Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1494

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1590
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en de rentebeschikking niet-ontvankelijk. Met betrekking tot de boetebeschikking oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft bewezen dat dat de stelling van eiseres, dat zij de boetebeschikking niet heeft ontvangen, onjuist is. Het beroep gericht tegen de boetebeschikking is daarom ontvankelijk. De rechtbank matigt vervolgens de boete, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-06-2018
V-N Vandaag 2018/1389
FutD 2018-1791
V-N 2018/41.25.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1590

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. de Jonge),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2014 aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) ten bedrage van € 122.222. Deze naheffingsaanslag is gedagtekend 26 juli 2014. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 3.127 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 30.554.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 januari 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder, [bestuurder] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam] .

Namens eiseres is voor de zitting een pleitnota ingediend.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

De heer [bestuurder] is enig aandeelhouder van [Beheer B.V.] Laatstgenoemde vennootschap is op haar beurt enig aandeelhouder van eiseres. [bestuurder] is bestuurder van beide vennootschappen.

1.2

Eiseres is op 1 mei 2000 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op het uittreksel uit het Handelsregister staat vermeld:

"Activiteiten: SBI-code 4652 - Groothandel in elektronische en telecommunicatieapparatuur

en bijbehorende onderdelen.

Aan- en verkoop (groothandel), huur en verhuur, installatie, reparatie en onderhoud van telecommunicatie-apparatuur."

1.3

Eiseres heeft in de periode 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2014 1.286 telefoons gekocht van [telefoonverkoper] . Eiseres betaalde de telefoons contant aan [telefoonverkoper] .

1.4

Met betrekking tot de onder 1.3 genoemde telefoons heeft [bestuurder] , namens eiseres, inkoopbonnen opgesteld. Op de betreffende inkoopbonnen staan de naam en het adres van eiseres vermeld. Daarnaast staat op deze bonnen onder meer:

"INKOOPBON CONTANT Handelsonderneming: [telefoonverkoper]

Datum: [de datum van de inkoop]

Bedrag: [het totaalbedrag van de gekochte telefoons]

OMSCHRIJVING:

[het aantal, het type en de stuksprijs van de gekochte telefoons]

Handtekening voldaan: [de handtekeningen van [bestuurder] en [telefoonverkoper] ]".

1.5

Verweerder is op 20 maart 2014 een boekenonderzoek gestart bij eiseres. Verweerder heeft daarvan een rapport opgemaakt, gedateerd 6 mei 2014. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:

"1. Het onderzoek

Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften (waarbij is uitgegaan van de gegevens zoals die in de administratie zijn aangetroffen):

- omzetbelasting van 1 januari 2011 tot en met 28 februari 2014;

Voor de aangiften omzetbelasting van 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2014 heb ik:

- de afgetrokken voorbelasting over goederen en diensten gecontroleerd;

(…)

2.5

Adviseur

De belastingadviseur is:

Naam : [oude naam accountantskantoor] Accountants & Adviseur B.V.

Contactpersoon : [naam]

[adresgegevens]

Van dit kantoor waren de heren [naam] en [naam] bij de aanvang van het onderzoek

aanwezig.

(…)

3.2.1

Voorbelasting contante inkoop zonder facturen

Het onderzoek is aangekondigd voor 2012. Aangezien tijdens de controle werd vastgesteld dat door belastingplichtige ten onrechte voorbelasting werd geclaimd ter zake van de contant ingekochte mobiele telefoons heb ik het onderzoek uitgebreid met de jaren 2011, 2013 en 2014 (t/m februari 2014). Ook in deze jaren werd ten onrechte de voorbelasting geclaimd. Door [bestuurder] , directeur van de vennootschap, werden zelf inkoopfacturen gemaakt waarbij het papier van de vennootschap werd gebruikt. De contante inkopen zouden gedaan zijn bij een persoon genaamd [telefoonverkoper] in Emmen. Door [bestuurder] werden de zelf vervaardigde inkoopfacturen voorzien van een omschrijving van de ingekochte mobiele telefoons en de bijbehorende prijzen. Verder werden in het briefhoofd als omschrijving de volgende vermeldingen gebruikt: "inkoopbon contant", "inkoopbon contant particulieren" en "inkoopbon contant Handelsonderneming [telefoonverkoper] ". Onderaan de factuur werd vervolgens een firmastempel van [eiseres] geplaatst met de opmerking "Handtekening voldaan" en één of twee parafen Volgens [bestuurder] zou één paraaf van hem zijn en de tweede van de leverancier, de eerder genoemde [telefoonverkoper] . Tijdens het gesprek heb ik aan [bestuurder] te kennen gegeven dat de hiervoor geschetste handelswijze niet correct is en dat niet wordt voldaan aan de wettelijke regels om voorbelasting op grond van art. 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek te kunnen brengen. De voorbelasting moet in rekening zijn gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Aangezien belastingplichtige niet beschikt over de vereiste facturen kan dan ook geen sprake zijn van recht op aftrek van voorbelasting Ik ben van mening dat [bestuurder] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gehanteerde handelswijze onjuist was en dus ten onrechte voorbelasting werd geclaimd en terug ontvangen. Over de positie van de leverancier had men zich aanvankelijk ook geen duidelijkheid verschaft aangezien enkel een inschrijving van de KvK kon worden overlegd waaruit blijkt dat eerder genoemde [telefoonverkoper] . de vermeende leverancier, zich per 20 mei 2013 heeft laten inschrijven als ondernemer.

Ook heb ik nog contact opgenomen met [telefoonverkoper] en deze verklaarde dat hij handelt in mobiele telefoons maar dat uitsluitend sprake is van margeverkopen. Hij heeft nog nooit een factuur met vermelding van omzetbelasting uitgeschreven en zal dit ook niet gaan doen aangezien sprake zou zijn van margegoederen.

Op basis van voorgaand zal ik de ter zake van de contante inkopen geclaimde voorbelasting gaan corrigeren

Aangezien sprake is van margegoederen.

Correctie 2011 € 3.236

Correctie 2012 € 32.984

Correctie 2013 € 58.208

Correctie 2014 (t/m febr) € 28.187

Totaal € 122.615

3.2.2

Voorbelasting contant [telefoonwinkel]

Tijdens het onderzoek kwam ik in de kasadministratie van 2012 nog een zestal aan [telefoonwinkel] betaalde bedragen voor de inkoop van mobiele telefoons ter zake waarvan ook voorbelasting werd geclaimd en terug ontvangen op de aangiften omzetbelasting. De facturen waren ingeboekt via de kas met de boekstuknummers 247 tot en met 250 en 252.

De betreffende facturen waren niet terug te vinden zodat ik de in aftrek gebrachte voorbelasting zal corrigeren.

Correctie 2012 € 2.843

(…)

6 Boete

6.1

Vergrijpboete

Over de correctie(s) genoemd onder punt 3.2.1 2 en 3.2.2 van het controlerapport, leg ik naast de naheffingsaanslag nog een vergrijpboete op. Deze boete(n) is gebaseerd op artikel 67d t/m 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de regelgeving van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Hierna ga ik vervolgens in op de diverse boetes en/of boetebedragen. Ook leest u waarom ik van mening ben dat een vergrijpboete geboden is.

Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien er sprake is van grove schuld of opzet. Met betrekking tot de hiervoor genoemde correctie(s) ben ik van mening dat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet. Hiervan is onder andere sprake als er willens en wetens gehandeld of nagelaten is, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. De reden waarom ik van mening ben dat er - met betrekking tot de hiervoor genoemde correctie(s) - sprake is van (voorwaardelijke) opzet is:

Van [bestuurder] mag gezien zijn lange staat van dienst als ondernemer worden verwacht dat hij wel op de hoogte moet zijn van de regelgeving op het gebied van de in aftrek te brengen voorbelasting zoals het beschikken over deugdelijke inkoopfacturen van de presterende partij met daarop de vereiste gegevens zoals het btw-identificatienummer en de in rekening gebrachte omzetbelasting. Ook was [bestuurder] op de hoogte van het feit dat de heer [telefoonverkoper] tot 20 mei 2013 niet eens beschikte over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en dat tot deze datum de heer [telefoonverkoper] zogenaamd handelde als particulier en in die hoedanigheid niet kon overgaan tot het afgeven van facturen met omzetbelasting. Vanaf 20 mei 2013, de datum inschrijving bij de Kamer van Koophandel, werden de leveringen door de heer [telefoonverkoper] aan belastingplichtige voortgezet. Ook voor de contante inkoop van mobiele telefoons gedaan vanaf 20 mei 2013 beschikt belastingplichtige niet over inkoopfacturen. Ik ben van mening dat belastingplichtige wellicht willens en wetens de omzetbelasting heeft verrekend terwijl hij wist dan wel had kunnen weten dat dit niet is toegestaan. Belastingplichtige is op zijn minst erg onzorgvuldig geweest waardoor de belastingdienst fors is benadeeld. Er zal een vergrijpboete van 25% worden opgelegd. Het belang is zowel relatief als absoluut substantieel. Er zijn vooralsnog geen redenen om te komen tot een matiging van de boete.

De aangiften worden door de adviseur verzorgd. De gegevens hiervoor worden door belastingplichtige aangeleverd. Een per maand komt de adviseur naar het bedrijfsadres van belastingplichtige voor het doen van de aangifte omzetbelasting.

Volgens de adviseur, [naam] , zou hij enkel een samenstellingsopdracht hebben en geen controle uitoefenen op de in aftrek gebrachte voorbelasting en bij invullen van de aangiften omzetbelasting uitgaan van de totaalbedragen aan voorbelasting zoals deze op de betreffende grootboekrekeningen voorkomen. Alleen de verschuldigde btw toetst hij aan de gerealiseerde omzet. De adviseur, [naam] , verklaarde dat hij kort voor de aanvang van het onderzoek door [bestuurder] op de hoogte werd gebracht van de werkwijze zoals hiervoor omschreven. Voor wat betreft de naheffingsaanslag(en) wordt de boetegrondslag gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald ten gevolge van de opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige."

1.6

Op 4 november 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Daarbij was [bestuurder] aanwezig, bijgestaan door [naam] en [naam] . Van de zijde van verweerder waren de heren [naam] en [naam] aanwezig. Van het hoorgesprek is geen verslag gemaakt.

1.7

Bij brief, gedateerd 2 december 2015, heeft verweerder zijn voorgenomen uitspraak op bezwaar gemotiveerd. In deze brief staat - voor zover hier van belang - het volgende:

"Beoordeling van de boete

Op grond van artikel 67 f van de Algemene wet rijksbelastingen en paragraaf 28 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst is er een boete opgelegd van 25%. Een boete wordt opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten

dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet of gedeeltelijk niet is betaald, vormt dit een vergrijp waarvoor de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100%. De boete wordt gelijktijdig met de naheffingsaanslag vastgesteld.

De boete is op de juiste gronden opgelegd.

Er is een boete opgelegd van 25% van de naheffing enkelvoudige belasting. De boete is opgelegd uitgaande van voorwaardelijke opzet waarvoor een boete van 50% geldt en welke is gematigd tot 25%.

De boete is opgelegd er van uitgaande dat:

Van [bestuurder] , gezien zijn lange staat van dienst als ondernemer, mag worden verwacht dat hij wel op de hoogte moet zijn van de regelgeving op het gebied van het in aftrek brengen van voorbelasting zoals het beschikken over een deugdelijke inkoopfactuur van de presteren de partij met daarop de vereiste gegevens zoals de NAW gegevens en de in rekening gebrachte omzetbelasting.

Bekend is dat er geen recht op aftrek van voorbelasting bestond op grond van de door

belanghebbende opgemaakte inkoopfacturen dit werd tijdens het hoorgesprek bevestigd.

Er in het verleden geen goede facturen zijn opgemaakt omdat alles snel moest gebeuren, een en ander op voorstel van de adviseur.

[telefoonverkoper] tot 20 mei 2013 niet beschikte over een inschrijving bij de KvK en dat [telefoonverkoper] tot die datum handelde als particulier en daarom geen facturen kon uitreiken met omzetbelasting.

Belanghebbende willens en wetens omzetbelasting in aftrek heeft gebracht terwijl hij wist dat daarop geen recht bestond omdat hij niet beschikte over facturen die aan de vereisten van de Wet OB voldoen.

Met deze opstelling loopt belanghebbende willens en wetens het risico dat er te weinig belasting op aangifte wordt voldaan.

De boete is terecht en op juiste gronden opgelegd."

1.8

Bij uitspraak op bezwaar van 22 januari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Met dagtekening 12 februari 2016 heeft verweerder abusievelijk nogmaals eenzelfde uitspraak op bezwaar gedaan.

1.9

Bij e-mailbericht van 7 april 2016 heeft [naam] , werkzaam voor [accountantskantoor] (voorheen genaamd: [oude naam accountantskantoor] ) (hierna respectievelijk ook: [accountantskantoor] en [oude naam accountantskantoor] ) het volgende aan de gemachtigde van eiseres geschreven:

"Bijgaande wil ik reageren op de vraag of ik het schrijven van 02 december 2015 heb ontvangen inzake [eiseres] inzake "Motivering op de uitspraak van de Belastingdienst."

De organisatie [oude naam accountantskantoor] .V. is per donderdag 19 november 2015 gewijzigd in [accountantskantoor] Vanaf 19 november hebben we de naamswijziging doorgevoerd en is het kantoor geen Accountantskantoor meer. De heer [naam] is vanaf 05 november 2015 niet meer werkzaam bij [accountantskantoor]

Deze naamswijziging is doorgegeven aan de belastingdienst en diverse instanties. Ik heb dit ook vanmorgen telefonisch aangegeven aan de heer [naam] van de belastingdienst. Deze gaf aan dat het weleens kan gebeuren dat een schrijven kwijt kan raken door een naamswijziging binnen de organisatie van de belastingdienst.

Verder wil ik graag vermelden dat mevrouw [naam] niet bij dit proces is betrokken en dat op 09 oktober ook de heer [naam] aanwezig [was] namens [oude naam accountantskantoor]

Uit de interne stukken blijkt ook duidelijk dat de machtiging over de correspondentie rond deze zaak na het gesprek van 09 oktober naar U is overgegaan. En dat de belastingdienst alle correspondentie aan U zou versturen."

1.10.

Bij e-mailbericht van 6 april 2016 heeft de heer [naam] , werkzaam voor verweerder, onder andere het volgende aan de gemachtigde van eiseres geschreven:

"Op 2 december 2016 heb ik u bijgaande brief gezonden

Met dagtekening 22 januari 2016 is uitspraak op bezwaar via Apeldoorn verzonden

In deze uitspraak wordt verwezen naar mijn brief van 2 december 2016

(Zie het bijgevoegde bestand: 8087 01 708 [eiseres] voorgenomen uitspraak.pdf)"

1.11

In de rapporten, beide gedateerd 5 juli 2016, van [naam] , werkzaam bij de

Belastingdienst/Centrale Administratie, UMTO Juridisch Advies en Klachten, is de verzendadministratie van de in 1.8 genoemde uitspraken op bezwaar nader omschreven.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag OB, een beschikking belastingrente en een boetebeschikking heeft opgelegd aan eiseres.

Ontvankelijkheid beroep

3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 22 januari 2016. Eiseres heeft daartegen op 8 april 2016 beroep aangetekend. Dit roept vragen op over de ontvankelijkheid van het beroep. In dat verband is tussen partijen in geschil of de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en zo ja, wanneer dit is gebeurd.

4. Eiseres heeft primair gesteld dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Subsidiair heeft eiseres gesteld dat de uitspraak op bezwaar niet eerder dan op 6 april 2014 aan haar bekend is gemaakt, te weten het moment waarop haar (huidige) gemachtigde, mr. H. de Jong, daarvan een print screen ontving. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres gesteld dat [bestuurder] tijdens de hoorzitting op 4 november 2015 (zie 1.6) ten aanzien van mr. H. de Jonge heeft verklaard dat "vanaf heden hij de zaken gaat behandelen". Verder is volgens eiseres op 6 april 2016 namens verweerder ook schriftelijk bevestigd dat de uitspraak op bezwaar aan de huidige gemachtigde van eiseres is verzonden (zie 1.10). De uitspraak op bezwaar bleek echter gericht aan [oude naam accountantskantoor] , de voormalig gemachtigde van eiseres, welk kantoor sinds 19 november 2015 de naam [accountantskantoor] draagt (zie 1.9). Zowel de gemachtigde van eiseres als [oude naam accountantskantoor] hebben (de motivering van) de uitspraak op bezwaar niet ontvangen, aldus eiseres. Eiseres heeft dan ook pas op 6 april 2016 kennis kunnen nemen van (de print screen van) de uitspraak op bezwaar.

5. Verweerder ontkent dat tijdens het hoorgesprek is medegedeeld dat mr. H. de Jonge (de Jonge) de zaken zou hebben overgenomen. Volgens hem is er geen enkel moment sprake van geweest dat [oude naam accountantskantoor] niet langer als gemachtigde in de bezwaarprocedure op zou treden en dat De Jonge deze rol zou overnemen. Verweerder leidt dit af uit de omstandigheden dat:

- de OB-aangiften van eiseres werden verzorgd door [oude naam accountantskantoor] ;

- de heren [naam] en [naam] , beide werkzaam voor [oude naam accountantskantoor] , bij de start van het boekenonderzoek aanwezig waren;

- het bezwaar tegen de onderhavige naheffingsaanslag OB is ingediend door [oude naam accountantskantoor] ;

- tijdens de bezwaarfase is gecorrespondeerd met mevrouw [naam] en de heer [naam] , beide werkzaam voor [oude naam accountantskantoor] ;

- de heer [naam] aanwezig was bij hoorgesprek.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de uitspraak op bezwaar verzonden naar [oude naam accountantskantoor] , ter attentie van mevrouw Van Houten. In de administratie van de Belastingdienst stonden ook het beconnummer van [oude naam accountantskantoor] en het postadres van [oude naam accountantskantoor] (zoals dat op de uitspraak op bezwaar staat vermeld) geregistreerd. Tot slot blijkt volgens verweerder uit de door hem overgelegde rapporten (zie 1.11) dat de uitspraak op bezwaar ook daadwerkelijk is verzonden. Dat de uitspraak op bezwaar (in de rapporten aangeduid als verminderings-beschikking) abusievelijk twee maal is verzonden, maakt het voorgaande niet anders. Het beroep is namelijk evenmin verzonden binnen zes weken na de dag volgend op de dagtekening van het tweede exemplaar.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop - in dit geval - de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Als een beroepschrift buiten voormelde termijn is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dit alles volgt uit de artikelen 6:7, 6:9, 6:11 en 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

8. Met inachtneming van het voorgaande overweegt de rechtbank het volgende.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de daartoe opgemaakte rapporten (zie 1.11) aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar is aangeboden aan PostNL ter postbezorging aan [oude naam accountantskantoor] . De omstandigheid dat de naam van [oude naam accountantskantoor] met ingang van 19 november 2015 - dus vóór dagtekening van de uitspraak op bezwaar - is gewijzigd in [accountantskantoor] , maakt dat niet anders. Dit geldt te meer nu de naamswijziging niet gepaard is gegaan met een adreswijziging. Tussen partijen is ook niet in geschil dat verweerder het (correcte) adres van [oude naam accountantskantoor] (c.q. [accountantskantoor] ) heeft vermeld op de uitspraak op bezwaar.

10. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [oude naam accountantskantoor] nog de gemachtigde van eiseres was. In dat kader overweegt de rechtbank dat verweerder (in elk geval) sinds het begin van de bezwaarfase [oude naam accountantskantoor] als gemachtigde van eiseres heeft geregistreerd, met vermelding van het beconnummer van [oude naam accountantskantoor] . Het is dan ook aan eiseres om haar stelling, dat mr. H. de Jonge vanaf het hoorgesprek als haar gemachtigde heeft te gelden, te bewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De enkele, door verweerder weersproken, verklaring dat [bestuurder] dit tijdens het hoorgesprek uitdrukkelijk heeft gezegd, is daartoe onvoldoende. Zeker nu tijdens dat hoorgesprek ook een medewerker van [oude naam accountantskantoor] aanwezig was en eiseres ter zitting heeft verklaard dat [accountantskantoor] , als opvolger van [oude naam accountantskantoor] , tot op de dag van vandaag de OB-aangiften van eiseres verzorgt.

11. Nu verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uitspraak op bezwaar terecht naar [oude naam accountantskantoor] (op dat moment al [accountantskantoor] genaamd) heeft verzonden en derhalve op juiste wijze bekend heeft gemaakt, ligt het op de weg van eiseres om het vermoeden van ontvangst dat daaruit volgt, te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De enkele stelling dat [oude naam accountantskantoor] de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen, is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu in de verklaring van [oude naam accountantskantoor] (zie 1.9) niet is vermeld dat zij (de motivering van) de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen. Dat de heer [naam] , werkzaam voor verweerder, zou hebben verklaard dat "het weleens kan gebeuren dat een schrijven kwijt kan raken door een naamswijziging binnen de organisatie van de belastingdienst", maakt het voorgaande evenmin anders. Deze verklaring - los van de vraag of deze aan de heer [naam] kan worden toegeschreven - zegt immers niets over de ontvangst van de uitspraak op bezwaar door [oude naam accountantskantoor] .

12. Op grond van wat de rechtbank onder 7. tot en met 11. heeft overwogen, is zij van oordeel dat eiseres niet tijdig beroep heeft ingesteld. Niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan dient achterwege te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er sprake is van een verschoonbare termijnover-schrijding. De rechtbank zal de beroepen gericht tegen de naheffingsaanslag OB en de beschikking belastingrente daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Vergrijpboete

13. Met betrekking tot de aan eiseres opgelegde vergrijpboete overweegt de rechtbank als volgt. De boetebeschikking is een afzonderlijke beschikking waarvoor de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) gelden. Dat brengt mee dat de ontvankelijkheid van het beroep ter zake van de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking afzonderlijk beoordeeld dient te worden.

14. De rechtbank stelt voorop dat voor zover het beroep betrekking heeft op de vergrijpboete eiseres slechts hoeft te stellen dat en op welke grond de termijnoverschrijding niet aan haar is toe te rekenen. De niet-ontvankelijkheid van het beroep kan dan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling door de inspecteur is bewezen (vgl. Hoge Raad 9 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0550). Het voorgaande leidt ertoe dat nu eiseres - kort gezegd - heeft gesteld dat zij de uitspraak op bezwaar niet eerder dan op 6 april 2014 heeft ontvangen (zie 4.), de niet-ontvankelijkheid van het beroep slechts kan worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling door verweerder is bewezen. In dat kader heeft verweerder ter zitting verklaard "niet achter de brievenbus van eiseres te liggen" en "niet meer te kunnen zeggen dan hij ter zake de verzending van de uitspraak op bezwaar heeft gesteld." Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er met deze verklaringen niet in geslaagd te bewijzen dat (de gemachtigde van) eiseres de uitspraak op bezwaar eerder dan 6 april 2014 heeft ontvangen. Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikking. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

15. Op grond van artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan de opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. In de gegeven situatie heeft verweerder van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Ter zitting heeft verweerder bepleit dat sprake is van grove schuld. Zijn eerdere standpunt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, heeft verweerder laten varen.

16. Eiseres heeft het standpunt van verweerder weersproken. Primair heeft eiseres gesteld dat zij niet opzettelijk heeft gehandeld, zodat haar ten onrechte een vergrijpboete is opgelegd. Subsidiair vindt eiseres de vergrijpboete onredelijk hoog.

17. De rechtbank overweegt dat tijdens de zitting is gebleken dat de boete ten onrechte ook is berekend over het bedrag van € 2.843, de door eiseres geclaimde voorbelasting ter zake van de inkoop van mobiele telefoons van [telefoonwinkel] (zie 1.5, onder 3.2.2. van het citaat). Verweerder heeft ter zitting erkend dat de vergrijpboete daarom met (25% van € 2.841 =) € 771 moet worden verminderd.

18. Vervolgens moet worden beoordeeld of het aan eiseres is te wijten dat omzetbelasting in vooraftrek is gebracht ter zake van de door [telefoonverkoper] aan haar geleverde mobiele telefoons. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ter zake van die levering niet is voldaan aan de in artikel 2 jo artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB opgenomen vereisten om voorbelasting in aftrek te brengen, met name omdat [telefoonverkoper] ten tijde van de leveringen van de telefoons geen facturen heeft uitgereikt. Daarbij betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat [bestuurder] tijdens de zitting heeft verklaard dat " [telefoonverkoper] facturen uitreiken te veel gedoe vond".

De vervolgens namens eiseres door [bestuurder] opgemaakte inkoopbonnen (zie 1.4) kunnen niet als facturen in de zin van artikel 35 van de Wet OB worden aangemerkt. Van selfbilling in de zin van dat artikel kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn.

[bestuurder] heeft derhalve de voorbelasting ter zake de leveringen van mobiele telefoons door [telefoonverkoper] in de aangiften OB van eiseres ten onrechte in mindering gebracht op de verschuldigde omzetbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden aan de grove schuld van [bestuurder] te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Hij is immers een ervaren ondernemer, die wist dat eiseres van al haar andere leveranciers van mobiele telefoons wél facturen met vermelding van de in rekening gebracht omzetbelasting ontving. [bestuurder] had dus kunnen weten dat eiseres, bij gebreke aan dergelijke facturen inzake de leveringen aan [telefoonverkoper] , geen voorbelasting in aftrek had mogen brengen.

19. Resteert beantwoording van de vraag of het grofschuldig handelen van [bestuurder] aan eiseres kan worden toegerekend.

20. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat de enkele omstandigheid dat de gedraging van [bestuurder] aan eiseres wordt toegerekend, niet kan rechtvaardigen dat de bij [bestuurder] aanwezige grove onzorgvuldigheid wordt aangemerkt als grove schuld van eiseres. De vraag of eiseres grove schuld valt te verwijten, moet in het fiscale bestuurlijke boeterecht, evenals in het strafrecht, worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad, 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360).

21. Met inachtneming van het onder 20. geschetste uitgangspunt, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van het dossier en wat ter zitting is besproken, is aannemelijk dat [bestuurder] directeur en feitelijk leidinggevende van eiseres was, dat hij de in- en verkoop van telefoons feitelijk voor zijn rekening nam en dat hij de administratie van eiseres voerde, althans dat deze administratie onder zijn verantwoordelijkheid werd gevoerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de grove schuld van [bestuurder] kan worden aangemerkt als grove schuld van eiseres.

22. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat 6 mei 2014 geldt als aanvangs-moment van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank doet uitspraak op 26 april 2018. Sinds de aankondiging van de boete is dus (afgerond) vier jaar verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar (undue delay; vergelijk Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank ziet geen reden om een deel van de overschrijding aan eiseres toe te rekenen. Vanwege deze overschrijding zal de rechtbank de boete matigen met 20%, waarbij de rechtbank de richtlijnen zoals neergelegd in de uitspraak van Hof Amsterdam van 2 juli 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298) tot uitgangspunt heeft genomen.

23. De rechtbank overweegt verder dat concrete feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot verdere matiging van de vergrijpboete, zijn gesteld noch gebleken.

24. Op grond van wat de rechtbank onder 17. tot en met 23. heeft overwogen, zal zij de vergrijpboete, die verweerder aan eiseres heeft opgelegd, als volgt matigen:

- vergrijpboete: € 30.554

- vermindering conform overweging 17: € 771 -/-

- vermindering conform overweging 23 (20% van € 30.554 - € 771)): € 5.957 -/-

resteert: € 23.826

25. De rechtbank acht een vergrijpboete van € 23.826 passend en geboden.

26. Omdat de rechtbank het beroep inzake de vergrijpboetebeschikking gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag omzetbelasting en de beschikking belastingrente niet-ontvankelijk

- verklaart het beroep inzake de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikking;

- vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 23.826;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. A.M.A.M. Kager en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.