Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1569

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
LEE 17/3184
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijstand op grond van de Participatiewet omdat betrokkene zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2014 is en omdat zij over te veel vermogen beschikt. Wat is de betekenis van het gegeven dat betrokkene in het verleden als zelfstandige als bedoeld in de Bbz 2004 is beschouwd. Vaststelling van de waarde van eigengemaakte schilderijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats: Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2018 tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: G. Bergman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Klok).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2017 (primair besluit A) heeft verweerder de op 25 januari 2017 ontvangen aanvraag van eiseres om een uitkering ingevolge de Participatiewet afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2017 (primair besluit B) heeft verweerder de aan eiseres verleende voorschotten van in totaal € 640,- teruggevorderd.

Tegen de primaire besluiten A en B heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 augustus 2017, verzonden op 8 augustus 2017, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften Sociale Voorzieningen van 28 mei 2017 ongegrond verklaard en de primaire besluiten A en B gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres, geboren op [geboortedatum] , is afgestudeerd aan de kunstacademie [naam academie] en heeft zich op 1 januari 1985 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

1.2

Vanaf november 2010 tot juli 2012 ontving eiseres een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars. Die wet is per 1 juli 2012 ingetrokken.

1.3

Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (B&W Oldambt) een aanvraag van eiseres om bijstand ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) afgewezen, omdat B&W Oldambt de onderneming van eiseres niet levensvatbaar achtte.

1.4

Op 11 september 2013 heeft eiseres zich uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vanaf 17 september 2013 heeft B&W Oldambt eiseres bijstand ingevolge de voormalige Wet Werk en Bijstand, thans Participatiewet, verleend. Eiseres is eind 2016 verhuisd naar Hoogezand en heeft op 25 januari 2017 verweerder verzocht haar bijstand ingevolgde de Participatiewet te verlenen.

1.5

Bij primair besluit A, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder het verzoek afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder primair ten grondslag gelegd dat eiseres haar eerdere activiteiten als kunstschilderes in het bedrijf of zelfstandig beroep niet heeft gestaakt en zijn dus niet behoort tot de kring der gerechtigden. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanvraag ook afgewezen moet worden omdat eiseres over te veel vermogen beschikt. De door haar vervaardigde en in eigendom zijnde twaalf schilderijen en twaalf tekeningen vertegenwoordigden op 25 januari 2017 een waarde van € 11.955,-, terwijl eiseres op dat moment een schuld had van € 3,24, aldus verweerder.

Toetsingskader

2.1

De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat eiseres op 25 januari 2017 door middel van een daartoe bestemd formulier "Aanvraag bijstandsuitkering" bijstand ingevolge de Participatiewet heeft aangevraagd. Naar vaste rechtspraak dient het bijstandsverlenende orgaan, indien bijstand op grond van de Participatiewet wordt aangevraagd, aan de hand van de Participatiewet te beoordelen of aanspraak op bijstand bestaat. Dat is slechts anders indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat de aanvrager onmiskenbaar moet worden aangemerkt als een zelfstandige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 en hij bijstand op grond van het Bbz 2004 verlangt. Het ligt dan op de weg van de aanvrager om op verzoek van het bijstandsverlenende orgaan de voor deze beoordeling relevante inlichtingen te verstrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2012 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2012: BY5556).

2.2

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 wordt onder zelfstandige in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:

1° voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;

2° voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en

3° alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt.

Vertrouwensbeginsel

3.1

Eiseres betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat haar door verweerder een uitkering ingevolge de Participatiewet zou worden verleend, omdat zij vóór haar verhuizing naar de gemeente Hoogezand-Sappemeer van verschillende gemeentes een uitkering ingevolge de Participatiewet had ontvangen.

Dit betoog treft geen doel. Uit de omstandigheid dat B&W Oldambt haar in het verleden een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet heeft verleend, heeft eiseres niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat ook verweerder haar zo'n uitkering zou toekennen. Verweerder is immers niet gebonden aan de wijze waarop het bijstandsverlenende orgaan uit een andere gemeente de Participatiewet uitvoert. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de Participatiewet, gelet op de besluiten van B&W Oldambt, kan zij dat standpunt onderbouwd in deze procedure naar voren brengen.

3.2

Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat haar een uitkering ingevolge de Participatiewet zou worden verleend nu medewerkers van het loket Bbz haar hebben doorverwezen naar het loket Participatiewet, om reden dat volgens die medewerkers zij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van het Bbz 2004. De enkele omstandigheid dat haar is geadviseerd een aanvraag ingevolge de Participatiewet in te dienen, betekent niet dat die aanvraag ook zou worden gehonoreerd, reeds omdat om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Participatiewet de aanvrager niet alleen geen zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 moet zijn, maar ook aan andere voorwaarden dient te voldoen. Beantwoording van de vraag of eiseres gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat voormelde medewerkers bevoegd waren uitlatingen te doen over door verweerder te nemen bijstandsbesluiten, kan om die reden achterwege blijven.

Zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2004

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van het indienen van haar aanvraag schilderijen en tekeningen vervaardigde en dat werk van haar, vier schilderijen, doorlopend in een galerie in Amsterdam ten toon werden gesteld. Deze galerie toonde tevens jaarlijks op een kunstbeurs in Breda en een kunstbeurs in Amsterdam werk van eiseres. Ook zijn op de website van eiseres drie schilderijen van haar te zien.

4.2

Eiseres betoogt dat haar kunstenaarsactiviteiten van dusdanige bescheiden omvang is dat zij niet aangemerkt kan worden als een zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2004. Zij moet beschouwd worden als een zogenaamde marginaal zelfstandige. In dit verband wijst eiseres erop dat zij al jaren geen inkomen kan verwerven met haar kunstproducties; zij ontvangt immers sedert jaren een uitkering.

4.3

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat in het geval van eiseres niet van belang is in welke omvang zij kunstwerkzaamheden verrichtte, nu zij eerder is aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2004. In zo'n situatie is enkel van belang of zij wel of niet met haar activiteiten als kunstenaar is gestopt. Dat is echter niet het geval, nu eiseres kunstproducties is blijven vervaardigen en te koop aanbieden.

4.4

De rechtbank heeft noch in het Bbz 2004, noch in de rechtspraak steun voor dit standpunt van verweerder gevonden. Anders dan verweerder meent, biedt de uitspraak van
2 maart 2010 van de CRvB geen steun voor dit standpunt (ECLI:NL:CRVB:2010:BL9030). In die uitspraak was de vraag aan de orde of het bestuursorgaan terecht het verzoek om verlenging van een uitkering ingevolge het Bbz 2004 had afgewezen omdat de oorzaak van de behoefte aan voortdurende bijstand niet gelegen was in een externe omstandigheid van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004. Die situatie deed zich volgens de CRvB niet voor. Dat de betrokkene in die zaak door ziekte en persoonlijke omstandigheden haar bedrijf niet naar behoren had kunnen voeren, waardoor zij in bijstandsbehoevende omstandigheden kwam te verkeren, behoort naar het oordeel van de CRvB tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor zij voorzieningen had kunnen treffen. Uit dat oordeel van de CRvB kan niet worden afgeleid dat de omvang van de werkzaamheden geen invloed hebben op het zijn van zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2004. In die uitspraak was niet in geschil dat betrokkene een zelfstandige als bedoeld in het BBz was, zij voerde een bedrijf, terwijl eiseres in de onderhavige zaak betwist dat zij een bedrijf voert dan wel een beroep als zelfstandige uitvoert.

4.5

Voor de vraag of eiseres met de in overweging 4.1 genoemde activiteiten een zelfstandig beroep als kunstenares uitoefent als bedoeld in het Bbz 2004, is naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder van belang in hoeverre eiseres naast het realiseren van kunstproducties ook haar werk presenteert en te koop aanbiedt om inkomsten verwerven. Immers, het in eigen bedrijf of in zelfstandig beroep werkzaam zijn, onderscheidt zich in het bijzonder van het op hobbymatige basis bezig zijn met het vervaardigen van kunstproducties door met die kunstproducties ook te voorzien in het bestaan. Uit rechtsoverweging 4.1 blijkt dat de eiseres haar werk in de jaren voorafgaand aan de aanvraag op zeer beperkte schaal heeft gepresenteerd en te koop heeft aangeboden. Er wordt immers slechts op drie locaties werk tentoongesteld en die locaties zijn in die jaren niet veranderd. Ook wordt er slechts een gering aantal werken vertoond, welke werken, naar eiseres ter zitting heeft verklaard, al jaren niet meer vervangen zijn door anderen werken. Datzelfde geldt voor de werken die zij op haar website presenteert. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij in de regel niet in opdracht kunstproducties maakt en tevens dat haar werken al jaren niet worden verkocht. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat eiseres onmiskenbaar als zelfstandige werkzaam is als bedoeld in het Bbz 2004. In de verklaring van eiseres dat zij circa zes uur per dag bezig is met het (proces van) vervaardigen van kunstproducties en niet wil stoppen met het vervaardigen van kunstproducties, ziet de rechtbank geen grond om anders te oordelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres heeft verklaard, onder meer in haar aanvraag, dat zij beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Mochten de werkzaamheden een serieus beletsel vormen of blijken te vormen bij de daadwerkelijke inschakeling in de arbeid, dan kan verweerder op grond van artikel 55 van de Participatiewet eiseres een verplichting oplegging tot beëindiging van (een deel van) de werkzaamheden.

4.6

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte de aanvraag van eiseres heeft afgewezen op de grond dat zij aangemerkt moet worden als zelfstandige als bedoeld in het Bbz 2004.

Vermogen

5.1

Ingevolge artikel 19 van de Participatiewet heeft de alleenstaande of het gezin onverminderd paragraaf 2.2 recht op algemene bijstand indien er onder meer geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge artikel 34, tweede lid, onder b, van de Participatiewet wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid. In laatstgenoemd lid is de in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 34 van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens voor een alleenstaande vastgesteld, ten tijde van belang op een bedrag van € 5.940,-.

5.2.

Eiseres betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat verweerder bij de vermogen-vaststelling geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij de laatste jaren geen enkel schilderij of tekening heeft verkocht en aldus het vermogen op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

Dit betoog treft doel. De rechtbank stelt vast dat bij de waardebepaling van de bij eiseres in bezit zijnde schilderijen en tekeningen is uitgegaan van het bedrag dat eiseres voor haar kunstproducties vraagt, met dien verstande dat voor de vier schilderijen die in de galerie hangen de waarde verminderd is met 50%, omdat de galerie de helft van de verkoopprijs ontvangt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de prijzen in het verleden met hulp van de galeriehouder zijn bepaald, maar dat deze bedragen thans onrealistisch zijn en dat elk bedrag voor haar kunstproducties welkom is. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank onvoldoende gebleken dat bij het voor de waardebepaling gebruiken van de door eiseres genoemde vraagprijzen voldoende rekening is gehouden met de moeilijke verkoopbaarheid van haar kunstproducties, nog daargelaten of de door eiseres genoemde vraagprijzen beschouwd kunnen worden als door een onafhankelijk deskundige vastgestelde waarden. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Het bestreden besluit moet wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

Terugvordering

6. Nu de afwijzing van de aanvraag om bijstand in beroep geen stand kan houden, kan ook de in bezwaar gehandhaafde terugvordering in beroep geen stand houden.

Conclusie

7.1

Het beroep is gegrond.

7.2

Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres. In dat kader zal verweerder het vermogen van eiseres opnieuw moeten vaststellen. Daarnaast zal verweerder zo nodig moeten ingaan op de grond van eiseres dat dringende redenen zich verzetten tegen de terugvordering van eerdere verleende voorschotten. Gelet op het door verweerder te verrichten onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien.

7.3

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

7.4

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, één punt met een waarde van € 501,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 46,- aan eiseres vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Coster, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2018.

Griffier Rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger

beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op: