Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1583

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
18/830379-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens drie bedreigingen met misdrijven tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Beroep op psychische overmacht ten aanzien van bedreiging met nepwapen afgewezen. Bij strafmaat rekening gehouden met verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830379-17

ter berechting gevoegd parketnummer 18/207949-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonend te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Haaglanden, locatie PPC Den Haag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 april 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.S. Kroeze, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 oktober 2017 te Groningen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , beiden hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 3] , Duitse politieagent/stagiair, tijdens de uitoefening van hun/zijn/haar functie, en/of [slachtoffer 4] , portier, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto, snel accelererend, het trottoir (voetgangersgebied) aan Grote Markt ZZ op te rijden in de richting van die [slachtoffer 1] en/of van [slachtoffer 2] en/of en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , en/of

(vervolgens)

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te tonen en/of op die [slachtoffer 1] en/of van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te richten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 2 oktober 2017 tot en met 25 oktober 2017, te Kolham, gemeente Slochteren en/of te Bedum, gemeente Bedum en/of (elders) in Nederland (telkens) [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , werknemers van Enexis, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend tegen die [slachtoffer 5] te zeggen: "Ik doe je wat aan" of "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke strekking, en/of een of meer Whatts App berichten te sturen met onder andere een foto van een pistool en/of de tekst "ik wil 40.000 euro/geld anders gaat [slachtoffer 5] dood" en/of "Kik e boewaar ben je" en/of "Ik heb 25 mensen verzameld en ga Enexis compleet opruimen" (van welk(e) bericht(en) die aan collega('s) was/waren verstuurd die [slachtoffer 5] kennis heeft genomen);

3.

hij op of omstreeks 19 oktober 2017, te Bedum, in elk geval in de gemeente Bedum, een persoon, genaamd [slachtoffer 7] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vouw je helemaal dubbel onder de kapstok" en/of "Ik breek je botten" en/of "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of hierbij een stoel heeft opgepakt en/of boven zijn, verdachtes, hoofd heeft gehouden en/of - nadat die [slachtoffer 7]

van verdachte was weggerend - met die stoel achter die [slachtoffer 7] is aangerend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gevorderd.

Ten aanzien van feit 2 kunnen de woorden 'Ik doe je wat aan' en 'Ik heb 25 mensen verzameld en ga Enexis compleet opruimen' niet worden aangemerkt als bedreigend in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte gesteld dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezenverklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 april 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2017, opgenomen op pagina 66 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017282572 d.d. 4 november 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2017, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2017, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2017, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2017, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een door verbalisanten opgemaakte beschrijving van camerabeelden.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 april 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 oktober 2017, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 oktober 2017, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier inclusief bijlage, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] en screenshots van het WhatsApp-verkeer tussen [slachtoffer 6] en verdachte;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2017, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant] met betrekking tot de chatgesprekken die zijn aangetroffen op de mobiele telefoon van verdachte.

Anders dan het hiervoor weergegeven standpunt van de officier van justitie verklaart de rechtbank bewezen dat verdachte een bericht heeft verstuurd met de tekst "Ik heb 25 mensen verzameld en ga Enexis compleet opruimen". Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de hiervoor onder 4. genoemde relatering van verbalisant [verbalisant] blijkt, dat verdachte een chatgesprek met [slachtoffer 6] heeft gevoerd, waarin verdachte heeft aangegeven op oorlogspad te zijn en ten behoeve daarvan met 25 jongens onderweg te zijn.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 april 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 oktober 2017, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017277484 d.d. 26 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 25 oktober 2017 te Groningen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden hoofdagent van politie, en [slachtoffer 3] , Duitse politieagent/ stagiair, tijdens de uitoefening van hun functie, en [slachtoffer 4] , portier, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto, snel accelererend, het trottoir (voetgangersgebied) aan Grote Markt ZZ op te rijden in de richting van die [slachtoffer 1] en Van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] en Van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te tonen en op die [slachtoffer 4] te richten;

2

hij in de periode van 2 oktober 2017 tot en met 25 oktober 2017, te Kolham, gemeente Slochteren en/of te Bedum, gemeente Bedum telkens [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , werknemers van Enexis, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend tegen die [slachtoffer 5] te zeggen: "Ik vermoord je" en/of What's App berichten te sturen met onder andere een foto van een pistool en "Kik e boewaar ben je" en "Ik heb 25 mensen verzameld en ga Enexis compleet opruimen" van welke berichten die aan collega's waren verstuurd die [slachtoffer 5] kennis heeft genomen;

3

hij op 19 oktober 2017, te Bedum een persoon, genaamd [slachtoffer 7] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vouw je helemaal dubbel onder de kapstok" en "Ik breek je botten" en "Ik maak je dood" en hierbij een stoel heeft opgepakt en boven zijn, verdachtes, hoofd heeft gehouden en - nadat die [slachtoffer 7] van verdachte was weggerend - achter die [slachtoffer 7] is aangerend.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Aan verdachte komt ten aanzien van feit 1 een beroep op psychische overmacht toe, zodat hij voor dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Een opeenstapeling van omgevingsfactoren maakten dat verdachte geen weerstand kon bieden aan een van buiten komende drang. Verdachte heeft op alle mogelijke manieren hulp proberen te zoeken voor de psychische nood waarin hij in de aanloop naar feit 1 verkeerde met als doel opgenomen dan wel aangehouden te worden, alle pogingen zonder succes. Daarnaast speelden problemen in de schadeafwikkeling met Enexis en in die van een verkeersincident. Ten slotte had verdachte tot het incident op de Grote Markt al elf uren niet geslapen en reed hij in zwaar overspannen toestand de Grote Markt op.

Standpunt van de officier van justitie

Van psychische overmacht ten tijde van het plegen van feit 1 is geen sprake, nu het op de weg lag van verdachte om op eigen initiatief hulp te zoeken voor de psychische problemen die hij ervaarde. Daartoe was hij ook in staat, getuige zijn telefonische contacten met de meldkamer van de politie in de aanloop naar feit 1, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Uit zijn verklaringen en uit het psychiatrisch rapport d.d. 3 januari 2018, opgemaakt door psychiater P.K.J. Ronhaar, blijkt dat verdachte inzicht had in zijn daden ten tijde van het plegen er van.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen indien aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waartegen verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

De raadsman heeft op zichzelf terecht gesteld dat verdachte bij diverse daartoe gekwalificeerde instanties, waaronder zijn huisarts, een psycholoog, het ziekenhuis en de politie, zijn hulpvraag heeft gesteld, zij het niet in alle gevallen op gepaste wijze. Deze vraag om hulp heeft niet geleid tot een voor verdachte bevredigend antwoord, terwijl het - in elk geval een deel van - de genoemde instanties duidelijk had kunnen zijn dat verdachte op dat moment dringend behoefte aan hulp had. Voor verdachte leverden voornoemde opeenvolgende gebeurtenissen en het uitblijven van de gewenste hulp hevige spanningen op. Dat dit verdachte radeloos maakte is invoelbaar, maar leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de slotsom dat verdachte redelijkerwijs geen weerstand hoefde te bieden aan de drang om een strafbaar feit te plegen en aldus de aandacht voor zijn problemen te vragen. Dat verdachte met een personenauto snel accelererend op de aangevers is afgereden en een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en op één van hen heeft gericht is dan ook niet verontschuldigbaar. De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake feiten 1, 2 en 3 alsook het ad informandum gevoegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 135 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaar en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De officier gaat er daarbij vanuit dat verdachte ten tijde van het plegen van feiten 1, 2 en 3 verminderd toerekeningsvatbaar was.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een onvoorwaardelijk deel van de straf dat gelijk is aan de periode dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft de raadsman bepleit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in relatief korte tijd schuldig gemaakt aan een drietal bedreigingen. Alle bedreigingen zijn zonder meer ernstig te noemen. In één geval door gebruikmaking van zijn auto en het vervolgens tonen van en richten met een op een echt vuurwapen gelijkend nepvuurwapen en in de andere gevallen door het gebruik van niet mis te verstane bewoordingen en berichten, voorzien van een foto van een wapen, heeft verdachte gedreigd een ander het leven te benemen, althans in ieder geval zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de verklaringen van de aangevers is gebleken dat de gedragingen van verdachte mede gezien zijn imposante gestalte enorme indruk op hen hebben gemaakt. De bedreiging van de politieagenten heeft er zelfs toe geleid dat zij zich genoodzaakt voelden gebruik te maken van hun dienstwapen, hetgeen gelukkig geen slachtoffers heeft opgeleverd. Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet voornemens was zijn bedreigingen daadwerkelijk uit te voeren, doet aan de aard en de ernst van de bedreigingen en de daardoor ontstane angst bij de aangevers niet af.

Wel houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij werd gedreven door radeloosheid over het uitblijven van hulp voor zijn problemen.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank voornoemd psychiatrisch rapport d.d. 3 januari 2018 betrokken. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in dat bij verdachte sprake is van zowel een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van blijvende cognitieve beperkingen, zich uitend in een gebrekkige regulatie van emoties en gedrag en een vermoedelijk zwakbegaafd intelligentieniveau, als van een ziekelijke stoornis in de vorm van alcoholverslaving (thans in gedwongen remissie). In het rapport wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en maakt het tot haar oordeel.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 30 maart 2018. De conclusie luidt, dat verdachte de feiten heeft gepleegd door een gebrek aan zelfcontrole in combinatie met alcoholgebruik. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de voorwaarden te koppelen van een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij de AFPN en een drugs- en alcoholverbod.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit met parketnummer 18/830379-17, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank acht het van groot belang dat wordt voorkomen dat verdachte opnieuw vergelijkbare strafbare feiten zal plegen. In voornoemde rapportages is geconcludeerd dat de kans dat verdachte in herhaling valt matig tot groot is. Daarom acht de rechtbank, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen goederen, te weten twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Vordering benadeelde partijen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering van elk der benadeelde partijen bestaat uit vergoeding van immateriële schade ad € 812,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen voor het geheel moeten worden toegewezen en dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Namens verdachte is tegen beide vorderingen geen verweer gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden, elk van hen tot een bedrag van € 812,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. De schadevergoedingsmaatregel zal in beide gevallen worden opgelegd aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 225 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich na schriftelijke of telefonische uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde meewerkt aan ambulante behandeling gericht op zijn persoonlijk-heidsproblematiek bij de AFPN of soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat veroordeelde geen alcohol en verdovende middelen gebruikt en meewerkt aan controle op naleving van dit verbod, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en waarbij de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen imitatiewapen KWC P228 (G936619) en imitatiewapen Colt M4 (G936845).

ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 812,- (zegge: achthonderdtwaalf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heten begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 812,- (zegge: achthonderdtwaalf euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 812,- (zegge: achthonderdtwaalf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heten begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 812,- (zegge: achthonderdtwaalf euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2018.