het 'uitzitten' van zijn straf wordt verdachtes problematiek niet aangepakt en is de kans op recidive te groot. Bij oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel is het van belang dat verdachte op 30 april 2018 kan starten met de maatregel. Verdachte kan weer gaan wonen bij ZCNN waar hij op 30 april 2018 kan worden aangesloten op Elektronische Controle. Ook kan hij vanaf 30 april weer starten met school en stage.

De rechtbank is, mede gelet op de inhoud van voornoemde adviezen, van oordeel dat de ernst van het gepleegde feit aanleiding geeft tot oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel en dat oplegging daarvan in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Gezien de hoge recidivekans en de gedragsproblemen van verdachte die vragen om een intensieve aanpak, zal de gedragsbeïnvloedende maatregel worden opgelegd voor de maximale duur van 12 maanden, bestaande uit de na te noemen gedragsinterventies.

De rechtbank zal bevelen dat het programma van de gedragsbeïnvloedende maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu de nog onbehandelde problematiek van verdachte maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een strafbaar feit zal plegen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van verdachte is.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Gelet op verdachtes leeftijd en problematiek acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte zo snel mogelijk wordt begeleid en behandeld. De rechtbank zal daarom bepalen dat het onvoorwaardelijke deel daarvan doorloopt tot 30 april 2018 zodat verdachte op 30 april 2018, conform het advies van de jeugdreclassering, met de gedragsinterventies in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel van start kan gaan.

Bij het bepalen van de duur van het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor diefstal met geweld wordt daar oplegging van jeugddetentie voor de duur van 1 maand gehanteerd. Strafverzwarende omstandigheden zijn aanleiding om de strafmaat te verhogen waarbij iedere strafverzwarende omstandigheid in beginsel telt voor 1 maand jeugddetentie. In onderhavig geval heeft verdachte op straat met een schroevendraaier gestoken in de richting van aangever en zijn vriend, waarbij hij hen ook heeft geraakt. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de oplegging van een lagere voorwaardelijke jeugddetentie dan door de officier van justitie is gevorderd.

Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zal als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen worden gekoppeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit moment de andere programmaonderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel ook in de vorm van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke jeugddetentie te verbinden. De programmaonderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel vormen samen een intensief behandel- en begeleidingstraject binnen een strak kader, welk traject op grond van de wet in beginsel maximaal een jaar kan duren. Mocht bij het naderen van het einde van de gedragsbeïnvloedende maatregel blijken dat het gedrag van verdachte voortzetting van de intensieve behandeling en begeleiding nodig maakt, kan op dat moment verlenging van de maatregel dan wel wijziging van de bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke jeugddetentie worden gevorderd.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 13 oktober 2017, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot
-voor zover hier van belang- een jeugddetentie van 180 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 28 oktober 2017.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 21 maart 2018 (ingekomen ter griffie d.d. 23 maart 2018) de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd de vordering af te wijzen, de proeftijd met 1 jaar te verlengen en de voorwaarden te wijzigen, in die zin dat de voorwaarden die zullen worden gekoppeld aan de gedragsbeïnvloedende maatregel ook zullen gelden bij deze voorwaardelijke jeugddetentie.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden afgewezen en dat de proeftijd dient te worden verlengd. Ten aanzien van het wijzigen van de voorwaarden heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij hij wel heeft aangevoerd dat dit wellicht een stap te ver is.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel zal worden opgelegd, acht de rechtbank termen aanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorwaarden te wijzigen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77w, 77 wc, 77wa, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 47 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak op uitnodiging meldt bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte verder tot:

een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden.

Deze maatregel bestaat uit:

1. het volgen van cognitieve gedragstherapie bij Accare FJP of soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

2. het volgen van de opleiding installatietechniek bij het Alfa College te Groningen of soortgelijke opleiding bij een onderwijsinstantie op schooldagen;

3. het dagelijks volgen van dagbesteding bij Werkpro te Groningen aan de Neutronstraat 5 of soortgelijke dagbesteding wanneer er geen schooldag/stage of behandeling is. De werktijden worden in het weekschema bepaald;

4. het wonen bij ZCNN, op een door ZCNN aan te geven adres (Madoerasstraat 12B te Groningen of een door die instelling aan te geven ander adres);

5. het meewerken aan ambulante begeleiding bij ZCNN of soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich strak houdt aan de weekschema's die de instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld;

6. het deelnemen aan het traject ITB Harde Kern gedurende de eerste zes maanden, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die hem binnen het kader van ITB Harde Kern worden gegeven door of namens de jeugdreclassering en houdt zich aan de afspraken die door of namens de jeugdreclassering met hem worden gemaakt;

7. het meewerken aan aansluiting op Elektronische Controle met GPS in het kader van ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden. De veroordeelde zal zich op 30 april 2018 onder begeleiding van de jeugdreclassering begeven naar het adres Madoerasstraat 12B te Groningen alwaar hij om 13.00 uur zal worden aangesloten op Elektronische Controle met GPS;

8. het zich houden aan een locatiegebod: de veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het adres Madoerasstraat 12B te Groningen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze voorwaarde wordt ondersteund door middel van GPS van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te Groningen;

9. het zich houden aan een drugs- en alcoholverbod: de veroordeelde onthoudt zich van het gebruik van drugs en alcohol en verplicht zich ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek;

10. het zich houden aan een contactverbod: de veroordeelde zal op geen enkele wijze
- direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten:

- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ;

- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ;

- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

en/of de slachtoffers:

- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ;

- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000 te EI- [geboorteplaats] ,

ook als medeverdachten of slachtoffers zelf daartoe initiatief zouden nemen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

11. het bezoeken van de sportschool, minimaal 1 keer per week, althans volgens
afspraken die door of namens de jeugdreclassering met hem hieromtrent worden
gemaakt;

12. het zich coöperatief opstellen ten opzichte van de begeleiding/hulpverlening.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging heeft meegewerkt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat het programma van de gedragsbeïnvloedende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 april 2018 op het moment dat de veroordeelde door de jeugdreclassering wordt opgehaald bij Juvaid teneinde hem te begeleiden naar ZCNN, alwaar hij om 13.00 uur zal worden aangesloten op Elektronische Controle.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840050-17:

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 13 oktober 2017 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2018.

Mr. A. Jongsma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.