Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:147

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
C/17/156238 / HA ZA 17-176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bezit;

Damwand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2018/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/156238 / HA ZA 17-176

Vonnis van 17 januari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Harlingen,

eiser,

advocaat mr. R.H. Knegtering te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HARLINGEN,

zetelend te Harlingen,

gedaagde,

advocaat mr. P. van Eijk te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 september 2017, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2017;

  • -

    de brief van mr. Knegtering van 19 december 2017 met een verzoek om het proces-verbaal aan te passen;

  • -

    de brief van de griffier van 28 december 2017 aan mr. Van Eijk, waarbij hij in de gelegenheid is gesteld om binnen een week hierop te reageren.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

De rechtbank zal allereerst ingaan op de opmerking van mr. Knegtering ten aanzien van het proces-verbaal. Hij heeft verzocht om het woord "stroomafsluiter" op pagina 2 te vervangen door het woord "waterafsluiter". Nu mr. Van Eijk namens de gemeente niet heeft gereageerd op dit verzoek gaat de rechtbank er vanuit dat de gemeente zich kan vinden in deze aanpassing. Het proces-verbaal wordt daarom bij deze in die zin gewijzigd vastgesteld. Met inachtneming van deze wijziging worden de feiten hierna als volgt vastgesteld.

2.2.

[eiser] is eigenaar van de onverdeelde helft van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [adres] te Harlingen, kadastraal bekend gemeente Harlingen sectie B nummer 3382 (hierna: het perceel). De echtgenote van [eiser] is mede-eigenaar van het perceel.

2.3.

De gemeente heeft op 23 januari 1976 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Betonstaal (HBI) B.V. (hierna: [X] ), de vorige eigenaar van het perceel, een bouwvergunning verleend om een damwand te plaatsen. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat de damwand nagenoeg zonder tussenruimte voor de bestaande oeverbescherming wordt geheid. In de bouwaanvraag was vermeld dat [X] eigenaar is van het bouwperceel waarop de damwand zal worden opgericht.

2.4.

Uit een door het Kadaster op 21 augustus 2008 uitgevoerde grensreconstructie blijkt dat de damwand over de gehele lengte van het perceel is aangelegd op grond die blijkens historische gegevens toebehoort aan de gemeente. De strook grond voor de damwand (aan de zijde van het perceel van [eiser] ), die ook de gehele lengte van het perceel bestrijkt en circa vijftig centimeter breed is, blijkt eveneens volgens de historische gegevens toe te behoren aan de gemeente.

2.5.

[eiser] heeft bij brief van 22 augustus 2008 de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan aan zijn tuin vanwege de slechte staat van de damwand. Voor zover relevant heeft [eiser] geschreven:

Zoals al eerder vermeld is de damwand nabij mijn woning [adres] aan vervanging toe. Volgens uw zeggen is dit mijn eigendom.

Ik heb een en ander laten onderzoeken en nu blijkt dat dit niet zo is. Ik heb mijn perceel uit laten zetten door het Kadaster en de kavel visueel zichtbaar laten maken. Er ligt een strook van ca. 50 cm. welke eigendom is van de Gemeente.

(…)

De damwand ter hoogte van mijn woning vertoont nu zeer ernstige gebreken. De grond in mijn tuin loopt weg in het kanaal. Daar komt nog bij dat er binnenkort in het kanaal wordt gebaggerd, waarbij ik mij ernstig zorgen maak dat dan de damwand zal instorten.

Ik stel u (Gemeente Harlingen) hierbij dan ook aansprakelijk voor alle gebreken en nog eventueel te lijden schade en vraag u met spoed de damwand te vervangen.

2.6.

De gemeente heeft bij brief gedateerd op 17 september 2008 - voor zover relevant - als volgt gereageerd op de brief van [eiser] :

Feit is dat destijds door de gemeente, uit hoofde van haar eigendommenpositie, geen toestemming is verleend tot het aanleggen van de betreffende beschoeiing. Evenmin hebben wij opdracht verstrekt tot de aanleg er van. De vorige eigenaar van uw perceel, de heer [X] , heeft destijds opdracht verstrekt tot de aanleg van een en ander en heeft naar alle waarschijnlijkheid eveneens het onderhoud, op welke wijze dan ook, verzorgd. Uit onderzoek blijkt tenslotte dat de betreffende bouwvergunning destijds door de heer [X] is aangevraagd. Voor alle duidelijkheid wijzen wij u er op dat deze bouwvergunning geen toestemming tot de aanleg van de walbeschoeiing op gemeentegrond impliceert.

Wij zijn van mening dat u in de hoedanigheid van rechtsopvolger treedt in de rechten en plichten van de heer [X] . Dit betekent dat u als eigenaar en onderhoudsplichtige van de walbeschoeiing bent aan te merken. In het geval een deel van de walbeschoeiing op gemeentegrond is aangelegd, zijn wij bereid onze medewerking te verlenen tot het vestigen van een zakelijk recht.

2.7.

Bij brief van 26 september 2008 heeft de advocaat van [eiser] de aansprakelijkheidsstelling van [eiser] herhaald. [eiser] heeft bij brieven van 12 april 2015 en 16 april 2016 de gemeente nogmaals aansprakelijk gesteld en aangedrongen op vervanging van de damwand. De gemeente heeft haar eerdere standpunt gehandhaafd.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

I. de gemeente veroordeelt tot het vervangen van de damwand binnen vier maanden na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, voor iedere week of deel daarvan dat de damwand later is vervangen, tot een maximum van € 100.000,00;

II. de gemeente veroordeelt tot herstel van het tuinperceel van [eiser] ;

III. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of [eiser] , die slechts eigenaar is van de onverdeelde helft van het perceel, gerechtigd is om de hiervoor vermelde vordering in te stellen nu het perceel tot een gemeenschap behoort en volgens de gemeente niet uit de dagvaarding zou blijken dat de vordering ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld. Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat hij heeft beoogd om de vordering namens de gemeenschap in te stellen. Daarnaast heeft [eiser] aangegeven dat de vordering wordt ondersteund door zijn echtgenote. De echtgenote van [eiser] was aanwezig tijdens de comparitie. De gemeente heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

Op grond van art. 3:171 BW geldt dat tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de dagvaarding niet met zoveel woorden blijkt dat de vordering ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld, dit wel volgt uit de aard van de vordering. De vordering ziet immers op vervanging van de damwand en herstel van de tuin van het perceel hetgeen duidelijk ten goede komt aan de gemeenschap. Nu [eiser] bovendien nader heeft gesteld dat de vordering namens de gemeenschap is ingesteld wordt het gevoerde verweer verworpen.

4.3.

[eiser] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat op de gemeente de verplichting rust om de damwand te onderhouden dan wel te vervangen als deze niet meer in goede staat verkeert. [eiser] heeft hiertoe aangevoerd dat de strook grond waarop de damwand staat blijkens de kadastrale grensbepaling in eigendom toebehoort aan de gemeente. Door geen onderhoud te plegen aan de damwand en deze niet te vervangen, is het tuinperceel van [eiser] verzakt en is er schade ontstaan aan het perceel. De damwand moet volgens [eiser] om die reden worden vervangen. Nu het achterwege laten van onderhoud dan wel het nalaten van de vervanging van de damwand door de eigenaar hiervan als onrechtmatig jegens de eigenaar van het aangrenzende perceel moet worden beschouwd, moet de gemeente op die grond worden veroordeeld om de damwand te vervangen, aldus nog steeds [eiser] .

4.4.

De rechtbank ziet aanleiding om te beginnen met de beoordeling van het verweer van de gemeente dat zij geen eigenaar meer is en dat de vordering reeds daarop dient af te stuiten. Zij stelt hiertoe dat het plaatsen van de damwand als een daad van inbezitneming moet worden beschouwd. Het bezit is aangevangen bij de aanleg van de damwand (circa 1978) en duurt tot op heden voort. Het bezit heeft derhalve meer dan twintig jaren geduurd. Hierdoor is (de rechtsvoorganger van) [eiser] door verjaring eigenaar geworden van de strook grond, aldus de gemeente. [eiser] heeft dat weersproken en daartoe aangevoerd dat hij zich nooit als rechthebbende heeft beschouwd. Bovendien volgt uit de grensreconstructie dat de gemeente nog steeds de eigenaar is.

4.5.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van art. 3:108 BW wordt de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet, naar verkeeropvatting beoordeeld, met inachtneming van hetgeen in de op art. 3:108 BW volgende artikelen wordt vermeld en overigens op grond van uiterlijke feiten. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het 'niet dubbelzinnig' en 'openbaar' is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook naar het huidige recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijke begrip 'bezit' besloten liggen. 'Niet dubbelzinnig bezit' is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826), hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over dat goed is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Indien het goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (zie HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).

4.6.

De rechtbank is in het licht van de hiervoor weergegeven maatstaf van oordeel dat het plaatsen van de damwand door [X] is aan te merken als een daad van bezitsuitoefening ten aanzien van de strook grond in de hiervoor bedoelde zin (zie in zoverre ook: ECLI:NL:GHARL:2017:10218). Niet alleen de omstandigheid dat [X] de damwand heeft laten aanleggen duidt daar al op, maar ook de omstandigheid dat een damwand pleegt te worden aangelegd om een oever te versterken zodat afkalving van het desbetreffende perceel wordt tegengegaan, zoals de gemeente terecht heeft aangevoerd, wijst op eigendomspretenties van degene die de damwand langs zijn perceel laat aanleggen. [eiser] heeft weliswaar tijdens de comparitie aangevoerd dat [X] de damwand zou hebben aangelegd om de vaarweg te beschermen (en dus niet het perceel) en behoefte had aan een goede aanlegplek, maar - wat er verder ook van deze stelling zij - de rechtbank ziet daarin geen grond voor een andersluidend oordeel. Indien het al zo zou zijn dat [X] de damwand enkel zou hebben aangelegd om ter plaatse een goede aanlegplek te creëren, dan wijst dit juist ook op eigendomspretenties ten aanzien van de strook grond voor en onder de damwand. Voor het overige geldt dat, zoals hiervoor is overwogen, een damwand pleegt te worden aangelegd ten behoeve van grondkering. Aan de niet nader onderbouwde stelling dat het hier zou gaan om bescherming van de (niet aan [X] toebehorende) vaarweg, wordt daarom voorbij gegaan. De stelling van [eiser] dat hij zich nimmer als rechthebbende heeft gedragen doet hier niet aan af. Immers, vanaf het moment van inbezitneming is de gemeente niet meer aan te merken als bezitter. Nu de damwand en de strook grond nog immer ter plaatse zijn heeft de gemeente niet op een nader moment het bezit weer verkregen.

4.7.

De rechtbank komt daarmee toe aan de vraag of de gemeente op grond van de artikelen 3:105 lid 1 BW jo. 3:306 BW door verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit de eigendom heeft verloren. Ingevolge de wet Overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek is per 1 januari 1993 een verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing voor een bezitter niet ter goeder trouw die aanvangt op het moment zoals bepaald in het thans geldende Burgerlijk Wetboek. In overweging 4.5. heeft de rechtbank overwogen dat de gemeente het bezit van de damwand na verlies daarvan niet heeft herkregen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de tegen haar lopende verjaring niet heeft gestuit. Gelet hierop is enkel nog van belang of sprake is van een voltooide verjaringstermijn. De gemeente heeft gesteld dat de damwand tussen 1976 en 1978 door [X] is aangelegd. [eiser] heeft in reactie hierop enkel aangevoerd dat dit door hem wordt betwist. Bij gebreke aan een gemotiveerde betwisting en mede gelet op de omstandigheid dat de bouwvergunning al in 1976 is verleend, gaat de rechtbank er vanuit dat de verjaringstermijn in ieder geval uiterlijk in 1979 is aangevangen. De situatie heeft aldus in ieder geval vanaf 1979 tot en met heden voortgeduurd zodat de verjaringstermijn ergens in 1999 was voltooid en de gemeente vanaf dat moment geen eigenaar meer was van de strook grond met daarop de damwand. Dat volgens [eiser] de eigendom van de gemeente zou blijken uit de grensreconstructie kan niet leiden tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe dat, zoals de gemeente terecht heeft aangevoerd, de grensreconstructie enkel inzicht geeft in de historische situatie op basis van bij het kadaster bekende informatie. Hierbij is geen rekening gehouden met de juridische situatie zoals die door onder meer verjaring kan wijzigen. Gelet op dit alles wordt de hiervoor vermelde vraag bevestigend beantwoord.

4.8.

Nu de gemeente niet meer aan te merken is als eigenaar van de damwand en de strook grond kan zij ook niet uit hoofde van onrechtmatige daad aangesproken worden tot vervanging van de damwand en herstel van de tuin van [eiser] . De vordering is daarom niet op basis van de primaire grondslag toewijsbaar.

4.9.

Subsidiair legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat de gemeente op grond van haar publieke taken gehouden is de belangen van [eiser] te beschermen. Deze grondslag is echter, zoals de gemeente tot haar verweer heeft aangevoerd, in het geheel niet onderbouwd en de vordering stuit reeds daarop af.

4.10.

Hetgeen overigens nog door partijen is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden omdat dit niet beslissend is voor de beoordeling van het geschil en zal daarom onbesproken worden gelaten.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden vastgesteld op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.522,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gemeente tot op heden vastgesteld op € 1.522,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.1

1 fn 792