Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1560

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
18/830034-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde dat betrekking heeft op het bezit van vals geld. Er is niet gebleken dat verdachte op het moment dat hij de bankbiljetten ontving met de valsheid ervan bekend was, terwijl dit een vereiste is om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde feit.

Verdachte is veroordeeld voor het aanwezig hebben van cocaïne en het rijden onder invloed van verdovende middelen, terwijl zijn rijbewijs was geschorst.

Verdachte had op twee momenten cocaïne bij zich. De ene keer ging het om 8 gram voor, naar eigen zeggen, eigen gebruik en de andere keer om ongeveer een halve kilo om aan anderen te verkopen. Tot een daadwerkelijke verkoop van deze grotere hoeveelheid cocaïne is het niet gekomen, nu verdachte en de medeverdachte door de beoogde kopers zijn geript.

Ook de schorsing van het rijbewijs staat in verband met drugsgebruik, nu deze het gevolg is van een eerdere veroordeling voor het rijden onder invloed van drugs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830034-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/176624-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Schlepers, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd in de zaak met parketnummer 18/830034-17, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, dat:

1.

hij in of omstreeks de maand januari (tot en met 13 januari 2017), althans in of omstreeks de periode omvattende de dagen 12 januari 2017 en 13 januari 2017, te Foxhol, in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, en/of elders in de provincie Groningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) een halve kilo, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de maand januari 2017, in elk geval op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 19 (negentien), althans meerdere, (nagemaakte en/of valse en/of vervalste) bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, verdachte (en zijn mededader(s)), toen hij/zij deze ontving(en) bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, heeft ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of heeft vervoerd en/of in voorraad heeft gehad;

en in de zaak met parketnummer 18/176624-17 dat:

1.

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een

andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die

schorsing van kracht was, op een weg, de Zwedenbrug, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

3.

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 gram, in elk geval een hoeveelheid een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met betrekking tot het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/176624-17 heeft de raadsvrouw gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte pas op 13 maart 2018 een dagvaarding heeft gekregen voor feiten die zouden zijn gepleegd op 2 november 2016. Bovendien hadden deze feiten kunnen worden gevoegd bij een andere zaak, waarvoor verdachte op 21 december 2017 voor de politierechter moest verschijnen. Verdachte is daarom ervan uitgegaan dat het openbaar ministerie geen gebruik meer zou maken van zijn recht om verdachte te vervolgen voor de feiten van 2 november 2016. Na het verstrijken van zoveel tijd kan ook niet worden volgehouden dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot deze vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De rechtbank verstaat hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd aldus dat zij heeft bedoeld te stellen dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat nog geen twee jaren zijn verstreken sinds de pleegdatum, laat staan sinds het moment waarop verdachte in redelijkheid kon verwachten dat er een strafvervolging voor deze feiten tegen hem zou worden ingesteld. Van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is in deze zaak derhalve geen sprake. Voor zover het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie hierop is gebaseerd, mist het feitelijke grondslag en moet het reeds daarom worden verworpen.

Verder valt niet in te zien waarom, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, verdachte aan de enkele omstandigheid dat verdachte in de tussentijd voor andere feiten is berecht zonder dat onderhavige feiten daarbij zijn gevoegd, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het openbaar ministerie hem niet meer zou vervolgen voor de onderhavige feiten. De wetgever heeft artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht juist voor dit soort gevallen in het leven geroepen. Dit artikel biedt de verdachte bescherming in die zin dat bij de laatste berechting rekening wordt gehouden met dergelijke eerdere veroordelingen. De onderhavige feiten zien op overtreding van bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 en de Opiumwet. Gelet op de belangen die deze bepalingen beogen te beschermen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat met de vervolging geen enkel door strafrechtelijke handhaving beschermd belang meer gediend kan zijn. Van niet-ontvankelijkheid om deze reden is daarom evenmin sprake.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de zaak met parketnummer 18/176624-17.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten van beide zaken gevorderd. Zij heeft daartoe met betrekking tot feit 2 van de zaak met parketnummer 18/830034-17 aangevoerd dat de valse biljetten zijn onderzocht en dat gebleken is dat het om vals geld gaat. Verdachte wist dat deze biljetten vals waren en heeft deze biljetten aan anderen willen verkopen, terwijl hij op de hoogte was dat men deze biljetten als echt geld wilde gaan gebruiken in het betalingsverkeer. Er staat hiermee vast dat verdachtes oogmerk erop gericht was om de biljetten als echt en onvervalst te doen uitgeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/830034-17 onder 2 ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft zich wat betreft het in die zaak onder 1 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De raadsvrouw heeft verder geen verweer gevoerd omtrent de bewijsbaarheid van de feiten die zijn ten laste gelegd onder parketnummer 18/176624-17.

Oordeel van de rechtbank

18/830034-17 feit 2 – vrijspraak
Uit het dossier blijkt dat verdachte op 13 januari 2017 vals geld in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd. Voor een bewezenverklaring van overtreding van het ten laste gelegde artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht is echter ook vereist dat vast komt te staan dat verdachte op het moment dat hij de bankbiljetten ontving, met de valsheid daarvan bekend was. Verdachte heeft verklaard dat hij een week voor 13 januari 2017 met valse bankbiljetten is betaald, maar dat hij er pas later achter kwam dat het om vals geld ging. Nu uit het dossier niet blijkt dat dit anders is, zal de rechtbank van die verklaring van verdachte uitgaan. Nu niet is gebleken dat verdachte op het moment dat hij de bankbiljetten ontving met de valsheid ervan bekend was, kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank volstaat ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/830034-17 onder 1 ten laste gelegde, alsmede ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 18/176624-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgaven luiden als volgt:

18/830034-17 feit 1

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 06 april 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2017, opgenomen in MAP 11 op pagina 3784 e.v. van het zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, inhoudende de verklaring van [getuige];

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2017, opgenomen in MAP 11 op pagina 3817 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige].

18/176624-17 feit 1, 2 en 3

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2017, proces-verbaalnummer 2016312038-12, inhoudende de relatering van de verbalisanten;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 14 november 2016, procesverbaalnummer 2016312038-11, inhoudende de relatering van de verbalisanten;

4. ( alleen ten aanzien van feit 1) Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.11.03.058, d.d. 30 november 2016 opgemaakt door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, inhoudende zijn/haar verklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830034-17 onder 1 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/176624-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/830034-17

1.

hij omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd ongeveer een halve kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

18/176624-17

1.

hij op 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij op 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was op een weg, de Zwedenbrug, een motorrijtuig, personenauto, van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

3.

hij op 2 november 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 gram, van een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

18/830034-17

1.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

18/176624-17

1.

Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

Overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft zij de oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst gesteld dat ten aanzien van de oude feiten van november 2016 een schuldigverklaring zonder oplegging van straf voor de hand ligt, dit gelet op het tijdsverloop.

Voorts heeft zij gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke straf met eventueel bijzondere voorwaarden daaraan gekoppeld. Zij heeft daarbij aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte tot grote sociaal-maatschappelijke problemen zal leiden. Verdachte gebruikt geen drugs meer en werkt gemiddeld zes dagen per week. Hij heeft een eigen koopwoning en het is van groot belang dat hij een inkomen kan blijven verwerven om de vaste lasten te betalen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsadvies van 9 maart 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.13 maart 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank houdt ook rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op twee momenten schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. De ene keer ging het om 8 gram voor, naar eigen zeggen, eigen gebruik en de andere keer om ongeveer een halve kilo om aan anderen te verkopen. Tot een daadwerkelijke verkoop van deze grotere hoeveelheid cocaïne is het niet gekomen, nu verdachte en de medeverdachte door de beoogde kopers zijn geript.

De rechtbank tilt vooral zwaar aan het aanwezig hebben van een halve kilo cocaïne. Met zijn handelen heeft verdachte beoogd bij te dragen aan verdere verspreiding van deze verdovende middelen. Algemeen bekend is dat het gebruik daarvan een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Tevens zijn verdovende middelen vaak direct en indirect een oorzaak van vele vormen van criminaliteit, zoals ook in deze zaak. De hoeveelheid cocaïne die hij in één keer wilde verkopen doet vermoeden dat verdachte destijds op grotere schaal cocaïne verkocht dan verdachte ter terechtzitting heeft willen toegeven.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van verdovende middelen, terwijl zijn rijbewijs was geschorst. Ook de schorsing van het rijbewijs staat in verband met drugsgebruik, nu deze het gevolg is van een eerdere veroordeling voor het rijden onder invloed van drugs. Door het plegen van dit feit heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Met name gelet op de grote hoeveelheid cocaïne die verdachte op 13 januari 2017 aanwezig heeft gehad, in samenhang beschouwd met het doel dat verdachte had met deze cocaïne en de eerdere veroordelingen van verdachte voor overtreding van de Opiumwet, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het reeds ondergane voorarrest op zijn plaats.

In strafmatigende zin betrekt de rechtbank echter de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gebleken is dat verdachte sinds de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis in mei 2017 geen harddrugs meer gebruikt, inmiddels een baan heeft en betalingsregelingen heeft getroffen om zijn schulden te betalen. In deze - ten opzichte van de periode vóór zijn aanhouding gewijzigde - persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding de helft van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen. Verdachte kan zo zijn werk en woning behouden, terwijl het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf ertoe kan dienen verdachte te motiveren op de ingezette weg voort te gaan en hem ervan te weerhouden - al dan niet onder invloed van drugs - strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal geen reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden opleggen, nu dit niet door de reclassering wordt geadviseerd en de rechtbank dit niet geïndiceerd acht.

Gelet op de laatste veroordeling van verdachte waarbij reeds een ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd wegens soortgelijke overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, het tijdsverloop en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, ziet de rechtbank geen aanleiding ter zake van het rijden onder invloed wederom een rijontzegging op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. De op te leggen straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist, hetgeen mede verband houdt met de omstandigheid dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de zaak met parketnummer 18/176624-17.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/830034-17 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830034-17 onder 1 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/176624-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. R.B.M. Keurentjes en mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2018.

Mr. R.B.M. Keurentjes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.