Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1447

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB LEE - 17 _ 3478
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

In geschil is of een door Stichting X in 2014 gedane schenking is vrijgesteld van schenkbelasting. De ANBI-status van Stichting X is eind 2013 ingetrokken. De vrijstelling van artikel 33, 10°, van de SW kan daarom geen toepassing meer vinden. De schenking is ook op andere gronden niet vrijgesteld. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1342
Viditax (FutD), 25-06-2018
FutD 2018-1777
ERF-Updates.nl 2018-0119
V-N 2018/41.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3478

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te Groningen, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Rotterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 29 augustus 2017 op het bezwaarschrift van eiseres tegen de aan haar opgelegde aanslag in de schenkbelasting wegens een verkrijging in 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door M.O. Tjon.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk daarna de mondelinge

uitspraak verdaagd tot donderdag 19 april 2018, onder aanzegging aan partijen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Feiten

2.1

Eiseres heeft in 2014 van [de Stichting] (hierna: de Stichting) een bedrag ontvangen van in totaal € 5.000, ter (mede)financiering van haar studie.

2.2

Blijkens artikel 2 van haar statuten heeft de Stichting als doel het verstrekken van bijdragen en/of leningen aan kerkelijke, culturele, medische, sociale of algemeen nut beogende instellingen en/of personen die in financiële moeilijkheden verkeren of dreigen te verkeren, dan wel het verstrekken van bijdragen in en/of leningen ten behoeve van de kosten van studie van personen, zulks in de meest uitgebreide zin des woords. De Stichting had in het verleden de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI) als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

2.3

Eind 2013 is de ANBI-status van de Stichting ingetrokken, omdat duidelijk was geworden dat de Stichting niet zou voldoen aan hetgeen met ingang van 2014 werd geregeld in artikel 5b, eerste lid, letter a, ten tweede, van de AWR, zijnde het op elektronische wijze via internet openbaar maken van een reeks nader aangewezen gegevens. In 2014 heeft zij ook niet aan deze verplichting voldaan.

2.4

Gemachtigde van eiseres is tevens oprichter en secretaris-penningmeester van de Stichting.

Geschil en standpunten

3.1

In geschil is of de aanslag schenkbelasting terecht opgelegd is. Meer specifiek is in geschil of de schenking in zijn geheel vrijgesteld zou moeten worden. Niet in geschil is dat de aanslag – afgezien van een eventuele algehele vrijstelling – is opgelegd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen uit de Successiewet (SW).

3.2

Eiseres stelt dat de schenking in zijn geheel vrijgesteld moet worden. Verweerder stelt dat de schenking niet vrijgesteld is.

3.3

Ter zitting en in haar pleitnota heeft eiseres – onder verwijzing naar de definitie van een schenking zoals opgenomen op een opgaveformulier dat door verweerder aan de Stichting is verstrekt – voorts gesteld dat er geen sprake is van een schenking, omdat – kort samengevat – zij niet rijker is geworden van de schenking. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat er wel sprake is van een verrijking door de schenking.

3.4

Tot slot heeft eiseres (eveneens ter zitting) een vergelijking gemaakt tussen de schenking van de Stichting aan eiseres, met ouders die de studie van hun kinderen betalen, en met de mogelijke kwijtschelding van door de overheid verstrekte studiefinanciering. In die situaties is geen schenkbelasting verschuldigd. Eiseres stelt dat er sprake is van gelijke gevallen, en dat daarom ook over de schenking van de Stichting geen schenkbelasting verschuldigd is. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat in de door eiseres genoemde gevallen geen schenkbelasting wordt geheven, omdat dat bij wet zo geregeld is. Ter zake van de betaling van studiekosten door ouders heeft verweerder gewezen op de wettelijke verplichting van ouders om – in het geval door een kind een studie gestart wordt voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar – bij te dragen in de studiekosten (tot het kind de leeftijd van 27 jaar bereikt). Ter zake van de kwijtschelding van studieschulden door DUO heeft verweerder in algemene termen gesteld dat bij wet bepaald is dat een dergelijke kwijtschelding niet als schenking in de zin van de SW geldt.

Is er sprake van een schenking?

4. Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van eiseres – dat er geen sprake is van verrijking aan haar zijde, en daarom geen sprake van een schenking (zie 3.3) – op een onjuiste rechtsopvatting. In (fiscaal)juridische en vermogensrechtelijke zin is eiseres wel degelijk verrijkt door de schenking. Dat de schenking door de Stichting geoormerkt is voor studiekosten, en ook daadwerkelijk aangewend is voor het bekostigen van haar studie, doet daar niet aan af. Waar het om gaat is niet of zij per saldo nog geld heeft overgehouden aan de schenking, maar of zij zonder de schenking slechter af zou zijn geweest. Het behoeft geen betoog dat dat laatste het geval zou zijn geweest: eiseres had haar studiekosten dan immers uit andere bronnen (inkomsten, leningen) moeten bekostigen.

Is de schenking vrijgesteld op grond van de SW?

5. De rechtbank stelt voorop dat de vrijstelling onder artikel 33, 10°, van de SW in 2014 geen toepassing (meer) kan vinden, omdat de Stichting toen geen ANBI-status meer had (zie ook 2.3). De vrijstelling onder artikel 33, 8°, van de SW kan evenmin toepassing vinden, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres aan de rand van de financiële afgrond stond. In hetgeen verder door eiseres naar voren is gebracht, ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor toepassing van de overige in artikel 33, van de SW geregelde vrijstellingen. De schenking is derhalve niet volledig vrijgesteld op grond van de SW. De standaardvrijstelling van € 2.092 heeft verweerder bij het opleggen van de aanslag al toegepast.

Publicatie-eis gegevens ANBI

6.1

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verhandeld, leidt de rechtbank af dat gemachtigde van eiseres het niet eens is met de in artikel 5b, eerste lid, van de AWR neergelegde nieuwe publicatie-eis voor ANBI’s. De publicatie-eis kan volgens hem de privacy van de ontvangers van de schenkingen schaden, en hij wil (in zijn hoedanigheid van secretaris-penningmeester van de Stichting), niet verplicht worden om digitaal te werken.

6.2

Eiseres heeft in dit kader verwezen naar de recente jurisprudentie inzake het forfaitaire rendement van box 3 van de inkomstenbelasting. Daaruit volgt volgens eiseres dat de rechter in een voorkomend geval een streep door de wet kan zetten. De rechtbank begrijpt eiseres zo, dat zij een oordeel van de rechtbank wil over rechtmatigheid van de publicatie-eis als zodanig.

6.3

De rechtbank stelt voorop dat het haar, gezien het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, niet vrij staat om de innerlijke waarde of billijkheid van (in dit geval) artikel 5b, eerste lid, van de AWR te beoordelen. Verder is het de rechtbank op grond van artikel 120 van de Grondwet verboden om het wetsartikel te toetsen op zijn grondwettigheid.

6.4

De rechtbank merkt voorts op dat het de rechter wel toegestaan is een wetsbepaling te toetsen aan hoger verdragsrecht. Daarvoor is echter een beroep op een bepaling van hoger verdragsrecht nodig. Een zodanig beroep is door eiseres in deze zaak niet voldoende gemotiveerd gedaan. De enkele verwijzing naar een andere belastingsoort, ter zake waarvan een dergelijk beroep ooit geslaagd is, is daarvoor niet genoeg.

6.5

De rechtbank merkt tot slot nog op dat de publicatie-eis uit artikel 5b, eerste lid, van de AWR reeds in de (op 20 december 2012 in het Staatsblad met nummer 2012,669 gepubliceerde) Wet Overige fiscale maatregelen 2013 in artikel XV was opgenomen. De bepaling zou in afwijking van de hoofdregel uit dat wetsvoorstel pas in werking zou treden op 1 januari 2014. Uit de parlementaire stukken (met name uit de MvT, Kamerstukken II 2012-2013, 33 403, nr. 3, p. 8-9 en de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2012-2013, 33 403, nr. 8, p. 8-10) volgt voorts dat de wetgever met de publicatie-eis een verbeterde transparantie van ANBI's heeft gewild, en daarbij uitdrukkelijk oog heeft gehad voor de gevolgen van deze eis voor bestaande ANBI’s. Uit deze stukken volgt verder dat de inwerkingtreding op het latere tijdstip van 1 januari 2014 mede als reden had om de ANBI’s de tijd te gunnen om, al dan niet met behulp van een door een branchevereniging opgezette elektronische portal, aan de publicatie-eis te kunnen voldoen. Om welke gegevens het daarbij precies ging, was bovendien al vanaf 16 juli 2013 bekend (Stcrt. 2013, 20451).

Vergelijking met ouders die studiekosten betalen en kwijtschelding studieschulden door DUO

7.1

De rechtbank begrijpt eiseres zo dat zij met haar vergelijking stelt dat er sprake is van gelijke gevallen, die ten onrechte door de wet ongelijk behandeld worden. De rechtbank vat deze beroepsgrond daarom op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel als beginsel van formele wetgeving. De rechtbank zal de ongelijke behandeling daarom toetsen aan artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

7.2

De rechtbank stelt voorop dat artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als verboden discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van verboden discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde, op zichzelf gerechtvaardigde doel. Voorts komt op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. De afweging van de wetgever moet worden geëerbiedigd, tenzij die afweging evident van redelijke grond is ontbloot (vergelijk bijvoorbeeld Hoge Raad 13 april 2018, r.o. 2.5.2, ECLI:NL:HR:2018:429).

7.3

Bij de beoordeling van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel zal de rechtbank als uitgangspunt nemen dat in de door eiseres genoemd gevallen op grond van de wet geen schenkingsrecht wordt geheven. Als er al sprake is van gelijke gevallen in de hier bedoelde zin, dan is het anders behandelen van deze door eiseres genoemde gevallen – ouders die de studiekosten van hun kinderen betalen en kwijtschelding door de overheid – naar het oordeel van de rechtbank terug te voeren op afwegingen die bij uitstek binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever vallen. Daar moet de rechter dus van af blijven, al was het maar omdat een dergelijk onderscheid niet overduidelijk van redelijke grond is ontbloot. Reeds om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van artikel 14 EVRM dan wel artikel 26 IVBPR.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is op 19 april 2018 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.