Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1440

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
18/830035-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag verdachte veroordeelde ter zake doodslag, wapenbezit, bezit van harddrugs (cocaïne) en beschadigen van een auto tot een gevangenisstraf van tien jaren.

Op 13 januari 2017 hadden verdachte en het slachtoffer een ontmoeting in een woning in Foxhol, waar verdachte en diens medeverdachte een halve kilo cocaïne zouden leveren aan het slachtoffer en diens twee medeverdachten. Zowel verdachte als het slachtoffer waren tijdens deze bijeenkomst gewapend. Toen bleek dat het slachtoffer en diens medeverdachten er zonder te betalen met onder meer de cocaïne vandoor gingen, heeft verdachte vanuit de deuropening van de woning met een semiautomatisch vuurwapen een aantal schoten gelost in de richting van het wegvluchtende slachtoffer, waarbij één van de kogels het slachtoffer dodelijk heeft getroffen. Tijdens het schieten heeft verdachte ook een auto die daar stond beschadigd.

Door de raadsman is gesteld dat verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld, omdat het slachtoffer tijdens het wegrennen een vuurwapen op verdachte heeft gericht. De rechtbank vond deze lezing niet aannemelijk. Het beroep van de verdediging om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging is daarom verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0352
JERF 2018/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830035-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met/uit een pistool (van het merk Crvena Zastava (CZ)), althans een vuurwapen, een kogel in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, (mede) tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer,

A.

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2]

van het leven te beroven, met dat opzet met/uit een pistool (van het merk Crvena Zastava (CZ)), althans een vuurwapen, een of meer kogel(s) in de richting van de voorgevel van de woning [straatnaam] heeft geschoten, alwaar die [slachtoffer 2] achter een ruit in die voorgevel op een bank was gezeten, (zulks terwijl een kogel die voorgevel al dan niet heeft geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en

B.

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (van het merk Ford, type Focus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door met/uit een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in/door de motorkap van die personenauto te schieten;

althans, indien ter zake van vorenstaande combinatie van feiten geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer,

A.

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met/uit een pistool (van het merk Crvena Zastava (CZ)), althans een vuurwapen, een of meer kogel(s) in de richting van de voorgevel van de woning [straatnaam] heeft geschoten, alwaar die [slachtoffer 2] achter een ruit in die voorgevel op een bank was gezeten, (zulks terwijl een kogel die voorgevel al dan niet heeft geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en

B.

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (van het merk Ford, type Focus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door met/uit een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in/door de motorkap van die personenauto te schieten;

althans, indien ter zake van vorenstaande combinatie van feiten geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer,

A.

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met/uit een pistool (van het merk Crvena Zastava (CZ)), althans een

vuurwapen, een of meer kogel(s) in de richting van de voorgevel van de

woning [straatnaam] geschoten, alwaar die [slachtoffer 2] achter een

ruit in die voorgevel op een bank was gezeten en die [slachtoffer 3] in die

woning aan de eettafel was gezeten, (zulks terwijl een kogel die voorgevel

al dan niet heeft geraakt) en/of

- ( zichtbaar voor die [slachtoffer 3] ) met een pistool, althans een vuurwapen, voor

of bij de woning [straatnaam] gelopen en/of

B.

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (van het merk Ford, type

Focus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield

en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door met/uit een pistool, althans

een vuurwapen, een kogel in/door de motorkap van die personenauto te schieten;

3.

hij op of omstreeks 13 januari 2017, in elk geval in of omstreeks de maand

januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, en/of

elders in de provincie Groningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of heeft vervoerd (ongeveer) een halve kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de maand januari 2017, in elk geval op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 19 (negentien), althans meerdere, (nagemaakte en/of valse en/of vervalste) bankbiljetten van 500 euro,

waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, verdachte (en zijn mededader(s)), toen hij/zij deze ontving(en) bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, heeft ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of heeft vervoerd en/of in voorraad heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol en/of op een of meer (andere) plaats(en) in de gemeente Hoogezand-Sappemeer en/of te of bij De Groeve en/of op een of meer (andere) plaats(en) in de gemeente Tynaarlo, een wapen van categorie III, te weten

- een (semi automatisch) pistool (van het merk Crvena Zastava (CZ) (model 70),

kaliber 7.65 mm,

en/of munitie van categorie III, te weten

- 3 ( centraalvuur) kogelpatronen (van het merk Prvi Partizan), kaliber 7.65 mm

en/of

(te Foxhol)

- 23 kogelpatronen (met een volmantel rondkop kogelpunt, van het merk Geco),

kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord, nu onvoldoende bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. De officier van justitie acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wel wettig en overtuigend te bewijzen.

Daarnaast heeft de officier van justitie de bewezenverklaring gevorderd van het onder 2 primair onder A en B, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 primair onder A heeft zij aangevoerd dat aan de hand van de stukken kan worden vastgesteld dat verdachte in de richting van de woning van mevrouw [slachtoffer 2] heeft geschoten. [slachtoffer 2] bevond zich ten tijde van het schietincident in de woonkamer voor het raam. De woonkamer is gesitueerd aan de straatkant op korte afstand van de plaats waar verdachte stond op het moment dat hij heeft geschoten. Door onder deze omstandigheden meermalen, weliswaar niet gericht op, maar wel in de richting van de woning van [slachtoffer 2] te schieten, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zou raken. Gelet hierop kan de onder 2 primair onder A ten laste gelegde poging tot doodslag worden bewezen.

Nu vastgesteld kan worden dat verdachte in de bedoelde richting heeft geschoten en dat in een auto die daar stond een kogel is aangetroffen, welke kogel zeer waarschijnlijk is verschoten met het wapen van verdachte, kan ook de onder 2 primair onder B ten laste gelegde vernieling van de auto worden bewezen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waarin zij beiden hebben aangegeven dat ze op de bewuste dag cocaïne hebben meegenomen naar de woning van [medeverdachte] voor een drugstransactie. Gelet hierop kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.

Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat uit verklaringen van verdachte, [medeverdachte] en
[slachtoffer 4] blijkt dat ook de verkoop van vals geld onderdeel was van voornoemde transactie. De kopers zouden één bedrag betalen voor zowel de drugs als het valse geld. In de woning werd het geld ook getest om te controleren of het als echt kon worden uitgegeven. Nu zowel verdachte als [medeverdachte] betrokken waren bij het sluiten van deze deal, kan ook het onder 4 ten laste gelegde tezamen en in vereniging voorhanden hebben van vals geld worden bewezen.

Met betrekking tot feit 5 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal over de doorzoeking in verdachtes woning en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waaruit blijkt dat verdachtes DNA op het vuurwapen is aangetroffen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van het bestanddeel voorbedachte raad. Ook feit 5 kan volgens de raadsman bewezen worden.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair onder A heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het (dodelijk) raken van [slachtoffer 2] . Niet vastgesteld kan worden dat de beschadiging in de muur van de woning van [slachtoffer 2] door een (door verdachte) afgevuurd projectiel is veroorzaakt. Verdachte heeft uit zelfverdediging op [slachtoffer 1] geschoten die op korte afstand van hem stond. De woning van [slachtoffer 2] bevond zich ongeveer 15 meter verderop. De kans dat [slachtoffer 2] vanaf een dergelijke afstand door een bakstenen muur (dodelijk) zou worden getroffen in haar woning is allesbehalve aanmerkelijk. Ook wijst niets uit het dossier erop dat de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op het doden van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de kans daarop willens en wetens heeft aanvaard.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat ook de onder 2 meer subsidiair onder A ten laste gelegde bedreiging niet kan worden bewezen. Verdachte heeft geen woord gezegd of gebaar gemaakt dat een bedreiging van [slachtoffer 2] en haar echtgenoot [slachtoffer 3] zou kunnen opleveren. Het (voorwaardelijke) opzet van verdachte was ook niet hierop gericht. Van een situatie waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] redelijkerwijs de vrees hadden kunnen krijgen dat ze het leven zouden verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, is geen sprake geweest.

Met betrekking tot de onder 2 onder B ten laste gelegde vernieling van de auto heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van vernieling of onbruikbaarmaking, omdat de auto door reparatie in de oude toestand kan worden hersteld. Ook van de beschadiging van de auto moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het opzet niet bewezen kan worden. Tijdens zijn verdedigingshandeling is verdachte zich geen moment bewust geweest van het risico dat hij de personenauto zou kunnen raken. Ook de wederrechtelijkheid ontbreekt, nu sprake was van een verdedigingshandeling.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat, nu de vermeende cocaïne niet is teruggevonden, niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk cocaïne betrof. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat het materiaal dat op 12 januari 2017 aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] is gegeven om te testen, afkomstig is van de partij die de dag erna zou worden verkocht. Ook het in de woning aangetroffen witte poederresidu op een weegschaal kan niet bijdragen aan het bewijs, nu het residu enkel indicatief is getest met als resultaat een positieve reactie op cocaïne. Omdat het materiaal nooit is aangetroffen, kan het bestanddeel 'halve kilo' of 'grote hoeveelheid' evenmin worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van het voorhanden hebben van vals geld. Het bedoelde geld behoorde [medeverdachte] toe en verdachte was niet betrokken bij het sluiten van de deal over het verkopen van dat geld.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 - vrijspraak moord

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging het onder 1 ten laste gelegde bestanddeel voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal van dit deel van het ten laste gelegde worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is doodslag wel te bewijzen.

Ten aanzien van feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair onder A - vrijspraak

Op het moment dat verdachte buiten in de [straatnaam] te Foxhol in de richting van [slachtoffer 1] schoot, bevond [slachtoffer 2] zich in haar woning. Deze woning is gelegen aan de [straatnaam] , schuin tegenover de woning van medeverdachte [medeverdachte] . Niet gebleken is dat verdachte met het lossen van de schoten de bedoeling (oftewel "vol" opzet) had om [slachtoffer 2] van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, evenmin worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] . Voor voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is nodig dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Dat verdachte door het schieten in de richting van [slachtoffer 1] de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] blijkt onvoldoende uit de inhoud van het dossier. De enkele constatering van de politie dat er een beschadiging is te zien aan de gevel van de woning van [slachtoffer 2] die mogelijk door een kogel is veroorzaakt, is - zonder dat hiernaar nader onderzoek is gedaan - onvoldoende om ervan uit te gaan dat een van de door verdachte afgevuurde kogels de gevel van de woning van [slachtoffer 2] heeft geraakt. Wat overblijft is, zoals wel op grond van de stukken kan worden vastgesteld, dat verdachte bij het schieten op [slachtoffer 1] ook in de richting van de woning van [slachtoffer 2] heeft geschoten. Dit enkele gegeven is, mede gelet op de afstand tussen de plaats waar vandaan verdachte de schoten loste en de woning van [slachtoffer 2] , echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat verdachte tijdens het schieten de zich in haar woning bevindende [slachtoffer 2] al dan niet dodelijk zou treffen. Verdachte zal daarom van feit 2 primair en subsidiair (onder A en daarmee, gelet op de wijze van opstelling van de tenlastelegging, ook onder B) worden vrijgesproken.

Onder feit 2 meer subsidiair onder A wordt verdachte verweten [slachtoffer 2] en haar echtgenoot [slachtoffer 3] te hebben bedreigd door met een wapen in de richting van de voorgevel van hun woning te schieten en/of zichtbaar met een wapen voor hun woning te lopen. Wat dit betreft kan worden vastgesteld dat na het schietincident verdachte op straat heeft gestaan, terwijl hij zijn vuurwapen nog in zijn hand had. Verdachte heeft het wapen hierna weggestopt en is weggelopen. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat ze getuige zijn geweest van het moment dat verdachte het wapen nog in zijn hand had en in de richting van hun woning liep. De rechtbank is van oordeel dat het lopen met een vuurwapen zichtbaar in de hand, zeker nadat er net geschoten is, een handeling is die op zichzelf geschikt is om vrees teweeg te brengen. De rechtbank acht echter niet bewezen dat het opzet van verdachte, ook niet in voorwaardelijke vorm, in dit geval gericht is geweest op het teweegbrengen van vrees bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet heeft gezien en zich niet bewust is geweest van hun aanwezigheid in de woning, terwijl er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat verdachte met het schieten en/of het nadien tonen van het wapen de wil of bedoeling had anderen vrees aan te jagen. Dat die vrees bij anderen wel is ontstaan maakt niet dat daarmee sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal daarom eveneens van het onder 2 meer subsidiair onder A worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 - vrijspraak

Onder feit 4 wordt verdachte - kort gezegd - verweten dat hij samen met een of meer anderen vals geld heeft ontvangen, verschaft, vervoerd of in voorraad heeft gehad, zoals strafbaar gesteld in artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat het valse geld aan [medeverdachte] toebehoorde en ook in zijn bezit was. Niet bewezen kan worden dat verdachte het valse geld op enig moment heeft ontvangen, vervoerd of in voorraad heeft gehad. Bovendien is niet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] , toen hij de valse bankbiljetten ontving, met de valsheid ervan bekend was. [medeverdachte] heeft immers verklaard dat hij met de betreffende bankbiljetten is betaald en pas later tot de ontdekking is gekomen dat de bankbiljetten vals waren. Dit is echter wel een vereiste dat wordt gesteld in het ten laste gelegde artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat (medeplegen van) overtreding van het tenlastegelegde artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht niet bewezen kan worden. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 4.

Bewijsmiddelen

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna onder 1 bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 april 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2017, opgenomen in MAP 7 op pagina 2096 van het zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, inhoudende het relaas van verbalisant(en);

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2017, opgenomen in MAP 7 op pagina 2145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant(en);

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal gerechtelijke sectie en vrijgave stoffelijke overschot d.d. 16 januari 2017 met als bijlage het voorlopig sectierapport, opgenomen in MAP A op pagina 4248 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant(en).

Feit 2 meer subsidiair onder B

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het onder 2 meer subsidiair onder B ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 5 april 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 13 januari 2017 heb ik drie of vier schoten gelost voor de woning aan de [straatnaam] te Foxhol. Tijdens het schieten heb ik die Ford Focus kennelijk geraakt. Achter [slachtoffer 1] stonden wat auto's geparkeerd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 4 februari 2017, opgenomen in Map A op pagina 4188 e.v. van het zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op vrijdag 13 januari 2017 omstreeks 22.00 uur werd ik gebeld door de dienstdoende centralist van de politiemeldkamer. Zij deelde mij mede dat er een schietpartij was geweest voor het perceelnummer [straatnaam] te Foxhol.

Ik zag dat er voor [straatnaam] een personenauto van het merk Ford,

type Focus, kleur grijs geparkeerd stond. In de genoemde personenauto trof ik in de motorkap een inschotopening aan. In de binnenzijde van de motorkap trof ik een uitschotopening aan. Op het motorblok lag een projectiel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuige d.d. 15 januari 2017, opgenomen op in MAP 10 op pagina 3473 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 13 januari 2017 hoorde ik drie knallen. Twee agenten vertelden dat onze auto was geraakt door een schot. Onze auto stond aan de overkant, dat is de stoepkant, van de straat. De auto stond ongeveer ter hoogte van nummer 7.

Feit 3

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het onder 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 5 april 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Enkele dagen voor de afspraak van 12 januari 2017 had ik ongeveer een halve kilo cocaïne bij iemand gekocht. Ik had al voor de afspraak wat van de cocaïne gebruikt. [medeverdachte] wist dat ik de cocaïne had. Hij kende een paar jongens die de cocaïne wilde kopen. De afspraak was dat de jongens op 12 januari 2017 de drugs zouden kopen. Ik had de drugs in zakjes van 100 gram gezet voor de afspraak. Op 12 januari 2017 zijn [medeverdachte] en ik naar de woning van [medeverdachte] aan de [straatnaam] te Foxhol gegaan. De jongens kwamen ook daar. Het klopt dat we in de keuken de cocaïne hebben getest. De kwaliteit van de cocaïne was volgens mij goed. In die periode was ik aan cocaïne verslaafd. Ik heb de jongens ook een grammetje gegeven om mee te nemen. Er is afgesproken dat de verkoop de volgende dag zou doorgaan. Dat ging allemaal via [medeverdachte] . Hij was de tussenpersoon. De volgende dag zijn we weer naar de woning gegaan. Op een zeker moment heb ik volgens mij [medeverdachte] gevraagd om de cocaïne uit de auto te halen. Het ging om dezelfde cocaïne van de dag ervoor.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 8 februari 2017, opgenomen in MAP 12 op pagina 3885 e.v. van zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

V: We willen teruggaan naar de dag dat jij een afspraak had met [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [verdachte] en jij in jouw woning. Dit is een dag voor de schietpartij geweest. Hoe is deze afspraak tot stand gekomen?

A: [slachtoffer 4] appte mij daarover. We hebben een afspraak gemaakt bij mijn woning. De vijfhonderd gram coke was er ook al. Ze zouden het toen al afnemen.

V: We willen teruggaan naar vrijdag 13 januari 2017. Hoe is die dag zelf precies gelopen?

A: We waren die avond nog aan het eten geweest. Daarna zijn we naar [verdachte] zijn woning gegaan om dat spul op te halen.

V: Bedoel je met dat spul de coke?

A: Ja, en [verdachte] en ik hebben nog eentje gerookt toen we er heen gingen. De coke bleef eerst in de auto liggen. Ik heb toen de sleutel gekregen van [verdachte] zijn auto en ik heb de coke uit de auto van [verdachte] opgehaald.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2017, opgenomen in MAP 12 op pagina 3907 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

V: Je vertelde dat jullie op 12 januari een eerste ontmoeting hadden in jouw woning. Jullie hadden toen drugs gebruikt. Wat was de kwaliteit van de drugs?

A: Veel beter als dat ga je niet vinden. Het was zo'n goede coke, dat ga je in Groningen en omstreken niet beter vinden. Als ik het rook heb ik een hele goede smaak. Je bent dan echt even 3 minuten in een roes.

V: Was dit dezelfde drugs als welke zou worden verkocht de volgende dag.

A: Dat was dezelfde partij absoluut.

Feit 5

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 april 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 17 februari 2017, opgenomen in MAP A op pagina 4281 e.v. van zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, inhoudende een relaas van verbalisant;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2017, opgenomen in MAP 2 op pagina 697 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek vuurwapens en schotbaan d.d. 11 juli 2017, opgenomen in MAP A op pagina 4319 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 22 mei 2017, opgenomen in MAP A op pagina 4311 van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant.

Bewijsoverwegingen

Feit 2 meer subsidiair onder B

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op het moment dat verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten, de personenauto van [slachtoffer 2] op korte afstand achter [slachtoffer 1] stond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door onder deze omstandigheden in de richting van [slachtoffer 1] te schieten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem afgevuurde kogels ook de achterliggende auto zouden raken en daarmee beschadigen. Deze kans heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat een door verdachte afgevuurde kogel de motorkap van bedoelde auto heeft geraakt. Het voertuig is hierdoor beschadigd geraakt. Het onder 2 meer subsidiair onder B ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 3

Verdachte heeft zelf verklaard enkele dagen voor 12 januari 2017 een halve kilo cocaïne te hebben gekocht. Uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zowel de dag van het incident als de dag ervoor van deze cocaïne hebben gebruikt. Verdachten waren cocaïnegebruikers en hebben beiden verklaard dat de kwaliteit goed was. Ook over de hoeveelheid verklaren verdachten dat het ging om ongeveer een halve kilo cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat het weggenomen middel cocaïne betreft van ongeveer een halve kilo. Het hiertegen gerichte verweer van de verdediging wordt verworpen.


Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die met de beoogde kopers afspraken heeft gemaakt over de verkoop van de aan verdachte in eigendom toebehorende cocaïne. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn vervolgens op zowel 12 als 13 januari 2017 gezamenlijk naar de woning in Foxhol gereden, terwijl ze beiden wisten dat ze de verdovende middelen in de auto hadden. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het aanwezig hebben en het vervoeren van de cocaïne. Het onder 3 ten laste gelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 meer subsidiair onder B, 3 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 januari 2017 te Foxhol opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een pistool van het merk Crvena Zastava (CZ) een kogel in het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2. meer subsidiair onder B

hij op 13 januari 2017 te Foxhol opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Ford, type Focus, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd door met een pistool een kogel door de motorkap van die personenauto te schieten;

3.

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd ongeveer een halve kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij omstreeks 13 januari 2017 te Foxhol en op andere plaatsen in de gemeente Hoogezand-Sappemeer en te De Groeve,

een wapen van categorie III, te weten

- een semi automatisch pistool van het merk Crvena Zastava (CZ) (model 70), kaliber 7.65 mm
en munitie van categorie III, te weten

- 3 centraalvuur kogelpatronen van het merk Prvi Partizan, kaliber 7.65 mm en

- 23 kogelpatronen met een volmantel rondkop kogelpunt, van het merk Geco, kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Doodslag;

2. meer subsidiair onder B

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

3.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

5.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer 1] , terwijl hij van de woning weg rende, een wapen op verdachte heeft gericht. Verdachte heeft vervolgens uit noodweer zijn wapen getrokken en vanuit de deuropening van de woning schoten gelost in de richting van [slachtoffer 1] .

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op putatief noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat toen verdachte in de loop van het vuurwapen van [slachtoffer 1] keek, hij redelijkerwijs had mogen veronderstellen dat [slachtoffer 1] het wapen zou gebruiken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was een noodweersituatie op het moment dat verdachte heeft geschoten. De officier van justitie acht het door verdachte geschetste noodweerscenario ongeloofwaardig en ziet in het dossier onvoldoende ondersteuning voor de juistheid van zijn verklaringen. Zij merkt verder op dat [slachtoffer 1] van korte afstand in zijn rug is geschoten, terwijl hij de woning uit vluchtte. Dit past niet bij een noodweersituatie. Het beroep op (putatief) noodweer dient derhalve te worden verworpen.

Oordeel van de rechtbank

Aan een verdachte die - kort gezegd - heeft gehandeld ter verdediging, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en de indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten en bij de beoordeling van het beroep kunnen de nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn. In dit geval dient aannemelijk te worden dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daaronder is onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.

Vooropgesteld wordt dat [slachtoffer 1] door verdachte in zijn rug is geschoten tijdens zijn vlucht uit de woning. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] zich tijdens het wegrennen van de woning heeft omgedraaid en daarbij een wapen op verdachte heeft gericht, waarna verdachte ter verdediging van zichzelf niet anders kon dat zo te handelen als hij heeft gedaan.

De rechtbank constateert dat verdachte niet consistent heeft verklaard over de wijze waarop [slachtoffer 1] zich met het wapen naar hem heeft omgedraaid, terwijl dit een essentieel deel van het door de verdediging opgeworpen noodweerscenario betreft. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] het wapen in zijn rechterhand heeft gehouden, rechtsom is gedraaid en vervolgens het wapen op verdachte heeft gericht. Tijdens de reconstructie heeft verdachte aangegeven dat [slachtoffer 1] het wapen in zijn linkerhand vast had en linksom is gedraaid met zijn arm naar achteren. Door de figuranten die zijn ingezet bij de reconstructie is deze laatste lezing van verdachte meerdere malen voorgedaan, waarna aan verdachte enkele keren is gevraagd of het op die manier is gegaan. Verdachte heeft daarop steeds bevestigend geantwoord. Ook de raadsman van verdachte was tijdens de reconstructie ter plaatse aanwezig. Niet gebleken is dat op enig moment nadien door of namens verdachte bij het onderzoeksteam of de officier van justitie is aangegeven dat de reconstructie niet een juiste weergave van de gebeurtenissen geeft. Pas tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verdachte dit naar voren gebracht, waarbij hij heeft verklaard dat hij zich bij de reconstructie heeft vergist en dat [slachtoffer 1] rechtsom is gedraaid, zoals hij eerder bij de politie heeft verklaard.

De rechtbank acht het wat dit betreft allereerst moeilijk voorstelbaar dat verwisseling van rechts en links plaatsvindt juist op het moment van de reconstructie, waar het schietincident op aanwijzingen van verdachte, voor zijn ogen, wordt nagespeeld. Verder acht de rechtbank in dit kader relevant dat het schotkanaal in de rug van [slachtoffer 1] van rechts iets naar links loopt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet kan passen bij het tijdens de reconstructie nagespeelde scenario dat [slachtoffer 1] linksom is gedraaid. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat verdachte ter terechtzitting zijn verklaring heeft aangepast in het licht van de bevindingen over het schotkanaal in het lichaam van [slachtoffer 1] .

Daar komt bij dat de rechtbank, anders dan de verdediging, op basis van de getuigen-verklaringen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 8] ervan uit gaat dat verdachte reeds in de woning zijn wapen heeft getrokken en vanuit de deuropening tussen de woonkamer en de gang voor de eerste maal heeft geschoten, in de richting van de naar buiten vluchtende [slachtoffer 1] . Hoewel [slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij niet heeft gezien wie de schutter was, oordeelt de rechtbank dat dit verdachte moet zijn geweest, nu op basis van de bevindingen van het forensisch technisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat enkel met het vuurwapen van verdachte schoten zijn gelost. Dit scenario past bij het feit dat meerdere omwonenden, maar ook [medeverdachte] , hebben verklaard dat er korte tijd zat tussen de eerste knal en de rest van de knallen. Dit laatste is verklaarbaar als verdachte, zoals [slachtoffer 4] en [slachtoffer 8] hebben verklaard, eerst eenmaal in de gang heeft geschoten en vervolgens is doorgelopen richting de voordeur, waar hij nog drie schoten heeft gelost. Het scenario dat verdachte al in de gang heeft geschoten, past daarnaast bij het feit dat één van de hulzen is aangetroffen op de verhoging voor het toilet in de gang. Volgens het NFI-rapport van 13 december 2017 passen de resultaten van de schietproeven naar aanleiding van de verklaring van [verdachte] dat het eerste schot is gelost vanuit de deuropening van de voordeur, niet bij de vindplaats van de betreffende huls in de gang. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van de huls in de gang. De door de verdediging gedane suggesties - dat de huls via de jas van verdachte op de verhoging is gevallen of al dan niet bewust daarop is geschopt - worden noch door de verklaring van verdachte, noch door andere processtukken ondersteund. De rechtbank ziet, mede gezien het aantreffen van deze huls, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van voornoemde getuigen op dit punt. Beide getuigen hadden vanaf de plek in de woonkamer waar zij zich bevonden goed zicht op de situatie. De rechtbank ziet bovendien niet in waarom zij opzettelijk een onjuiste verklaring zouden afleggen op dit punt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het schietincident is verlopen zoals verdachte heeft verklaard. Dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was, is derhalve niet gebleken. Het beroep op noodweer, en in het verlengde daarvan het beroep op putatief noodweer, wordt dan ook verworpen.

De bovengenoemde feiten zijn strafbaar nu (ook overigens) geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (meer subsidiair) een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de (excessieve) verdediging van verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, gedreven door de angst en paniek die ontstond toen [slachtoffer 1] zijn vuurwapen op verdachte heeft gericht. Volgens de raadsman dient om die reden ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook het beroep op noodweerexces moet worden verworpen, omdat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Oordeel van de rechtbank

Noodweerexces kan aan de orde zijn indien in een noodweersituatie de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Daarvoor is dus allereerst vereist dat vastgesteld kan worden dat sprake is (geweest) van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Zoals reeds hiervoor is overwogen bij de beoordeling van het beroep op noodweer, acht de rechtbank de door verdachte aan dat beroep ten grondslag gelegde feitelijke toedracht van het schietincident niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweerexces kan daarom evenmin slagen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten vanwege de diefstal van een hoeveelheid cocaïne. Verdachte heeft daarmee het grootste goed dat [slachtoffer 1] had, namelijk zijn leven, van hem afgenomen. Hoewel het bezit van de cocaïne en het valse geld, alsmede het wapenbezit verbleken bij de dood van [slachtoffer 1] , moet de ernst van deze feiten niet worden onderschat. Vuurwapenbezit zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij en leidt snel tot het gebruik ervan met desastreuze gevolgen, zoals ook in deze zaak het geval is. De handel in cocaïne trekt andere vormen van criminaliteit aan en het gebruik ervan is enorm schadelijk voor de volksgezondheid. Ook het in omloop brengen van valse biljetten zorgt voor ontwrichting van de maatschappij en tast het vertrouwen in ons geldsysteem aan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging van alle ten laste gelegde feiten met uitzondering van feit 5, het verboden wapenbezit. Hij heeft verzocht om verdachte hiervoor een gevangenisstraf op te leggen van drie maanden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich in het kader van een voorgenomen drugsdeal schuldig gemaakt aan doodslag. Verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] zouden een halve kilo cocaïne en een hoeveelheid valse bankbiljetten leveren aan het slachtoffer [slachtoffer 1] en zijn twee vrienden. Daartoe was afgesproken elkaar te ontmoeten in een woning in Foxhol. Zowel verdachte als het slachtoffer waren bij deze afspraak gewapend. Toen bleek dat het slachtoffer en zijn vrienden er zonder te betalen met de cocaïne en het valse geld vandoor gingen, heeft verdachte met een semiautomatisch vuurwapen een aantal schoten gelost in de richting van het wegvluchtende slachtoffer, waarbij één van de kogels een in de straat geparkeerde auto heeft geraakt en een andere kogel het slachtoffer dodelijk heeft getroffen.

Ook al staat vast dat het slachtoffer en zijn vrienden verdachte hebben willen rippen van de cocaïne en het valse geld, aan verdachte zijn de tragische gevolgen van de gebeurtenissen in de eerste plaats toe te rekenen. Verdachte heeft zich met een geladen vuurwapen naar de afspraak begeven. Zoals mede blijkt uit de door de moeder, zus en vriendin van het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen, laat zijn dood diepe sporen na in het leven van de nabestaanden. Dit geldt in het bijzonder voor het dochtertje van het slachtoffer, die door toedoen van verdachte haar vader heeft verloren.

De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat dit feit is gepleegd in een woonwijk. Vele omwonenden zijn opgeschrikt door het geluid van de schoten en hebben het slachtoffer op straat zien liggen. Een aantal van hen heeft zelfs eerste hulp aan het slachtoffer verleend, toen verdachte - maar overigens ook de vrienden van het slachtoffer - het slachtoffer zwaar gewond op straat hebben achtergelaten. Een dergelijk geweldsmisdrijf op straat, midden in een woonwijk, heeft een grote impact op omwonenden en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad die hij wilde verkopen. Hiermee heeft hij beoogd bij te dragen aan verdere verspreiding van deze verdovende middelen. Algemeen bekend is dat het gebruik daarvan een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Tevens zijn verdovende middelen vaak direct of indirect een oorzaak van vele vormen van criminaliteit, zoals ook in deze zaak.

Verdachte is in het verleden herhaaldelijk veroordeeld voor strafbare feiten, met name voor het bezit van en de handel in verdovende middelen. Niet gebleken is dat hij eerder voor een geweldsmisdrijf met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Uit de over verdachte opgemaakte rapporten blijkt dat verdachte al jaren kampt met een hardnekkige drugsverslaving. In het kader van eerdere strafopleggingen is hem meerdere malen als voorwaarde gesteld dat hij zich voor zijn verslavingsproblematiek moet laten behandelen. Verdachte was echter onvoldoende gemotiveerd om te veranderen en is
- ondanks de hem geboden hulp en begeleiding - onverminderd doorgegaan met het gebruik van drugs en, in het verlengde daarvan, het plegen van strafbare feiten. In het Pieter Baan Centrum is blijkens het rapport van 30 oktober 2017 geconstateerd dat de persoonlijkheids- en emotionele ontwikkeling van verdachte door het langdurig gebruik van middelen en verblijf in de criminele subcultuur van drugsgebruikers en -handelaren, gestagneerd is geraakt en dat er een antisociale bovenlaag is ontstaan. Hoewel de persoonlijkheids-pathologie aanwezig was ten tijde van de feiten en verdachte tijdens het plegen van de feiten bovendien onder invloed van verdovende middelen verkeerde, hebben deze omstandigheden volgens de deskundigen van het Pieter Baan Centrum zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het plegen van de feiten niet beïnvloed. Vragen over het recidiverisico en eventuele interventies om het recidivegevaar te kunnen beperken, hebben de deskundigen om deze reden niet kunnen beantwoorden.


Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat op de door verdachte gepleegde strafbare feiten, gezien de aard en ernst daarvan, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf gelet op straffen die in de afgelopen jaren in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Mede gezien de omstandigheid dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie heeft gevorderd, is de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is geëist.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Mr. L.H. Poortman-de Boer (hierna: de raadsvrouw) heeft zich namens de nabestaanden [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] , als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding met betrekking tot het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezenverklaarde. De volgende bedragen worden gevorderd:

- [slachtoffer 5] : € 32.081,92, bestaande uit € 2.081,92 ter zake van materiële schade en
€ 30.000,- ter zake van immateriële schade;

- [slachtoffer 6] : € 2.784,04 ter zake van materiële schade;

- [slachtoffer 7] : € 30.729,76, bestaande uit € 729,76 ter zake van materiële schade en € 30.000,- ter zake van immateriële schade.

Gevorderd is tevens de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw de vorderingen nader toegelicht. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft ze betoogd dat de nabestaanden affectieschade hebben geleden ten gevolge van het overlijden van [slachtoffer 1] door het toedoen van verdachte. Zij heeft gesteld dat deze schade in aanmerking komt voor vergoeding omdat voldaan is aan de twee voorwaarden die volgen uit het Taxibus-arrest, namelijk de confrontatie-eis en het vereiste dat sprake moet zijn van geestelijk letsel dat betrekking heeft op een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen toewijsbaar zijn, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde vergoeding van de immateriële schade. Hij heeft aangevoerd dat er nader onderzoek nodig is ter beantwoording van de vraag of is voldaan aan de vereisten van het Taxibus-arrest, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Hij heeft daarom verzocht de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank


Affectieschade

Met betrekking tot de door de nabestaanden gevorderde immateriële schadevergoeding in verband met affectieschade hecht de rechtbank er allereerst aan te benoemen dat zij begrijpt en erkent dat de nabestaanden groot leed is aangedaan door het feit dat hun zoon en partner om het leven is gebracht. In het kader van deze vorderingen dient de rechtbank evenwel te beoordelen of de door de nabestaanden gestelde affectieschade voor vergoeding in aanmerking kan komen. Onder omstandigheden is dit mogelijk. Er moet dan sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiende uit een hevige emotionele shock door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat voorshands niet zonder meer is gebleken dat aan de strenge eisen die aan toekenning van dergelijke schade worden gesteld is voldaan. Zo ontbreekt er informatie over de wijze waarop en omstandigheden waaronder de nabestaanden met het stoffelijke overschot van het slachtoffer in het mortuarium zijn geconfronteerd. De rechtbank acht de inhoud van de overgelegde korte verklaringen van J.J. Herrmann, GZ psycholoog bij Prisma psychologie, respectievelijk [naam] , verpleegkundig specialist GGZ van 1nP ook onvoldoende om op grond daarvan te kunnen vaststellen of enkel de confrontatie of elementen die nauw samenhangen met de confrontatie hebben geleid tot de gestelde psychische gevolgen. Daarnaast is voor het toekennen van een vergoeding, alsmede voor het bepalen van de hoogte daarvan, nadere informatie nodig over de duur en de intensiteit van het geestelijk letsel (PTSS) en de verwachtingen met betrekking tot het herstel. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen of op andere wijze (de hoogte van) de gestelde affectieschade aan te tonen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, en de rechtbank zal daartoe dan ook niet overgaan. Bedoeld nader onderzoek lijkt bij uitstek geschikt voor beoordeling door de civiele rechter.

De rechtbank zal de nabestaanden in hun vorderingen voor zover deze zien op het toekennen van vergoeding ter zake van affectieschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan wat dit onderdeel betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Materiële schade

Gelet op het reeds overwogene met betrekking tot de immateriële schade zullen de benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] eveneens niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering voor zover die ziet op de materiële kosten die in verband staan met de affectieschade. Dit betreffen de kosten van het eigen risico en de reiskosten naar de therapeut.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel voldoende aannemelijk geworden dat de overige door de benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] gestelde materiële schade en de door benadeelde partij [slachtoffer 6] gevorderde materiële schade rechtstreeks het gevolg zijn van het onder 1 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door of namens verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2017.

Concluderend wordt de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toegewezen tot een bedrag van € 882,32 (te weten € 757,- ter zake van de urnen, € 61,36 ter zake van de reiskosten naar de advocaat, € 31,20 ter zake van de reiskosten naar het openbaar ministerie en € 32,76 ter zake van de reiskosten naar de rechtbank). De vordering van [slachtoffer 7] wordt toegewezen tot een bedrag van € 196,56 (te weten € 98,80 ter zake van reiskosten naar de advocaat, € 47,84 ter zake van reiskosten naar het openbaar ministerie en € 49,92 ter zake van reiskosten naar de rechtbank). Voor het overige worden deze benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vordering verklaard. De vordering van [slachtoffer 6] wordt in zijn geheel toegewezen tot een bedrag van € 2.784,04.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het aan verdachte onder 2 meer subsidiair onder A ten laste gelegde. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal € 1.672,02, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank acht dit feit niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het aan verdachte onder 2 onder A en B ten laste gelegde. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal € 2.559,06, bestaande uit
€ 1.059,06 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

De gevorderde materiële schade heeft betrekking op de schade van de personenauto

(€ 949,87) en de schade aan de gevel (€ 109,19). Nu laatstbedoelde schade samenhangt met hetgeen aan verdachte onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair onder A is ten laste gelegde, voor welk feit verdachte zal worden vrijgesproken, zal de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan wat dat deel betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht wel voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade aan de personenauto heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 meer subsidiair onder B bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2017.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat, gezien de onderbouwing ervan, deze zou zijn veroorzaakt door de ten laste gelegde poging tot doodslag op, poging zware mishandeling van dan wel bedreiging van benadeelde partij [slachtoffer 2] . Nu verdachte hiervan is vrijgesproken, dient de benadeelde partij daarom ook voor dit deel van de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard. De vordering kan ook wat dit deel betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Concluderend wordt de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 949,87 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair onder A en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 meer subsidiair onder B, 3 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 882,32 (zegge: achthonderdtweeëntachtig euro en tweeëndertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 882,32 (zegge: achthonderdtweeëntachtig euro en tweeëndertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.784,04 (zegge: tweeduizend zevenhonderdvierentachtig euro en vier eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 2.784,04 (zegge: tweeduizend zevenhonderdvierentachtig euro en vier eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 196,56 (zegge: honderdzesennegentig euro en zesenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 196,56 (zegge: honderdzesennegentig euro en zesenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van drie dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 2

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij [slachtoffer 3] ieder de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 949,87 (zegge: negenhonderdvierennegentig euro en zevenentachtig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 949,87 (zegge: negenhonderdvieren-negentig euro en zevenentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. R.B.M. Keurentjes en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2018.

Mr. R.B.M. Keurentjes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.