Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1594

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
18/730593-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, destijds 27 jaar oud, een destijds 16-jarig meisje seksueel heeft misbruikt. Verdachte wist dat het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, omdat zij dronken was en had overgegeven. Er was daarbij sprake van seksueel binnendringen van de vagina met de penis. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot € 5.712,41.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 243
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730593-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam] te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 augustus 2016 te of bij [pleegplaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde,

dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- die [slachtoffer] gebeft en/of

- de hand van de [slachtoffer] vastgepakt en op zijn penis gelegd en zich (kort) met de hand van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] betast, althans aangeraakt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de verklaringen van [slachtoffer] (verder: aangeefster), [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en de NFI rapporten. Aangeefster heeft op cruciale en ter zake doende elementen consistent verklaard. Daarnaast zijn er geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de getuigen. Aangeefster verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn en verdachte had van deze omstandigheid wetenschap.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, gelet op de stellige ontkenning van verdachte.

De door aangeefster afgelegde verklaringen zijn niet betrouwbaar. Ten eerste is mogelijk sprake van beïnvloeding van aangeefster door haar ouder(s). Haar vader was immers aanwezig tijdens het informatieve gesprek en daarnaast blijkt uit een door hem aan verdachte opgestelde brief van 17 februari 2017 dat hij niet twijfelt aan aangeefster. Ook hebben getuigen op verzoek van aangeefsters vader een getuigenverklaring opgesteld, waardoor beïnvloeding mogelijk is. Ten tweede zijn er discrepanties in aangeefsters verklaringen ten aanzien van een aantal cruciale elementen.

Bij dit alles komt dat het NFI onderzoek geen belastend bewijs heeft opgeleverd, hetgeen de ontkenning van verdachte ondersteunt.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet blijkt dat er sprake was van enige toestand van aangeefster genoemd in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. De enkele dronken toestand is daarvoor onvoldoende.

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen.

Uit het informatieve gesprek zeden van [slachtoffer] (verder: aangeefster), geboren op [geboortedatum] 2000, opgenomen op maandag 29 augustus 2016, blijkt het volgende. In de zomer van 2016 is aangeefster betrokken bij de uitvoering van een opera in [pleegplaats]2, gemeente [gemeente]3. Verdachte is daar ook aanwezig. Op de laatste avond is aangeefster in een feeststemming. Hoewel aangeefster normaliter niet of nauwelijks drinkt, neemt zij twee wijntjes. Verdachte geeft aangeefster vier keer een flesje bier en dringt aan om het op te drinken. Verdachte brengt aangeefster naar haar caravan en brengt haar omstreeks 04:30 uur naar bed. In de caravan kotst aangeefster haar hele bed onder en gaat slapen op een luchtbedje. Vervolgens weet zij dat zij naakt in bed ligt en dat verdachte over haar heen gaat. Verdachte is eveneens naakt.4 Verdachte penetreert aangeefster en zij dringt aan op het gebruik van een condoom. Aangeefster heeft geen idee wat zij tijdens de seks aan het doen is, omdat zij half in coma is. Verdachte heeft ook de vagina van aangeefster gelikt. Verdachte manoeuvreert aangeefsters hand naar zijn penis.5

Uit de aangifte op 12 september 2016 blijkt dat aangeefster het volgende heeft verklaard. Zij weet inmiddels meer details dan toen het net was gebeurd. De laatste avond dat zij op het terrein slaapt is vrijdag 26 augustus 2016. Het is van vrijdag op zaterdag gebeurd, maar eigenlijk is het al zaterdag.6 Verdachte geeft aangeester steeds bier. Als aangeefster aangeschoten is vraagt hij of hij mag overnachten omdat hij niet meer kan rijden en aangeefster stelt dat hij bij haar in de caravan mag slapen. Aangeefster kan nauwelijks lopen en staan en voelt zich raar en duizelig. Uiteindelijk brengt verdachte aangeefster naar de caravan en daar laat hij haar achter. Aangeefster spuugt vervolgens de caravan onder. Later komt verdachte de caravan in en begint haar te betasten. Zij is ineens naakt. Zij dringt aan op het gebruik van een condoom.7

Nadat verdachte aangeefster betast zegt zij dat niet wil en dat hij moet ophouden. Aangeefster kan zich ook niet lichamelijk verweren en is bang dat verdachte haar dan iets aan doet. Op een gegeven moment heeft verdachte zijn hand in aangeefsters hand. Verdachte wil dat zij hem aftrekt. Hij trekt zichzelf af met haar hand.8 Daarna gaat verdachte haar penetreren.9

Over het betasten verklaart aangeefster nader dat verdachte haar borsten betast. Haar hemdje trekt hij uit.10 Ook haar onderbroek trekt verdachte uit. Voorts verklaart zij dat zij met penetreren bedoelt zijn penis in haar vagina en er in en er uit. Aangeefster voelt zichzelf op en neer gaan.11 Na het penetreren volgt het beffen. Verdachte likt haar vagina.12

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat verdachte zei dat aangeefster een lichtgewicht was qua drankgebruik en dat zij met drie biertjes blijkbaar al dronken was. Verdachte heeft aangeefster ondersteund en naar haar caravan gebracht. Later hoort zij verdachte de caravan van aangeefster binnen gaan. Dan hoort zij de caravan kraken en op een ritmische manier bewegen gedurende een paar minuten. Het bewegen stopte een tijdje, ongeveer een minuut, en daarna ging het weer een tijdje door, wederom een paar minuten. Op de vraag waar zij bij het horen van deze geluiden aan dacht, antwoordt de getuige: aan seks, zo’n beweging.13

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster bier heeft gegeven en dat zij op enig moment dronken was.14 Zij was draaierig, sprak met dubbele tong en kon niet recht lopen.15 Hij bracht haar rond 3.00 uur naar de caravan en zij struikelde over de dissel. Na een kwartier gaat verdachte wederom naar het kampvuur; en aangeefster bleef alleen achter in de caravan. Later ging hij wederom naar de caravan van aangeefster en bleef daar gedurende de nacht. Verdachte merkte dat aangeefster had overgegeven, heeft een deken vervangen en heeft nog gecontroleerd of het goed ging met haar.16 Ter terechtzitting heeft verdachte voornoemde verklaring herhaald.17

Seksuele handelingen.

Op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard. De rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de door aangeefster afgelegde verklaringen kunnen vinden, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat haar verklaringen niet op waarheid berusten.

Zij heeft immers kort na het ten laste gelegde voor het eerst verklaard en heeft telkens dezelfde seksuele handelingen beschreven. Het is op zichzelf niet vreemd dat in de verhoren verschillen in details kunnen worden geconstateerd, maar deze ontkrachten de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet, mede in het licht van de toestand van aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde, de schok daarvan en de gerichtere bevraging door de politie tijdens de aangifte op 12 september 2016. Anders dan de verdediging heeft bepleit is aangeefsters vader enkel aan het begin en einde van het informatieve gesprek aanwezig geweest, waaruit naar het oordeel van de rechtbank niet volgt dat er sprake is van beïnvloeding van aangeefster.

De rechtbank vindt de verklaring van getuige [getuige 2], omtrent de ritmische beweging van de caravan, ondersteunend voor de verklaringen van aangeefster. Zij heeft dit concreet en gedetailleerd beschreven. Niet blijkt dat zij een andere verklaring heeft afgelegd onder invloed van aangeefsters vader of de regisseuse [getuige 3].

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij oordeelt dat de conclusies door het NFI omtrent het DNA op de onderbroek van aangeefster noch belastend noch ontlastend zijn.

Verminderd bewustzijn en wetenschap.

Blijkens de wetsgeschiedenis behorende bij artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht gaat het om situaties tussen waakzaamheid en het geheel van de wereld zijn, waarbij niet kan worden verwacht dat (door aangeefster) weerstand kan worden geboden aan seksuele verlangens van een ander, bijvoorbeeld door een roes als gevolg van alcoholgebruik.

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt afdoende dat aangeefster dronken was hetgeen zich uitte in onder andere duizeligheid, niet recht kunnen lopen en spugen. De rechtbank oordeelt dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat verdachte hiervan wist, mede gelet op zijn eigen verklaring. Dat aangeefster heeft gezegd dat zij niet wilde en heeft geprobeerd van verdachte weg te komen maakt voornoemde overweging niet anders.

Conclusie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat er op 27 augustus 2016 te [pleegplaats] handelingen door verdachte zijn verricht met de in verminderd bewustzijn verkerende aangeefster die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster, zoals hierna uit de bewezenverklaring blijkt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 augustus 2016 te of bij [pleegplaats], in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde,

handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- die [slachtoffer] gebeft en

- de hand van de [slachtoffer] vastgepakt en op zijn penis gelegd en zich (kort) met de hand van die [slachtoffer] afgetrokken en

- de borsten en de vagina van die [slachtoffer] betast.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt omtrent een eventuele strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft aangeefster seksueel misbruikt, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van de vagina met zijn penis, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, aangezien zij zichtbaar dronken was en had overgegeven. Aangeefster was ten tijde van het bewezenverklaarde 16 jaar oud, terwijl verdachte 27 jaar oud was.

Aldus heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten langdurig de nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden, hetgeen ook blijkt uit de door aangeefster ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Aangenomen moet worden dat de verdachte zich bij het verrichten van de gedragingen uitsluitend heeft laten leiden door zijn wens tot bevrediging van zijn seksuele verlangens. Verdachte heeft geprofiteerd van de gelegenheid die zich voordeed, zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de mogelijk consequenties van zijn handelen mede gelet op de fase in het leven van aangeefster waar er sprake is van ontluikende seksualiteit en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling.

De ernst van het handelen van verdachte is voorts mede bepaald door de jonge leeftijd van het slachtoffer en de eenmaligheid van de (onveilige) seks en er tussen verdachte en aangeefster geen sprake was van een (ontluikende) relatie.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens enig strafbaar feit.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 20 december 2017, opgesteld door [naam], reclasseringswerker van Reclassering Nederland blijkt dat zij zich niet uitlaat over de kans op delictgedrag in de toekomst en het eventuele gevaarsrisico, gelet op de ontkenning van verdachte. Ook is daardoor geen uitspraak gedaan over de samenhang tussen het vermeende strafbare gedrag, de persoon van verdachte en de omstandigheden.

Wel blijkt dat er geen noemenswaardige problemen zijn op de leefgebieden. Verdachte heeft huisvesting en er zijn geen financiële problemen. Er is geen sprake van middelengebruik.

De werksituatie is mogelijk wel een risico in geval van een bewezenverklaring, want in de werkrelatie is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie waarbij verdachte viooldocent is van jeugdige leerlingen. Bij de oplegging van een gevangenisstraf volgt ontslag en aannemelijk is dat verdachte geen VOG krijgt, hetgeen het vinden van een nieuwe baan moeilijk maakt.

De rechtbank acht een vrijheidsstraf noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte er van te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen, waarbij het door verdachte uitgeoefende beroep is meegewogen.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf conform de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.262,41 ter vergoeding van materiële schade en € 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, wegens de reeds door hem bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade tot een bedrag van € 5.712,41 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 augustus 2016.

Nu thans niet blijkt dat de behandeling in hoger beroep van deze zaak zal volgen acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat reiskosten ‘schatting evt hb ex’ zullen worden gemaakt, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de geschatte reiskosten ten bedrage van € 50,00.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.712,41 (zegge: vijfduizend zevenhonderdentwaalf euro en eenenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 5.712,41 (zegge: vijfduizend zevenhonderdentwaalf euro en eenenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 63 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 2.212,41 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2018.

Mr. H.J. Schuth is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 201626478, doorgenummerd 1 tot en met 78.

2 Pagina 29.

3 Pagina 3.

4 Pagina 28.

5 Pagina 29.

6 Pagina 33.

7 Pagina 35.

8 Pagina 42.

9 Pagina 36.

10 Pagina 38.

11 Pagina 39.

12 Pagina 41.

13 Pagina’s 67 en 70.

14 Pagina 20.

15 Pagina 22.

16 Pagina 21.

17 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 april 2018.