Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1346

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
LEE 17/3239
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:730, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningsluiting op grond van Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3239

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin),

en

de burgemeester van de gemeente Emmen, verweerder

(gemachtigde: J.T. Oosterhoff).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de woning aan de [adres] te [plaats] (de woning) te sluiten voor een periode van drie maanden, met ingang van 11 maart 2017.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 19 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

Noord-Nederland het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op

14 februari 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat is vastgesteld dat de politie op

24 januari 2017 in haar woning op het adres [adres] , [adres] [plaats] onder andere 1678 gram natte hennep, transformatoren, assimilatielampen, een cannacutter, een waterton, potten, groeimiddelen en aarde heeft aangetroffen. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan aangegeven voornemens te zijn de woning van eiseres voor een duur van drie maanden te sluiten. Eiseres heeft ten aanzien daarvan haar zienswijze kenbaar gemaakt. Bij besluit van 6 maart 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de sluiting van haar woning op 11 maart 2017 ingaat en eindigt op

11 juni 2017. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van het besluit tot sluiting van haar woning. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 19 april 2017 afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat gezien de omstandigheden van het geval verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting van de woning. De commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op wat er is aangetroffen in de woning, de bevoegdheid bestaat om over te gaan tot sluiting van de woning. Op grond van het Handhavingsbeleid hard- en softdrugs gemeente Emmen 2013 is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

3. Ter zitting is gebleken dat de sluiting van de woning inmiddels is geëffectueerd. Eiseres heeft in de periode na 11 juni 2017 circa 5,5 week in een recreatiewoning verbleven, waarmee volgens verweerder, zoals ter zitting is betoogd, het primaire besluit (volledig) is geëffectueerd. De rechtbank gaat daar bij de verdere behandeling van het beroep ook van uit. Nu de maatregel is geëffectueerd is het de vraag of eiseres nog procesbelang heeft bij een beoordeling door de rechtbank van het beroep. In dit verband is het volgende van belang.

4. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake is van procesbelang omdat zij schade heeft opgelopen door de uitvoering van het primaire besluit. Zo heeft zij huur moeten betalen voor de vervangende huisvesting. De rechtbank stelt vast dat dit tussen partijen niet in geschil is en is van oordeel dat sprake is van een procesbelang dat aanleiding geeft voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

5. In geschil is eerst de vraag of [verweerder] bevoegd was over te gaan tot sluiting van de woning. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is [verweerder] bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In het Handhavingsbeleid hard- en softdrugs gemeente Emmen 2013 is bepaald dat de bevoegdheid tot sluiting van een woning mag worden ingezet als er sprake is van een handelshoeveelheid van 50 gram hennep of 20 of meer hennepplanten. Hennep kan volgens lijst II van de Opiumwet worden gekwalificeerd als elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.

6. In de bestuurlijke rapportage van de politie staat dat in de woning 1678 gram natte hennep is aangetroffen. Tussen partijen is in geschil of wat is aangetroffen in de woning kan worden gekwalificeerd als hennep zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet en in geschil is wat de juiste wijze van omrekenen is van natte naar droge hennep. Eiseres stelt dat de gehele natte hennepplanten zijn gewogen en niet alleen de in de zin van de voornoemde regelgeving werkzame delen van de planten. Deze werkzame delen zijn de gedroogde toppen van de hennepplant, waarin geen insecten of schimmels worden gevonden. Pas dan is er sprake van voor consumptie geschikte hennep, zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Daarnaast stelt eiser dat de verhouding nat-droog ongeveer 5:1 is en niet 2:1 zoals opgenomen in de bestuurlijke rapportage. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hennepstekken en henneptoppen onder het begrip “hennep” vallen zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet. [verweerder] mocht uitgaan van de deskundigheid en bevindingen van de politie. Aangezien de hennep is vernietigd is niet bekend wat de hoeveelheid exact is geweest, maar ook in gedroogde staat (naar zowel de verhouding 5:1 als 2:1), is er meer aangetroffen dan 50 gram.

7. In de bestuurlijke rapportage staat:

“In één van deze ruimten trof de politie een kweektent aan welke was ingericht als hennepdrogerij en waar netto 1678 gram hennep lag te drogen. Na deze hoeveelheid te hebben gedroogd zou er volgens de collega’s van het hennepteam van de politie Noord-Nederland circa 780 gram droge hennep overblijven. Dit betreft een schatting. De hennep is vernietigd en dus niet gedroogd en aansluitend gewogen.”

8. In de bestuurlijke rapportage is aangegeven wat er aan natte hennep is aangetroffen. Aangezien de aangetroffen hoeveelheid is vernietigd en er ook geen foto’s zijn bijgevoegd van wat er is aangetroffen in de woning is op grond van de rapportage niet af te leiden dat er een splitsing is gemaakt tussen de werkzame en niet-werkzame delen van de hennepplanten zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Pas als de hoeveelheid werkzame delen van de hennepplanten vaststaat kan een omrekening worden gemaakt naar de hoeveelheid droge hennep. Tussen partijen is in geschil welke verhouding daarbij zou moeten worden gehanteerd. De rechtbank stelt echter vast dat aan dit laatste niet kan worden toegekomen omdat niet vaststaat of er sprake was van een handelshoeveelheid van meer dan 50 gram hennep of meer dan 20 hennepplanten. Dit betekent dat tevens niet vast is komen te staan of de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet genoemde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wel bestond. De beroepsgrond slaagt. De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking.

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van deze uitspraak.

10. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Philipsen, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.C. van der Ven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 maart 2018.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.