Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1719

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
18/820322-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:6432
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van tien slachtoffers verspreid over een periode van vier jaren. In totaal heeft hij zijn slachtoffers voor een bedrag van ongeveer € 28,000,00 opgelicht. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de algemene en bijzondere voorwaarden, zoals de reclassering deze heeft geadviseerd. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820322-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 mei 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.B. Flooren, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2016 tot 25 oktober 2016 te

Groningen, althans in Nederland, meermalen op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het

verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan

van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten één of meer geldbedragen (met een totaal van 360 euro), door - zich voor te doen als penningmeester en/of bestuurslid van [voetbalclub 1]

en/of - aan die [slachtoffer 1] te vertellen dat hij haar contributie bij [voetbalclub 1]

en/of [voetbalclub 2] ging regelen en/of - die [slachtoffer 1] een (vals/vervalst) betalingsbewijs te overhandigen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot 29 juni 2017 te Groningen,

althans in Nederland, meermalen op verschillende tijdstippen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [slachtoffer 2] en/of - [slachtoffer 3] en/of - [slachtoffer 10] en/of - [slachtoffer 4] en/of - [slachtoffer 5] en/of - [slachtoffer 6] en/of - [slachtoffer 7] en/of - [slachtoffer 8] en/of - [slachtoffer 9] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het

ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een inschuld, te weten één of meer geldbedragen (met een totaal van 29.242,10 euro), door aan voornoemde personen (in strijd met de waarheid) te vertellen dat hij,

verdachte, (direct) geld nodig had - omdat hij openstaande rekeningen moest betalen en/of - omdat zijn portemonnee gestolen was en/of - omdat hij een betalingsachterstand had bij de Belastingdienst en/of - omdat hij korting kon regelen bij Ziggo en/of - omdat hij een taxi moest betalen en/of - omdat hij een boete moest betalen en/of - omdat hij ziektekosten moest betalen vanwege een SOA en/of aan voornoemde personen te beloven dat hij de verkregen bedragen terug zou

betalen, terwijl verdachte wist dat hij de bedragen niet terug kon betalen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot 29 juni 2017 te

Groningen, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of

enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te

weten afvallen en/of het maken en/of versturen van filmpjes waarop die

[slachtoffer 3] zichzelf weegt en/of het maken van foto's waarop die [slachtoffer 3] sportend

te zien is, door die [slachtoffer 3] meermalen op een dwingende wijze en/of met krachttermen

en/of met scheldwoorden te appen dat zij voornoemde filmpjes en/of foto's moet

versturen en/of moet afvallen.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende bewezen kan worden dat door het sturen van WhatsApp-berichten met krachttermen en scheldwoorden sprake is van het wederrechtelijk dwingen door verdachte van aangeefster [slachtoffer 3] om af te vallen of filmpjes en foto's daarvan aan hem te sturen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie en heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat, hoewel zij het handelen van verdachte in deze, moreel verwerpelijk acht, zij met de officier van justitie en de verdediging van oordeel is dat dwang in strafrechtelijke zin niet is te bewijzen, nu niet is gebleken van wederrechtelijk handelen door verdachte als bedoeld in artikel 284 Sr. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte het feit heeft erkend. Het ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 26 oktober 2016, opgenomen op pagina 158 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016305315 d.d. 12 juli 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 2 ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich telkens met leugens heeft voorgedaan als iemand met een grote diversiteit aan betalings- en/of geldproblemen en daarbij beloofde hij dat hij terug zou betalen en presenteerde hij zichzelf ook als iemand die daartoe capabel was, wetende dat hij deze bedragen niet terug kon betalen. Verdachte heeft volgens een vergelijkbaar patroon een vertrouwensrelatie geveinsd en vervolgens mensen met smoesjes mensen bewogen tot het betalen van grote geldbedragen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte niet met een vooropgezet plan aangevers heeft bewogen om hem geld te lenen. Hij heeft om hulp gevraagd, omdat hij daadwerkelijk achterstanden had met betalingen. Er waren schulden. Verdachte had de bedoeling om alles terug te betalen. Hij ging met een deel van het verkregen geld gokken, omdat hij een grote klapper hoopte te maken en daarna iedereen zou kunnen terugbetalen. Verdachte heeft erkend dat de aangevers, te weten [slachtoffer 10] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9], hem geld hebben geleend, maar hierbij was geen sprake van een valse hoedanigheid dan wel dwang. Hij heeft erkend dat hij bij [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] smoesjes heeft gebruikt, omdat hij op dat moment aan het gokken was en direct geld nodig had.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde ten aanzien van de feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2017, opgenomen op pagina 300 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016305315 d.d. 12 juli 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 19 april 2017, opgenomen op pagina 309 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 mei 2017, opgenomen op pagina 406 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 10] .

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 april 2017 op pagina 453 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 513 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 april 2017, opgenomen op pagina 543 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] .

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 april 2017, opgenomen op pagina 605 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] .

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2017, opgenomen op pagina 629 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 8] .

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2017, opgenomen op pagina 662 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9] .

11. een schriftelijk bescheid, te weten een door verdachte opgemaakt document ' [naam plan] ' waarin hij aangeeft de schulden aan [slachtoffer 9] terug te betalen wanneer dat mogelijk is, pagina 670 van het voornoemd dossier.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie wordt voorop gesteld dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot onder meer de afgifte van een goed. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft in onderhavige zaak erkend dat hij van de in de tenlastegelegde genoemde aangevers geld heeft geleend. Zo heeft hij hen gezegd dat hij geld nodig had, omdat hij onder meer openstaande rekeningen had, ziektekosten moest betalen of een betalingsachterstand bij de Belastingdienst had. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij deze redenen zowel als werkelijke redenen, als ook als smoes vertelde om aan geld te komen. Voorts heeft hij het vertrouwen gewekt dat het ging om leningen die door hem zouden worden terugbetaald. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij slechts een derde deel van het geleende geld gebruikte voor de genoemde doeleinden en voor het overige gebruikte hij het geld om te gokken. Het ging hierbij veelal om vrouwelijke slachtoffers met wie hij een vertrouwensrelatie opbouwde, die hij vrijwel dagelijks, soms meermalen per dag om geld vroeg en waarmee hij in een aantal gevallen een al dan niet intieme relatie had. Verdachte heeft verklaard dat hij zei dat hij openstaande rekeningen moest betalen, omdat ze hem op die manier makkelijker geld gaven. Vervolgens ging het grootste deel van het geleende geld op aan zijn gokverslaving. In reactie op de aangiftes van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] heeft verdachte verklaard dat hij om geld vroeg voor respectievelijk de Belastingdienst en een verloren portemonnee, terwijl hij op dat moment in het casino was en daar geld voor nodig had.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op het moment dat hij de slachtoffers om geld vroeg, wist dat hij het geld niet zou kunnen terugbetalen en wist dat de drang om het geld te vergokken te groot voor hem was. De rechtbank merkt op dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte elke keer hoopte op de zogenaamde grote klapper waarna hij iedereen zou kunnen terugbetalen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in het geheel geen reële verwachting geweest.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank met leugenachtige mededelingen een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Hij heeft zich daarbij voorgedaan als iemand die de geleende geldbedragen zou kunnen terugbetalen. Hij zei onder meer dat hij bij Tele2 aan het werk was, dat hij door de voetbalvereniging werd betaald, dat hij geld nodig had zodat een blokkade van de bank opgeheven zou worden en hij het geleende geld kon terugbetalen. Ook heeft hij een keer een document opgesteld waarin hij vroeg om 250 euro en beloofde dat het de laatste keer is geweest en dat hij het geleende geld zou terugbetalen. Verdachte heeft met deze misleidende handeling bewust geprobeerd vertrouwen te wekken om alsnog geld te verkrijgen.

De rechtbank is gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen van oordeel dat het handelen van verdachte te kwalificeren is als oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de slachtoffers mede onder invloed van de door de desbetreffende oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken zijn bewogen tot de afgifte van verschillende geldbedragen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 22 februari 2016 tot 25 oktober 2016 te Groningen meermalen op verschillende tijdstippen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer geldbedragen (met een totaal van 360 euro), door

- zich voor te doen als penningmeester en/of bestuurslid van [voetbalclub 1] en/of

- aan die [slachtoffer 1] te vertellen dat hij haar contributie bij [voetbalclub 1] en/of [voetbalclub 2] ging regelen en/of

- die [slachtoffer 1] een vals betalingsbewijs te overhandigen;

2.

hij in de periode van 1 juni 2013 tot 29 juni 2017 te Groningen meermalen op verschillende tijdstippen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 2] en/of

- [slachtoffer 3] en/of

- [slachtoffer 10] en/of

- [slachtoffer 4] en/of

- [slachtoffer 5] en/of

- [slachtoffer 6] en/of

- [slachtoffer 7] en/of

- [slachtoffer 8] en/of

- [slachtoffer 9]

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer geldbedragen, door aan voornoemde personen in strijd met de waarheid te vertellen dat hij, verdachte, (direct) geld nodig had

- omdat hij openstaande rekeningen moest betalen en/of

- omdat zijn portemonnee gestolen was en/of

- omdat hij een betalingsachterstand had bij de Belastingdienst en/of

- omdat hij een taxi moest betalen en/of

- omdat hij een boete moest betalen en/of

- omdat hij ziektekosten moest betalen en

aan voornoemde personen te beloven dat hij de verkregen bedragen terug zou betalen, terwijl verdachte wist dat hij de bedragen niet terug kon betalen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Oplichting, meermalen gepleegd

2. Oplichting, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de algemene en bijzondere voorwaarden, zoals de reclassering dit heeft geadviseerd, te weten een meldplicht bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), een ambulante behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) en financiële begeleiding.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor het enkel opleggen van een taakstraf. Sinds zijn aanhouding heeft verdachte goede stappen gezet en een gevangenisstraf is niet in het belang van hem of van de slachtoffers.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en uit de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van tien slachtoffers verspreid over een periode van vier jaren. In totaal heeft hij zijn slachtoffers voor een bedrag van ongeveer € 28,000,00 opgelicht. Verdachte heeft aangegeven dat hij een radar had voor het uitzoeken van personen die niet al te moeilijk zouden doen wanneer hij niet terugbetaalde. Hij heeft een aantal slachtoffers over een lange periode steeds maar weer bewogen tot afgifte van geld, zodat de totale bedragen zijn opgelopen tot duizenden euro's per persoon, waarbij door zijn toedoen sommige slachtoffers zelf in financiële problemen zijn gekomen. Verdachte is pas gestopt toen de politie hem heeft aangehouden. Al die tijd heeft hij zijn manier van leven verborgen en in stand gehouden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bewust kwetsbare slachtoffers heeft uitgezocht en misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem stelden, alleen voor zijn eigen financiële gewin.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte door gokproblemen, financiële problemen, het moeilijk kunnen omgaan met teleurstellingen en het hoog houden van zijn imago is gekomen tot zijn handelen. Verdachte is gevoelig gebleken voor justitiële druk en gemotiveerd voor hulpverlening. De reclassering verwacht dat ambulante behandeling bij de AFPN gericht op aanpak van de gokproblematiek en vergroting van de copingvaardigheden een positief effect zal hebben op het recidiverisico.

De rechtbank heeft gezien zijn houding ter terechtzitting niet de indruk dat verdachte oprechte spijt heeft van zijn daden, althans niet naar de slachtoffers toe. De rechtbank heeft dan ook niet het vertrouwen dat verdachte, als hij niet door de politie was aangehouden, uit zichzelf met zijn gedragingen zou zijn gestopt en dit houdt in dat zij het noodzakelijk acht verdachte voor de toekomst een duidelijk signaal mee te geven. Gelet op de ernst van de feiten, de vele slachtoffers, de hoogte van de benadeling en de lange pleegperiode acht de rechtbank anders dan de officier van justitie, en ondanks het feit dat verdachte first offender is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend en geboden. Bij het voorwaardelijke strafdeel zal zij een proeftijd van twee jaren opleggen en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering deze heeft geadviseerd. Daarnaast zal zij een taakstraf opleggen van na te melden duur.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 1.500,00 ter zake van materiële schade en € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 1.026,73 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 4.356,14 ter vergoeding van materiële schade en € 250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 9] , tot een bedrag van € 10,000,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

5. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 5.000,00 vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

1. Ten aanzien van [slachtoffer 4] is de gevorderde schade deels niet te kenmerken als rechtstreekse schade en voor zover ze wel rechtstreeks is, kan dit niet goed worden beoordeeld. De vordering zal niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

2. Ten aanzien van [slachtoffer 5] is de schadeclaim reeds door de civiele rechter toegewezen, zodat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Wel dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden ten hoogte van € 750,00.

3. Ten aanzien van [slachtoffer 6] is de schadeclaim reeds door de civiele rechter toegewezen, zodat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Wel dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden ten hoogte van € 2.700,00.

4. Ten aanzien van [slachtoffer 9] komt uit de aangifte naar voren dat zij in december 2016 tot een bedrag van € 5.190,00 heeft gegeven aan verdachte en in 2017 nog geen € 4.590,00 heeft gegeven aan verdachte, zodat de vordering kan worden toegewezen tot € 9.780,00 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5. Ten aanzien van [slachtoffer 2] is het deel van de schade dat bestaat uit kosten die zij heeft gemaakt voor haar dochter geen rechtstreekse schade. Uit de aangifte blijkt dat zij zelf € 800,00 aan verdachte heeft gegeven. De vordering kan tot dit bedrag worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

1. Ten aanzien van [slachtoffer 4] maakt de gevorderde materiële schade geen deel uit van het tenlastegelegde, zodat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het immateriële schadebedrag is voorts disproportioneel.

2. Ten aanzien van [slachtoffer 5] is het schadebedrag vastgelegd in een civielrechtelijk vonnis. De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Tegen de door de officier van justitie gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt geen verweer gevoerd.

3. Ten aanzien van [slachtoffer 6] is een deel vastgelegd in een civielrechtelijk vonnis. De vordering moet ten aanzien van dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast zijn er deurwaarderskosten gemaakt. Dat schadebedrag is duidelijk. De immateriële schade is niet gevorderd. De raadsvrouw heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4. Ten aanzien van [slachtoffer 9] heeft de verdachte een schadebedrag van € 5.000,00 erkend. De overige gevorderde schade wordt door hem niet bevestigd. De vordering kan deels worden toegewezen.

5. Ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft verdachte het schadebedrag van € 5.000,00 erkend.

Het bedrag kan worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is de gevorderde materiële schade aan de auto van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geen rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. Het immateriële schadebedrag is niet goed onderbouwd, zodat niet duidelijk is geworden in hoeverre de gestelde psychische schade veroorzaakt is door het bewezenverklaarde, dan wel door de stalking waarvan [slachtoffer 4] aangifte heeft gedaan. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

2. Vast staat dat verdachte door de kantonrechter bij vonnis d.d. 13 april 2016 tot het bedrag van € 750,00 aansprakelijk is gesteld voor de schade die door het bewezen verklaarde aan benadeelde partij [slachtoffer 5] is toegebracht. De rechtbank zal derhalve de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

3. Vast staat dat verdachte door de kantonrechter bij vonnis d.d. 14 maart 2017 tot het bedrag van € 2.700,00 aansprakelijk is gesteld voor de schade die door het bewezen verklaarde aan benadeelde partij [slachtoffer 6] is toegebracht. De rechtbank zal derhalve de vordering ten aanzien van dit bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

Voorts heeft benadeelde buitengerechtelijke kosten tot het bedrag van € 1.656,14 als materiële schade, alsmede immateriële schade tot een bedrag van € 250,00 gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte ten aanzien van voornoemde bedragen onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom tot zover worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2016.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen ten aanzien van de voornoemde toegewezen bedragen, alsmede het eerder door de kantonrechter toegewezen bedrag om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de stukken in het dossier voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] schade heeft geleden tot in ieder geval een bedrag van € 6.730,00. Het voornoemde bedrag bestaat uit de giraal overgeboekte bedragen van de Rabobank en de ING, alsmede het door verdachte erkende contante bedrag van totaal € 1.500,00.

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 6.730,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2016. Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Voor het overige gevorderde schadebedrag beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor het overige daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich moet melden bij de reclassering van VNN te Groningen, zo frequent en zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd nodig acht.

2. dat de veroordeelde wordt verplicht om het reeds ingezette behandeltraject bij de AFPN voort te zetten, of soortgelijke forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van zijn behandelaar en een advies voor vervolgbehandeling die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

3. dat de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan budgettering/schuldhulpverlening door een instelling voor bewindvoering, dit ter beoordeling van de reclassering.

4. dat de veroordeelde wordt verplicht openheid te geven aan de reclassering met betrekking tot (vrouwelijke) contacten, indien en zolang de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/820322-17, feit 2:

1. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

2. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] in zijn vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

3. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.904,14 (zegge: duizend negenhonderdenvier euro en veertien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 1.906,14 (zegge: duizend negenhonderdenvier euro en veertien eurocent), alsmede het eerder door de kantonrechter aan het slachtoffer [slachtoffer 6] toegewezen bedrag € 2.700,00 (zegge: tweeduizendenzevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 56 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1656,14 en € 2.700,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

4. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.730,00 (zegge: zesduizend zevenhonderdendertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] te betalen een bedrag van € 6.730,00 (zegge: zesduizend zevenhonderdendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 68 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

5. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Tapper-Wessels, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. M.B.W. Venema rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2018.

mr. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.