Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1320

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
18/930133-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is (meermalen gepleegd), tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 2 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf voor de duur van veertig uren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer, te betalen een bedrag van € 1.100,70 euro. Het is de rechtbank namelijk voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 239
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930133-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. Bosma, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Klee.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 28 november 2011 tot en met 27 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Midden-Drenthe, en/of te Annen, gemeente Aa en Hunze, en/of elders in Nederland, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was, (telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) hierin bestaande dat verdachte

- de blote buik van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- een hand op de binnenzijde van een dijbeen van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of over dat dijbeen heeft gewreven en/of

- de borsten van die [slachtoffer] heeft betast, althans aangeraakt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 28 november 2011 tot en met 27 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Midden-Drenthe, en/of te Annen, gemeente Aa en Hunze, en/of elders in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1999, (telkens) hierin bestaande dat verdachte

- de blote buik van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- een hand op de binnenzijde van een dijbeen van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of over dat dijbeen heeft gewreven en/of

- de borsten van die [slachtoffer] heeft betast, althans aangeraakt,

hebbende verdachte bovenomschreven feit(en) (telkens) begaan tegen die [slachtoffer]

bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt;

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 28 november 2011 tot en met 27 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Midden-Drenthe, en/of te Annen, gemeente Aa en Hunze, en/of elders in Nederland, (telkens) de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten een doucheruimte/badkamer in de door hem of door na te noemen [slachtoffer] bewoonde woning, terwijl een ander, te weten [slachtoffer], daarbij (telkens) haars ondanks tegenwoordig was, (telkens) door naar die [slachtoffer] te staan kijken en/of te blijven kijken terwijl zij zich naakt aan het douchen was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster worden ondersteund door de door verdachte afgelegde verklaringen, zodat deze niet op zichzelf staan. De in het dossier opgenomen, door familieleden afgelegde verklaringen, dragen in belangrijke mate bij aan de overtuiging, zodat tot een veroordeling kan worden gekomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de door aangeefster afgelegde verklaringen geen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zodat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een veroordeling te komen.

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat er sprake is van een in de tenlastelegging te ruim opgenomen pleegperiode.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De door aangeefster afgelegde verklaring, inhoudende dat verdachte haar blote buik heeft betast en zijn hand op haar dijbeen heeft gelegd en over haar dijbeen heeft gewreven vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft ter terechtzitting op nadere vragen van de rechtbank verklaard dat hij die handelingen niet heeft gepleegd, althans dat hij zich niet kan herinneren dat deze hebben plaatsgevonden. De handeling die verdachte wel heeft bekend, namelijk dat hij de borsten van aangeefster heeft betast, wordt in de aangifte niet genoemd. Dit maakt dat niet tot een veroordeling kan worden gekomen wegens gebrek aan wettig bewijs ten aanzien van de specifieke ontuchtige handelingen.

ten aanzien van feit 2

Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij in de ten laste gelegde periode meerdere keren is bekeken door verdachte terwijl zij naakt aan het douchen was in de woning van verdachte. Anders dan de verdediging stelt, vindt de aangifte van [slachtoffer] steun in een ander bewijsmiddel, namelijk de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaringen. Verdachte heeft verklaard dat hij, als aangeefster bij hem logeerde, wel eens de badkamer binnenliep op het moment dat aangeefster aan het douchen was en dat hij dan ook wel in de richting van de douche keek.

Verdachte ontkent dat hij in de badkamer is blijven staan om aangeefster doelbewust te bekijken. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat verdachte haar (telkens) gedurende enige tijd, kennelijk doelbewust, bekeek. Datzelfde geldt voor hetgeen aangeefster heeft verklaard over de periode waarin dit zich heeft afgespeeld, zodat ook wat de tenlastegelegde pleegperiode betreft een bewezenverklaring kan volgen.

Beoordeeld moet worden of de gedragingen van verdachte geschikt zijn om de algemene eerbaarheid te schenden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank is het in strijd is met de heersende sociaal-ethische normen dat een opa zijn minderjarige kleindochter naakt begluurt. Verdachte heeft overigens ook erkend dat hij met zijn gedrag een bepaalde grens heeft overschreden en dat hij zich hier ten tijde van zijn handelen bewust van is geweest. Ook heeft hij verklaard dat dit normbesef hem er niet van heeft weerhouden dit op latere tijdstippen nogmaals te doen. Dit maakt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 maart 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik, toen [slachtoffer] ongeveer 12 jaar oud was, wel eens de badkamer binnenliep op het moment dat [slachtoffer] aan het douchen was. Het klopt dat ik op die momenten wel eens in de richting van de douche keek. Ik vind dat ik door zo te handelen een bepaalde grens heb overschreden. Dit vond ik op het moment dat ik dit deed ook al. Ik had toen het besef dat ik voorzichtig moest zijn met zulke dingen, maar toch ging ik naar binnen;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 februari 2017, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016242004 d.d. 19 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Ik wil aangifte doen tegen mijn opa [verdachte]. Vanaf 2012 kwam opa steeds vaker bij mij in de douche. Ik stond dan onder de douche en was naakt. Als hij binnen kwam kon ik zijn silhouet zien als ik stond te douchen. Ik zag dat opa binnen kwam, hij deed de schuifdeuren open, stond ongeveer 10 seconden lang naar mij te kijken en daarna ging hij weer weg. Ik was toen denk ik 14 jaar oud en dit is ook in [pleegplaats] gebeurd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 28 november 2011 tot en met 27 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Midden-Drenthe, telkens de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten een badkamer in de door hem bewoonde woning, terwijl een ander, te weten [slachtoffer], daarbij telkens haars ondanks tegenwoordig was, (telkens) door naar die [slachtoffer] te staan kijken en/of te blijven kijken terwijl zij zich naakt aan het douchen was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. Schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangeefster.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om in geval van een bewezenverklaring, gelet op de gevolgen die de zaak voor verdachte heeft gehad en het ontbreken van recidivegevaar, te volstaan met een voorwaardelijke taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende de periode van 28 november 2011 tot en met 27 november 2015 meermalen schuldig gemaakt aan het bekijken van aangeefster [slachtoffer], terwijl zij zich naakt aan het douchen was. Door zo te handelen heeft verdachte niet alleen de algemene eerbaarheid geschonden, maar ook op vergaande wijze de eerbaarheid van aangeefster. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, temeer omdat de strafbare gedragingen plaatsvonden in een omgeving waar aangeefster zich veilig had behoren te voelen.

Doordat aangeefster zich ten tijde van het bewezenverklaarde in een kwetsbare leeftijdsfase bevond, moet de mate van impact niet worden onderschat. Het handelen van verdachte heeft dan ook psychische gevolgen gehad voor aangeefster waar zij tot de dag van vandaag hinder van ondervindt. Dit blijkt onder meer uit een door aangeefster opgestelde verklaring die door haar moeder ter terechtzitting is voorgedragen.

Bij het bepalen van de (hoogte van) de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een door de reclassering opgesteld rapport van 11 december 2017. De reclassering schat het recidiverisico in als matig en adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke straf.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 februari 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank acht de oplegging van een werkstraf voor de duur van 40 uren, gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit, passend en geboden. Daarnaast zal zij verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan soortgelijke feiten. Aan deze voorwaardelijke straf wordt een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde gekoppeld. De straf is aanzienlijk lager dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank verdachte van het onder 1 tenlastegelegde zal vrijspreken.

Benadeelde partij

ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,70 ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering integraal voor toewijzing vatbaar is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze niet door haar is ondertekend en er geen ondertekende machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat de benadeelde partij een ander machtigt om haar te vertegenwoordigen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat hetgeen wordt gevorderd buitenproportioneel is.

Oordeel van de rechtbank

De ingediende vordering is niet ondertekend door de benadeelde partij [slachtoffer] en tevens ontbreekt er een ondertekende machtiging waaruit blijkt dat zij [naam], medewerker van Slachtofferhulp Nederland, machtigt om haar te vertegenwoordigen in het strafproces. Dit maakt dat het voor de rechtbank niet voldoende aannemelijk is dat de vordering door of namens aangeefster [slachtoffer] is ingediend. De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewoordingen en geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Niet is betwist dat aangeefster ter verwerking van het bewezenverklaarde ‘gestalttherapie’ heeft moeten volgen, zodat de hiervoor gemaakte kosten ten bedrage van € 500,70, door verdachte vergoed dienen te worden.

Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 600,00.

Nu verdachte naar burgerlijk recht jegens aangeefster aansprakelijk is voor de schade die door het hem gepleegde feit is toegebracht, legt de rechtbank aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.100,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2015.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 2 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.100,70 (zegge: duizendhonderd euro en zeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 500,70 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. M.C. van Woudenberg, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2018.

Buiten staat:

mr. C. Brouwer, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.