Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:168

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
18-830323-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld wegens medeplegen van poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 161 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 150 dagen voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden een klinische behandeling gevolgd door een ambulante behandeling. Verwerping noodweer(exces) verweer. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830323-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans verblijvende in Hoeve Boschoord, afdeling Trajectum.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september

2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- [slachtoffer] met een (bier)fles in het gezicht heeft gestoken en/of gesneden

en/of geslagen en/of geraakt en/of,

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans elders tegen het lichaam, heeft

geslagen en/of gestompt en/of geduwd, en/of geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september

2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- [slachtoffer] met een (bier)fles in het gezicht te steken en/of te snijden

en/of te slaan en/of

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans elders tegen het lichaam, te slaan

en/of te stompen en/of te duwen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd. De officier van justitie komt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier tot het oordeel dat de verklaringen van aangever en zijn vriendin moeten leiden tot een bewezenverklaring van medeplegen van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking in het handelen van verdachte en zijn medeverdachte richting het slachtoffer zodat ook het medeplegen kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een passieve rol heeft gehad in het geheel en slechts heeft gereageerd op het feit dat hij voor de tweede keer door aangever bij de keel werd gegrepen. Verdachte had in die situatie geen andere keuze dan om zich heen slaan om zich uit de greep te bevrijden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 januari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben na het eerste bezoek van de politie weggegaan. De vriendin van [slachtoffer] kwam mij weer terughalen, omdat het weer rustig was binnen. Toen we weer terug in zijn huis waren, ging hij als een gek tekeer. Ik heb om mij heen geslagen en kan hem geraakt hebben. Ik was boos op de politie, omdat ze [slachtoffer] niet wilden meenemen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2017, opgenomen op pagina D van het dossier van Politie Noord-Nederland met [nummer] , inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 9 september 2017 was ik in de avond samen met mijn vriendin [getuige 1] , [verdachte] , [medeverdachte] en zijn zoon [getuige 2] . Ik weet nog dat ik op de bank zat en dat [verdachte] mij uit het niets een vuistslag in het gezicht gaf. Ik werd steeds weer in de bank geduwd door [verdachte] . Ik zag nog dat [medeverdachte] mij met een bierfles in het gezicht sloeg. Ik voelde meteen het bloed over mijn gezicht stromen. Hierdoor heb ik een wond aan mijn neus opgelopen. Terwijl ik op de bank zat, werd ik door [verdachte] en [medeverdachte] op mijn rechter bovenbeen getrapt. Ik werd meerdere malen door [verdachte] en [medeverdachte] in het gezicht gestompt. Ik zag dat ze dit met gebalde vuisten deden. Ik zag geen kans om van de bank af te komen omdat ik continu werd teruggeduwd door [verdachte] . In het ziekenhuis is geconstateerd dat mijn neus is gebroken. Verder is mijn linker ringvinger gebroken. In mijn rechter wijsvinger zit een scheurtje in het bot.

3. Een geneeskundige verklaring, op 21 november 2017 opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts FMG, als los document gevoegd voor zover inhoudende, als verklaring:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] . SEH diagnose: wondje neusbrug en breuk van de neusbrug zonder standsafwijking van de neus. Breuk van het rechter jukbeen zonder standsafwijking. Aan de onderzijde van het middelste kootje van de linker ringvinger is een botfragmentje afgebroken. Als er inderdaad sprake is geweest van kortdurend bewustzijnsverlies is er sprake van een lichte hersenschudding. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 september 2017, opgenomen op pagina E1 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik ben de vriendin van [slachtoffer] . Zomaar uit het niets sloeg [verdachte] met kracht in het gezicht van [slachtoffer] en ik zag dat [slachtoffer] daardoor achterover viel op de bank. Ik zag dat [verdachte] op [slachtoffer] sprong en hem met zijn linker hand met kracht in het gezicht van [slachtoffer] sloeg. Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] met zijn tweeën op [slachtoffer] insloegen. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] met kracht op [slachtoffer] begonnen in te slaan en hem begonnen te trappen met hun benen. Ik zag dat [medeverdachte] een bierfles in zijn hand had en ik zag dat [medeverdachte] met deze bierfles met kracht op het hoofd van [slachtoffer] sloeg.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de GGD-arts heeft verklaard dat de door aangever geschetste toedracht goed kan passen bij het geconstateerde letsel. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen het bij aangever ontstane letsel niet verklaren. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen1 dat agenten bij het eerste contact met aangever2 letsel in zijn gezicht constateren en glasscherven3 en een kapot bierflesje in de woning aantreffen. Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte en medeverdachte in een nauwe en bewuste samenwerking aangever het letsel hebben toegebracht, onder andere door hem met een bierfles in het gezicht te slaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- [slachtoffer] met een bierfles in het gezicht heeft geslagen en,

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht heeft geslagen en gestompt en/of geduwd en geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair medeplegen van poging tot zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. Verdachte werd bij de keel gepakt op een zodanige wijze dat hij zich op geen enkele andere manier aan deze aanval kon onttrekken. Hij heeft zich tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval verdedigd. Gezien de heftige wijze waarop aangever verdachte vasthield stond dit handelen in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding door aangever.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij door een hevige gemoedsbeweging te ver is gegaan in zijn verdediging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer(-exces) niet gehonoreerd dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen noodweersituatie was, aangezien de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen uitgaat van de situatie dat het verdachte was die als eerste sloeg en na die eerste klap doorging met slaan en schoppen evenals de medeverdachte, die aangever ook met een bierfles in het gezicht sloeg. Het beroep op noodweer en daarmee noodweerexces wordt verworpen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 161 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Verdachte heeft een positieve ontwikkeling laten zien sinds zijn opname in Hoeve Boschoord en daarom vordert de officier van justitie dat aan de voorwaardelijke straf de voorwaarden van meldplicht, een klinische behandeling bij Trajectum Hoeve Boschoord van maximaal 12 maanden, aansluitend een ambulant vervolgtraject en wonen in een instelling voor begeleid wonen worden gekoppeld. Daarnaast dient een alcohol- en drugsverbod te worden opgelegd met middelencontrole.

De officier van justitie heeft hiervan dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op de avond van 9 september 2017 en in de nacht van 9 op 10 september 2017 zijn er meerdere incidenten geweest in de woning van aangever. Bij het eerste incident is de politie ook ter plaatse geweest en daarna hebben verdachte en zijn medeverdachte de woning van aangever verlaten. Verdachte en zijn medeverdachte hebben verklaard dat aangever niet zichzelf was die avond en nogal wild om zich heen sloeg. Dat heeft hen er niet van weerhouden om terug te gaan naar de woning van aangever. Niet veel later heeft een tweede incident plaatsgevonden, dat tot het medeplegen van de poging tot zware mishandeling heeft geleid. Verdachte is begonnen met slaan en vervolgens is er door zowel verdachte als zijn medeverdachte geslagen in het gezicht en getrapt tegen het lichaam van aangever. De medeverdachte heeft vervolgens aangever ook nog met een bierfles in het gezicht geslagen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben aangever hiermee letsel toegebracht en bij aangever pijn veroorzaakt. Aangever heeft hier nog een aanzienlijke periode last van gehad en de klachten aan zijn hand en zijn psychische klachten, waar aangever voor het incident al last van had, zijn hierdoor toegenomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Reclassering Nederland van

22 december 2017 waarin wordt geadviseerd een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om de reeds gestarte behandeling af te kunnen ronden die gevolgd dient te worden door een ambulante behandeling en opname in een instelling voor begeleid wonen.

Ter terechtzitting is door de reclassering toegelicht dat, indien verdachte terug wil keren naar zijn eigen woning dit onder begeleiding van de reclassering toegestaan is, maar dat de reclassering de voorwaarde van opname in een instelling voor begeleid wonen achter de hand wil houden voor het geval een terugkeer naar de eigen woning een ernstige kans op recidive oplevert. Daarnaast is een alcohol- en drugsverbod geadviseerd.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Het slachtoffer mag daarbij van geluk spreken dat hij niet daadwerkelijk zeer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de ernst van dit feit, het hoge recidiverisico en het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij bereid is zijn klinische traject af te ronden zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 161 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opleggen. Aan die voorwaardelijke straf worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden van meldplicht, een klinische behandeling, gevolgd door een ambulante behandeling en de mogelijkheid van opname in een instelling van begeleid wonen alsmede een drugs- en alcoholverbod verbonden. De rechtbank zal de termijn van de klinische opname stellen op maximaal acht maanden aangezien verdachte sinds zijn schorsing van de voorlopige hechtenis al verblijft in Hoeve Boschoord.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten [slachtoffer] . Gelet op de drugs- en alcoholproblematiek alsmede het hoge recidiverisico zoals omschreven in het rapport van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.000,- ter vergoeding van materiële schade en € 4.000,- ter vergoeding van immateriële schade.

Ter terechtzitting van 8 januari 2018 is de vordering door mr. J. de Vries namens de benadeelde partij mondeling toegelicht. Daarbij heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om, indien het materiële deel niet zonder meer voor toewijzing vatbaar is, de schade te schatten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het materiële deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu er geen onderbouwing van de gevorderde posten is overlegd door de raadsvrouw van de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van de immateriële schade zijn uitspraken aangehaald, maar het letsel was in die zaken veel erger. De officier van justitie heeft daarom gevorderd dat dit deel van de vordering slechts gedeeltelijk wordt toegewezen en wel tot een bedrag van

€ 2.000,-. De rest van het immateriële deel van de vordering dient te worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade dient te worden afgewezen, aangezien deze niet met bewijsstukken is onderbouwd. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsman bepleit dat deze - gelet op grote mate van eigen schuld bij de benadeelde partij - geheel moet worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij geclaimde materiële schade niet door stukken wordt gestaafd. Voor een juiste bepaling van de schade die de benadeelde partij stelt te hebben gehad acht de rechtbank de aanwezigheid van deze stukken nodig om te bezien of deze het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde.

Hetgeen de raadsvrouw van de benadeelde partij ter terechtzitting heeft gesteld is hiertoe naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het materiële deel van de vordering ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek over de door de benadeelde partij gestelde geleden schade.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan.

De vordering zal ten aanzien van het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het handelen door verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank verwerpt het verweer dat sprake zou zijn van eigen schuld; daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verwezen wordt naar de bewijsmiddelen.

Nu het letsel niet zo ernstig is als in de door de raadsvrouw van de benadeelde partij opgevoerde voorbeelden zal de vordering worden gematigd en toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 161 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 150 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich telefonisch meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Zolang hij opgenomen blijft moet hij meewerken aan reclasseringscontact op locatie.

2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal acht maanden van de proeftijd van drie jaar zal laten opnemen in Hoeve Boschoord, Trajectum, althans een soortgelijke intramurale instelling zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

3. dat de veroordeelde zich daarna verplicht laat behandelen bij Hoeve Boschoord, Trajectum, of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod is beschikbaar zolang het reclasseringstoezicht loopt.

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Trajectum, 24-uurs voorziening of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

5. dat de veroordeelde geen niet-voorgeschreven medicatie/drugs en alcohol zal gebruiken zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,- (zegge: twee duizend euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het materiële deel en het overige deel van de immateriële vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: twee duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat immateriële schade.

Voor zover genoemd bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald is verdachte in zoverre bevrijd van zijn betalingsverplichting.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2018.

Mr. Jongsma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H1)

2 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H2)

3 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H3)