Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1312

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
LEE 17/891
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na bestuurlijke lus. Gebrek betreffende parkeerbehoefte hersteld door nieuwe voorwaarde te verbinden aan de omgevingsvergunningen. Buurtbewoners die tegen het nieuwe besluit beroep hebben ingesteld, worden niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/891

LEE 18/441, LEE 18/442, LEE 18/443, LEE 18/444, LEE 18/445, LEE 18/446, LEE 18/447, LEE 18/448, LEE 18/449, LEE 18/450, LEE 18/451, LEE 18/452, LEE 18/453, LEE 18/454, LEE 18/455, LEE 18/456, LEE 18/458, LEE 18/459, LEE 18/460, LEE 18/461 en LEE 1/464

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak LEE 17/891 tussen

[eiser] , te Groningen, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Simonides).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V. (gemachtigde: mr. R. Snel).

alsmede uitspraak in de zaken LEE 18/441, LEE 18/442, LEE 18/443, LEE 18/444, LEE 18/445, LEE 18/446, LEE 18/447, LEE 18/448, LEE 18/449, LEE 18/450, LEE 18/451, LEE 18/452, LEE 18/453, LEE 18/454, LEE 18/455, LEE 18/456, LEE 18/458, LEE 18/459, LEE 18/460, LEE 18/461 en LEE 18/464 tussen

[eisers]

allen te Groningen, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Simonides).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V. (gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan derde-partij (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met 34 koopappartementen aan de Piet Fransenlaan te Groningen, kadastraal aangeduid als sectie AA, perc.nr. 13299, 13300, 13302 en 13303.

Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met 34 huurappartementen aan de Piet Fransenlaan te Groningen, kadastraal aangeduid als sectie AA, perc.nr. 13299, 13300, 13302 en 13303.

Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (zaaknummer LEE 17/891) ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, door P. Corzaan en door H.K. de Jonge. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door J.T. van der Beek.

Bij tussenuitspraak van 2 november 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit een gebrek kent. De rechtbank heeft verweerder opgedragen mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij brief van 13 november 2018 heeft verweerder medegedeeld gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

Naar verweerder bij brief van 20 december 2017 aan de rechtbank heeft bericht, heeft verweerder bij besluit van 19 december 2017 opnieuw op het bezwaar van eiser beslist (bestreden besluit II) en de primaire besluiten gewijzigd.

Bij brief van 17 januari 2018 heeft vergunninghouder haar zienswijze gegeven.

Bij brief met dagtekening 22 januari 2018 heeft eiser zijn zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Bij brieven van 31 januari 2018 en 8 februari 2018 heeft verweerder bij hem ingediende bezwaarschriften, gericht tegen het bestreden besluit II, naar de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschriften. Deze beroepschriften zijn geregistreerd met de zaaknummers LEE 18/441 t/m LEE 18/456, LEE 18/458 t/m LEE 18/461 en LEE 18/464.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep geregistreerd onder het nummer LEE 17/891

1.1.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgrond van eiser dat de aanvraag aangehouden had moeten worden op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), faalt.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat de beroepsgrond van eiser dat niet voldaan wordt aan de parkeernormen en dat de binnenplanse afwijking niet voldoet aan de daarvoor geldende normen, slaagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan artikel 4.1 van het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” (bestemmingsplan) dat bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Verweerder heeft daarom toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid die gegeven is in artikel 4.2 van de planregels. Het betreffende perceel waarop de 18 ontbrekende parkeerplaatsen voorzien zijn, is niet in eigendom van vergunninghouder maar van woningcorporatie Nijestee.

1.3.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat bij besluiten als de onderhavige, waarbij gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.2 van de planregels, er voldoende zekerheid dient te zijn dat de voorziene parkeerplaatsen een structureel karakter hebben. Over de onderhavige situatie heeft de rechtbank vervolgens overwogen: “De schets die bij de stukken is gevoegd is onvoldoende concreet en te globaal. Daarbij komt dat het beoogde parkeerterrein de bestemming “Wonen” heeft. In het geval de eigenaar van het terrein een aanvraag indient om een omgevingsvergunning voor een project bestaande uit het bouwen van een woongebouw, heeft het college, indien de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan, in zoverre geen grond overeenkomstig deze aanvraag vergunning te weigeren. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen om zodanige voorwaarden aan de vergunning te verbinden dat gewaarborgd is dat de voorziene parkeerplaatsen een structureel karakter hebben. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij niet van zijn bevoegdheid zoals gegeven in artikel 4.2 van het bestemmingsplan gebruik mogen maken”.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit II het bezwaar deels gegrond verklaard, te weten voor zover bij de primaire besluiten I en II in afwijking van het bestemmingsplan vergunning is verleend voor de activiteit strijdig gebruik, en daarmee, zo begrijpt de rechtbank, het bestreden besluit I in zoverre herroepen. Verweerder heeft in het bestreden besluit II medegedeeld te hebben besloten de vergunningen die voor beide woongebouwen

zijn verleend, te wijzigen door daaraan een voorschrift te verbinden om te waarborgen dat de parkeerplaatsen die ten behoeve van deze woongebouwen moeten worden aangelegd een structureel karakter zullen hebben. Het primaire besluit I is als volgt gewijzigd:

“Aanvullend wordt aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat de 12

parkeerplaatsen die aldus worden aangelegd buiten het onbebouwde terrein dat hoort

bij het woongebouw, niet zullen mogen worden opgeheven zonder dat ten behoeve van

het woongebouw gelijktijdig en in overeenstemming met de geldende parkeernormen

elders in het plangebied van het bouwinitiatief ‘De Velden’, in (vervangende)

parkeergelegenheid is voorzien”.

Het primaire besluit II is op gelijke wijze gewijzigd, zij het dat daarin wordt gesproken van 6 parkeerplaatsen in plaats van 12 parkeerplaatsen. Het betreft dus in totaal 18 parkeerplaatsen.

3. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II, nu eiser daarbij voldoende belang heeft.

4. Vergunninghouder heeft in haar zienswijze te kennen gegeven zich geheel in bovengenoemde wijzigingen te kunnen vinden.

5. Eiser heeft in zijn zienswijze het standpunt ingenomen dat de aanpassing onvoldoende is. Eiser heeft naar voren gebracht dat de wijk De Velden aanvankelijk één plangebied was waarvoor een samenhangend stedenbouwkundig plan is ontwikkeld. Als gevolg van de economische crisis kwamen bouwactiviteiten echter stil te liggen, waarna per volgend deelproject is gekeken naar voldoende parkeerplekken. Inmiddels is de openbare ruimte, zo betoogt eiser, in het plangebied reeds ingericht.

Eiser merkt op dat de aanvullende voorwaarden de mogelijkheid openlaten dat de 18 parkeerplaatsen worden opgeheven en elders in het plangebied gerealiseerd worden. Onduidelijk is echter waar dat zou moeten plaatsvinden omdat het plangebied reeds geheel is ingericht. Dit betekent, betoogt eiser, dat de 18 parkeerplaatsen nog steeds niet structureel van aard zijn maar tijdelijk. Als een andere (structurele) oplossing op termijn wel mogelijk zou zijn, dan kan en moet die in de vergunningen worden opgenomen. Een alternatief is dat geëist wordt dat de 18 parkeerplaatsen op de locatie van Nijestee gehandhaafd moeten blijven.

6.1.

De rechtbank overweegt dat de aanvullende voorwaarden inhouden dat de 18 parkeerplaatsen op het terrein van Nijestee niet opgeheven mogen worden zonder dat elders in De Velden in vervangende parkeerplaatsen wordt voorzien. De stelling van eiser dat elders in De Velden hiertoe geen mogelijkheid bestaat, doet geen afbreuk aan de validiteit van de voorwaarde. Mocht eisers stelling juist zijn, dan is opheffing van de 18 parkeerplaatsen immers niet mogelijk. Een aanvulling van de aanvullende voorwaarden met het door eiser geopperde alternatief is daarom (ook) niet noodzakelijk.

6.2.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder het gebrek in het bestreden besluit I, zoals vastgesteld in de tussenuitspraak, in het bestreden besluit II heeft hersteld.

7. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit I.

8. Gelet op de overwegingen in deze uitspraak en op die in de tussenuitspraak is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond.

9. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Ten aanzien van de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 18/441, LEE 18/442,

LEE 18/443, LEE 18/444, LEE 18/445, LEE 18/446, LEE 18/447, LEE 18/448, LEE

18/449, LEE 18/450, LEE 18/451, LEE 18/452, LEE 18/453, LEE 18/454, LEE 18/455, LEE

18/456, LEE 18/458, LEE 18/459, LEE 18/460, LEE 18/461 en LEE 18/464

10. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

11. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

12.1.

Eiser [eiser] (LEE 17/891) heeft in de bezwaarprocedure een lijst overgelegd met namen van buurtbewoners die zijn bezwaar tegen de primaire besluiten ondersteunden. Op de lijst staan onder meer vermeld eisers [eisers] . In het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar voor zover ingediend door deze personen niet-ontvankelijk verklaard omdat de namenlijst na afloop van de bezwaartermijn aan verweerder is toegezonden. De betrokken personen hebben tegen dit besluit op bezwaar geen beroep ingesteld.

12.2.

De overige eisers hebben tegen de primaire besluiten geen bezwaar ingesteld.

13.1.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 6:13 van de Awb volgt dat de beroepen van eisers alleen ontvankelijk zijn als eisers door het bestreden besluit II in een nadeliger positie zijn komen te verkeren dan waarin zij zich bevonden nadat het oorspronkelijke besluit (het bestreden besluit I) was genomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 2 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:51.

13.2.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II slechts in zoverre verschilt van het bestreden besluit I dat aanvullende voorwaarden betreffende de 18 parkeerplaatsen zijn opgenomen (zie onder 2.). De strekking van het relevante onderdeel van het bestreden besluit I, te weten dat 18 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het terrein van Nijestee om te voldoen aan de parkeernormen, is echter onveranderd gebleven in het bestreden besluit II. Door het nemen van het bestreden besluit II zijn eisers daarom niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Evenmin bestaat anderszins grond voor het oordeel dat het niet indienen van beroep tegen het bestreden besluit I hen redelijkerwijs niet kan worden verweten.

14. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Ten aanzien van het beroep geregistreerd onder het nummer LEE 17/891

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden.

Ten aanzien van de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 18/441, LEE 18/442,

LEE 18/443, LEE 18/444, LEE 18/445, LEE 18/446, LEE 18/447, LEE 18/448, LEE 18/449,

LEE 18/450, LEE 18/451, LEE 18/452, LEE 18/453, LEE 18/454, LEE 18/455, LEE 18/456,

LEE 18/458, LEE 18/459, LEE 18/460, LEE 18/461 en LEE 18/464

De rechtbank:

- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. T.F. Bruinenberg en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.