Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1645

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
C/18/183383 / KG ZA 18-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiseres is eigenaar van een woning, waar zij met haar voormalige partner heeft samengewoond.

Na het einde van de (affectieve) relatie vordert eiseres ontruiming van haar woning.

Omdat haar voormalige partner inmiddels onder bewind is gesteld, heeft eiseres de bewindvoerder gedagvaard.

De voormalige partner had uit hoofde van die relatie een recht van gebruik en bewoning, hetgeen een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW vormt, en wel omdat het de rechthebbende materieel voordeel beoogt te verschaffen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525).

Nu alle goederen onder bewind zijn gesteld en de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte op grond van artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt, is eiseres ontvankelijk in haar vordering jegens de bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/183383 / KG ZA 18-89

Vonnis in kort geding van 24 april 2018

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.A.M. Staal-Olislaegers,

tegen

de besloten vennootschap MARKAR B.V., h.o.d.n. De Bewindvoerster,
zaakdoende te Veendam, in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het uitgesproken bewind over de goederen van [naam],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.S. Slinkman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Bewindvoerster en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft een affectieve relatie gehad met [gedaagde] . Die relatie is geëindigd in november 2017. Partijen woonden samen in de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] . Deze woning is eigendom van de vrouw.

2.2.

[gedaagde] kampt met een alcoholverslaving en bij hem is het syndroom van Korsakov

gediagnosticeerd. Als gevolg hiervan is er gedurende de periode dat [eiseres] en [gedaagde] een

relatie hadden vaak sprake geweest van huiselijk geweld. In november 2017 is de

situatie dermate geëscaleerd dat [eiseres] de woning heeft verlaten.

Sindsdien is [eiseres] dakloos en is zij genoodzaakt bij kennissen te overnachten.

2.3.

[eiseres] heeft [gedaagde] diverse malen verzocht om de woning te verlaten omdat zij de

woning voor eigen gebruik nodig heeft.

Bij bericht van 23 januari 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] schriftelijk aangezegd dat hij de woning uiterlijk eind februari diende te verlaten.

[gedaagde] heeft daarop niet gereageerd.

2.4.

Bij beschikking van 26 februari 2018 heeft deze rechtbank een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [gedaagde] wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Daarbij is De Bewindvoerster benoemd tot bewindvoerder.

2.5.

Bij brief van 22 maart 2018 heeft de raadsvrouw van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om de woning binnen uiterlijk 5 werkdagen te verlaten. Een afschrift van die brief is aan
De Bewindvoerster gezonden.

Tot op heden heeft [gedaagde] de bedoelde woning niet verlaten.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van [eiseres] strekt ertoe:

I. [gedaagde] te veroordelen om, binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijnen en de woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen en te laten;

II. [eiseres] te machtigen, om, bij nalatigheid of weigerachtigheid van [gedaagde] tot tijdige en algehele voldoening aan het vorenstaande, de woning op kosten van gedaagde te doen ontruimen door inschakeling van deurwaarder en sterke arm van politie en justitie;

III. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Bewindvoerster heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.

De Bewindvoerster heeft wel een formeel verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat de bewindvoerder is gedagvaard, maar dat de vraag is of [gedaagde] niet had moeten zijn opgeroepen.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De voorzieningenrechter zal in de eerste plaats beoordelen of de onderhavige vordering op juiste gronden is ingesteld tegen de bewindvoerder of dat deze vordering had moeten zijn ingesteld tegen de onder bewind gestelde rechthebbende.

4.2.

Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Van de vervulling van de taak van de bewindvoerder is sprake wanneer het gaat om handelingen in verband met de onder bewind staande goederen. Voor de bepaling wat onder die goederen dient te worden verstaan, kan aansluiting worden gezocht bij artikel 3:1 BW, dat bepaalt dat goederen alle zaken en alle vermogensrechten zijn, en bij artikel 3:6 BW waarin vermogensrechten zijn gedefinieerd als rechten die overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.

4.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft iemand die uit hoofde van een affectieve relatie met een ander samenwoont in de woning die eigendom is van die ander, een recht van gebruik en bewoning van die woning.

Hoewel een recht van gebruik en bewoning een niet overdraagbaar vermogensrecht betreft, vormt het toch een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW, en wel omdat het de rechthebbende materieel voordeel beoogt te verschaffen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525).
Bovendien heeft een ontruiming zoals thans wordt gevorderd, die volgt op beëindiging van de affectieve relatie en een daaruit voortvloeiende beëindiging van het recht van gebruik en bewoning, (negatieve) gevolgen voor de financiële positie (en daarmee voor de goederen) van de onder bewind gestelde. Doorslaggevend in dezen is niet wat de grond is van de ontruiming, maar of de gevorderde ontruiming verband houdt met en gevolgen heeft voor de onder bewind gestelde goederen van de onder bewind gestelde
(vgl. Gerechtshof Leeuwarden, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM1464).

4.4.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering jegens De Bewindvoerster als bewindvoerder over de goederen en gelden van [gedaagde] .

Inhoudelijk

4.5.

Zoals vorenoverwogen is geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiseres] ingestelde vordering en zal deze worden toegewezen, met dien verstande dat aan de toewijzing een langere termijn zal worden verbonden.

Voor zover in het petitum [gedaagde] is vermeld, komt het - gelet op de aanhef en het lichaam van de dagvaarding - de voorzieningenrechter voor dat dit berust op een kennelijke verschrijving. De Bewindvoerster zal dan ook in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde] tot de gevorderde ontruiming worden veroordeeld.

Overigens doet dat niet af aan het feit dat [gedaagde] vanzelfsprekend als materiële procespartij aan de ontruiming gebonden is.

4.6.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge art. 556 lid 1 en art. 557 Rv overbodig is.

4.7.

Gelet op de omstandigheid dat het onderhavige geschil voortvloeit uit de voormalige relatie tussen [eiseres] en [gedaagde] zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de besloten vennootschap Markar B.V., h.o.d.n. De Bewindvoerster,
zaakdoende te Veendam, in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het uitgesproken bewind over de goederen van [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te [plaatsnaam] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.1

1 coll: js (319)