Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1335

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
18/730151-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf voor afpersing en diefstal met geweld, samen met anderen gepleegd. Verdachte is samen met een mededader gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd naar de woning van het slachtoffer gegaan, om in opdracht van een derde een beweerdelijke geldvordering te innen. Het slachtoffer wilde verdachte en zijn mededader niet binnenlaten, waarna zij de woning zijn binnengedrongen. De mededader heeft het slachtoffer een aantal klappen gegeven. Daarna zijn verdachte en de mededader vertrokken onder medeneming van de personenauto van het slachtoffer, de bijbehorende autopapieren en een geldbedrag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730151-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 12 september 2016 en 13 september 2016 te Kimswerd, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, al dan niet gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (tussen 23.30 uur en 00.30 uur) in een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van

- geld (45 euro) en/of

- de bij een (personen)auto (van het merk Renault) behorende autosleutels en/of

- het kentekenbewijs en/of het vrijwaringsbewijs behorende bij een (personen)auto (van het merk Renault),

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

B.

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (van het merk Renault), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen (personen)auto onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht

door middel een of meerdere valse sleutel(s) (te weten een of meer autosleutel(s) van die (personen)auto die kort daarvoor wederrechtelijk waren verkregen) en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte toen aldaar tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk is binnengedrongen door die [slachtoffer] bij de toegangsdeur tot die woning aan de kant te duwen en vervolgens de woning binnen te gaan en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft getoond en/of

- die [slachtoffer] (op dwingende en/of dreigende toon) de woorden heeft toegevoegd: "Je moet doen wat hij zegt." en/of "Ik moet 1500 euro van jou hebben!" en/of "Heb je wat van waarde?" en/of "Ik moet een vrijwaringsbewijs van je auto hebben!" en/of "Heb je een kluis?", althans telkens mededelingen en/of vragen van gelijke aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] heeft gedwongen een kluis te openen en de inhoud van die kluis te tonen (waaronder het vrijwaringsbewijs van die voornoemde (personen)auto);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode omvattende de dagen 12 september 2016 en 13 september 2016 te Kimswerd, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, al dan niet gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (tussen 23.30 uur en

00.30

uur) in een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ), tezamen en in vereniging, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van

- geld (45 euro) en/of

- de bij een (personen)auto (van het merk Renault) behorende autosleutels en/of

- het kentekenbewijs en/of het vrijwaringsbewijs behorende bij een (personen)auto (van het merk Renault),

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en/of

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een

(personen)auto (van het merk Renault), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] die weg te nemen (personen)auto onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel een of meerdere valse sleutel(s) (te weten een of meer autosleutel(s) van die (personen)auto die kort daarvoor wederrechtelijk waren verkregen) en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] toen aldaar tezamen en in vereniging, althans alleen,

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk is/zijn binnengedrongen door die [slachtoffer] bij de toegansdeur tot die woning aan de kant te duwen en vervolgens de woning binnen te gaan en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond en/of

- die [slachtoffer] (op dwingende en/of dreigende toon) de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Je moet doen wat hij zegt." en/of "Ik moet 1500 euro van jou hebben!" en/of "Heb je wat van waarde?" en/of "Ik moet een vrijwaringsbewijs van je auto hebben!" en/of "Heb je een kluis?", althans telkens mededelingen en/of vragen van gelijke aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen een kluis te openen en de inhoud van die kluis te tonen (waaronder het vrijwaringsbewijs van die voornoemde (personen)auto), tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode omvattende de dagen 12 september 2016 en 13 september 2016 te Kimswerd, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- die [medeverdachte 1] in een door hem, verdachte, bestuurd motorvoertuig (auto) naar de plaats van het delict te vervoeren en/of

- samen met die [medeverdachte 1] naar de woning van die [slachtoffer] te lopen en/of

- samen met die [medeverdachte 1] bij de voordeur van die woning van die [slachtoffer]

te gaan staan en/of

- samen met die [medeverdachte 1] de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen, althans binnen te gaan (nadat die [slachtoffer] de voordeur had opgedaan), en/of

- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Je moet doen wat hij zegt." en/of

- de autosleutels van die [slachtoffer] in ontvangst te nemen en/of

- de zogenoemde autopapieren uit de auto van die [slachtoffer] te halen en/of

- de autopapieren van die [slachtoffer] te doorzoeken (op zoek naar een vrijwaringsbewijs) en/of

- een vrijwaringsbewijs van die [slachtoffer] in ontvangst te nemen, althans op enigerlei wijze opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair onder A en B ten laste gelegde. De officier van justitie heeft evenwel vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde ‘tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)’, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte dat heeft gezien. De officier van justitie gaat er daarom vanuit dat het tonen van het vuurwapen of een voorwerp dat daarop leek een individuele actie was van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat het medeplegen niet kan worden bewezen. Voorts heeft de raadsvrouw een partiële vrijspraak betoogd van het ten laste gelegde geweld en bedreiging met geweld, nu hiervoor volgens de raadsvrouw onvoldoende wettig bewijs aanwezig is. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte is aanwezig geweest bij de gesprekken tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar meer ook niet. Verdachte heeft [medeverdachte 1] naar de woning van [slachtoffer] gereden. Hij was in de veronderstelling dat zij een regeling zouden gaan treffen met [slachtoffer] . Er zijn vooraf geen afspraken gemaakt over een rolverdeling. Ook achteraf zijn er geen betalingsafspraken gemaakt. De rol van verdachte was ondersteunend. Er is geen sprake van medeplegen, nu verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd en zijn bijdrage van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van een significante bijdrage. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de kans op geweld en bedreiging met geweld niet bewust heeft aanvaard. Er was geen agressieve sfeer, verdachte heeft niet ingestemd met het geweld, heeft zelf geen geweld gebruikt en hij ontkent de woorden te hebben gebezigd die aangever hem heeft toegeschreven. Nu het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het uitspreken van de woorden "je moet doen wat hij zegt" enkel blijken uit de aangifte van [slachtoffer] , dient verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Dit brengt de raadsvrouw tot de conclusie dat alleen de diefstal van goederen uit de woning wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het primair onder A en B ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 9 februari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 12 september 2016, 's avonds laat, met [medeverdachte 1] naar de woning van [slachtoffer] in Kimswerd ben gegaan. [medeverdachte 1] zei dat we wel even naar Kimswerd konden gaan om geld te halen. [medeverdachte 1] had vervoer nodig en ik heb voor het vervoer naar Kimswerd gezorgd. Ik ben meegegaan ter ondersteuning. Voor wij naar Kimswerd gingen, heeft [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] gebeld, om te zeggen dat wij het geld gingen halen. [medeverdachte 2] had voor [slachtoffer] tekeningen gemaakt en moest hier nog ongeveer 800 euro voor hebben. Het klopt dat er eerder bij [medeverdachte 2] thuis al eens over was gesproken dat als [slachtoffer] niet zou betalen, zijn auto meegenomen zou worden. [medeverdachte 1] heeft direct bij de deur tegen [slachtoffer] gezegd dat [medeverdachte 2] nog geld van hem moest hebben. [slachtoffer] wilde ons niet binnen laten. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] aan de kant geduwd en wij zijn de woning binnen gegaan. [medeverdachte 1] vroeg om het geld en heeft [slachtoffer] geslagen. Ik heb gezien dat [slachtoffer] een geldbedrag van € 45,00 uit zijn portemonnee aan [medeverdachte 1] gaf. Ook gaf [slachtoffer] zijn autosleutels. Ik heb in opdracht van [medeverdachte 1] in de auto van [slachtoffer] gezocht naar de autopapieren. [slachtoffer] pakte de autopapieren uit een soort geldkistje en overhandigde ze. Uit de woning zijn het geldbedrag, de autosleutels en de autopapieren meegenomen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens de personenauto van [slachtoffer] , merk Renault, meegenomen. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat [slachtoffer] zijn auto terug zou krijgen, als hij 1.500 euro aan [medeverdachte 2] zou betalen. [medeverdachte 1] is met de auto van [slachtoffer] naar Witmarsum gereden en ik ben in mijn eigen auto achter [medeverdachte 1] aan gereden. In Witmarsum is [medeverdachte 1] weer bij mij in de auto gestapt en vervolgens heb ik hem naar Schettens gereden. De door [slachtoffer] in zijn aangifte omschreven persoon 2 ben ik. De door [slachtoffer] omschreven persoon 1 is [medeverdachte 1] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2016, opgenomen op pagina 120 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL01002016263871 d.d. 17 april 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op maandag 12 september 2016, omstreeks 23:30 uur, was ik in mijn woning aan de [straatnaam] te Kimswerd. Ik zag toen een voertuig mijn oprit oprijden. Ik ben naar de voordeur gelopen en heb de deur opengedaan. Ik zag dat er twee mannen voor mijn deur stonden die ik als volgt kan beschrijven: Mannelijk persoon 1, met een kale haardracht, blanke huidskleur (gebruind door de zon), tussen de 45 en 50 jaar oud, lengte 1.90 meter, zwart t-shirt, blauw spijkerjasje over zijn t-shirt, donkerkleurige broek, Harlingers accent en linkshandig. Een mannelijk persoon 2, met grijs haar, volle grijze baard (verzorgd), blanke huidskleur, 60 jaar oud, lengte 1.60 meter (heel kort), overhemd met een blokjes motief en sprak de Friese taal.

Persoon 1 vertelde mij dat [medeverdachte 2] geld van mij moest hebben. Hierna duwde persoon 1 mij direct aan de kant, waarop zowel persoon 1 als persoon 2 mijn woning binnen drong. In de keuken ging persoon 1 zo'n 30 cm voor mij staan. Persoon 2 zei: "Je moet doen wat hij zegt." Persoon 1 zei, terwijl hij dicht op mij stond, met verheffing van stem, : "Ik moet 1.500 euro van jou hebben!" Hij bleef dicht op mij staan en vroeg mij: "Heb jij wat van waarde?" Hierop vertelde ik persoon 1 dat ik alleen de auto had die geld waard was. Ik hoorde hem zeggen dat hij liever geld had. Ik vertelde persoon 1 dat mijn autopapieren in de auto lagen. Persoon 1 zei tegen persoon 2 dat hij in de auto moest gaan kijken. Persoon 2 liep vervolgens naar mijn auto om de autopapieren op te halen. Ik hoorde persoon 1 zeggen: "Ik moet een vrijwaringsbewijs van je auto hebben!" Hij vroeg mij vervolgens: "Heb je een kluis?" Terwijl hij dit vroeg, sloeg hij met de vlakke hand van zijn linkerhand op mijn rechterwang. Ik kreeg nog een klap. Ik heb mijn kleine kluis gepakt. Ik moest laten zien wat er allemaal in zat. Ik zag dat persoon 2 in de papieren ging zoeken. Persoon 1 zag de vrijwaring van mijn personenauto en ik moest deze vrijwaring aan persoon 2 geven. Persoon 1 vroeg mij vervolgens om het kentekenbewijs van mijn personenauto. Bij het pakken van het kentekenbewijs uit mijn portemonnee, vroeg persoon 1 hoeveel geld er in mijn portemonnee zat. Ik vertelde dat dit 45 euro betrof.

Ik zag dat persoon 1 naar buiten liep en in mijn personenauto, merk Renault, ging zitten en wegreed. Persoon 2 stapte in het andere voertuig en reed ook weg.

Ik heb een zakelijk geschil met [medeverdachte 2] . Als hij mijn boerderij zou verkopen wilde hij 1.500 euro heben. Uiteindelijk heb ik de boerderij in 2015 zelf verkocht. [medeverdachte 2] vertelde mij dat hij 700 euro wilde hebben. [medeverdachte 2] gaf mij de waarschuwing dat hij zijn mannetjes wel had, die zijn geld wel kwamen halen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 6 februari 2017, opgenomen op pagina 126 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Dader 2 zei dat het serieus was en dat ik goed moest luisteren. Ze zeiden zelf: "Dan nemen we de auto mee." Ik moest toen de sleutels pakken. Ik was in de keuken toen persoon 1 mij een keer of drie in het gezicht heeft geslagen. Persoon 1 zei dat ik het geld uit mijn portemonnee ook kwijt was. Ik heb hem toen het geld maar overgegeven en persoon 1 pakte het aan. Het kwam er op neer dat als ik mijn auto terug wilde hebben, ik mij met 1.500 euro bij [medeverdachte 2] kon melden.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Kimswerd is gelegen in de gemeente Súdwest-Fryslân.

Ten aanzien van het betoog van de raadsvrouw dat niet kan worden bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft medegepleegd overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte is op een laat tijdstip, dat op een doordeweekse avond voor de nachtrust is bestemd, samen met een andere persoon, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) naar de woning van aangever gegaan om, in opdracht van [medeverdachte 2] , een geldbedrag te innen. Verdachte is aanwezig geweest bij een bespreking vooraf in de woning van [medeverdachte 2] , tussen hem, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Hoewel verdachte vooraf wist wat de bedoeling was, is hij toch meegegaan. Ook wist verdachte dat als aangever niet vrijwillig tot betaling zou overgaan, diens personenauto zou worden meegenomen. Verdachte heeft zelf een rol gehad in de afpersing en de diefstal door [medeverdachte 1] naar de woning van aangever te rijden. Toen aangever weigerde verdachte en [medeverdachte 1] binnen te laten, heeft [medeverdachte 1] hem aan de kant geduwd en zijn zij de woning binnengedrongen. Hoewel verdachte zelf in de woning geen geweldshandelingen heeft verricht, heeft hij zich niet van het door [medeverdachte 1] gebruikte geweld gedistantieerd en heeft hij bovendien tegen aangever gezegd dat hij moest doen wat [medeverdachte 1] zei. Bovendien heeft verdachte door zijn aanwezigheid een getalsmatige overmacht gecreëerd en het handelen van [medeverdachte 1] ondersteund, waardoor hij heeft bijgedragen aan het ontstaan van de dreigende situatie die aangever ertoe heeft gebracht het geld, de autosleutels en de autopapieren af te staan en zich niet te verzetten tegen het door verdachte en [medeverdachte 1] meenemen van zijn auto. Verdachte heeft daarnaast zelf een rol gehad bij het wegnemen van de spullen uit de woning van aangever. Zo heeft hij in de personenauto van aangever gezocht naar de autopapieren, heeft hij papieren doorgekeken op zoek naar het vrijwaringsbewijs en heeft hij spullen van aangever in ontvangst genomen. Na het meenemen van de personenauto van aangever door de mededader, heeft verdachte bovendien meegeholpen bij het wegzetten van deze auto. Daartoe is verdachte in zijn eigen personenauto achter [medeverdachte 1] aan gereden en heeft hij hem, na het wegzetten van de auto, weer teruggebracht naar Schettens.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders gericht op afpersing en diefstal met geweld.

Ten aanzien van het opzet op (het medeplegen) van het geweld overweegt de rechtbank daarnaast nog dat verdachte vooraf wist dat de auto van aangever meegenomen zou worden, als er niet zou worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte ermee rekening moeten houden dat aangever niet zonder slag of stoot zijn geld en/of auto zou meegeven aan twee vreemde mannen, die bovendien tegen middernacht bij hem aan de deur kwamen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een aanmerkelijke kans was op het gebruik van geweld en dat verdachte bovendien deze kans bewust heeft aanvaard door onder de genoemde omstandigheden mee te gaan naar de woning van aangever.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft gezien dat de mededader een wapen of een voorwerp dat daarop leek bij zich had en dit aan aangever heeft getoond. Daarom zal zij verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair onder A en B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode omvattende de dagen 12 september 2016 en 13 september 2016 te Kimswerd, in de gemeente Súdwest-Fryslân, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tussen 23.30 uur en 00.30 uur in een woning gelegen aan de [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een ander,

A.

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van

- geld (45 euro) en

- de bij een personenauto van het merk Renault behorende autosleutels en

- het kentekenbewijs en het vrijwaringsbewijs behorende bij een personenauto van het merk Renault,

toebehorende aan die [slachtoffer] , en

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto van het merk Renault, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel een valse sleutel te weten autosleutels van die personenauto die kort daarvoor wederrechtelijk waren verkregen en welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welk geweld hierin bestond dat verdachte toen aldaar tezamen en in vereniging met zijn mededader,

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk is binnengedrongen door die [slachtoffer] bij de toegangsdeur tot die woning aan de kant te duwen en vervolgens de woning binnen te gaan en

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Je moet doen wat hij zegt." en "Ik moet 1.500 euro van jou hebben!" en "Heb je wat van waarde?" en "Ik moet een vrijwaringsbewijs van je auto hebben!" en "Heb je een kluis?", en

- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en

- die [slachtoffer] heeft gedwongen een kluis te openen en de inhoud van die kluis te tonen waaronder het vrijwaringsbewijs van de voornoemde personenauto.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair onder A

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen en

primair onder B

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, waarbij het weg te nemen goed onder hun bereik is gebracht door middel van valse sleutels, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair onder A en B ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van een meldplicht bij de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld. Verdachte is samen met een mededader gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd naar de woning van het slachtoffer gegaan, om in opdracht van een derde een beweerdelijke geldvordering te innen. Het slachtoffer wilde verdachte en zijn mededader niet binnenlaten, waarna zij de woning zijn binnengedrongen. De mededader heeft het slachtoffer een aantal klappen gegeven. Daarna zijn verdachte en de mededader vertrokken onder medeneming van de personenauto van het slachtoffer, de bijbehorende autopapieren en een geldbedrag.

Voor het slachtoffer moeten deze feiten een beangstigende ervaring zijn geweest, te meer omdat het in zijn woning is gebeurd. Verdachte en zijn mededader hebben door hun handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en hem financieel benadeeld. Daarbij komt dat feiten als deze zorgen voor maatschappelijke gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft aangegeven dat de situatie uit de hand is gelopen en dat hij achteraf spijt heeft dat hij is meegegaan. Verdachte heeft zich meewerkend opgesteld in de verhoren door de politie en heeft, in tegenstelling tot de andere betrokkenen zijn verantwoordelijkheid genomen.

Uit het rapport van de reclassering blijkt onder meer het volgende. Verdachte is alleenstaand en had tot voor een half jaar geleden geen regulier onderdak. Sinds de gebeurtenissen probeert verdachte, met hulp van hulpverleningsinstantie Limor, een positieve wending aan zijn leven te geven. Zo is hij onder behandeling geweest van een GGZ-instelling, is hij onder bewind gesteld en kreeg hij huisvesting in Hardegarijp. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor overmatig alcoholgebruik. Verdachtes persoonlijke eigenschappen kunnen bij tegenslagen een risico vormen voor nieuwe problemen. De reclassering adviseert de rechtbank om verdachte daarom te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarde van een meldplicht.

De rechtbank is van oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte en de mededader zijn naar de woning van het slachtoffer gegaan om een schuld te innen, waarbij verdachte had kunnen weten dat daarbij geweld zou worden gebruikt en hij is daarvoor ook strafrechtelijk verantwoordelijk. De rechtbank acht echter aannemelijk dat het niet verdachtes oorspronkelijke intentie was om daadwerkelijk geweld te gebruiken en dat de situatie uit de hand is gelopen door toedoen van de mededader. Bovendien heeft verdachte zelf geen geweld gebruikt en is het gebruikte geweld beperkt gebleven. Voorts blijkt uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister dat verdachte in het recente verleden niet is veroordeeld voor gewelds- of vermogensdelicten. Gelet op het voorgaande, het advies van de reclassering en de leeftijd van verdachte, ziet de rechtbank aanleiding voor het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw vergelijkbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde verbinden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de geleden schade. Hij vordert een bedrag van € 2.137,35 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag bestaat uit 427,35 aan reparatiekosten, € 1.300,00 aanschafkosten andere auto en € 400,00 aan reiskosten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar is, te weten tot een bedrag van € 427,35 aan reparatiekosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en dat verdachte en de medeverdachte daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft tevens gevorderd aan verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 427,35.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de vordering kan worden toegewezen tot het bedrag van € 427,35 aan reparatiekosten. De raadsvrouw heeft bepleit de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, nu de aankoop van een andere auto te ver verwijderd is van het tenlastegelegde feit om te kunnen spreken van een rechtstreeks verband en de kosten voor vervoer onvoldoende zijn onderbouwd. Aanhouding voor nadere onderbouwing van deze kosten zou volgens de raadsvrouw een onevenredige belasting zijn voor het strafproces.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van € 427,35 aan reparatiekosten heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair onder A en B bewezen verklaarde. De verdediging heeft deze schade ook niet betwist.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 1.300,00, zijnde de aanschafkosten van een vervangende auto. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de aanschafkosten niet als rechtstreekse schade als een gevolg van het bewezenverklaarde worden aangemerkt, waarbij de rechtbank overweegt dat de weggenomen auto uiteindelijk aan de benadeelde partij is teruggegeven.

De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van de aanschafkosten niet-ontvankelijk verklaren.

Voorts heeft de benadeelde partij ter zake van materiële schade een bedrag gevorderd van

€ 400,00. Dit bedrag betreft reiskosten. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het primair onder A en B bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade bestaande uit reiskosten te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade voor reiskosten alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van de reiskosten niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 427,35, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2016.

De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair onder A en B ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich, zodra hij daartoe wordt uitgenodigd, meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem door de reclassering worden gegeven, ook wanneer dit inhoudt dat hij intensieve ambulante hulpverlening moet accepteren van een door de reclassering te bepalen organisatie.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 427,35 (zegge: vierhonderdzevenentwintig euro en vijfendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 427,35 (zegge: vierhonderdzevenentwintig euro en vijfendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van acht dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte - al dan niet samen met zijn mededader(s) - aan de benadeelde partij een bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2018.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.