Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1487

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
C/17/160391 / KG ZA 18-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ondernemerskrant tot stand gekomen door oneerlijke concurrentie. Verbod ondernemerskrant uit te (laten) brengen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/160391 / KG ZA 18-63

Vonnis in kort geding van 25 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STUDIO ONE FOUR ONE B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K.E. de Vries te Leeuwarden,

tegen

1 [Gedaagde 1] ,

handelend onder de naam [naam bedrijf],

wonende te [Woonplaats] ,

2. [Gedaagde 2],

wonende te [Woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.J. Achterveld te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Studio OFO, [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2018,

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 april 2018 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde producties,

  • -

    de pleitnota's van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De [naam vof] (hierna: [naam vof] ) heeft een (ondernemers)krant uitgegeven onder de naam " [naam krant] ". [naam vof] gaf de krant " [naam krant] " uit in verschillende regio's, waaronder de regio Noordoost-Friesland.

De inhoud van de krant was gericht op de betreffende regio.

2.2.

De heer [A] (hierna: [A] ) is één van de vennoten van [naam vof] . Via zijn

beheervennootschap is [A] bestuurder en aandeelhouder van Studio OFO. Studio OFO geeft sinds 2017 de krant " [naam krant] " uit in de regio Noordoost-Friesland, onder de naam " [naam krant] ".

2.3.

[Gedaagde 2] is in januari 2017 bij Studio OFO in dienst getreden in de functie van Accountmanager. Een van zijn taken was om bedrijven te benaderen met het aanbod ruimte te kopen in de krant van Studio OFO.

2.4.

Op 26 januari 2017 heeft [Gedaagde 2] een offerte naar zijn privé-e-mailadres verstuurd waarin onder meer staat:

"Hierbij stuur ik zoals besproken, de informatie m.b.t. [naam krant] Noordoost Friesland (special SOD Dantumadeel) . In samenwerking met de verschillende ondernemersverenigingen in Noordoost-Friesland, verschijnen wij eind Februari weer met de [naam krant] editie, deze wordt gericht verstuurd via de k.v.k. aan alle ondernemers, instellingen en de gemeenten in Noordoost-Friesland. (…)

In deze editie Komt een grote special over de SOD Dantumadeel: (…)

Hierbij het volgende voorstel: (…)

1/2 pagina A3 266 x 198 mm € 400,- Betreft een 1/2 pagina advertentie + kosteloos een 1/2 pagina interview met foto's en opmaak. (deze ruimte is de laatste jaren altijd afgenomen) ."

2.5.

Partijen hebben op 7 juni 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij hebben daarin opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2017 eindigt. In de vaststellingsovereenkomst is verder onder meer opgenomen:

" Artikel 5. Informatieverstrekking

Werknemer geeft aan werkgever alle bescheiden, houdende informatie met betrekking tot werkgever en de aan haar verbonden ondernemingen terug en verstrekt op eerste afroep aan werkgever alle inlichtingen noodzakelijk voor een goede overdracht van informatie.

(…)

Artikel 6. Geheimhouding

Partijen benadrukken dat de werknemer zich zowel voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst als na afloop van de arbeidsovereenkomst geheimhouding in acht zal nemen van alles wat hem over de onderneming van de werkgever en diens cliënten bekend is geworden en waarvan de werknemer het vertrouwelijke karakter redelijkerwijs kan vermoeden. Bij overtreding verbeurt werknemer, zonder dat daartoe een nadere ingebrekestelling is vereist, jegens werkgever een onmiddellijk opeisbare boete van € 3000 per overtreding en

€ 300 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de rechten van werkgever tot het vorderen van een integrale schadevergoeding."

2.6.

In de krant van Studio OFO hebben in het verleden onder meer de bedrijven [naam bedrijf] en [naam bedrijf] advertenties geplaatst.

2.7.

[Gedaagde 1] richt zich met zijn bedrijf [naam bedrijf] op de verkoop van advertentieruimte en het uitgeven van (onder meer) kranten, waaronder een aantal edities die vergelijkbaar zijn met de edities die door Studio OFO worden uitgebracht. Vanaf 1 oktober 2017 heeft [Gedaagde 1] een kantoor in [vestigingsplaats] geopend en sindsdien richt hij zich (ook) op de regio Noordoost-Friesland.

2.8.

[Gedaagde 2] is in november 2017 advertenties gaan verkopen voor [Gedaagde 1] en hij is op 1 januari 2018 bij [Gedaagde 1] in dienst getreden.

2.9.

Op 18 december 2017 heeft [Gedaagde 2] een e-mail/offerte aan het bedrijf [naam bedrijf] verzonden met de bedoeling om advertentieruimte te verkopen namens [naam bedrijf] . Het onderwerp van de e-mail luidt: "Voorstel [naam krant] Noordoost Friesland (special Dongeradeel)." In deze e-mail/offerte staat voorts:

"Hierbij stuur ik u zoals besproken, het voorstel m.b.t. de editie van [naam krant] Noordoost Friesland (special Dongeradeel).

1 keer per jaar verschijnen wij (eind Januari) weer met de editie van [naam krant] Noordoost Friesland, deze gaat weer gericht verstuurd worden via de k.v.k. naar alle ondernemers, (zorg)instellingen en de gemeenten in Noordoost Friesland. (…)

In deze editie komt o.a. een grote special over Dongeradeel. (…)

Hierbij het voorstel: (…)

1/2 pagina A3 266 mm x 197 mm € 425,- (Tevens een 1/2 pagina interview kosteloos!!) deze ruimte is de laatste jaren altijd gekozen, dit even ter info (…)

Advertentie + redactie van begin 2017 heb ik in de bijlage toegevoegd! "

Laatstgenoemde bijlage in de e-mail/offerte van 18 december 2017 van [Gedaagde 2] betrof enkele pagina's van de editie van 2017 van de krant "[naam krant]" van Studio OFO.

2.10.

Bij e-mail van 22 december 2017 heeft mevrouw [B] (hierna: [B] ), werkzaam bij [naam bedrijf] , in reactie op het voorstel aan [Gedaagde 2] meegedeeld:

"Wij zijn geïnteresseerd in het voorstel. Het betreft dezelfde ruimte die de afgelopen jaren door ons gekozen is (½ advertentie + ½ pagina interview)."

2.11.

Bij e-mail van 6 januari 2018 heeft [Gedaagde 1] een opdrachtbevestiging naar [naam bedrijf] gestuurd. Het onderwerp van de e-mail luidt: "[naam krant]".

2.12.

Op 12 maart 2018 heeft een medewerker van Studio OFO, de heer [C] (hierna: [C] ), telefonisch contact opgenomen met [B] , naar aanleiding van een offerte die namens Studio OFO aan [naam bedrijf] was verzonden. In het telefoongesprek heeft [B] meegedeeld dat zij al advertentieruimte had gekocht in de krant en dat zij verbaasd was dat [C] contact met haar opnam. [B] was ervan uitgegaan dat zij advertentieruimte had gekocht in de krant van Studio OFO.

2.13.

Studio OFO heeft vervolgens navraag gedaan bij een of meer van haar (voormalige) adverteerders en heeft vernomen dat [Gedaagde 2] ook contact had opgenomen met de heer [D] (hierna: [D] ) van [naam bedrijf] over de verkoop van advertenties. Ook hier had [Gedaagde 1] de met [D] gemaakte afspraken bevestigd.

2.14.

[A] heeft vervolgens [Gedaagde 1] verzocht te stoppen met zijn werkwijze. [Gedaagde 1] heeft dit geweigerd.

2.15.

Bij e-mail van 16 maart 2018 heeft [Gedaagde 1] aan [D] onder meer meegedeeld:

"Graag wil ik u erop attenderen dat er op dit moment vanuit Leeuwarden een initiatief is van het bedrijf Studio One Four One om een soortgelijke krant te laten verschijnen.

Met klem wil ik u mededelen dat niet dezelfde krant is als waarvoor u akkoord heeft gegeven en die naar u bevestigd is.

Vanzelfsprekend staat het u vrij om ook daarin een advertentie te plaatsen."

2.16.

Bij brieven van 21 maart 2018 heeft Studio OFO [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] gesommeerd om te bevestigen dat zij zouden stoppen met onrechtmatige gedragingen en mee te werken aan rectificatie richting de relaties van Studio OFO. Ook heeft Studio OFO een voorschot op geleden en nog te lijden schade gevorderd.

2.17.

Bij e-mail van 29 maart 2018 heeft [Gedaagde 2] aan Studio OFO meegedeeld:

"Vanaf het moment van tekenen van de vaststellingsovereenkomst heb ik helemaal geen informatie naar mijn privé mail gestuurd, aangezien ik toen al niet meer op kantoor van studio 141 werkzaam was. Daarvoor heb ik wel eens een offerte gestuurd naar mijn mail, aangezien ik ook af en toe thuis heb gewerkt voor studio 141.

Ben mij in deze dan ook van geen kwaad bewust."

2.18.

Bij e-mail van 6 april 2018 heeft [D] aan [A] meegedeeld:

"Wij zijn benaderd door [naam bedrijf] . Hij vroeg ons of we ook weer wilden adverteren in de zak. NOF.

De advertentie zoals we die eerder hebben geplaatst.

Hier hebben wij toen accoord voor gegeven."

3 De vordering

3.1.

Studio OFO vordert om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) [Gedaagde 1] met onmiddellijke ingang na het wijzen van dit vonnis te verbieden om een krant, tijdschrift of andersoortig geschrift, op papier of elektronisch, uit te (laten) brengen en uitgebracht te houden, die vergelijkbaar is met de krant van Studio OFO, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere overtreding hiervan en van

€ 5.000,00 voor ieder dag(deel) dat hiermee in strijd wordt gehandeld, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren vaststellen;

b) [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan Studio OFO te doen toekomen:

I. een afschrift van de krant, tijdschrift of andersoortig geschrift van [Gedaagde 1] en/of

[Gedaagde 2] ,

II. een afschrift van de brieven, e-mails of andersoortige correspondentie aan

natuurlijke en/of rechtspersonen die zij hebben benaderd voor hun krant,

tijdschrift of andersoortig geschrift,

III. een schriftelijke, door een registeraccountant gecontroleerde en gewaarmerkte

volledige opgave van:

- de bedrijfsgegevens van Studio OFO die [Gedaagde 2] naar zichzelf heeft toegestuurd,

in bezit heeft of heeft gehad;

- alle handelingen die [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] met deze bedrijfsgegevens hebben

gedaan, in het bijzonder welke gegevens door hen aan wie zijn verstrekt;

- de natuurlijke en/of rechtspersonen die zijn benaderd om te adverteren in de door

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] uit te brengen krant, tijdschrift of andersoortig geschrift, op

papier of elektronisch;

op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per onderdeel (I, II of III) voor ieder

dag(deel) dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hiermee in gebreke blijven, althans een zodanige

beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te

behoren vaststellen;

c) [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor ieder dag(deel) dat zij daarmee in gebreke blijven, aan alle benaderde natuurlijke en/of rechtspersonen, voor zover bekend, in een voor de geadresseerde begrijpelijke taal, een brief of e-mail, met daarvan een bewijs aan Studio OFO in afschrift, te zenden met uitsluitend de volgende inhoud:

"Geachte,

Bij vonnis van ..(datum vonnis) heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden beslist dat de heer [Gedaagde 1] , handelend onder de naam [naam bedrijf] , en de heer [Gedaagde 2] onrechtmatig jegens Studio One Four One hebben gehandeld, doordat zij een (soort)gelijke krant als de krant [naam krant] NOF van Studio One Four One hebben willen verspreiden. Daarvoor hebben zij relaties van Studio One Four One benaderd en deze misleid door de suggereren alsof zij namens Studio One Four One de krant van Studio One Four One hebben willen uitgeven. De rechtbank heeft de uitgifte van de krant vanwege onrechtmatig handelen verboden.

Hoogachtend,

[Gedaagde 2]

[Gedaagde 1]

[naam bedrijf] "

althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren vaststellen;

d) [Gedaagde 2] te veroordelen aan Studio OFO een voorschot op de contractuele boete vanwege de overtreding van het geheimhoudingsbeding te betalen ten bedrage van € 66.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

e) [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan Studio OFO een voorschot op de schadevergoeding te betalen ten bedrage van € 20.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

f) [Gedaagde 2] veroordeelt tot nakoming van artikel 6 van de tussen hem en Studio OFO gesloten vaststellingsovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag of dagdeel dat hij daarmee in gebreke blijft, onverminderd het recht van Studio OFO reeds verbeurde boetes op [Gedaagde 2] te verhalen, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren vaststellen;

g) [Gedaagde 1] te verbieden de vertrouwelijke gegevens van Studio OFO te gebruiken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat hij daarmee in gebreke blijft, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren vaststellen;

h) [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] te veroordelen aan Studio OFO de nakosten te betalen;

i. i) [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan Studio OFO de proceskosten, een en ander voor zover mogelijk op grond van artikel 1019h Rv, inclusief de gemaakte kosten rechtsbijstand ten bedrage van

€ 5.557,51 inclusief BTW te betalen, althans een zodanige beslissing als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren vaststellen.

3.2.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

Spoedeisend belang

4.1.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hebben betwist dat Studio OFO een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen in kort geding.

4.2.

Het spoedeisend belang van Studio OFO vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de vorderingen. Studio OFO wenst immers met name te bewerkstelligen, kort gezegd, dat [Gedaagde 1] de krant "[naam krant]" niet zal uitbrengen. [Gedaagde 1] heeft deze krant in afwachting van de uitkomst van het onderhavige kort geding nog niet heeft uitgebracht. Daarnaast beoogt Studio OFO met haar vorderingen de gevolgen van het gestelde onrechtmatig handelen van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] zo veel mogelijk ongedaan te maken.

Onrechtmatig handelen

4.3.

Volgens Studio OFO handelen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar door met gebruikmaking van auteursrechtelijk beschermde offertes van OFO en pagina's van de vorige editie van de krant van Studio OFO haar adverteerders af te pakken. Ook vermoedt Studio OFO dat de door [Gedaagde 1] uit te brengen krant qua vorm, opmaak en wijze van inkleding (vrijwel) identiek zal zijn aan haar krant. Bovendien komt de naam van de krant nagenoeg overeen met de door Studio OFO gehanteerde naam. [Gedaagde 2] heeft artikel 6 van de met Studio OFO gesloten vaststellingsovereenkomst geschonden door vertrouwelijke informatie van Studio OFO door te spelen naar [Gedaagde 1] en anderen. Volgens Studio OFO had voor [Gedaagde 1] duidelijk moeten zijn dat [Gedaagde 2] onrechtmatig handelde jegens Studio OFO. De relaties van Studio OFO zijn opzettelijk door [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] misleid, doordat zij in de waan zijn gebracht dat zij advertentieruimte kochten in de krant van Studio OFO.

4.4.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens Studio OFO. Volgens hen is sprake van een vrije markt, waarin concurrentie is toegestaan. Er zijn meerdere kranten in omloop in de regio Noordoost-Friesland die vergelijkbaar zijn met de krant van Studio OFO. [Gedaagde 2] betwist dat hij inbreuk heeft gemaakt op artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst. [Gedaagde 2] heeft ten tijde van zijn dienstverband één

e-mail doorgezonden naar zijn privéadres omdat hij ook af en toe thuis werkte voor Studio OFO. Volgens [Gedaagde 2] doet hij dit werk al jaren en is hij heel goed in staat om zelf een dergelijke offerte op te stellen. De pagina's van de vorige uitgave van Studio OFO zijn gepubliceerd en dus voor ieder toegankelijk. Vanzelfsprekend kan [Gedaagde 2] , net als iedereen, beschikken over een fysieke editie van die krant. [Gedaagde 1] betwist dat hij gebruik heeft gemaakt van klantenbestanden die afkomstig zijn van Studio OFO en voert aan dat hij een adressenbestand van de Kamer van Koophandel heeft gekocht. [Gedaagde 1] stelt zich duidelijk als [naam bedrijf] te hebben geprofileerd jegens [naam bedrijf] en [naam bedrijf] , zodat geen sprake kon zijn van het door elkaar halen van partijen. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hebben van geen enkele (potentiële) adverteerder een signaal ontvangen dat zij zich op het verkeerde been gezet voelen.

4.5.

Het voorstel dat [Gedaagde 2] op 18 december 2017 aan [naam bedrijf] heeft gedaan komt bijna volledig overeen met de offerte van Studio OFO die [Gedaagde 2] op 26 januari 2017 naar zijn privé-e-mailadres heeft verstuurd. Dat geldt voor de tekst, maar ook voor de aanduiding van de krant. Zo wordt in de offerte van 18 december 2017 aan [naam bedrijf] melding gemaakt van een "editie van [naam krant] Noordoost Friesland", hetgeen overeenkomt met de naam van de door Studio OFO uitgebrachte krant. Verder wordt in beide offerteteksten gesproken over een "grote special" die in de betreffende editie zal komen te staan. Ook de overige tekst in het voorstel komt qua woordgebruik nagenoeg overeen met de tekst in de offerte van Studio OFO.

4.6.

Ook op andere wijze is aangehaakt bij de krant van Studio OFO. Het voorstel verwijst immers naar advertentieruimte die [naam bedrijf] de laatste jaren altijd heeft gekozen en die verwijzing heeft betrekking op de krant van Studio OFO. In aanvulling daarop zijn pagina's uit de krant van Studio OFO in de bijlage bij de offerte gevoegd, met daarin de advertentie van [naam bedrijf] en een interview/redactionele tekst.

4.7.

Mede in aanmerking genomen dat [Gedaagde 2] voorheen voor Studio OFO werkzaam was, is hiermee kennelijk beoogd bij de relatie van Studio OFO bewust de suggestie te wekken dat een voorstel werd gedaan voor het kopen van advertentieruimte in de krant van Studio OFO.

4.8.

Die suggestie was ook effectief, zoals blijkt uit de reactie van [B] in haar

e-mail van 22 december 2017. Zij heeft daarin aan [Gedaagde 2] meegedeeld te kiezen voor dezelfde ruimte als die de voorgaande jaren door [naam bedrijf] was gekozen. Uit die mededeling heeft [Gedaagde 2] , en ook [Gedaagde 1] , kunnen en moeten opmaken dat [B] in de veronderstelling verkeerde dat zij zaken deed met Studio OFO. [Gedaagde 2] noch [Gedaagde 1] hebben haar er uitdrukkelijk op gewezen dat die veronderstelling onjuist was. Dat had wel op hun weg gelegen indien zij niet het oogmerk hadden (gehad) om [naam bedrijf] te misleiden.

4.9.

Uit de e-mail van [D] van 6 april 2018 (zie 2.18) kan worden opgemaakt dat [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] jegens [D] een soortgelijke handelwijze hebben toegepast als jegens [naam bedrijf] .

4.10.

Daargelaten dat [Gedaagde 1] aansprakelijk is voor het handelen van [Gedaagde 2] op grond van artikel 6:170 BW, althans artikel 6:171 BW of 6:76 BW, heeft [Gedaagde 1] zelf ook in andere opzichten bevorderd dat mogelijke adverteerders in de veronderstelling werden gebracht dat zijn nieuw te verschijnen krant de voortzetting was van de krant van Studio OFO. Hij heeft zijn nieuw te verschijnen krant immers een naam gegeven die sterk lijkt op de naam van de krant van Studio OFO. In zijn e-mail van 16 maart 2018 aan [D] geeft [Gedaagde 1] blijk zich bewust te zijn van de mogelijke verwarring tussen de twee kranten, maar hij suggereert vervolgens dat niet hij, maar Studio OFO een nieuwe, soortgelijke krant wil laten verschijnen. Daarmee heeft [Gedaagde 1] de misleiding eerder versterkt dan verzwakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [Gedaagde 1] door zijn handelwijze actief meegewerkt aan het op het verkeerde been zetten van relaties van Studio OFO, met als doel deze relaties van Studio OFO af te pakken voor eigen financieel gewin ten koste van Studio OFO.

4.11.

De handelwijze van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en dus onrechtmatig. Het is een schoolvoorbeeld van oneerlijke concurrentie. [Gedaagde 2] is bovendien zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2017 met betrekking tot afgifte van informatie (5.1) en geheimhouding (6) niet nagekomen.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de krant die [Gedaagde 1] wenst uit te brengen (mede) tot stand is gekomen door oneerlijke concurrentie door [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] en door gebruikmaking van de wanprestatie door [Gedaagde 2] . De voorzieningenrechter acht het door Studio OFO gevorderde verbod om de krant uit te (laten) brengen een passende maatregel om de gevolgen van het onrechtmatig handelen en de wanprestatie te beperken. De vordering zal daarom in zoverre worden toegewezen. Het behoort [Gedaagde 1] echter niet te worden verboden om een soortgelijke krant uit te brengen indien die in eerlijke concurrentie met Studio OFO tot stand komt. Het verbod zal daarom worden beperkt tot de editie van 2018.

Verstrekken van informatie

4.13.

Studio OFO vordert afgifte van uiteenlopende bescheiden van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] die betrekking hebben op de bedrijfsgegevens van Studio OFO. Studio OFO grondt haar vorderingen ter zake op artikel 5 lid 1 van de met [Gedaagde 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, alsmede op artikel 843a Rv.

4.14.

[Gedaagde 2] betwist dat hij, naast de offertetekst, andere informatie van Studio OFO onder zich heeft. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] betwisten voorts dat Studio OFO een gerechtvaardigd belang heeft bij afgifte van de krant, alsmede dat de vordering om - kort gezegd - alle bedrijfsinformatie over te leggen die wel beschikbaar is, veel te ruim is geredigeerd. Studio OFO heeft niets te maken met de bedrijfsvoering van [naam bedrijf] , aldus [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] .

4.15.

De voorzieningenrechter acht de vorderingen jegens [Gedaagde 2] toewijsbaar voor zover die betrekking hebben op informatie van Studio OFO, op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst.

4.16.

Wat betreft de overige gegevens geldt het volgende. Studio OFO wil aan de hand van de te verstrekken gegevens nagaan of en in hoeverre [Gedaagde 1] en/of [Gedaagde 2] inbreuk maken op haar auteursrecht en welke van haar klanten zijn benaderd. Verder wil zij die klanten kunnen benaderen om verwarring weg te nemen en kunnen controleren of [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] voldoen aan de hierna te noemen veroordeling tot rectificatie. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een rechtmatig belang op. Het verstrekken van de gegevens is bovendien een in dit geval passende maatregel die ertoe kan bijdragen de gevolgen van het onrechtmatig handelen van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] en de wanprestatie van [Gedaagde 2] ongedaan te maken.

4.17.

De voorzieningenrechter acht de vorderingen, zoals weergegeven in 3.1. onder b, voldoende bepaald. Wel zal de voorzieningenrechter de vorderingen beperken tot gegevens met betrekking tot de relaties van Studio OFO zoals genoemd op de lijst van Studio OFO, overgelegd als productie 15 bij dagvaarding.

4.18.

De voorzieningenrechter acht de vorderingen tot afgifte van stukken daarom toewijsbaar.

Rectificatie

4.19.

Studio OFO vordert veroordeling van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] tot het verzenden van een rectificatie aan haar relaties (volgens de als productie 15 bij dagvaarding overgelegde lijst), nu zij in e-mails aan klanten van Studio OFO ten onrechte hebben gesuggereerd dat zij (al jaren) de krant van Studio OFO uitbrengen. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] betwisten de vordering. Er is volgens hen geen sprake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard.

4.20.

Wanneer iemand jegens een ander aansprakelijk is ter zake van onjuiste of door onvolledigheid misleidende openbare mededeling van feitelijke aard, kan de rechter hem op vordering van die ander veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze. Nu [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] in ieder geval jegens [naam bedrijf] en [D] de suggestie hebben gewekt dat zij de krant van Studio OFO uitbrengen en daarmee onrechtmatig jegens Studio OFO hebben gehandeld, acht de voorzieningenrechter de vordering tot rectificatie jegens de relaties zoals genoemd op de overgelegde lijst van Studio OFO toewijsbaar. Niet valt uit te sluiten dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] ook andere relaties van Studio OFO op soortgelijke wijze hebben benaderd.

Voorschot op schadevergoeding en boete

4.21.

Studio OFO stelt dat [Gedaagde 2] in strijd met artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst gevoelige informatie van Studio OFO heeft gedeeld met [naam bedrijf] en potentiële klanten. Volgens Studio OFO heeft [Gedaagde 2] de bepaling van artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst tot dusverre twee keer overtreden, namelijk door informatie naar [Gedaagde 1] te sturen en naar [naam bedrijf] . [Gedaagde 2] heeft nog geen pogingen ondernomen om de overtredingen op te heffen. Deze lopen volgens Studio OFO tot de dag van vandaag door en de verschuldigde boete bedraagt op 30 maart 2018 € 66.000,00, zeker nu [Gedaagde 2] heeft gemaild dat hij zich 'van geen kwaad bewust' is. Studio OFO vordert dit bedrag als voorschot op de boete. Voorts stelt Studio OFO dat zij door het onrechtmatig handelen van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] schade heeft geleden. Door de gedragingen van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] heeft Studio OFO onvoldoende advertenties kunnen verkopen om een krant uit te geven (gederfde omzet van € 10.000,00 tot € 12.000,00). Ook heeft Studio OFO kosten gemaakt voor de inzet van de medewerker die de advertenties moest verkopen, maar geen omzet heeft kunnen genereren. Daarnaast heeft Studio tijd, kosten en moeite moeten steken in het beperken van de schade. Studio OFO begroot het voorschot op de door haar geleden schade op een bedrag van € 20.000,00.

4.22.

[Gedaagde 2] betwist dat hij in strijd met artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld. Er is volgens [Gedaagde 2] geen 'gevoelige informatie' gedeeld met [Gedaagde 1] of met [naam bedrijf] . [Gedaagde 2] is zelf in staat om een offertetekst op te stellen. De kennis zit in zijn hoofd. Volgens [Gedaagde 2] heeft hij daarom geen boetes verbeurd. Voorts betwist [Gedaagde 2] de hoogte van de gevorderde boete. Ook het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt door [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] betwist. De hoogte van deze vordering is nergens op gebaseerd. Voorts betwisten [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] het causaal verband tussen de handelingen van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] en het niet uitbrengen van de krant door Studio OFO.

4.23.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [Gedaagde 2] artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst twee keer heeft overtreden door de offertetekst van Studio OFO te gebruiken voor [Gedaagde 1] , alsmede door een daarop gelijkende tekst te versturen naar [naam bedrijf] . De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat [Gedaagde 2] hierdoor in elk geval tweemaal de onmiddellijk opeisbare boete van € 3.000,00 per overtreding heeft verbeurd. Het voorschot van € 6.000,00 is daarom toewijsbaar. De stelling van Studio OFO dat sprake is van een voortdurende overtreding is vooralsnog onvoldoende onderbouwd.

4.24.

Voorts is vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat Studio OFO schade heeft geleden door het verlies van klanten aan [Gedaagde 1] . Door het onrechtmatig handelen van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] hebben in ieder geval [naam bedrijf] en [D] advertentieruimte in de krant van [Gedaagde 1] gekocht in plaats van in de krant van Studio OFO, terwijl zij in de veronderstelling verkeerden ruimte in de krant van Studio OFO te hebben gekocht. Het valt zeker niet uit te sluiten dat ook andere adverteerders door de handelwijze van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] , waaronder de naamgeving van hun krant, in verwarring zijn gebracht en daardoor hebben gekozen voor de krant van [Gedaagde 1] , in de veronderstelling dat dit de krant van Studio OFO was. Aannemelijk is dat adverteerders niet nogmaals in een soortgelijke krant willen adverteren. De omstandigheid dat het Studio OFO anders dan voorgaande jaren dit jaar niet is gelukt in de regio Noordoost-Friesland voldoende advertentieruimte (aan onder meer haar vaste klanten) te verkopen, terwijl [Gedaagde 1] kennelijk wel in staat is geweest om een krant uit te geven, is een aanwijzing voor de schade die Studio OFO door de handelwijze van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] lijdt. De voorzieningenrechter acht het daarom voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een schadevergoeding aan Studio OFO zal worden toegekend. Het voorschot daarop wordt, mede gelet op de kosten die Studio OFO heeft moeten maken voor het werven van adverteerders en de gederfde winst, bepaald op € 10.000,00.

Nakoming artikel 6 vaststellingsovereenkomst

4.25.

De jegens [Gedaagde 2] gevorderde veroordeling tot nakoming van het geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst acht de voorzieningenrechter toewijsbaar, gelet op het onrechtmatig handelen en de wanprestatie van [Gedaagde 2] .

Verbod gebruik vertrouwelijke gegevens van Studio OFO

4.26.

Het jegens [Gedaagde 1] gevorderde verbod om vertrouwelijke gegevens van Studio OFO te gebruiken acht de voorzieningenrechter, gelet op het onrechtmatig handelen van [Gedaagde 1] , toewijsbaar.

Dwangsommen

4.27.

De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen en beperkt zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

Proceskosten

4.28.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk te stellen partijen hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden begroot aan de hand van het liquidatietarief. Voor toepassing van artikel 1019h Rv ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De toegewezen vorderingen vloeien grotendeels voort uit onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 BW. De kosten aan de zijde van Studio OFO worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 81,00

- griffierecht 1.950,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.847,00.

De nakosten worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [Gedaagde 1] met onmiddellijke ingang na het wijzen van dit vonnis om in 2018 een krant, tijdschrift of andersoortig geschrift, op papier of elektronisch, uit te (laten) brengen en uitgebracht te houden, die vergelijkbaar is met de krant die Studio OFO heeft uitgebracht onder de naam "[naam krant]", op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, tot een maximum van € 150.000,00 is bereikt,

5.2.

veroordeelt [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk om uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan Studio OFO te doen toekomen:

I. een afschrift van de krant, tijdschrift of andersoortig geschrift dat [Gedaagde 1] en/of

[Gedaagde 2] voornemens waren uit te brengen onder de naam " [naam krant] NOF" of "[naam krant]",

II. een afschrift van de brieven, e-mails of andersoortige correspondentie aan

natuurlijke en/of rechtspersonen die zij hebben benaderd voor hun krant,

tijdschrift of andersoortig geschrift, en van wie de namen voorkomen op de lijst van Studio OFO, overgelegd als productie 15 bij dagvaarding,

III. een schriftelijke, door een registeraccountant gecontroleerde en gewaarmerkte

volledige opgave van:

- de bedrijfsgegevens van Studio OFO die [Gedaagde 2] naar zichzelf heeft toegestuurd,

in bezit heeft of heeft gehad,

- alle handelingen die [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] met deze bedrijfsgegevens hebben

verricht, in het bijzonder welke gegevens door hen aan wie zijn verstrekt,

- de natuurlijke en/of rechtspersonen die zijn benaderd om te adverteren in de door

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] uit te brengen krant, tijdschrift of andersoortig geschrift, op

papier of elektronisch, en van wie de namen voorkomen op de lijst van Studio OFO, overgelegd als productie 15 bij dagvaarding,

5.3.

veroordeelt [Gedaagde 1] om aan Studio OFO een dwangsom te betalen van € 500,00 per onderdeel (I, II of III) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] niet aan de in 5.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk om uiterlijk binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, aan alle benaderde natuurlijke en/of rechtspersonen, voor zover bekend en voor zover de namen voorkomen op de lijst van Studio OFO overgelegd als productie 15 bij dagvaarding, in een voor de geadresseerde begrijpelijke taal, een brief of

e-mail, met daarvan een bewijs aan Studio OFO in afschrift, te zenden met uitsluitend de volgende inhoud:

"Geachte [naam],

Bij vonnis van 25 april 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden beslist dat de heer [Gedaagde 1] , handelend onder de naam [naam bedrijf] , en de heer [Gedaagde 2] onrechtmatig jegens Studio One Four One hebben gehandeld, doordat zij een (soort)gelijke krant als de krant [naam krant] NOF van Studio One Four One hebben willen verspreiden. Daarvoor hebben zij relaties van Studio One Four One benaderd en deze misleid door de suggereren dat zij namens Studio One Four One de krant van Studio One Four One hebben willen uitgeven. De rechtbank heeft de uitgifte van de krant vanwege onrechtmatig handelen verboden.

Hoogachtend,

[Gedaagde 2]

[Gedaagde 1]

[naam bedrijf] "

5.5.

veroordeelt [Gedaagde 1] om aan Studio OFO een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] niet aan de in 5.4. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.6.

veroordeelt [Gedaagde 2] om aan Studio OFO € 6.000,00 te betalen als voorschot op de contractuele boete vanwege de overtreding van het geheimhoudingsbeding,

5.7.

veroordeelt [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan Studio OFO € 10.000,00 te betalen als voorschot op schadevergoeding,

5.8.

veroordeelt [Gedaagde 2] tot nakoming van artikel 6 van de tussen hem en Studio OFO gesloten vaststellingsovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

5.9.

verbiedt [Gedaagde 1] de vertrouwelijke gegevens van Studio OFO te gebruiken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt,

5.10.

veroordeelt [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan de zijde van Studio OFO tot op heden vastgesteld op € 2.847,00,

5.11.

veroordeelt [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

5.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.1

1 type: 698/ah coll: