Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:183

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
AWB - LEE 15 _ 842 - 844
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2008, 2009 en aanslag 2010. Nieuw feit 2009. Eiser heeft niet de vereiste aangiften gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/554
V-N 2018/16.18.5
Viditax (FutD), 12-03-2018
FutD 2018-0744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/842, 15/843 en 15/844

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Apeldoorn, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2008 met dagtekening 23 juni 2012 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 238.052. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 13.863 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 149.039. De heffingsrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd.

Verweerder heeft voor het jaar 2009 met dagtekening 23 juni 2012 aan eiser een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 444.895.Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 16.427 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 277.518. De heffingsrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd.


Verweerder heeft voor het jaar 2010 met dagtekening 13 november 2014 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 260.398. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 13.293 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 210.044. De heffingsrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2017. De zaak is gelijktijdig behandeld met de beroepszaak van eiser betreffende de naheffingsaanslag omzetbelasting, geregistreerd onder de nummer LEE 15/845. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft eiser bij brief van 1 augustus 2017 geïnformeerd over de plaats en het tijdstip van de zitting. De rechtbank heeft deze brief aangetekend verstuurd. Uit informatie uit het Track & Trace systeem van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 2 augustus 2017 aan eiser is uitgereikt en dat hij heeft getekend voor ontvangst. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] , [bijstand] en [bijstand] .

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en bij brief van 24 november 2017 nadere vragen aan verweerder gesteld. Bij brief van 13 december 2017 heeft verweerder geantwoord. Door eiser is daarop, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser drijft een onderneming onder de naam [naam onderneming] in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van de onderneming bestaan uit de handel in nieuwe en gebruikte exclusieve horloges. [naam onderneming] is volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel gestart per [datum] augustus 2008.

1.2.

Daarnaast bezat eiser van 31 januari 2008 tot 11 oktober 2010 25% van de aandelen van de op 31 januari 2008 opgerichte en in Dubai gevestigde limited liability company [Y] L.L.C.

1.3.

Na uitnodiging daartoe, heeft eiser op 17 juni 2009 zijn aangifte IB/PVV 2008 ingediend. Eiser heeft zijn aangifte IB/PVV 2009, eveneens na uitnodiging daartoe, op 6 mei 2010 gediend, en herzien bij aangiften van 17 september 2010 en 1 november 2010. De aangifte IB/PVV 2010 heeft eiser na uitnodiging daartoe op 26 mei 2011 ingediend.

1.4.

Met dagtekening 28 december 2009 wordt de definitieve aanslag IB/PVV 2008 aan eiser opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.560.

1.5.

Met dagtekening 9 juli 2010 is aan eiser overeenkomstig de op 6 mei 2010 ingediende aangifte, een (tweede) voorlopige aanslag IB/PVV 2009 opgelegd. Met dagtekening 1 oktober 2010 wordt de definitieve aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.967 opgelegd, overeenkomstig de op 6 mei 2010 ingediende aangifte. Met dagtekening 19 april 2011 wordt aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd naar aanleiding van de op 1 november 2010 ingediende aangifte, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.630.

1.6.

Naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2010 heeft verweerder, overeenkomstig de aangifte, de voorlopige aanslag IB/PVV 2010 aangepast naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.576.

1.7.

Op 2 november 2010 heeft de belastingdienst aangekondigd een boekenonderzoek uit te gaan voeren bij eiser/ [naam onderneming] . De reikwijdte van het onderzoek, na uitbreiding hiervan op 13 juli 2011, is: de aanvaarbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2008 tot en met 31 maart 2011 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2010, waarbij het onderzoek zich beperkt heeft tot de onderdelen ‘belastbare winst’ en ‘belastbaar loon’. Het rapport van het boekenonderzoek is op 23 mei 2012 gereed gekomen.

1.8.

Bij het onderzoek (zie 1.7) is gebruik gemaakt van informatie van de Belastingdienst FIOD en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), waaronder vastgelegde tapgesprekken. Bijlage 11 van het rapport van het boekenonderzoek (zie 1.7) bevat de navolgende citaten uit tapgesprekken [ntv houdt in niet te verstaan]:
(Citaten uit Onderzoeksproces-verbaal van 11 april 2011)
X: de boekhouding , dit zijn hele lijsten van wat er allemaal verkocht is het afgelopen jaar zeg maar, wat zijn het voor lijsten een stuk of 214, hier staat alle wat verkocht is, dit is voorraad van ons, dit zijn die mooie dingen, ntv, die ik weg heb gelegd
(…)
X: Dan heb ik hiero een lijst met declaraties en kosten …. Die hoort dan weer hier bij. Zeg maar. Dat zijn de kosten van ons zwart bedrijf, mensen die ik heb moeten laten rijden, heel veel taxaties. Klokkies, polijstwerk, nou dat staat hier allemaal bij, taxaties, kosten zeg maar. Dit is aanzienlijk gedaalt ten opzichte van vorig jaar zeg maar, dat is logisch want omdat het ook niet druk is geweest. Hé?
(…)
X: ja, ’t is tot 15 februari natuurlijk hé? Dit is allemaal een nieuwe lijst. Dat moest ik wel want anders zit ik met mijn kascontrole.
(…)
X: Kijk dit is zeg maar, dat hou ik ook op de computer bij
F: en die kosten, eh die kostenlijst NTV
X: dat zij kosten, dat zijn kosten van mijn zwarte bedrijf
F: ja, van het zwarte bedrijf , Okee
X: als ik van mijn witte bedrijf, de kosten allemaal moet laten doen, zoals de benzinekosten, dat al betaal ik allemaal zelf, dit zijn dingen
F: wat zet je nou onder dit bedrijf?
(Citaten uit Onderzoeksproces-verbaal van 2 september 2011)
M: Hé pik ik heb die boekhouding niet bij me natuurlijk he…. je belt mij gisteren en ik heb dat allemaal verstopt natuurlijk he
(…)
M: Dus ja… dit is in principe… in principe ben ik opgeroepen voor die factuur die is van het klokkie, dit is het…
F: Van die 22 ruggen
M: ja alleen ze hadden natuurlijk, ze hebben natuurlijk bij hem ook allerlei dingen, dat zei ik ook, van jouw naam eeh gevonden en zo dat stond natuurlijk allemaal in zijn computer enzo…
(…)
M: Want ik ben een belastingcontrole… dat loopt nu zeg maar… ik bedoel d’r zit van 2009… 2010 en nou had ik basis van …ntv wilde ze dat ik ook het eerste kwartaal van 2011 liet zien, nou dan blijf ik effe zo door gaan, ik kan gewoon geen reet meer doen. Ik helemaal niets meer doen, ik kan niet meer ehh… die inkoopverklaringen niet meer maken…ik kan door de telefoon niets meer doen, het is gewoon kut… dus ik wacht het gewoon nu af. Ik doe heel weinig ik doe rustig, ik wacht het af als ze er mee komen zometeen…ntv…ik zal wel moeten betalen iets of zo weet ik veel en dan nok ik er mee…”.

1.9.

Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek worden de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008, 2009 met dagtekening 23 juni 2012, en de aanslag IB/PVV 2010 met dagtekening 13 november 2014 als volgt berekend en opgelegd:

1.10.

De correcties zijn in het rapport van het boekenonderzoek als volgt gespecificeerd:

De correctie 3.1.1.1 betreft op de privé-rekening ten name van eiser ontvangen bedragen en 3.1.1.2. contante stortingen op die rekening. Daarvan is een specificatie bij het controlerapport gevoegd. Over de correctie 3.1.3.1. is het volgende in het rapport vermeld:

"Uit een derdenonderzoek bij het Transportbedrijf [A] is het volgende gebleken, In de jaren 2009 en 2010 zijn goederen van [naam onderneming] afgeleverd in Duitsland waarvan wij geen verkoopfacturen in de administratie van [naam onderneming] hebben aangetroffen. Het gaat om de leveringen genoemd in de bijlagen 7 en 8. De waarde van de goederen is volgens [A] e.K. de waarde die [naam onderneming] aan hen heeft doorgegeven in verband met de verzekering van de goederen."

De eerste twee vermelde correcties in paragraaf 3.1.5.1 betreffen correcties op basis van emailverkeer tussen eiser en [B] , waaruit verweerder afleidt dat eiser contant een horloge heeft verkocht.
De correcties bij 5.1.1. betreffen correcties op basis van onderzoek van de Duitse fiscus. Het gaat om twee facturen waarvan de Duitse fiscus heeft geconstateerd dat deze terecht door [C] als intracommunautaire leveringen zijn aangemerkt.

1.11.

Verweerder heeft de tegen de aanslagen gemaakte bezwaren ontvangen op 13 juni 2012 (2008 en 2009) en 14 november 2014 (2010) en heeft bij uitspraken op bezwaar de belastbare inkomens in box 1 als volgt berekend en verminderd:

Daarbij is verweerder uitgegaan van een gecorrigeerde omzet in 2008 groot € 600.697 en een brutowinst van 20/120 x € 600.697 = € 100.116. Voor 2009 is uitgegaan van een gecorrigeerde omzet groot € 2.249.886 en een brutowinst van € 242.927 en voor 2010 van een gecorrigeerde omzet groot € € 2.149.000 en een brutowinst van € 178.468.

1.12.

Eiser is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2410 veroordeeld voor het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen en het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl hij daartoe ingevolge de belastingwet verplicht is, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

1.13.

Bij brief van 13 december 2017 heeft verweerder aangegeven dat bij de berekening van de winstcorrecties abusievelijk een verschuiving heeft plaatsgevonden en dat de MKB-winstvrijstelling ten onrechte niet is toegepast. De consequenties daarvan zijn dat de redelijke schatting van het belastbaar inkomen na correctie van die omissies uitkomt op een belastbaar inkomen voor 2008 van € 137.200, voor 2009 van € 229.045 en voor 2010 van € 190.247.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen 2008 en 2009 en de aanslag 2010 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Met betrekking tot het jaar 2009 is tevens in geschil of verweerder over een navordering rechtvaardigend nieuw feit beschikt. Tot slot is in geschil of verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in de bezwaarfase.


Vooraf omtrent de ontvankelijkheid van de bezwaren 2008 en 2009

3. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 zijn met dagtekening 23 juni 2012 aan eiser opgelegd. Reeds op 13 juni 2012 heeft verweerder de bezwaren tegen die navorderingsaanslagen ontvangen.

4. Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser uit het controlerapport met dagtekening 23 mei 2012 (1.7) redelijkerwijs kunnen afleiden dat de navorderingsaanslagen reeds tot stand waren gekomen. Dit heeft verweerder ter zitting bevestigd. Eisers bezwaren zijn derhalve terecht ontvankelijk verklaard door verweerder.
Nieuw feit 2009

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten aanzien van 2009 niet over een nieuw feit beschikt, aangezien reeds op 19 april 2011 een eerdere navorderingsaanslag is opgelegd en het boekenonderzoek op dat moment al enige maanden liep. De redenen waarom verweerder heeft nagevorderd waren hem ruim voorafgaande aan 19 april 2011 al bekend, aldus eiser.

7. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan verweerder de te weinig geheven belasting navorderen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw rust op verweerder.

8. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat de redenen om na te vorderen hem voorafgaande aan 19 april 2011 bekend waren. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat op 2 november 2010 het boekenonderzoek is aangekondigd, echter, in de aankondiging staat vermeld dat de controle zich in eerste instantie zou richten op het juist toepassen van de regelgeving met betrekking tot de omzetbelasting. Pas later is het onderzoek uitgebreid met onder meer een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2009 en 2010, waarbij het onderzoek zich beperkt tot het element ‘belastbare winst uit onderneming’. Deze uitbreiding van het onderzoek is op 13 juli 2011 aangekondigd (zie 1.7).

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, mede gelet op de ondersteuning daarvan door de gedingstukken, aannemelijk gemaakt dat aanwijzingen voor uitbreiding van het boekenonderzoek en naar de grondslagen voor de in juni 2012 opgelegde navorderingsaanslag, hem vóór het opleggen van de eerste navorderingsaanslag in april 2011niet bekend waren. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt verweerder dan ook over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.
Vereiste aangifte

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften heeft gedaan, waardoor sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, zodat het aan eiser is om overtuigend aan te tonen dat de aanslagen onjuist zijn. Onder verwijzing naar het controlerapport, stelt verweerder dat de gecorrigeerde bedragen zowel in absolute als in relatieve zin dusdanig afwijken van de in de aangiften aangegeven belastbare inkomens dat over de in geding zijnde jaren niet de vereiste aangiften zijn gedaan.

11. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de AWR, voor zover van belang, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

12. Niet in geschil is, dat eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Het is derhalve eerst aan verweerder om aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Tevens is vereist dat het bedrag van de IB/PVV, dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan IB/PVV niet zou worden geheven (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083).

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de correcties “ontvangsten op privé-rekening” (3.1.1.1), contante stortingen (3.1.1.2.), “niet verantwoorde omzet”, afkomstig uit derdenonderzoek (3.1.3.1) en “niet verantwoorde omzet, afkomstig uit verkopen via email (3.1.5), “ [C] ” (5.1.1) - zoals onderbouwd in het controlerapport en de daarbij behorende bijlagen - aannemelijk gemaakt dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarbij tekent de rechtbank aan dat verweerder weliswaar in het rapport van onderzoek de winstcorrectie onder 3.1.3.1 abusievelijk -zo volgt ook uit de brief van 13 december 2017 (zie 1.13)- in de kolom van de jaren 2008 en 2009 heeft opgenomen, maar dat correctie daarvan bij de juiste jaren (2009 en 2010) dat niet anders maakt. De bewustheid van eiser, dus dat eiser ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moet zijn geweest, dat door het indienen van aangiften met gebreken een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, vloeit naar het oordeel van de rechtbank reeds voort uit de omvang van de niet aangegeven, op de privérekening ontvangen omzet. Dit wordt bevestigd door de tapgesprekken (1.8) die als bijlage bij het rapport van het boekenonderzoek zijn gevoegd.

14. De rechtbank stelt voorts vast dat bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan, de aangifte als geheel in aanmerking dient te worden genomen (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

15. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Dit leidt ertoe dat eiser moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (zie artikel 27e AWR).
Redelijke schatting

16. De omkering en verzwaring van de bewijslast neemt niet weg dat verweerder de (navorderings)aanslagen moet baseren op een redelijke (niet-willekeurige) schatting (zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BX7184). In zijn brief van 13 december 2017 (zie 1.13) heeft verweerder een nieuwe schatting van het inkomen over de jaren 2008, 2009 en 2010 gegeven. Dit omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de MKB-winstvrijstelling en sprake was van toerekening aan onjuiste jaren van de in het rapport vermelde correctie onder 3.1.3.1., te weten de meer omzet van € 12.185 aan 2008 in plaats van aan 2009 en van € 112.437 aan 2009 in plaats van aan 2010. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het beroep gegrond is en dat het belastbaar inkomen dient te worden vastgesteld op € 137.200 voor 2008, € 229.045 voor 2009 en € 190.247 voor 2010. Door eiser zijn deze door verweerder berekende, nieuwe geschatte belastbare inkomens niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder voorgestane, nieuw berekende belastbare inkomens niet onredelijk hoog zijn en de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. De betreffende schattingen zijn gebaseerd op de eigen administratie van eiser, voor zover aanwezig en raadpleegbaar, de gegevens van de bankrekeningen van eiser, alsmede op de resultaten van derdenonderzoeken.

17. De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen hij (overigens) heeft aangevoerd niet overtuigend heeft aangetoond dat de door verweerder thans voorgestane belastbare inkomens lager moeten zijn dan in de brief van 13 december 21017 is berekend. Eisers weinig, althans niet voldoende, onderbouwde stellingen dat verweerder geen rekening houdt met inkopen die samenhangen met de niet-verantwoorde omzet, de winstcorrecties willekeurig zouden zijn, verweerder niet aangetoond zou hebben dat contante stortingen geen niet verantwoorde omzet betreft en contante opnamen stortingen zouden zijn, zijn onvoldoende om dit overtuigend aan te tonen.

18. Eisers beroep op het verdedigingsbeginsel, inhoudende dat -zo begrijpt de rechtbank uit zijn brief van 18 mei 2012- hij voor de oplegging van het conservatoir beslag geen gelegenheid heeft gehad zich te verdedigen en wenst dat hij zijn gehele in beslag genomen administratie retour zal ontvangen, alsmede spoedig een voor bezwaar vatbare beslissing zal ontvangen, behoeft geen bespreking in het kader van dit beroep.

Proceskosten in bezwaar

19. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft ontvangen. Verweerder heeft aangegeven dat dit aan zijn aandacht was ontsnapt, en heeft alsnog, naar het oordeel van de rechtbank terecht, € 610 aan proceskostenvergoeding uitbetaald.
Conclusie

19. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar. De rechtbank vermindert de aanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.200 voor 2008, € 229.045 voor 2009 en € 190.247 voor 2010. De rechtbank vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig.

19. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift van € 501, een wegingsfactor 1 en uitgaande van samenhangende zaken). De proceskosten in bezwaar zijn reeds door verweerder vergoed (zie 19.).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.200;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 229.045;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 190.247;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 135 (3x € 45,00) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 501.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. A.M.A.M. Kager en mr. B.F. Schuver, leden, in aanwezigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018

w.g. griffierw.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.