Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1448

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB LEE - 17 _ 2758 tot en met 17 _ 2765
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De PGB-inkomsten van eiser in de jaren 2010 tot en met 2013 zijn niet in zijn aangifte opgenomen. In geschil is allereest of de navordering voor het jaar 2010 op tijd is opgelegd. Daarna is in geschil of bij de navorderingsaanslagen terecht vergrijpboeten zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag voor het jaar 2010 buiten de navorderingstermijn opgelegd. De aangifte voor het jaar 2010 van eiser was ten tijde van het verlenen van uitstel voor het doen van die aangifte al door verweerder ontvangen. Het is dan in strijd met het doel en de strekking van de verlengingsbepaling om de navorderingstermijn te verlengen.

De rechtbank acht niet bewezen dat de te lage vaststelling van de aanslagen het gevolg is van een gebrekkige samenwerking tussen eiser en zijn adviseur. De twijfel rondom de gang van zaken wordt, gelet op de onschuldpresumptie, in het voordeel van eiser uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor eiser ook geen aanleiding om de door zijn adviseur ingediende aangifte zelf nog te controleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1343
Viditax (FutD), 25-06-2018
FutD 2018-1778
V-N 2018/41.2.3
NTFR 2018/2208 met annotatie van A. Detweiler
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/2758 tot en met 17/2765

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.N. Molenaar),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 1] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor de jaren 2010, 2011 en 2012 aan eiser navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), en in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. Voor het jaar 2013 heeft verweerder een aanslag in de IB/PVV en in de ZVW opgelegd. Tegelijk met al deze besluiten heeft verweerder bij 8 beschikkingen heffingsrente (2010 en 2011) dan wel belastingrente (2012 en 2013) in rekening gebracht. Voorts heeft verweerder tegelijk met de 4 (navorderings)aanslagen in de IB/PVV telkens een vergrijpboete opgelegd. De bedragen en dagtekeningen van de (navorderings)aanslagen, rentebeschikkingen en boeten zijn als volgt:

Jaar | middel

Dagtekening

Heffing

Rente

Boete

Zaaknr.

2010 | IB/PVV

26 november 2016

€ 38.698

€ 5.656

€ 6.458

17/2758

2010 | ZVW

29 oktober 2016

€ 1.642

€ 315

17/2759

2011 | IB/PVV

3 december 2016

€ 42.630

€ 5.582

€ 7.402

17/2760

2011 | ZVW

29 oktober 2016

€ 1.888

€ 312

17/2761

2012 | IB/PVV

26 november 2016

€ 63.707

€ 7.002

€ 12.649

17/2762

2012 | ZVW

29 oktober 2016

€ 2.503

€ 323

17/2763

2013 | IB/PVV

2 november 2016

€ 67.171

€ 5.470

€ 13.638

17/2764

2013 | ZVW

2 november 2016

€ 526

€ 3

17/2765

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 juli 2017 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat de navorderingsaanslag in de IB/PVV voor het jaar 2012 – in verband met een eerder door hem toegezegde kostenaftrek van € 5.000 – verminderd zal worden.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting een pleitnota met drie bijlagen ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 5 februari 2018 de heer [getuige] opgeroepen om als getuige ter zitting te verschijnen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [bijstand] .

De heer [getuige] is ter zitting als getuige gehoord.

De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden, nu het inhoudelijke geschil zich (vrijwel) alleen toespitst op de opgelegde vergrijpboetes. Voor zover de behandeling ter zitting zag op andere geschilpunten (niet zijnde de vergrijpboetes), hebben partijen aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de aanwezigheid van de belangstellenden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende – door partijen niet betwiste – feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] , en gehuwd met mevrouw [echtgenote] . Eiser en zijn echtgenote hebben drie zoons, te weten: [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] .

1.2

Aan de zoons zijn persoonsgebonden budgetten (PGB’s) toegekend. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 is telkens aan elke zoon een PGB toegekend. Voor het jaar 2013 is alleen aan [zoon 1] en [zoon 3] een PGB toegekend. De zoons zijn budgethouders van het PGB. De aanvragen voor de PGB’s zijn gedaan door de moeder. Uit de PGB’s zijn de volgende bedragen aan eiser uitgekeerd:

Jaar

Budgethouder

Bedrag

2010

[zoon 1]

€ 26.353,74

2010

[zoon 2]

€ 13.816,74

2010

[zoon 3]

€ 20.808,24

Jaar

Budgethouder

Bedrag

2011

[zoon 1]

€ 30.560,70

2011

[zoon 2]

€ 13.670,29

2011

[zoon 3]

€ 26.208,07

Jaar

Budgethouder

Bedrag

2012

[zoon 1]

€ 40.320,00

2012

[zoon 2]

€ 39.171,37

2012

[zoon 3]

€ 26.811,30

Jaar

Budgethouder

Bedrag

2013

[zoon 1]

€ 42.240,00

2013

[zoon 2]

€ 0

2013

[zoon 3]

€ 28.800,00

1.3

Eiser heeft in de onderhavige jaren zijn aangiften IB/PVV en ZVW laten verzorgen en indienen door de heer [de adviseur] van [Administratiekantoor] (hierna: de adviseur). In de aangiften zijn de PGB-inkomsten telkens niet aangegeven.

1.4

Eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en ZVW voor het jaar 2010. In de uitnodiging stond dat hij de aangifte vóór 1 april 2011 moest indienen. De aangifte is op 11 april 2011 aan verweerder verstuurd, op dezelfde dag door verweerder ontvangen, en op 12 april 2011 in de systemen van verweerder geregistreerd.

1.5

Bij brief van 23 april 2011 heeft de adviseur – onder toepassing van de zogeheten Beconregeling – verzocht om uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV en ZVW voor het jaar 2010 voor in totaal negen personen, waaronder eiser.

1.6

Verweerder heeft op 27 april 2011 aan eiser uitstel verleend voor het doen van de aangifte IB/PVV en ZVW voor het jaar 2010 tot 1 mei 2012.

1.7

Met dagtekening 25 juni 2011 heeft verweerder aan eiser een voorlopige aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd.

1.8

Met dagtekening 22 september 2011 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd.

1.9

Tussen eiser en zijn zoons zijn zorgovereenkomsten gesloten. De moeder is daarbij telkens opgetreden als wettelijk vertegenwoordiger van de zoons. In de overeenkomsten wordt eiser als zorgverlener/opdrachtnemer vermeld. Eiser heeft de overeenkomsten als zorgverlener ondertekend. Deze overeenkomsten zijn bij het verweerschrift opgenomen in bijlage 41.

1.10

Van de aan eiser uitbetaalde bedragen uit de PGB’s zijn halfjaarlijks verantwoordingsformulieren opgesteld ten behoeve van het Zorgkantoor. Deze formulieren zijn bij het verweerschrift opgenomen in bijlage 42. Op deze formulieren staat als 'naam zorgverlener' telkens ' [eiser] ' vermeld, met daarbij zijn burgerservicenummer.

1.11

De zoons van eiser hebben jaarlijks van het Zorgkantoor een eindafrekening van het PGB ontvangen. Deze afrekeningen zijn bij het verweerschrift opgenomen in bijlage 43.

Eerst en vooraf: ontvankelijkheid bezwaren navorderingsaanslagen ZVW 2010, 2011 en 2012

2.1

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen in de ZVW voor de jaren 2010, 2011 en 2012, alle met dagtekening 29 oktober 2016, is ter zitting geconstateerd dat eiser voor het eerst tegen deze besluiten in bezwaar is gekomen in zijn in bijlage 28 bij het verweerschrift opgenomen brief van 2 januari 2017, door verweerder ontvangen op 3 januari 2017. Daarin vult hij de bezwaargronden van zijn bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV en de aanslag ZVW aan. Partijen hebben ter zitting eensluidend geconcludeerd dat, gelet op het voorgaande, de bezwaren ten aanzien van de navorderingsaanslagen in de ZVW voor de jaren 2010 tot en met 2012 buiten de bezwaartermijn zijn ingediend, er geen gronden voor verschoonbaarheid zijn en dat de uitspraak op bezwaar derhalve 'niet-ontvankelijk' had moeten luiden.

2.2

De rechtbank komt tot dezelfde conclusie. De navorderingsaanslagen hebben alle de dagtekening 29 oktober 2016. De bezwaartermijn liep, rekening houdend met de Algemene termijnenwet, derhalve af op 12 december 2016. Het pro forma bezwaarschrift van 13 december 2016 (Bijlage 26 bij het verweerschrift) vermeldt specifiek tegen welke aanslagen bezwaar wordt gemaakt. De daarin genoemde dagtekeningen en de referentienummers laten geen andere conclusie toe dan dat het pro forma bezwaar zich niet richt tegen de drie hier bedoelde navorderingsaanslagen ZVW, maar alleen tegen de andere vijf (navorderings)aanslagen. Nu eiser pas in zijn schrijven van 2 januari 2017 voor het eerst bezwaar heeft aangetekend tegen deze ZVW aanslagen – welk schrijven door verweerder op 3 januari 2017 is ontvangen – is het bezwaar buiten de termijn ingediend (zie de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht). Redenen voor verschoning van deze termijnoverschrijding zijn gesteld noch gebleken. Gelet daarop had verweerder de bezwaren van eiser tegen de navorderingsaanslagen ZVW voor de jaren 2010, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Om die reden zijn de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ZVW 2010, 2011 en 2012 gegrond. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van deze navorderingsaanslagen niet meer toe.

Geschil

3.1

Het geschil betreft allereerst het antwoord op de vraag of verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2010, en de daarbij gegeven rente- en boetebeschikkingen, tijdig heeft opgelegd.

3.2

Voorts is ten aanzien van de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2010, 2011 en 2012 opgelegde vergrijpboeten in geschil of deze terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de boete over 2010 tijdig is opgelegd, geldt daarvoor hetzelfde.

3.3

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 opgelegde vergrijpboete moet worden vernietigd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Deze boete is derhalve niet meer in geschil.

3.4

Ter zitting is ook het volgende komen vast te staan. Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser genoten PGB-inkomsten voor hem belastbaar inkomen uit werk en woning vormen. Voorts bestaat er tussen partijen ook geen geschil over de wijze waarop de PGB-inkomsten in de (navorderings)aanslagen zijn verwerkt, noch over de cijfermatige uitwerking daarvan. De (navorderings)aanslagen zijn in zoverre terecht en tot de juiste bedragen opgelegd. De opmerking van verweerder in de uitspraak op bezwaar, inhoudende dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2012 nog verminderd zou (moeten) worden, is onjuist gebleken. De toegezegde kostenaftrek bleek reeds in de opgelegde navorderingsaanslag, en daarmee ook in de gehanteerde boetegrondslag, verwerkt. Verweerder heeft dit in zijn verweerschrift met stukken onderbouwd. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012, en de aanslagen IB/PVV en ZVW 2013 niet worden bestreden. Hetzelfde geldt voor de bijbehorende rentebeschikkingen. Verder wordt de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2010 alleen bestreden op de grond dat deze niet tijdig zou zijn opgelegd (zie 3.1).

Vergrijpboete 2013

4. Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de bij de aanslag IB/PVV 2013 opgelegde boete moet worden vernietigd, en de rechtbank dienovereenkomstig oordelen (zie 3.3), is het beroep gericht tegen de bij de aanslag IB/PVV 2013 opgelegde vergrijpboete om deze reden gegrond.

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012, en aanslagen IB/PVV en ZVW 2013

5. Nu ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012, en de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2013 niet in geschil is dat deze aanslagen juist zijn vastgesteld (zie 3.4), zijn de beroepen voor zover deze zich richten tegen de (navorderings)aanslagen ongegrond.

Tijdigheid navorderingsaanslag IB/PVV 2010 (het geschil onder 3.1)

6.1

De rechtbank stelt het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslag voor het jaar 2010 buiten de reguliere vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is opgelegd. Die termijn eindigde op 31 december 2015, terwijl de navorderingsaanslag als dagtekening 26 november 2016 heeft. Als komt vast te staan dat er uitstel in de zin van artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR is verleend, dan is niet in geschil dat dit uitstel kenbaar was, en voor de duur van 13 maanden is verleend (zie 1.6). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar vanwege het verleende uitstel met 13 maanden verlengd is op de grond van artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR. Als dat laatste het geval is, is de navorderingsaanslag tijdig opgelegd.

6.2

Verweerder stelt dat, nu er daadwerkelijk kenbaar uitstel verleend is, de navorderingstermijn verlengd is met dat verleende uitstel. Volgens verweerder is de navorderingsaanslag daarom tijdig opgelegd.

6.3

Eiser stelt dat in het onderhavige geval de navorderingstermijn niet verlengd kan worden met de periode van het verleende uitstel, omdat het uitstel pas aangevraagd en verleend is nadat de aangifte is ingediend. In die omstandigheid had geen uitstel verleend kunnen worden, en moet het (toch) verleende 'uitstel' als non-existent beschouwd worden. Volgens eiser is de navorderingsaanslag daarom buiten de navorderingstermijn opgelegd, en moet deze vernietigd worden.

7.1

De rechtbank overweegt als volgt. De verlenging van de aanslagtermijn met de duur van het verleende uitstel komt zowel voor bij de definitieve aanslag als bij de navorderingsaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen beide regelingen wetssystematisch niet los van elkaar worden gezien. Zij hangen immers nauw samen: de navorderingstermijn ligt als het ware in het verlengde van de gewone aanslagtermijn. Het komt erop neer dat de navorderingstermijn twee jaar langer is dan de aanslagtermijn. Binnen die extra termijn kan de Inspecteur terugkomen op een eerder vastgestelde aanslag, mits hij voldoet aan de voor navordering geldende bijzondere vereisten. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit uitgangspunt ongeacht de vraag of er al dan niet uitstel is verleend. Immers, een dergelijk uitstel wordt blijkens de tekst van de wettelijke bepalingen terzake zowel bijgeteld bij de aanslagtermijn als bij de navorderingstermijn.

7.2

De rechtbank stelt voorop dat uitgaande van een zuiver grammaticale wetsinterpretatie het gelijk aan verweerder is. De wet vereist immers alleen dát er uitstel is verleend: zodra dat het geval is, wordt de navorderingstermijn met dat uitstel verlengd. De rechtbank is evenwel van oordeel, dat de wetshistorische, en met name de teleologische wetsinterpretatie aan een onverkorte toepassing van de letterlijke tekst van de wet in de weg staan. De rechtbank zal dat oordeel nader motiveren.

7.3

Verlenging van de driejaarstermijn voor de reguliere (definitieve) aanslagoplegging (artikel 11, derde lid, van de AWR) met het gehele – op verzoek van de belastingplichtige verleende – uitstel voor het doen van de aangifte is gerechtvaardigd, omdat verweerder in redelijkheid pas een begin kan maken met het vaststellen van de aanslag nadat de termijn van het door hem verleende uitstel voor het indienen van de aangifte is verstreken (zie Hoge Raad 17 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:BI6886, BNB 2000/257). Blijkens dat arrest kent de Hoge Raad wezenlijke betekenis toe aan de strekking van de betreffende bepaling. Als een inspecteur eenmaal uitstel verleent voor een bepaalde duur, zal hij de te verrichten werkzaamheden in het kader van de aanslagregeling daarop inrichten. Omdat de inspecteur van tevoren niet weet hoeveel van het verleende uitstel daadwerkelijk gebruikt zal worden, zal hij ten tijde van het verlenen van het uitstel het begin van die werkzaamheden inplannen na het verstrijken van de gehele uitsteltermijn. Daarom is ook niet de duur van het in feite genoten uitstel beslissend voor de verlenging, maar de duur van het verleende uitstel (zie onder meer Hoge Raad 17 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH7479, BNB 1991/160).

7.4

In het arrest Hoge Raad 5 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH7984, BNB 1991/25, heeft de Hoge Raad voorts het volgende overwogen:

"Tegenover de verplichting van de belastingplichtige tot het tijdig doen van aangifte staat dat de inspecteur ingevolge artikel 11, lid 3, - in artikel 16, lid 3, komt een overeenkomstige bepaling voor - de aanslag binnen een bepaalde termijn moet vaststellen. Die termijn waarborgt de belastingplichtige dat hij binnen een redelijke tijd een belastingafrekening ontvangt (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, Zitting 1954-1955 - 4080, nr. 3, bladzijde 15, linkerkolom) en dient aldus de rechtszekerheid van de belastingplichtige."

Hieruit leidt de rechtbank af, dat doel en strekking van de aanslag- en de navorderingstermijn moeten worden gevonden in de rechtszekerheid voor de belastingplichtige. In samenhang bezien met de arresten die zijn aangehaald in 7.3, is er in wezen sprake van een uitruil: als de belastingplichtige meer tijd wil voor het doen van aangifte, dan krijgt de inspecteur in ruil ook meer tijd om – op basis van die aangifte – een (navorderings)aanslag op te leggen. Die aangifte is bij aanslagbelastingen zoals de IB/PVV immers een belangrijk hulpmiddel voor de Inspecteur, aan de hand waarvan de aanslag wordt vastgesteld.

7.5

De verlenging van de navorderingstermijn (artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR) met het op verzoek van de belastingplichtige verleende uitstel heeft blijkens de wetsgeschiedenis als reden om het verlenen van (in de praktijk soms langdurig) uitstel mogelijk te maken. Zonder een dergelijke regeling zou door het verlenen van uitstel de navorderingstermijn immers effectief verkort worden (zie Verslag van het mondeling overleg, tevens eindverslag, Kamerstukken II 1957/1958, 4080, nr. 7, p. 9). De rechtbank leidt hieruit af, dat de navorderingstermijn ook volgens de wetgever in het verlengde ligt van de aanslagtermijn. Van belang is verder dat de Hoge Raad de navorderingstermijn en de aanslagtermijn wat dit betreft op één lijn stelt (zie de frase "(…) - in artikel 16, lid 3, komt een overeenkomstige bepaling voor - (…)" in het citaat dat is weergegeven onder 7.4 hiervoor).

7.6

In dit geval is uitstel voor het doen van aangifte gevraagd en verleend, nadat eiser de aangifte had ingediend en nadat verweerder die aangifte had ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er onder deze omstandigheden geen sprake van (kenbaar) verleend uitstel in de zin van artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR. In het onderhavige geval is de navorderingstermijn dan ook niet verlengd, en is de navorderingsaanslag dus buiten de daarvoor geldende termijn opgelegd.

7.7

De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder de aangifte op 11 april 2011 had ontvangen (zie 1.4), nadien geen uitstel voor het doen van die aangifte in de zin van artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR meer verleend kon worden. Alleen wanneer het verlenen van dat uitstel de indiening van de aangifte had gekruist, zou dat anders kunnen zijn. Dat is hier echter niet het geval (het uitstel is pas op 27 april 2011 verleend, dus 16 dagen na de ontvangst van de aangifte). De aangifte was ten tijde van het verlenen van het uitstel al binnen: het is dan in strijd met het doel en de strekking van de verlengingsbepaling om de navorderingstermijn te verlengen. De regeling van artikel 16, derde lid, derde volzin, van de AWR beoogt immers te voorkomen dat de navorderingstermijn effectief ingekort zou worden door het verlenen van uitstel. Daarvan kon in het onderhavige geval geen sprake meer zijn. De aangifte was immers al ontvangen. Voor een uitruil als hiervoor bedoeld was geen aanleiding: de inspecteur kon immers op 11 april 2011 beginnen met de werkzaamheden in het kader van de aanslagregeling. Verweerder heeft dat ook daadwerkelijk gedaan: al op 25 juni 2011 heeft verweerder aan eiser een voorlopige aanslag opgelegd (zie 1.7), die op 22 september 2011 werd gevolgd door de definitieve aanslag (zie 1.8). Beide aanslagen zijn geheel overeenkomstig de aangifte van 11 april 2011 opgelegd. Het uitstel liep tot 1 mei 2012 (zie 1.6)

7.8

Omdat de navorderingsaanslag in de IB/PVV voor het jaar 2010 buiten de termijn is opgelegd, zal de rechtbank deze navorderingsaanslag vernietigen. Datzelfde geldt voor de tegelijk met deze navorderingsaanslag genomen heffingsrente- en boetebeschikkingen, aangezien zij gelet op de wettelijke bepalingen terzake in dit opzicht het lot van de navorderingsaanslag delen.

Vergrijpboeten 2011 en 2012

8.1

Gelet op het voorgaande hoeft de rechtbank alleen nog inhoudelijk te oordelen over de bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde vergrijpboeten. Het betreft voor beide jaren een vergrijpboete in de zin van artikel 67e van de AWR. Eiser wordt – kort gezegd – verweten dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

8.2

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van het gemaakte verwijt verduidelijkt. Primair stelt verweerder dat de grove schuld van eiser erin bestaat, dat er een gebrekkige samenwerking met zijn adviseur is geweest. Volgens verweerder heeft eiser niet alle relevante informatie, in het bijzonder niet de zorgovereenkomsten en de verantwoordingsformulieren (zie 1.9 en 1.10), aan zijn adviseur gegeven toen die aan de slag ging met de aangiften IB/PVV. Subsidiair stelt verweerder dat de grove schuld van eiser erin bestaat dat hij nalatig is geweest door niet een marginale controle uit te voeren op de door zijn adviseur ingediende aangifte, terwijl eiser wist dan wel moest weten dat er in ieder geval in enige omvang belasting over de ontvangen inkomsten uit het PGB verschuldigd was.

De primaire stelling – gebrekkige samenwerking

9.1

De rechtbank stelt het volgende voorop. De beschikbare informatie ter zake van de PGB’s bestond uit de zorgovereenkomsten, de verantwoordingsformulieren, en de eindafrekeningen (zie 1.9 t/m 1.11). Verweerder stelt dat eiser de zorgovereenkomsten en de verantwoordingsformulieren destijds niet aan zijn adviseur heeft overgelegd. Eiser stelt dat deze stukken destijds wél aan de adviseur zijn overgelegd. Niet in geschil is dat de adviseur de eindafrekeningen (wel) onder ogen heeft gehad.

9.2

Ter zitting zijn tijdens het getuigenverhoor aan de adviseur de zorgovereenkomsten, de verantwoordingsformulieren, en de eindafrekeningen getoond. Hij heeft vervolgens onder ede verklaard dat hij de zorgovereenkomsten en de verantwoordingsformulieren niet herkent als stukken die hem ten tijde van het verzorgen van de aangiften ter beschikking hebben gestaan. De eindafrekeningen heeft hij destijds wel gezien. De daarop aangebrachte vinkjes zijn ook van zijn hand. Voorts heeft hij verklaard dat het aanbrengen van vinkjes een aangeleerde gewoonte is, doch dat hij niet alles consequent afvinkt. Het ontbreken van een vinkje betekent dus niet dat hij het stuk nooit onder ogen heeft gehad. De adviseur heeft verder verklaard dat hij pas bij het verzorgen van de aangifte over 2014 voor het eerst een jaaropgave van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over het jaar 2014 op naam van eiser onder ogen heeft gekregen, waaruit hem bleek dat eiser PGB-inkomsten had genoten.

9.3

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen vermeld in de stukken en de verklaring van de adviseur als getuige ter zitting, niet uitgesloten dat de adviseur de zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren wel van eiser ontvangen heeft, maar vervolgens als fiscaal niet-relevant terzijde heeft geschoven, dan wel niet als zodanig heeft opgemerkt. De opmerking van de adviseur dat hij er niet van op de hoogte was dat de PGB's terecht kwamen bij eiser, en dat hij – als hij dat zou hebben geweten – geen enkel belang had om de genoten PGB-inkomsten vervolgens niet in de aangifte te verwerken, kan met deze gang van zaken samen gaan. De rechtbank komt mede tot deze conclusie in het licht van de verklaring van de adviseur dat hij de fiscale aspecten van de PGB-systematiek pas begon te begrijpen na het zien van de jaaropgave van de SVB. Ook verklaarde hij dat hij slechts een klein bedrag – maximaal € 100 – in rekening wilde brengen voor het doen van de aangifte. Dat suggereert dat de adviseur mogelijk niet aan alle hem overhandigde stukken evenveel aandacht heeft geschonken. De rechtbank acht met name het scenario denkbaar dat de adviseur, mede gelet op de hoogte van de PGB-bedragen enerzijds en de dienstbetrekking van eiser (fulltime, ploegendienst) anderzijds, het nooit voor mogelijk heeft gehouden dat eiser de intensieve en omvangrijke zorg zelf zou verlenen. Op de eindafrekeningen, die de adviseur in ieder geval wel heeft gezien, staat bovendien de naam van eiser niet vermeld (dit zijn immers afrekeningen van het zorgkantoor die gericht zijn aan de PGB-houders, de zoons van eiser).

9.4

Kortom: zowel de verklaring van de adviseur als die van eiser kunnen op dit punt naast elkaar bestaan, in die zin dat eiser de relevante stukken wèl heeft gegeven, terwijl de adviseur die stukken niet voor fiscaal relevant heeft aangezien. De twijfel die de rechtbank dientengevolge heeft over het antwoord op de vraag of eiser de stukken aan de adviseur heeft overgelegd dient, gelet op de onschuldpresumptie, in het voordeel van eiser te werken. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de te lage vaststelling van de aanslagen het gevolg is van een gebrekkige samenwerking tussen eiser en zijn adviseur.

De subsidiaire stelling – nalatigheid vanwege niet marginaal controleren van de aangifte

10.1

De rechtbank stelt het volgende voorop. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de relevante stukken aan de adviseur zijn overgelegd. Eiser heeft voorts verklaard dat hij wist dat hij over de PGB-inkomstenbelasting verschuldigd was. De adviseur heeft ter zitting verklaard dat hij een afschrift van de aangiften aan eiser ter beschikking heeft gesteld, door deze in de brievenbus van eiser te deponeren. Eiser heeft de aangiften niet voorafgaand aan de verzending (al dan niet ter controle) onder ogen gehad.

10.2

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn subsidiaire stelling onder meer verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 13 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2586) en van 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:127). Volgens verweerder volgt uit deze arresten dat eiser zich niet kan disculperen op grond van het enkele feit dat hij zijn aangifte liet verzorgen door een adviseur. Volgens verweerder had eiser de door zijn adviseur verzorgde aangifte minstens marginaal moeten controleren. Verweerder wijst daarbij ook op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 15 maart 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7716). Omdat het om aanzienlijke bedragen aan PGB-inkomsten gaat, had eiser, reeds bij een marginale controle, de fout in de aangifte op kunnen merken. Uit het feit dat eiser de fout niet heeft opgemerkt, volgt dat hij de aangifte niet marginaal gecontroleerd heeft, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht.

10.3

Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij wist dat de PGB-inkomsten aangegeven moesten worden en dat daarover dus mogelijk ook belasting verschuldigd was, maar dat hij niet wist om wat voor bedrag het daarbij precies ging.

10.4

Ter zake van de door verweerder aangehaalde jurisprudentie overweegt de rechtbank dat de arresten van de Hoge Raad zien op een andere situatie. Allereerst gaat het daar om toepassing van een specifieke regeling, de afdrachtvermindering in de loonbelasting. Het arrest van 3 februari 2017, waaruit verweerder in zijn pleitnota citeert, is een verwijzingsarrest. Verweerder heeft de vingerwijzing die de Hoge Raad aan het verwijzingshof geeft, geciteerd. Bovendien gaat het in die zaak om een inhoudingsplichtige die specifieke instructies aan zijn adviseur had gegeven over de vraag voor welke werknemers de afdrachtvermindering toegepast moest worden. In het onderhavige geval zijn juist geen inhoudelijke instructies gegeven aan de adviseur.

10.5

Uit de voorgenoemde arresten van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat het antwoord op de vraag of een belastingplichtige mag uitgaan van de juistheid van de aangifte, gedaan door een daarvoor ingeschakelde adviseur, afhangt de relatie tussen de belastingplichtige en de adviseur. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen algemene verplichting om een door een adviseur gedane aangifte marginaal te controleren. Of zo’n verplichting tot controle van een door een adviseur verzorgde aangifte bestaat, hangt af van het antwoord op de vraag wat, gegeven de specifieke verhouding tussen belastingplichtige en adviseur, in die onderlinge verhouding over en weer van elkaar verwacht mag worden.

10.6

Het uitgangspunt is dus dat een er geen verplichting tot het controleren van de aangifte bestaat, in het geval een belastingplichtige een adviseur inschakelt die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen. Gesteld noch gebleken is dat de adviseur niet voor voldoende deskundig gehouden mocht worden. Verweerder heeft de gestelde controleplicht onderbouwd met de stelling dat, indien eiser de aangifte gecontroleerd had, de fout direct kenbaar zou zijn geweest. Daarmee heeft verweerder echter niet gesteld dat de specifieke relatie tussen eiser en zijn adviseur aanleiding was om een dergelijke controleplicht voor eiser in het leven te roepen. De rechtbank herinnert eraan dat bij deze beoordeling als uitgangspunt heeft te gelden dat eiser de relevante stukken heeft overgelegd aan zijn adviseur (zie 10.1). Gelet op het voorgaande bestond er in het onderhavige geval voor eiser geen aanleiding om de door zijn adviseur ingediende aangifte zelf nog te controleren. Dan kan eiser ook niet het verwijt worden gemaakt dat, als hij dat wél zou hebben gedaan, hem dan duidelijk zou zijn geworden dat de aangifte niet kon kloppen.

10.7

De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken dat de wetenschap van eiser dat de PGB-inkomsten aangegeven moesten worden, niet inhoudt dat hij ook wist of en zo ja, hoeveel belasting daar dan over verschuldigd zou zijn.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat het aan grove schuld van eiser te wijten is dat de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat eiser geen marginale controle van de aangifte heeft verricht. Het beroep tegen de vergrijpboeten is dus gegrond. De rechtbank zal de boeten vernietigen.

Heffings- en belastingrente

12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente aangevoerd. De rechtbank wijst eiser erop dat het bedrag van de heffings- en belastingrente het bedrag van de betreffende (navorderings)aanslag volgt.

Conclusie

13.1

De beroepen met zaaknummers 17/2758 tot en met 17/2764 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de betreffende uitspraken op bezwaar en beslist verder zoals hieronder bij Beslissing is vermeld.

13.2

Het beroep met zaaknummer 17/2765 is ongegrond.

Proceskostenvergoeding en vergoeding griffierecht

14. Omdat de rechtbank alle vier de beroepen ter zake waarvan griffierecht is geheven gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft alleen griffierecht geheven in zaken 17/2758, 17/2760, 17/2762 en 17/2764 (zijnde de IB/PVV-zaken).

15.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is er zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase sprake van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tussen de zaken die betrekking hebben op de jaren 2011 tot en met 2013. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. De werkzaamheden van de gemachtigde konden bij elk van de bezwaren en beroepen in deze zaken (nagenoeg) identiek zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de afzonderlijke beroepsgrond ten aanzien van de overschrijding van de navorderingstermijn, echter geen sprake van samenhang tussen de zaken die betrekking hebben op het jaar 2010 en de overige zaken waar deze uitspraak op ziet. Dat de bezwaren en beroepen in alle zaken gelijktijdig zijn behandeld door verweerder en door de rechtbank maakt dat niet anders. De werkzaamheden van de gemachtigde konden immers niet (nagenoeg) identiek zijn. De rechtbank stelt voorts vast dat in de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden.

15.2

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van het Bpb de proceskostenvergoeding voor de zaken 17/2758 en 17/2759 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.251 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501, en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal per zaak 1/2e deel van dit bedrag (zijnde € 625,50) als proceskostenvergoeding toekennen.

15.3

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van het Bpb de proceskostenvergoeding voor de zaken 17/2760 tot en met 17/2764 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.876,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501, en een wegingsfactor 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken). De rechtbank zal per zaak 1/5e deel van dit bedrag (zijnde € 375,30) als proceskostenvergoeding toekennen.

15.4

Omdat het beroep in zaak 17/2765 ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in die zaak.

Beslissing

Zaak 17/2758 (IB/PVV 2010)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag;

  • -

    vernietigt de beschikking heffingsrente;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 625,50.

Zaak 17/2759 (ZVW 2010)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 625,50.

Zaak 17/2760 (IB/PVV 2011)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 375,30.

Zaak 17/2761 (ZVW 2011)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 375,30.

Zaak 17/2762 (IB/PVV 2012)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 375,30.

Zaak 17/2763 (ZVW 2012)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 375,30.

Zaak 17/2764 (IB/PVV 2013)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 375,30.

Zaak 17/2765 (ZVW 2013)

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.