Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:163

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
18-830322-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld wegens medeplegen van poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Verwerping noodweer(exces) verweer. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830322-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te PI te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.M. Wolfert, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september

2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- [slachtoffer] met een (bier)fles in het gezicht heeft gestoken en/of gesneden

en/of geslagen en/of geraakt en/of,

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans elders tegen het lichaam, heeft

geslagen en/of gestompt en/of geduwd, en/of geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september

2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- [slachtoffer] met een (bier)fles in het gezicht te steken en/of te snijden

en/of te slaan en/of

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans elders tegen het lichaam, te slaan

en/of te stompen en/of te duwen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd. De officier van justitie komt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier tot het oordeel dat de verklaringen van aangever en zijn vriendin moeten leiden tot een bewezenverklaring van medeplegen van poging tot zware mishandeling. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking in het handelen van verdachte en zijn medeverdachte richting het slachtoffer zodat ook het medeplegen kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte door veel meer objectieve onderdelen worden ondersteund dan de verklaringen van aangever en zijn vriendin. Op grond hiervan gaat de raadsvrouw er vanuit dat er geen sprake is geweest van steken met een bierfles(je) en dat er alleen over en weer geschopt en geslagen is. Slaan en schoppen levert geen zwaar lichamelijk letsel op zodat verdachte van het onder primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaringen van aangever en zijn vriendin ongeloofwaardig zijn. Uit alle verklaringen blijkt dat aangever zich die avond extreem gedroeg en daarbij om zich heen sloeg. Verdachte en zijn medeverdachte hebben geprobeerd aangever rustig te houden en terug te duwen op de bank. Mocht het zo zijn dat aangever stelt hierdoor letsel te hebben bekomen dan beroept verdachte zich op noodweer. Hij werd aangevallen en heeft zich daartegen verdedigd met de bedoeling om aangever weer rustig te krijgen. Ook van dit deel van de tenlastelegging dient verdachte te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 januari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben - na de eerste keer dat de politie is geweest - teruggegaan naar de woning, omdat [slachtoffer] vroeg of we nog wilden blijven. [slachtoffer] was zichzelf niet. Hij was aardig van het padje af. Na het bekvechten begonnen [slachtoffer] en [medeverdachte] te duwen en trekken . Ik heb daarbij geduwd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2017, opgenomen op pagina D van het dossier van Politie Noord-Nederland met [nummer], inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 9 september 2017 was ik in de avond samen met mijn vriendin [getuige 1] , [medeverdachte] , [verdachte] en zijn zoon [getuige 2] . Ik weet nog dat ik op de bank zat en dat [medeverdachte] mij uit het niets een vuistslag in het gezicht gaf. Ik werd steeds weer in de bank geduwd door [medeverdachte] . Ik zag nog dat [verdachte] mij met een bierfles in het gezicht sloeg. Ik voelde meteen het bloed over mijn gezicht stromen. Hierdoor heb ik een wond aan mijn neus opgelopen. Terwijl ik op de bank zat, werd ik door [medeverdachte] en [verdachte] op mijn rechter bovenbeen getrapt. Ik werd meerdere malen door [medeverdachte] en [verdachte] in het gezicht gestompt. Ik zag dat ze dit met gebalde vuisten deden. Ik zag geen kans om van de bank af te komen omdat ik continu werd teruggeduwd door [medeverdachte] . In het ziekenhuis is geconstateerd dat mijn neus is gebroken. Verder is mijn linker ringvinger gebroken. In mijn rechter wijsvinger zit een scheurtje in het bot.

3. Een geneeskundige verklaring, op 21 november 2017 opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts FMG, als los document gevoegd voor zover inhoudende, als verklaring:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] . SEH diagnose: wondje neusbrug en breuk van de neusbrug zonder standsafwijking van de neus. Breuk van het rechter jukbeen zonder standsafwijking. Aan de onderzijde van het middelste kootje van de linker ringvinger is een botfragmentje afgebroken. Als er inderdaad sprake is geweest van kortdurend bewustzijnsverlies is er sprake van een lichte hersenschudding. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 september 2017, opgenomen op pagina E1 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik ben de vriendin van [slachtoffer] . Zomaar uit het niets sloeg [medeverdachte] met kracht in het gezicht van [slachtoffer] en ik zag dat [slachtoffer] daardoor achterover viel op de bank. Ik zag dat [medeverdachte] op [slachtoffer] sprong en hem met zijn linker hand met kracht in het gezicht van [slachtoffer] sloeg. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] met zijn tweeën op [slachtoffer] insloegen. Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] met kracht op [slachtoffer] begonnen in te slaan en hem begonnen te trappen met hun benen. Ik zag dat [verdachte] een bierfles in zijn hand had en ik zag dat [verdachte] met deze bierfles met kracht op het hoofd van [slachtoffer] sloeg.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de GGD-arts heeft verklaard dat de door aangever geschetste toedracht goed kan passen bij het geconstateerde letsel. Deze lezing wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen het bij aangever ontstane letsel niet verklaren. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen1 dat agenten bij het eerste contact met aangever2 letsel in zijn gezicht constateren en glasscherven3 en een kapot bierflesje in de woning aantreffen. Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte en medeverdachte in een nauwe en bewuste samenwerking aangever het letsel hebben toegebracht, onder andere door hem met een bierfles in het gezicht te slaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 9 september 2017 tot en met 10 september 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- [slachtoffer] met een bierfles in het gezicht heeft geslagen en,

- [slachtoffer] in/tegen het gezicht heeft geslagen en gestompt en/of geduwd en geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair medeplegen van poging tot zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft zichzelf en zijn medeverdachte verdedigd tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval van aangever.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet gehonoreerd dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen noodweersituatie was, aangezien de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen uitgaat van de situatie dat het de medeverdachte was die als eerste sloeg en na die eerste klap doorging met slaan en schoppen evenals verdachte, die aangever ook met een bierfles in het gezicht sloeg. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest. Aangezien verdachte de door de reclassering geadviseerde klinische opname bij het IMC niet wil ondergaan, rest de officier van justitie niets anders dan afstraffen. Verdachte wijst daarmee het geadviseerde totaalpakket aan hulpverlening af.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, gepleit voor een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist en deze te matigen tot een straf die gelijk is aan het voorarrest. Verdachte is bereid hulp te aanvaarden, maar op dit moment niet bereid een klinische opname te ondergaan zoals door de reclassering is geadviseerd. Dit zal namelijk betekenen dat hij zijn werk en woning kwijt zal raken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op de avond van 9 september 2017 en in de nacht van 9 op 10 september 2017 zijn er meerdere incidenten geweest in de woning van aangever. Bij het eerste incident is de politie ook ter plaatse geweest en daarna hebben verdachte en zijn medeverdachte de woning van aangever verlaten. Verdachte en zijn medeverdachte hebben verklaard dat aangever niet zichzelf was die avond en nogal wild om zich heen sloeg. Dat heeft hen er niet van weerhouden om terug te gaan naar de woning van aangever. Niet veel later heeft een tweede incident plaatsgevonden, dat tot het medeplegen van de poging tot zware mishandeling heeft geleid. De medeverdachte is begonnen met slaan en vervolgens is er door zowel verdachte als zijn medeverdachte geslagen in het gezicht en getrapt tegen het lichaam van aangever. Verdachte heeft vervolgens aangever ook nog met een bierfles in het gezicht geslagen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben aangever hiermee letsel toegebracht en bij aangever pijn veroorzaakt. Aangever heeft hier nog een aanzienlijke periode last van gehad en de klachten aan zijn hand en psychische klachten , waar aangever voor het incident al last van had, zijn hierdoor toegenomen.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Het slachtoffer mag daarbij van geluk spreken dat hij niet daadwerkelijk zeer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de ernst van dit feit, het hoge recidiverisico en het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij geen klinische behandeling wil ondergaan, acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden is - mede gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS - passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.000,- ter vergoeding van materiële schade en € 4.000,- ter vergoeding van immateriële schade.

Ter terechtzitting van 8 januari 2018 is de vordering door mr. J. de Vries namens de benadeelde partij mondeling toegelicht. Daarbij heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de rechtbank uitdrukkelijk verzocht, indien het materiële deel niet zonder meer voor toewijzing vatbaar is, om de schade te schatten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het materiële deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu er geen onderbouwing van de gevorderde posten is overlegd door de raadsvrouw van de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van de immateriële schade zijn uitspraken aangehaald, maar het letsel was in die zaken veel erger. De officier van justitie heeft daarom gevorderd dat dit deel van de vordering slechts gedeeltelijk wordt toegewezen en wel tot een bedrag van

€ 2.000,-. De rest van het immateriële deel van de vordering dient te worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade dient te worden afgewezen aangezien deze niet met bewijsmiddelen is onderbouwd. Daarnaast kan de raadsvrouw zich niet voorstellen dat de schade, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, kan uitkomen op de gevorderde € 3.000,-.

Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadvrouw primair afwijzing van de vordering en subsidiair matiging van de vordering bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw erop gewezen dat als onderbouwing van de vordering is aangevoerd dat de benadeelde partij zich onveilig voelt in zijn eigen huis maar dat hij al lang niet meer in dat huis woont. Daar kunnen de gevoelens van onveiligheid dus niet vandaan komen. Voorts zijn er geen littekens of hechtingen die als blijvend letsel kunnen worden aangemerkt bij de benadeelde partij aangetroffen.

Oordeel van de rechtbank

materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij geclaimde materiële schade niet door stukken wordt gestaafd. Voor een juiste bepaling van de schade die de benadeelde partij stelt te hebben gehad acht de rechtbank de aanwezigheid van deze stukken nodig om te bezien of deze het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde.

De verdediging heeft daarnaast gemotiveerd bestreden dat de vordering ook overigens niet voldoende is onderbouwd. Hetgeen de raadsvrouw van de benadeelde partij ter terechtzitting heeft gesteld is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het materiële deel van de vordering ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek over de door de benadeelde partij gestelde geleden schade.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan.

De vordering zal ten aanzien van het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het handelen door verdachte en zijn medeverdachte. Nu het letsel niet zo ernstig is als in de door de raadsvrouw van de benadeelde partij opgevoerde voorbeelden en de hoogte van de vordering door de raadsvrouw van verdachte is betwist zal de vordering worden gematigd en toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en voor het overige worden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Wijst het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,- (zegge: twee duizend euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het materiële deel en het overige deel van de immateriële vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: twee duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2018.

Mr. Jongsma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H1)

2 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H2)

3 pv van bevindingen d.d. 10 september 2017 (H3)