Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1828

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
18/850010-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak betrokkenheid hennepteelt in bedrijfspand met broer. Het dossier bevat weliswaar indirecte bewijsmiddelen die duiden op betrokkenheid van verdachte bij de teelt of aanwezigheid van hennep in het pand in de ten laste gelegde periode, maar deze bewijsmiddelen zijn, ook indien deze in onderling verband worden beschouwd, onvoldoende sterk om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat hiervan sprake was. Wel veroordeling voor hennepteelt in de eigen woning van verdachte en het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Schending redelijke termijn. Oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850010-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 mei 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 maart 2018 en 17 april 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2014 tot 10 februari 2015,

in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf,

in een loods/pand gelegen aan de [straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela,

en/of in een of meer units/ruimtes in dat pand (ook) aangeduid als

[straatnaam] [nummer] en/of [nummer] en/of [nummer] en/of [nummer] te Nieuwe Pekela,

een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

de rechtspersoon/rechtspersonen [bedrijf 1] en/of

[bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]

en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]

en/of [bedrijf 6] ,

in of omstreeks de periode van 24 juni 2014 tot 10 februari 2015,

in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke persoon/personen

en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen,

opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf,

in een loods/pand gelegen aan de [straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela,

en/of in een of meer units/ruimtes in dat pand (ook) aangeduid als

[straatnaam] [nummer] en/of [nummer] en/of [nummer] en/of [nummer] te Nieuwe Pekela,

een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

tot welk(e) feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander, althans

alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en)

verdachte tezamen en in verenging met een ander, althans alleen, feitelijk

leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen in of

omstreeks de periode van 24 juni 2014 tot 10 februari 2015, in de gemeente

Pekela, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen,

opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (in een of meer units)

in een pand aan [straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela, een (grote) hoeveelheid

hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte toen daar

in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,

door opzettelijk aan die [medeverdachte] en/of onbekend gebleven persoon/personen

voornoemd(e units in het) pand voor de teelt en/of de bereiding en/of

bewerking en/of verwerking, althans het aanwezig hebben, van hennepplanten

ter beschikking te stellen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 februari 2015, in de gemeente Pekela, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

aanwezig heeft/hebben gehad, (in een of meer units) in een pand aan

[straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela, een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2015 in verdachtes woning te [woonplaats] ,

althans in de gemeente Menterwolde, een wapen van categorie III, te weten een

semiautomatisch pistool, merk Crevena Zavasta, model M 70, kaliber 7,65 mm,

en/of munitie van categorie III, te weten 24 (bijbehorende) kogelpatronen,

voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 12 februari 2011,

in elk geval de periode van 1 oktober 2009 tot en met 1 mei 2014,

gedurende (ongeveer) drie maanden in die periode,

te [woonplaats] , althans in de gemeente Menterwolde, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een kleder van verdachtes

woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 430 hennepplanten, althans een groot

aantal/grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 primair ten laste gelegde gevorderd.

Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat uit het dossier is gebleken dat in het bedrijfspand aan [straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela hennep aanwezig is geweest en is geteeld, bewerkt en verwerkt en dat voorts uit diverse omstandigheden volgt dat verdachte met zijn broer een rol heeft gehad bij die hennepteelt. Verdachte en zijn broer zijn namelijk gezamenlijk eigenaar van het gehele pand, terwijl op de datum van aanhouding geen sprake was van verhuur. Daarnaast zijn vingerafdrukken van verdachte en zijn broer aangetroffen op goederen die rechtstreeks verband houden met de hennepteelt. In de auto en in de woning van verdachte zijn verder veel aantekeningen gevonden die zonder twijfel gaan over de teelt van hennep. Ondersteunend daaraan acht de officier van justitie dat beide verdachten in het bezit waren van wapens, veel gebruik maken van contant geld en auto's en andere uitgaven hebben die niet passen bij hun inkomen. In de visie van de officier van justitie is bovendien te bewijzen dat verdachte en zijn broer in de ten laste gelegde periode hennep hebben geteeld. Hij wijst op de positieve netwerkmetingen, de hoge temperatuur in de droogruimte ten tijde van de doorzoeking, de bevindingen naar aanleiding van de camerabeelden, de omstandigheid dat het gehele pand vol lag met hennepgerelateerde goederen en de ongeloofwaardige of kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte op diverse punten. Gelet op bovenstaande resultaten, in onderling verband en samenhang bezien, acht de officier van justitie dit feit wettig en overtuigend te bewijzen.

Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten gevorderd, ten aanzien waarvan verdachte bekennende verklaringen heeft afgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte actief betrokken is geweest bij de in het pand aangetroffen en op dat moment niet meer in werking zijnde hennepkwekerij. Hij heeft aangevoerd dat het aanwezige indirecte bewijs onvoldoende is om tot een veroordeling te komen.

De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten worden door verdachte bekend en kunnen worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat op 10 februari 2015 in de loods van het bedrijf van verdachte en zijn broer een ontmantelde hennepkwekerij en -drogerij is aangetroffen. Op diverse plaatsen in het pand werden daarnaast hennepgerelateerde goederen gevonden. Ook volgt uit het dossier dat in (een deel van) het betreffende pand eerder, te weten in de periode voorafgaand aan 21 maart 2012, door een huurder een hennepstekkerij was gevestigd. In de woning en auto van verdachte zijn bovendien diverse aantekeningen met daarop berekeningen die kennelijk zien op de productie van hennep inbeslaggenomen.

In het dossier bevinden zich geen verklaringen van getuigen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode in het betreffende pand bezighield met hennepteelt. De positieve netwerkmetingen hadden betrekking op een kabel waarop, naast het pand van verdachte, meerdere andere panden waren aangesloten. De beschrijvingen van de camerabeelden duiden evenmin direct op de teelt van hennep. Voorts is over de aangetroffen natte potgrond, hennepresten en de hoge temperatuur in de droogruimte door de verbalisanten dermate summier gerelateerd, dat daaraan geen concrete conclusies ten aanzien van de teelt, dan wel de aanwezigheid van hennep in de tenlastegelegde periode kunnen worden verbonden.

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij enige hennepteelt in het pand. Hij heeft naar voren gebracht dat de hennepgerelateerde goederen die zich in zijn loods bevonden, zijn achtergelaten door voormalige huurders die zich bezighielden met hennepteelt en dat hij en zijn broer deze, bij gebrek aan nieuwe huurders, enkel hebben verplaatst, hetgeen zijn vingerafdrukken verklaart. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze verklaring van verdachte onvoldoende door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen weerlegd.

Al met al moet worden geconcludeerd dat het dossier weliswaar indirecte bewijsmiddelen bevat die kunnen duiden op betrokkenheid van verdachte bij de teelt of aanwezigheid van hennep in het pand aan de [straatnaam] [nummer] te Nieuwe Pekela in de ten laste gelegde periode, maar dat deze bewijsmiddelen, ook indien deze in onderling verband worden beschouwd, onvoldoende sterk zijn om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat hiervan sprake was.

Feiten 2 en 3

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2018 en 17 april 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 februari 2015, opgenomen op pagina 720 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 01MOR14021-JUS-001/01-2014068615 d.d. 9 november 2015, inhoudende de verklaring van verdachte;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 24 februari 2015, opgenomen op pagina 657 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een proces-verbaal inbeslaggenomen vuurwapen en munitie;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 februari 2015, opgenomen op pagina 283 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een proces-verbaal binnentreden woning.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 10 februari 2015 in verdachtes woning te [woonplaats] een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool, merk Crevena Zavasta, model M 70, kaliber 7,65 mm,

en munitie van categorie III, te weten 24 bijbehorende kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 12 februari 2011, gedurende ongeveer drie maanden in die periode, te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft geteeld in een kelder van verdachtes woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 430 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft hierbij aangegeven dat hij een gevangenisstraf van 15 maanden passend had gevonden, indien geen sprake was geweest van een lang tijdsverloop.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, nu geen sprake is van een bijzonder hoog recidiverisico. Daarnaast kan een werkstraf voor de duur van 240 uren worden opgelegd. De raadsman heeft zich hierbij gebaseerd op de oriëntatiepunten van het LOVS.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep in zijn woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald. De handel in en het gebruik van verdovende middelen gaat bovendien vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte heeft daaraan welbewust een bijdrage geleverd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Hiermee heeft verdachte een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen veroorzaakt, dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie met zich brengt.

Verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie eerder onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten in beginsel de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden op zijn plaats is. Hierbij heeft rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten waarin voor het voorhanden hebben van een pistool als uitgangspunt 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voor een hennepkwekerij als de onderhavige als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren en 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gehanteerd. Dat het vuurwapen is aangetroffen in een woning waar (eerder) hennep werd geteeld, werkt hierbij strafverhogend.

De rechtbank constateert echter dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, nu de berechting van de strafzaak in eerste aanleg pas ruim 3 jaren na aanvang van de termijn is afgerond. Verdachte heeft hierdoor langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging moeten leven, hetgeen in dit geval nog zwaarder op verdachte heeft gedrukt omdat hij al die jaren ook de consequenties heeft ondervonden van het in strafrechtelijk kader gelegde (conservatoir) beslag op zijn (onroerende) goederen. De rechtbank ziet hierin aanleiding het tijdsverloop te vertalen in de strafmodaliteit, in die zin dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, maar zal volstaan met de oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar vanwege het tijdsverloop passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 uren zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.W.B. Venema en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2018.

Mrs. Venema en Van Sloten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.