Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1414

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
18/850045-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Witwassen meermalen gepleegd, Taakstraf

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850045-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 april 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Heus.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 juni 2015 te Groningen, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Groningen, althans in Nederland, (telkens)

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten

een auto, merk Audi A4, kenteken [kenteken 1] , of wie dat voorwerp voorhanden had, bestaande hierin dat verdachte,

-heeft bewerkstelligd dat die auto op naam van [stroman 1] , althans op naam van een ander dan verdachte werd gesteld, en/of

-terwijl verdachte (steeds) de feitelijke eigendom en/of het gebruik van die auto had, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

EN/OF

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 8 juni 2015 te

Groningen, althans in Nederland, (telkens)

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten een auto, merk Audi A5, kenteken [kenteken 2] , of wie dat voorwerp voorhanden had, bestaande hierin dat verdachte,

-heeft bewerkstelligd dat die auto op naam van [stroman 1] en/of (vervolgens) op naam van [stroman 2] , althans op naam van een ander dan verdachte, werd gesteld, en/of

-terwijl verdachte (steeds) de feitelijke eigendom en/of het gebruik van die auto had, en/of de overige auto-gerelateerde kosten steeds (contant) werden vergoed/betaald door verdachte aan die [stroman 1] en/of [stroman 2] , terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

EN/OF

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 3 april 2015 te Groningen, althans in Nederland, (telkens) (een) voorwerp(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en), gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:

-geldbedrag(en) uitgegeven bij [winkel 1] , ter waarde van 349,96 euro en/of

-geldbedrag(en) uitgegeven bij [winkel 2] , ter waarde van 815,95 euro.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is op grond van de stukken in het dossier van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Voor gewoontewitwassen is onvoldoende fundament aanwezig, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad dat gericht was op het witwassen. De afkomst van het geld dat verdachte heeft gekregen van de man waarvan verdachte de naam niet wil noemen, is niet bekend, ook niet bij verdachte. Het is dus ook niet bekend of dit geld van een misdrijf afkomstig is. De raadsman heeft betoogd dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven:

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 10 juni 2015, opgenomen op pagina 577 e.v. van het dossier met nummer 2014185839 d.d. 6 juli 2015, inhoudende als verklaring van [stroman 3] :

[verdachte] had/heeft een vriend die wilde een auto. [verdachte] heeft die auto op naam gezet.

[verdachte] heeft toen [stroman 1] benaderd om te vragen of zij de auto op naam wilde zetten. [stroman 1] heeft dit toen gedaan. [stroman 1] kreeg er problemen mee en toen moest de auto weer van haar naam. De bedoeling was dat de auto een paar maanden op zijn naam zou staan. Ik heb van [verdachte] wel eens geld gekregen. Ik moest dit dan aan [stroman 2] geven. [stroman 2] heeft mij wel benaderd omdat er bekeuringen binnen kwamen of omdat de verzekering betaald moest worden. [stroman 2] gaf mij fysiek de bekeuringen en of de nota's. Ik gaf dit weer aan [verdachte] en die kwam dan met geld. Het geld gaf ik weer fysiek aan [stroman 2] . Hij maakte het geld dan over.

Op een gegeven moment heb ik autopapieren gekregen van [stroman 2] . Dit was 1à 2

maanden geleden ofzo. Hij heeft tegen mij gezegd dat ik die autopapieren aan [verdachte]

moest geven. [verdachte] heeft de papieren opgehaald en meegenomen.

Wat betreft de fiets. Ik had niet genoeg geld op mijn rekening en toen heeft [verdachte]

dat geld gepind.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 10 juni 2015, opgenomen op pagina 580 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [stroman 2] :

Het klopt dat ik de te naam gestelde ben geweest van het voertuig voorzien van kenteken

[kenteken 2] . Het is echter niet mijn auto. Ik ben een dik jaar geleden benaderd door mijn nicht [stroman 3] . [verdachte] kon geen auto op naam hebben. Ondertussen staat de auto al meer dan een jaar op mijn naam. Ik denk dat ik vier weken geleden ofzo werd gebeld of ik de autopapieren kon komen brengen. Ik begreep dat [verdachte] de auto ging verkopen. Ik had de autopapieren als een soort onderpand. De verzekering van de auto stond gewoon op mijn naam. Ik kreeg het geld van [stroman 3] . Er kwamen ook wel bekeuringen binnen en de wegenbelasting moest worden betaald. Ik gaf de bekeuringen, nota's van de verzekering en wegenbelasting aan [stroman 3] die ze dan weer aan [verdachte] gaf. Ik kreeg vervolgens het geld van [stroman 3] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 8 juni 2015, opgenomen op pagina 582 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [Koper] :

[verdachte] vertelde dat hij zijn eigen auto, de Audi A5 voorzien van kenteken [kenteken 2] , wilde verkopen. [verdachte] wilde €20.000,-- ontvangen voor de auto. De auto stond op naam van de [stroman 2] . Ik wilde zeker weten dat het niet van diefstal afkomstig zou zijn en wilde daarom een ondertekende verklaring van de te naam gestelde hebben, te weten [stroman 2] . Dit heeft [verdachte] geregeld. Wij hebben contant €20.000,-- betaald. De eerste helft heb ik zo gegeven en de rest toen de papieren compleet waren. Dat was ergens vorige week.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland

d.d. 8 juni 2015, opgenomen op pagina 8, 11, 12, 13, 15, 23 en 24 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Uit de gegevens van de Infobox crimineel en onverklaarbaar vermogen (ICOV)blijkt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 juni 2015 alleen legale inkomsten heeft ontvangen vanuit uitkering, huur- en zorgtoeslag.1

Uit deze verstrekte gegevens kan niet blijken dat [verdachte] over een vermogen kon beschikken die de aankopen van de auto's mogelijk konden maken.

Uit gegevens van de Sociale Dienst te Groningen kon blijken dat de uitkering van verdachte in december 2014 is geblokkeerd2.

Uit het RDW3 is met betrekking tot de historie van de personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1] het volgende gebleken:

Begindatum Einddatum organisatie/ persoon

03-10-2013 15:23 01-02-2014 [winkel 3]

07-03-2013 14:38 03-10-2013 [stroman 1]

07-03-2013 13:28 07-03-2013 [verdachte]

25-01-2013 15:37 07-03-2013 [winkel 3]

Uit het RDW is met betrekking tot de historie van de personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 2] het volgende gebleken:

Begindatum Einddatum organisatie/ persoon

08-06-2015 09:00 16-06-2015 [bedrijf]

27-02-2014 14:14 08-06-2015 [stroman 2]

13-02-2014 12:30 27-02-2014 [verdachte]

04-10-2013 10:55 13-02-2014 [stroman 1]

03-10-2013 15:28 04-10-2013 [verdachte]

03-05-2013 17:28 03-10-2013 [winkel 3]

Bij het CJIB 4zijn de gegevens opgevraagd die betrekking hadden op de bekeuringen die gemaakt waren met de voertuigen voorzien van het kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] . Als periode voor het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 1] werd aangehouden 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Uit de verstrekte gegevens is gebleken dat er acht bekeuringen zijn uitgeschreven. Zeven bekeuringen zijn uitgeschreven op kenteken en een met een staande houding. Deze staande houding werd gedaan op 19 maart 2013 en [verdachte] was toen de bestuurder. Alle overige bekeuringen werden op kenteken uitgeschreven en zijn verstuurd naar de te naam gestelde [stroman 1] en zes daarvan werden betaald met het rekeningnummer van verdachte. Voor het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 2] zijn de gegevens opgevraagd over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Hieruit bleek dat er 1 keer een bekeuring is opgelegd en dat deze bekeuring via het bankrekeningnummer van verdachte is betaald5.

Uit de verkregen bankafschriften is gebleken dat er van het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] te name van [verdachte] op 10 maart 2014 een bedrag van €102,50 wordt overgemaakt naar de ANWB met omschrijving contributie. Daarnaast is gebleken dat er op 7 november 2014 een bedrag van € 124 wordt overgemaakt naar de ANWB met omschrijving contributies en abonnementen6.

Uit de verkregen bankafschriften is gebleken dat er over de periode van 6 januari 2013 tot en met 20 maart 2015 in totaal voor een bedrag van € 4.338,04 aan bancaire betalingen hebben plaats gevonden bij tankstations. 7

Vanaf 23 februari 2015 tot en met 27 februari 2015 is observatie verricht middels gebruik van een camera.

Hieruit is gebleken dat het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 2] op

- 26 februari 2015 omstreeks 08:00 uur

- 26 februari 2015 omstreeks 10:27 uur

-26 februari 2015 omstreeks 17:57 uur in de nabije omgeving van [straatnaam] rijdt.

Op dinsdag 17 maart 2015 is de plaatsbepalingapparatuur op de Audi met het kenteken

[kenteken 2] geplaatst. Na plaatsing is de eerste geregistreerde stop op 18 maart 2015 om 01:09 uur aan [straatnaam] te Groningen. Uit de gegevens over de periode van 12 februari 2015 tot en met 11 mei 2015 is op te maken dat het voertuig veelvuldig aan [straatnaam] en de omgeving hiervan staat geparkeerd. Daarnaast is op te maken dat het voertuig veelvuldig staat geparkeerd in de omgeving van [straatnaam] te Groningen.8 Door het observatieteam is waargenomen dat de verdachte [verdachte] op 17 en 21 april 2015 als bestuurder optrad in de Audi voorzien van het kenteken [kenteken 2] . 9

Kasopstelling

Omdat niet bekend was wat het beginsaldo contant geld was op 1 januari 2013 is gekozen voor de laatste bankopname voor de start onderzoeksperiode van 1 januari 2013. Aannemelijk is dat de verdachte [verdachte] op dat moment niet over contant geld beschikte en daarom geld van de bank haalde. Dit is geweest op 27 december 2012, er is toen een bedrag van € 500.- opgenomen.10

De Audi voorzien van het kenteken [kenteken 2] is voor € 20.000 verkocht. Verdachte heeft derhalve aan legale contante inkomsten een bedrag van € 20.000 heeft ontvangen.

Kasopstelling over de periode 1 januari 2013 t/m 8 juni 2015

Beginsaldo contant geld € 500,00

Legale contante ontvangsten inclusief bankopname € 21.530,00

Eindsaldo contant geld € 0,00

-----------+

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 22.030,00

Werkelijk contante uitgave

Aanschaf auto € 41.550,0111

Aanschaf fiets € 815,9512

Aanschaf kleding € 349,9613/14

Verkoop auto € 20.000,0015

Bankstortingen € 13.745,0016

---------------+

€ 76.460.92

€ 22.030,00

--------------- -

€ 54.430,92

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420 bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is het niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

In de onderhavige zaak volgt uit de kasopstelling dat verdachte onverklaarbare contante uitgaven heeft gedaan; hij heeft achtereenvolgens een Audi A4 en Audi A5 contant aangeschaft, alsmede kleding en een fiets. Er is sprake van een aanzienlijke grotendeels contante geldstroom die op geen enkele wijze uit legale inkomsten kan worden verklaard. Immers, uit de gegevens van de ICOV blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 juni 2015 alleen legale inkomsten heeft ontvangen vanuit uitkering, huur- en zorgtoeslag. En uit de door de ICOV verstrekte gegevens kan niet blijken dat verdachte over een vermogen kon beschikken die de aankopen van de auto's mogelijk konden maken.

Verdachte heeft als verklaring over de herkomst van het geld aangevoerd dat hij de auto's voor iemand anders heeft gekocht. Het geld waarmee hij deze auto's heeft gekocht zou hij hebben gekregen van een Turkse man van wie hij de naam niet wil noemen, omdat verdachte bang zou zijn voor deze man. De rechtbank acht deze verklaring niet verifieerbaar. Tevens acht de rechtbank deze verklaring hoogst onwaarschijnlijk nu naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte zelf feitelijk eigenaar van de auto's was. De rechtbank leidt dit af uit het volgende. Verdachte had een abonnement bij de ANWB. Van het rekeningnummer van verdachte is in totaal € 4.338,04 uitgegeven bij tankstations. Uit de stelselmatige observaties blijkt daarnaast dat de door verdachte aangeschafte Audi's regelmatig in de buurt van de woning van verdachte zijn gesignaleerd dan wel bij de woning van een vriendin waar hij vaak verbleef. Daarnaast werden de bekeuringen van deze Audi's blijkens de gegevens van het CJIB hoofdzakelijk betaald door het rekeningnummer dat op naam stond van verdachte. Tevens blijkt uit de verklaringen van voornoemde getuigen dat verdachte de rekeningen betreffende de auto's betaalde.

Door verdachte is weliswaar over een mogelijke alternatieve herkomst van het geld verklaard (de vermeende Turkse man), maar deze verklaring is geenszins te verifiëren en is

(gelet op het hiervoor vermelde) bovendien ongeloofwaardig. Voorts blijkt uit de verklaringen die verdachte heeft afgelegd dat hij niet consistent heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto's mocht gebruiken, maar over hoe vaak hij de auto's mocht gebruiken heeft verdachte niet eenduidig verklaard ( "4 dagen per week", "4 dagdelen per week, "wanneer ik de auto wilde gebruiken") en evenmin heeft verdachte eenduidig verklaard over welke de afspraken er tussen verdachte en de vermeende eigenaar van de auto's waren betreffende het gebruik van de auto's en waar de auto's geparkeerd stonden.

Het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking geeft dan ook onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld.

Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Het ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen, met dien verstande dat de rechtbank op grond van het procesdossier gewoontewitwassen niet bewezen acht, maar wel het meermalen gepleegd witwassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Groningen,

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten een auto, merk Audi A4, kenteken [kenteken 1] , bestaande hierin dat verdachte,

-heeft bewerkstelligd dat die auto op naam van [stroman 1] werd gesteld,

-terwijl verdachte de feitelijke eigendom en/of het gebruik van die auto had, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

EN

in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 8 juni 2015 te Groningen,

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten een auto, merk Audi A5, kenteken [kenteken 2] , voorhanden had, bestaande hierin dat verdachte,

-heeft bewerkstelligd dat die auto op naam van [stroman 1] en op naam van [stroman 2] , werd gesteld, en

-terwijl verdachte de feitelijke eigendom en het gebruik van die auto had, en de overige auto-gerelateerde kosten steeds (contant) werden vergoed/betaald door verdachte aan die [stroman 1] en/of [stroman 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

EN

op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2014 tot en met 3 april 2015 te Groningen, voorwerpen verworven, voorhanden gehad, overgedragen, terwijl hij wist dat dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:

-geldbedrag uitgegeven bij [winkel 1] , ter waarde van 349,96 euro en

-geldbedrag uitgegeven bij [winkel 2] , ter waarde van 815,95 euro.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 weken, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Aan het voorwaardelijke deel dienen de voorwaarden te worden gekoppeld zoals verwoord in het reclasseringsrapport d.d. 5 maart 2018. De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar strafeis rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met het gegeven dat het geen recent feit betreft, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval dat rechtbank toch tot een veroordeling komt, gepleit om rekening te houden met het gegeven dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts heeft de raadsman verzocht om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meermalen gepleegd witwassen. Verdachte heeft daarbij een (soms aanzienlijk) geldbedrag, waarvan hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was, verworven, voorhanden gehad en overgedragen. Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van witwasgelden heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, recent niet onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Tevens heeft de rechtbank de inhoud van het reclasseringsrapport betrokken bij het bepalen van de straf. Uit zowel de inhoud van dit rapport als ter terechtzitting is gebleken dat bij verdachte sprake is van een kwetsbare gezondheidstoestand.

Verdachte lijdt aan leverkanker en zijn levensverwachting is kort.

Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn om te worden berecht. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, passend en geboden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hiervoor vermeld, en de overschrijding van redelijke termijn, zal de rechtbank aan hem in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf opleggen en het aantal uren taakstraf in verband daarmee matigen. De rechtbank ziet alles afwegende thans geen belang en noodzaak om aan verdachte naast een onvoorwaardelijk straf tevens een voorwaardelijke straf op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 april 2018.

Mr. M.J.B. Holsink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie voor gegevens ICOV opgenomen in dossier op pagina 32-43

2 Zie voor stukken van Sociale dienst pagina 8 en 44-169 van strafdossier

3 Zie pagina 11 van dossier

4 Zie pagina 449-450 van strafdossier

5 Zie pagina 451-452 van strafdossier

6 Zie pagina 468 van strafdossier

7 Zie pagina 504-505 van strafdossier

8 [stroman 2] , vriendin van verdachte, woont aan [straatnaam]

9 Zie pagina 545-568 van stafdossier

10 Zie pagina 408 van strafdossier

11 Zie pagina 438-448 van dossier

12 Zie pagina 604-607 van dossier

13 Zie pagina 596 van dossier

14 tijdens de doorzoeking op 8 juni 2015 is in het perceel [straatnaam] te Groningen deze kassabon aangetroffen van winkelbedrijf [winkel 1]

15 Zie pagina 438-448 van dossier

16 Zie pagina 9 en 170-410 van dossier