Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1462

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
C/18/180849 / KG ZA 17-309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Spoedeisend belang. Vordering is tegen beter weten ingesteld of daarin is tegen beter weten volhard. Heeft advocaat wel de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in acht genomen door zijn cliënte van een schikking af te houden? Voorzieningenrechter oordeelt dat het de advocaat zou sieren als hij de proceskostenveroordeling waarin zijn cliënte wordt veroordeeld voor zijn rekening neemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2018/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/180849 / KG ZA 17-309

Vonnis in kort geding van 11 april 2018

in de zaak van

[naam] ,

die woont op een geheim gehouden adres,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. J.L. Noordhof, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

[naam] ,

die woont in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. M.I. van Horssen-Bok, die kantoor houdt in Delfzijl.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 januari 2018;

  • -

    de mondelinge behandeling die op 10 april 2018 heeft plaatsgevonden, nadat de eerdere
    geplande mondelinge behandeling op verzoek van partijen tweemaal is aangehouden;

  • -

    de eis in reconventie van 10 april 2018;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van de vrouw van 10 april 2018;

  • -

    de door partijen in het geding gebrachte producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
2. De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter kan bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben met elkaar samengewoond in de periode die aanvangt in december 1991 en die eindigt in oktober 2017.

2.3.

Partijen hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenwonen niet geregeld met een samenlevingsovereenkomst.

2.4.

Partijen zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: "de woning"), ieder voor de onverdeelde helft. Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire lening waarmee deze woning is gefinancierd.

2.5.

Partijen kunnen geen overeenstemming bereiken over de wijze waarop de (vermogensrechtelijke) gevolgen van hun relatiebreuk moeten worden geregeld.

3 Het geschil

in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert, verkort weergegeven, een met dwangsommen versterkte veroordeling van de man om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan het aanwijzen van een makelaar, te bepalen dat de man moet meewerken aan verkoop van de gemeenschappelijke woning voor de vraagprijs die de makelaar voorstelt, de man te veroordelen de woonlasten van de woning te blijven voldoen, de man te verplichten de woning en de tuin in fatsoenlijke staat te brengen, de man te verplichten een auto met het kenteken [kenteken] op zijn naam over te schrijven en te bepalen dat de man een sleutel van de woning aan de vrouw moet geven. De vrouw vordert na wijziging van eis verder de man te verplichten een Opel Combo op zijn naam over te schrijven en de "vorderingen die hieraan verbonden zijn" voor zijn rekening te nemen, te bepalen dat de man gehouden is de verzekeringspremie voor een Mercedes te betalen, en te bepalen dat de man die auto APK moet laten keuren voor 12 april 2018.

3.2.

De man voert verweer en heeft ter zitting geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, althans tot afwijzing van haar vorderingen en veroordeling van de vrouw in de uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskosten. De man vordert in reconventie, verkort weergegeven, een met dwangsommen versterkte veroordeling van de vrouw om mee te werken aan de toedeling van de gemeenschappelijke woning aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld, de vrouw te veroordelen de helft van bepaalde schulden te voldoen, de vrouw te veroordelen de helft van de waarde van een Opel Corsa aan de man te vergoeden en de vrouw te veroordelen tot afgifte van het kentekenbewijs van een Mercedes.

3.3.

De vrouw voert in reconventie verweer en heeft ter zitting geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de men, althans tot afwijzing van haar vorderingen en veroordeling van de vrouw in de uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskosten.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om het volgende. De vrouw heeft in kort geding uiteenlopende voorzieningen gevorderd die erop gericht zijn dat een vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatiebreuk van partijen tot stand komt. In reactie op de vorderingen van de vrouw, heeft ook de man uiteenlopende voorzieningen gevorderd die eveneens op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatiebreuk zijn gericht.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting voorgehouden dat uit niets blijkt dat sprake van een spoedeisende zaak in die zin dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad gerechtvaardigd is, zoals wel op grond van art. 254 Rv voor de behandeling van een zaak in kort geding is vereist. Dat de man, zoals de vrouw stelt, "verschillende zakelijke schuldeisers heeft", of dat op "bankrekeningen beslag is gelegd" zijn geen omstandigheden die op zichzelf genomen nopen tot het geven van onmiddellijke voorziening. Dat er een achterstand is in de betaling van de woonlasten, zoals de vrouw ook heeft gesteld, is niet gebleken, en de wens van de vrouw om een "parate executie" voor te zijn, en haar stelling dat zij een "gerechtvaardigd belang heeft" bij de verkoop van de woning, geven evenmin zicht op feiten en omstandigheden waaruit een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen blijkt.

4.3.

De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens voorgesteld om datgene wat partijen verdeeld houdt puntsgewijs te bespreken, om te onderzoeken of partijen tot een regeling konden komen. Dat bleek het geval en de voorzieningenrechter heeft aan de griffier de per deelonderwerp bereikte tussen partijen bereikte overeenstemming gedicteerd, zodat een proces-verbaal hiervan kon worden opgemaakt.

4.4.

Dat proces-verbaal kent de navolgende inhoud:

Partijen verklaren dat zij over en weer in onzekerheid verkeren met betrekking tot de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de gezamenlijke woning, die de man graag toebedeeld wil krijgen en de overige vermogensrechtelijke gevolgen van hun relatiebreuk. Zij verklaren dat zij deze onzekerheid willen beëindigen met de navolgende regeling:

1. partijen zijn overeengekomen dat de vrouw een drietal NVM-makelaars zal voorstellen waaruit de man binnen twee weken na ontvangst van het voorstel, een keuze kan doen. De aldus gekozen makelaar krijgt van partijen gezamenlijk opdracht de woning te taxeren. De kosten van de taxatie komen voor rekening van partijen gezamenlijk, ieder voor de helft;

2. partijen zijn overeengekomen dat de man tot 1 september 2018 de mogelijkheid heeft om de woning toebedeeld te krijgen, onder verrekening van de getaxeerde waarde en onder de voorwaarde dat de hypotheeknemer van partijen bereid is de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Partijen komen overeen dat zij in dat geval een door de man aan te wijzen notaris opdracht zullen geven binnen één maand een akte van verdeling te passeren. De kosten van de akte van verdeling komen voor rekening van partijen gezamenlijk, ieder voor de helft;

3. partijen zijn overeengekomen dat indien de man de woning niet toebedeeld wil krijgen of niet binnen de hiervoor onder 2 gegeven termijn kenbaar maakt de toebedeling onder de gestelde voorwaarden te kunnen financieren, zij de gekozen NVM makelaar gezamenlijk opdracht zullen geven de woning voor hen te verkopen tegen een door de makelaar te adviseren marktconforme vraagprijs. Partijen komen overeen dat de verkoopkosten door hen gezamenlijk, ieder voor de helft zullen worden voldaan;

4. partijen verklaren verder dat zij zijn overeengekomen dat de man voor de periode die is aangevangen in oktober 2017 alle woonlasten, de hypotheeklasten daaronder begrepen, voor zijn rekening zal nemen, zolang als hij met uitsluiting van de vrouw de woning bewoont;

5. partijen zijn overeengekomen dat de auto van het merk Opel, met het kenteken
[kenteken] wordt toebedeeld aan de man, zonder enige verdere verrekening. De man zal binnen twee weken na heden zorg dragen voor een wijziging in de tenaamstelling in die zin dat de auto op zijn naam wordt gesteld, dan wel, bij sloop, dat de vrouw een vrijwaringsbewijs verkrijgt. De ondertekening van dit proces-verbaal geldt als machtiging van de vrouw aan de man om de auto te laten "slopen";

6. partijen zijn overeengekomen dat de auto van het merk Mercedes, met het kenteken [kenteken] wordt toebedeeld aan de man, zonder enige verdere verrekening. De vrouw verplicht zich op eerste verzoek van de man mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling, teneinde de auto op naam van de man te stellen;

7. Partijen zijn overeengekomen dat de auto van het merk Opel, met het kenteken
[kenteken] wordt toebedeeld aan de vrouw, zonder enige verdere verrekening van de waarde;

8. partijen constateren dat zij samen schulden hebben, waarvoor zij samen aansprakelijk en draagplichtig zijn. Het betreft: een schuld aan het CJIB in verband met niet tijdig betaalde zorgpremie, waarvan het beloop thans wordt geschat op circa € 5.000,00, een schuld aan Vital Schermer ter grootte van in hoofdsom € 2.490,40, en een schuld aan de heer [naam] ter grootte van in hoofdsom € 5.299,07. Partijen komen overeen dat zij, al dan niet via verrekening met de overwaarde, per saldo ieder de helft van voormelde schulden voor zijn of haar rekening zullen nemen.

9. Voor zover zich in de door de man bewoonde woning nog kleding en/of andere spullen van de vrouw bevinden, waaronder begrepen de linten van de rouwkrans van haar moeder, zal de man deze aan de vrouw afgeven nadat hij de advocaat van de vrouw hierover op voorhand heeft geïnformeerd.

10. De man zal aan de vrouw als voorschot op het haar toekomende deel van de overwaarde van de woning € 2.000,00 betalen door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [bankrekening] ten name van [naam] . Betaling zal plaatsvinden binnen 14 dagen na heden. De vrouw zal met dit bedrag haar schuld wegens de niet-tijdige schorsing van de Opel Corsa voldoen;

11. De man zal binnen één maand na heden de schuld aan het CJIB voldoen voor partijen. Wat de man betaalt aan het CJIB zullen partijen na toedeling of verkoop van de woning met elkaar verrekenen, zodat ieder van partijen per saldo de helft van deze schuld voor zijn rekening neemt;

12. De man zal voor partijen een schuld in verband met de levering van tegels, aan partijen genoegzaam bekend zodat zij hiervan geen nadere beschrijving verlangen, voldoen, binnen één maand na heden. Wat de man betaalt zullen partijen na toedeling of verkoop van de woning met elkaar verrekenen, zodat ieder van partijen per saldo de helft van deze schuld voor zijn rekening neemt;

13. Partijen verlenen elkaar over en weer algehele en finale kwijting ten aanzien van in deze procedure tussen partijen opgekomen geschilpunten, behoudens voor zover het rechten en verplichtingen betreft die in dit proces-verbaal zijn neergelegd;

14. De procedure wordt heden doorgehaald. Ieder van partijen draagt zijn of haar eigen
kosten.

Na voorlezing hebben partijen volhard en ondertekend.

_____________ ____________

[de vrouw] [de man]

Waarvan proces-verbaal.

4.5.

Terwijl de voorzieningenrechter het proces-verbaal voorlas, gaf mr. Noordhof zonder toelichting aan dat hij bij nader inzien zijn cliënte niet kon adviseren het proces-verbaal te ondertekenen. Noordhof heeft volhard in deze niet nader toegelichte mededeling ook nadat hij door schorsing in de gelegenheid was gesteld zich daarover te beraden. Vervolgens is vonnis gevraagd.

4.6.

Tegen deze achtergrond wordt ten aanzien van de over en weer ingestelde vorderingen als volgt beslist.

4.7.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Nederlandse wet geen regeling biedt die de juridische verhouding tussen samenwonende partners regelt, zoals het huwelijksvermogensrecht dat voor echtgenoten en geregistreerde partners doet. Dit brengt met zich dat het enkele feit dat partners gaan samenwonen geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Er ontstaat geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW van de door partners ter samenleving aangebrachte zaken en zolang de relatie tussen de beide partners voortduurt, blijven hun vermogens gescheiden. Als de partners uiteengaan vindt een verdeling van vermogens in goederenrechtelijke alleen plaats als tussen partijen een gemeenschap is ontstaan, bijvoorbeeld doordat gemeenschappelijk goederen zijn verworven. Het uiteengaan van samenwonende partners verplicht, in beginsel, niet tot een verderstrekkende afwikkeling.

4.8.

Partijen hebben eensluidend verklaard dat de woning die de man sedert het feitelijk uiteengaan van partijen met uitsluiting van de vrouw bewoont, gemeenschappelijke eigendom is. De vrouw vordert uiteenlopende voorzieningen die erop gericht zijn dat de woning wordt verkocht. Die vordering is tegen beter weten in ingesteld en er is in ieder geval tegen beter weten in, in die vordering volhard.

4.9.

De man heeft aangegeven dat hij de woning graag toebedeeld wil krijgen en hij heeft met bewijsstukken onderbouwd aangevoerd dat het zich laat aanzien dat de bank aan de toedeling zal willen meewerken en de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man heeft aangegeven dat de overwaarde waarvan partijen vooronderstellen dat deze in de woning is opgebouwd, tussen partijen zal kunnen worden verrekend. Onder zodanige omstandigheden kan de vrouw niet verlangen dat de woning zonder meer wordt verkocht, omdat aan de man een redelijke termijn toekomt om de toebedeling van de woning te kunnen regelen. De man heeft in dit verband aangegeven dat hij enige tijd nodig heeft, omdat hij als ondernemer nog voor de hypotheeknemer jaarstukken moet samenstellen. Gelet op de regeling zoals die ter zitting tussen partijen tot stand had kunnen komen, acht de voorzieningenrechter het onbegrijpelijk dat de vrouw op advies van haar advocaat ervoor heeft gekozen die regeling - uiteindelijk - niet aan te willen gaan. Zij kan in ieder geval in het licht van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden niet verlangen dat de woning wordt verkocht. Haar daarop gerichte vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.10.

De vorderingen die erop gericht zijn om de man "te verplichten" de hypothecaire lasten en de "reguliere woonlasten" te betalen, zullen wegens gebrek aan belang worden afgewezen (art. 3:303 BW). De man heeft onweersproken gesteld dat hij die lasten steeds heeft betaald en zal blijven betalen, zolang hij met uitsluiting van de vrouw de woning bewoond.

4.11.

De overige vorderingen van de vrouw stuiten af op het vereiste voor de ontvankelijkheid in kort geding dat hierop neerkomt dat dat geen bodemprocedure kan worden afgewacht. Daarbij is een factor dat de zaak feitelijk en juridisch niet in klaarheid is te brengen aan de hand van de door partijen ingenomen stellingen en de door hen in het geding gebrachte producties. Gelet op wat hiervoor in r.o. 4.7. is overwogen valt niet in te zien op grond waarvan kan worden aangenomen dat de man verplicht is om de tenaamstelling te wijzigen of om bepaalde kosten voor een auto voor zijn rekening te nemen, dan wel om de vrouw een sleutel te geven van de woning die hij met uitsluiting van de vrouw bewoont en die door vrouw definitief is verlaten. Voor zover de vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld "tot het in fatsoenlijke staat terugbrengen van de woning en de tuin alsmede de man te verplichten het reguliere (tuin)onderhoud behorende bij de woning te verrichten", is haar vordering te onbepaalbaar om te kunnen worden toegewezen. Het ontgaat de voorzieningenrechter overigens wat de "fatsoenlijke staat" is die de vrouw zich voor ogen stelt.

4.12.

Ook aan de vorderingen in reconventie, die begrijpelijkerwijs zijn ingesteld in reactie op de vorderingen in conventie, is geen spoedeisend belang ten grondslag gelegd zoals nodig is om de vorderingen in kort geding te kunnen behandelen en te kunnen beslissen. Ook in dit verband speelt dat in het licht van wat hiervoor in r.o. 4.7. is overwogen, de feiten niet in dit kort geding voldoende in klaarheid kunnen worden gebracht om aan te kunnen nemen dat op de vrouw een rechtsplicht rust om de gevorderde prestaties te leveren.

4.13.

Het voorgaande betekent dat de in conventie en reconventie gevorderde voorzieningen zullen worden afgewezen.

4.14.

Op grond van art. 237 lid 1, tweede volzin, Rv is uitgangspunt dat de proceskosten tussen partijen kunnen worden gecompenseerd op grond van de relatie die tussen hen als partners heeft bestaan. De voorzieningenrechter ziet echter in de concrete feiten en omstandigheden van het geval aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken en de vrouw in conventie en reconventie in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor is redengevend dat voor zover de vorderingen in conventie al niet tegen beter weten in zijn gesteld, in ieder geval tegen beter weten in is volhard in die vorderingen. Partijen waren op alle deelonderwerpen die hen verdeeld hielden tot overeenstemming gekomen, maar mr. Noordhof heeft desalniettemin de vrouw geadviseerd om uiteindelijk het proces-verbaal niet te ondertekenen. Daarmee is de totstandkoming van een redelijke regeling - afgezet tegen datgene wat de vrouw zelf heeft gevorderd - gefrustreerd. Onder zodanige omstandigheden is het passend dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

4.15.

Het komt de voorzieningenrechter voor dat mr. Noordhof, gelet op de betrokken belangen van vrouw, niet de zorg in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat kan worden gevergd. Het zou hem daarom sieren om de proceskosten waarin zijn cliënte wordt veroordeeld voor zijn rekening te nemen.

4.16.

De proceskosten worden in conventie begroot op € 816,00 aan salaris advocaat en
€ 291,00 aan griffierecht. De vrouw zal op grond van het vorenoverwogene ook worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, niettegenstaande de afwijzing van die vorderingen. De proceskosten worden in reconventie begroot op € 408,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten, aan de zijde van [de man] tot op heden
begroot op € 1.107,00,

3. verklaart de proceskostenveroordeling in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

4. wijst de vorderingen af,

5. veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten, aan de zijde van [de man] tot op heden
begroot op € 408,00.

6. verklaart de proceskostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken door mr. S. Dijkstra op 11 april 2018. 1

1 633