Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1307

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
18/930002-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeeld verdachte voor het stelen van telefoons en aanhangwagens tot een gevangenisstraf van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wegenverkeerswet 1994 176
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930002-18

ter berechting gevoegde parketnummers 18.061624-17; 18.084613-17; 18.206135-16;

18.075113-16; 18.082378-17; 18.210501-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 februari 2018 en 22 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Feenstra, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

De rechtbank heeft ter bevordering van de leesbaarheid bij de bespreking van de feiten, de onder de verschillende parketnummers aangebrachte feiten doorlopend genummerd.

De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

park.nr. 18.930002-18

1. verdachte op of omstreeks 09 december 2017 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand aan/nabij de Borgstee heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die mededader(s);

2.

verdachte op of omstreeks 09 december 2017 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand aan/nabij de Borgstee heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die mededader(s);

3.

verdachte op of omstreeks 26 juli 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand aan/nabij de Hoofdstraat heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die mededader(s);

4.

verdachte op of omstreeks 27 juli 2017 te Borger, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand aan/nabij de Hoofdstraat heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 01 december 2016 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schuur bij een woning aan/nabij de Beukencamp heeft weggenomen een of meer elektrische fietsen (Sparta en/of Kalkhoff), een boormachine en/of een heggenschaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 6 oktober 2017 te Hoogeveen, een goed te weten een elektrische fiets (merk Sparta) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

park.nr. 18.061624-17

6.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Groningen (bij de Hornbach) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

7.

hij op of omstreeks 1 april 2017 te Groningen (bij de Praxis) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

park.nr. 18.084613-17

8.

hij op of omstreeks 1 april 2017 te Groningen (bij de Hornbach) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

9.

hij op of omstreeks 1 april 2017 te of nabij Pesse, gemeente Hoogeveen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A28, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 april 2017 te of nabij Pesse, gemeente Hoogeveen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

park.nr. 18.206135-16

10.

hij op of omstreeks 18 september 2015, te of bij Warfhuizen, (althans) in de gemeente De Marne, in elk geval in het arrondissement Noord Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een aanhangwagen (merk Wieringa) heeft verworven, voorhanden gehad en/ of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 september 2015, te of bij Warfhuizen, (althans) in de gemeente De Marne, in elk geval in het arrondissement Noord Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een aanhangwagen (merk Wieringa) heeft verworven, voorhanden gehad en/ of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 september 2015, te Groningen, (althans) in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen (merk Wieringa), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededaders;

park.nr. 18.075113-16

11.

hij op of omstreeks 28 augustus 2015, te Hoogeveen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (met kenteken [nummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

park.nr. 18.082378-17

12.

hij meermalen, althans eenmaal op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode 17 december 2016 tot en met 29 januari 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie telefoons (merk Aastra), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] / [slachtoffer 12] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededaders;

13.

hij meermalen, althans eenmaal op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode 17 december 2016 tot en met 29 januari 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen beltegoed ten bedrage van in totaal € 517,08, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] / [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededaders;

park.nr. 18.210501-15

14.
hij op of omstreeks 4 oktober 2015 te Middelstum, gemeente Loppersum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen met kenteken [nummer] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13] , in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

15.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 3 oktober 2015 te Middelstum, gemeente Loppersum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen (enkele as, met een blauwe huif), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 14] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van de op de terechtzitting opgegeven bewijsconstructie, geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7, 8, 9 primair, 10 primair, 11, 12, 13 en 14 ten laste gelegde kan worden bewezen. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten waarbij steeds telefoons werden weggenomen en waarmee vervolgens werd gebeld, verwezen naar de modus operandi. Dat leidt er toe dat die feiten ook steeds zijn gepleegd met medeverdachte [medeverdachte 1] .

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de feiten 5 primair en 15.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3, 4, 5, 10, 14 en 15 ten laste gelegde nu het wettige bewijs daartoe ontbreekt dan wel de lezing van verdachte dient te worden gevolgd. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de raadsvrouw aangegeven dat verdachte die feiten alleen heeft gepleegd.

De raadsvrouw acht de overige feiten bewijsbaar.

Oordeel van de rechtbank

De feiten waarvan de rechtbank verdachte zal vrijspreken.

De rechtbank acht, met betrekking tot feit 5 primair, niet bewezen dat verdachte bij de inbraak op 1 december 2016 betrokken is geweest. Het dossier biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde evenmin bewezen nu niet kan worden bewezen dat verdachte op het moment van de verkrijging van de fiets wetenschap had of redelijkerwijs moest vermoeden, dat de fiets van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht, met betrekking tot feit 10, het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zijn broer de bewuste aanhangwagen zojuist, op 18 september 2015, op Marktplaats heeft gekocht, niet geloofwaardig. De tijd tussen het plaatsen van de aanhangwagen nabij de Rijksweg door aangever (op 18 september 2015 rond 10.00 uur) en het moment dat verdachte en zijn broer met de gestolen aanhangwagen werden staande gehouden (dezelfde dag rond 12.00 uur) is daarvoor simpelweg te kort. Daar komt bij dat de broer van verdachte, door de politie geconfronteerd met de verklaring van verdachte dat hij (de broer) de aanhangwagen die dag tussen 11.00 uur en 13.00 uur op Markplaats had gekocht, bij de politie heeft verklaard dat dat niet waar is, en dat verdachte hem (de broer) die ochtend om ongeveer 11.00 uur of 11.30 uur heeft opgehaald van het bungalowpark in Rheezerveen (de verblijfsplaats van de broer), terwijl verdachte toen reed in een auto met daarachter de bewuste aanhangwagen. De rechtbank constateert dat ook deze verklaring niet kan kloppen gezien de tijdsspannen waarbinnen een en ander zou moeten hebben plaatsgevonden. De verklaringen van verdachte en zijn broer [getuige 1] acht de rechtbank derhalve niet geloofwaardig. Gelet op de tijdsspanne tussen het stallen van de aanhangwagen aan de weg en het aantreffen van de aanhangwagen achter de wagen van verdachte ten tijde van de staande houding door de politie, komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn broer de aanhangwagen hebben weggenomen. Verdachte zal derhalve van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 15 ten laste gelegde heeft begaan.

De feiten welke de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de feiten 1 tot en met 4 tezamen en vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] hebben tegenover de politie uitgebreid verklaard over de gang van zaken bij de diefstal van de telefoons bij de verschillende winkeliers. Verdachte en [medeverdachte 1] gingen daartoe telkens gezamenlijk op pad. Zij gingen samen de betreffende winkel binnen om te kijken of er een draadloze huistelefoon binnen handbereik lag en zo ja, om die dan weg te nemen. Verdachte [verdachte] heeft daarbij aangegeven dat hij vaak in de gaten werd gehouden vanwege zijn opvallende voorkomen (groot van postuur en zichtbare tattoos). Om die reden ging hij veelal vóór [medeverdachte 1] staan om [medeverdachte 1] uit het zicht van het personeel te houden zodat zij de telefoon kon wegnemen waarna [verdachte] de telefoon overnam van [medeverdachte 1] . Vervolgens werd er met de weggenomen telefoon in de nabijheid van de winkel gebeld met 0900 nummers om gelden te kunnen genereren. Daarbij was het van belang dat de lijn open bleef. De telefoon werd daartoe in de omgeving van de winkel verstopt.

Gelet op deze voor de feiten typerende modus operandi is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

De feiten die verdachte heeft erkend.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 6, 7, 8, 9 primair, 11, 12 en 13 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2017, opgenomen op pagina 94 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017087105 d.d. 6 april 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2017, opgenomen op pagina 68 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] .

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2017, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [slachtoffer 8] .

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 (met bijlagen), opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2015253033 d.d. 13 april 2016, inhoudende de verklaring van [naam 1] , namens [slachtoffer 10] .

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 december 2016, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2016363443 d.d. 10 mei 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 12] , namens [woonzorgcentrum] te Hoogeveen.

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 22 maart 2017, opgenomen op pagina 18 e.v. van het onder 7 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 12] , namens [woonzorgcentrum] te Hoogeveen.

De overige ten laste gelegde feiten

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 10 meer subsidiair en 14 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandig-heden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feiten 1 en 2

9. De door verdachte op de terechtzitting van 22 maart 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 9 december 2017 heb ik in Assen bij [slachtoffer 1] en bij [slachtoffer 2] telkens een telefoon weggenomen. [medeverdachte 1] was bij mij.

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 december 2017, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2018003296 d.d. 4 januari 2018, inhoudende de verklaring van [medewerker 2] , namens [slachtoffer 1] te Assen.

Ik ben verkoopmedewerker bij [slachtoffer 1] , gevestigd aan de [straatnaam] te Assen.

Op 9 december 2017 kwamen er een man en een vrouw de zaak binnen lopen.

Ze liepen een klein rondje door de zaak en liepen vervolgens naar de balie. Daar vroegen ze om een folder. Die gaf de collega mee en vervolgens liepen de twee de zaak weer uit.

Ik stond vlak bij de balie en zag dat de draadloze telefoon van de balie weg was. Ik vroeg aan mijn collega waar de telefoon was. Ik hoorde haar zeggen dat ze dat niet wist maar dat die er nog wel was voordat de man en vrouw de zaak binnen waren gekomen.

Op het moment dat de politie bij ons in de zaak stond, kwam er een medewerker van [slachtoffer 2] de zaak binnen gelopen. Ik hoorde hem zeggen dat er bij hen ook een telefoon was weggenomen. Hij gaf hetzelfde signalement door als die bij ons waren geweest.

11. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 december 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van het onder 10 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 3] , namens [slachtoffer 2] te Assen.

Op zaterdag 9 december 2017 kwamen er 2 mensen de zaak in.

Het ging om een man en vrouw. Het was een opvallende verschijning want de man was groot en had tattoos in nek en hals. Zij zijn even in de winkel geweest.

Op een gegeven moment hebben zij de winkel verlaten. Even later kwam ik erachter dat een

draadloze telefoon van achter de balie was gestolen.

12. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 3 januari 2018, opgenomen op pagina 74 e.v. van het onder 10 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] .

Ik weet wel dat we daar heen gingen om dit doel, om vaste telefoons te zoeken en mee te bellen.

Feit 3.

13. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 augustus 2017, opgenomen op pagina 189 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2017270446 d.d. 12 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [medewerker 4] , namens [slachtoffer 3] , [straatnaam] , Hoogeveen.

Op woensdag 26 juli 2017 omstreeks 09:00 uur kwam ik in de winkel, de [slachtoffer 3] , om

te gaan werken. Ik zag een telefoon op de balie van de winkel knipperen. Dat is een van de twee telefoons die wij in de winkel hebben.

Ik pakte de telefoon en ik wilde de andere telefoon bellen omdat ik deze niet kon vinden. Ik

hoorde in de telefoon dat de lijn bezet was. Ik kon de andere telefoon niet vinden of horen. Ik heb toen de stekker uit het stopcontact gehaald waarna de lijn niet meer bezet was. Ik heb samen met andere collega' s gezocht naar de tweede telefoon maar wij konden deze niet meer vinden. De rest van de week werkten wij met een (1) telefoon in plaats van twee.

14. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 augustus 2017, opgenomen op pagina 193 e.v. van het onder 13 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] .

Gisteren, zondag 30 juli 2017, ongeveer 20:00 uur was ik in mijn woning aan de Hoofdstraat te Hoogeveen. Ik zag dat een vrouw een voorwerp in een in de Hoofdstraat tegenover [slachtoffer 3] staand boompje stak.

Iets later toen de vrouw weg was, ging ik naar betreffend boompje. Ik voelde en zag dat er één (1) voorwerp in dat boompje lag, te weten een draadloze huistelefoon.

Ik keek op het display van dit apparaat en zag dat het laatst gekozen nummer al meer dan 3 minuten gaande was.

Ik verbrak de verbinding en keek vervolgens in het geheugen van dit apparaat en zag dat de laatstgenoemde nummers allemaal 0900-koopnummers waren.

Ik nam de draadloze telefoon mee.

Vandaag ging mijn vrouw naar de [slachtoffer 3] , gevestigd [straatnaam] te Hoogeveen. Toen bleek dat de telefoon van de [slachtoffer 3] was.

Vandaag om ongeveer 19:51 uur was ik in mijn woning.

Ik zag het volgende:

- dat een man en vrouw bij het betreffende boompje kwamen.

- dat het dezelfde vrouw was als die gisteren de huistelefoon in de boom neer had gelegd.

- dat de vrouw op precies dezelfde plaats in het boompje keek en voelde.

- dat, kennelijk nadat vastgesteld was dat er niets meer in het boompje verstopt lag, de man en vrouw vertrokken.

Ik ging naar beneden en volgde het stel. Ik zag het volgende :

- dat de man en vrouw op het Stoekeplein instapten in een grijze Renault Megane

cabriolet met kenteken [nummer] .

- dat de vrouw plaatsnam achter het stuur.

15. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2017, opgenomen op pagina 141 e.v. van het onder 13 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Op dit moment heb ik een Alfa Romeo, kleur zwart op naam staan. Ik maak er gebruik van. Ik heb deze auto 2 weken in mijn bezit. Hiervoor had ik een Renault Megane cabrio, kleur grijs. Die heb ik 2 weken geleden weggedaan.

16. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 11 oktober 2017, opgenomen op pagina 209 e.v. van het onder 13 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] .

De telefoon van [slachtoffer 3] te Hoogeveen heb ik weggenomen. Ik was daar met [verdachte] .

Wij gingen bellen naar 0900 nummers. Dat hebben wij een aantal malen gedaan.

We zijn eerst achter de winkel gaan staan maar daar hadden we niet genoeg bereik.

Daarna zijn we voor de winkel gaan staan. Daar deed de telefoon het wel.

We hadden de telefoon verstopt en de telefoon aan laten staan. We hebben de telefoon in

de boom voor de winkel verstopt.

Feit 4.

16. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 augustus 2017, opgenomen op pagina 338 e.v. van het onder 13 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 5] , namens [slachtoffer 4] aan de Hoofdstraat te Borger.

Op donderdag 27 juli 2017 was ik in de zaak aanwezig en rond 13.00 uur werd ik gebeld

door een kennis die me vroeg waarom we steeds in gesprek waren. Ik ben toen op zoek

gegaan naar onze telefoon. We hadden een draadloze telefoon die op een basisstation

wordt opgeladen. Bij het zoeken bleek me dat de telefoon was verdwenen.

Achteraf ben ik er achter gekomen dat er met onze telefoon naar dure 0900 nummers was

gebeld.

Ik loop op een gegeven moment naar buiten om een aantal ballen op te pompen. Ik zag toen dat in de steeg rechts van onze winkel een vrouw liep. Ik zag dat ze een telefoon aan het oor hield en wat heen en weer liep.

Ik hoorde van de buren van de overkant dat de vrouw die ik had gezien later in een auto was gestapt welke op de parkeerplaats achter onze zaak had gestaan. In deze auto zat mogelijk een manspersoon. Het enige wat men van de auto wist te zeggen dat het mogelijk een cabrio

was.

Ik heb de beelden nog nagekeken en zag toen dat de vrouw ook bij ons in de zaak was geweest. Op de beelden is de vrouw te zien. Op dat moment is zij in gezelschap van een man.

17. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2017, opgenomen op pagina 352 e.v. van het onder 13 genoemde dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] .

Naar aanleiding van de diefstal van een telefoon, bij de [slachtoffer 4] te Borger heb ik de beelden bekeken van de beveiligingscamera van betreffende [slachtoffer 4] .

Op de beelden zijn een man en een vrouw zichtbaar, die ik herken als de mij bekende [medeverdachte 1] en [verdachte] (roepnaam [verdachte] ), beiden wonende te Hoogeveen.

Feit 10

18. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2015, opgenomen op pagina 73 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2015381908 d.d. 29 december 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9] .

Ik doe aangifte van diefstal van mijn 1-assige aanhangwagen. Deze werd vrijdagmorgen

18 september 2015 tussen 09.00 uur en 11.00 uur weggenomen van de oprijlaan naar mijn boerderij aan de [straatnaam] in Groningen.

Ik had die morgen mijn vuilniscontainers bij de weg gezet en gebruik daarvoor mijn aanhangwagen.

Ik schat dat ik de aanhangwagen omstreeks 10.00 uur die morgen daar heb gestald.

Onze oprijlaan komt uit op de provinciale weg N361, Groningen-Winsum.

De aanhanger werd aan mij geleverd door de firma Wieringa.

De aanhanger heeft geen framenummer en geen eigen kenteken. Het metalen frame is aan de opstaande zijkanten voorzien van groengekleurd plaatmateriaal. (…) Sinds een paar dagen is door mij een nieuwe 7-polige stekker op de stroomdraden van de aanhanger gemonteerd. Verder heb ik zelf een reservewiel bevestigd aan de voorzijde van de aanhangwagen. Deze is bevestigd, aan de voorzijde van de aanhangwagen, met een stuk draadeind, een metalen dwarsstrip en een vleugelmoer. De band van het reservewiel is nieuw.

Ik begrijp dat de politie op vrijdag 18 september 2015 vermoedelijk mijn aanhangwagen heeft aangetroffen. Inmiddels is de aangetroffen aanhangwagen door de politie aan mij getoond. Ik herken deze aanhangwagen als mijn eigendom.

19. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 september 2015, opgenomen op pagina 44 e.v. van het onder 18 genoemde dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

Op 18 september 2015 omstreeks 12.05 uur was verbalisant [verbalisant 4] bij aangever [slachtoffer 15] in

de woning om een handtekening te halen voor een gedane aangifte betreffende diefstal

rubberboot met aanhanger.

Op het moment dat verbalisant [verbalisant 4] in de woning was werd [getuige 3] gebeld door haar man,

aangever [slachtoffer 15] . [slachtoffer 15] reed op dat moment achter een witte Citroen Berlingo met

daarachter een aanhanger voorzien van het kenteken [nummer] .

Wij verbalisanten reden Warfhuizen in en zagen de Citroen Berlingo met aanhanger

voorzien van het kenteken [nummer] aan de rechterzijde van de Baron van Asbeckweg te

Warfhuizen staan.

Wij zagen dat er een lange blanke man met pet op zijn hoofd aan de bestuurderszijde uit de Citroen stapte. Hierop zijn wij verbalisanten uit ons dienstvoertuig gestapt en hebben de bestuurder gevraagd naar zijn rijbewijs en autopapieren. De bestuurder gaf aan dat hij geen rijbewijs bij zich had. De bestuurder vertelde dat de Citroen van zijn buurvrouw was en dat hij geen autopapieren bij zich had. Aan de passagierszijde stapte nog een manspersoon uit. Aan deze man heb ik, verbalisant [verbalisant 5] , de vraag gesteld of hij legitimatie bij zich had. De man overhandigde mij een Nederlandse identiteitskaart. De man bleek te zijn:

[verdachte] .

De bestuurder gaf op te zijn: [naam 2] .

[verdachte] vertelde aan ons, verbalisanten, dat [naam 2] aan hem had gevraagd om

vandaag mee te gaan.

Onderweg naar het politiebureau te Zuidhorn gaf verdachte [naam 2] aan een valse naam

te hebben opgeven aan ons, verbalisanten. Op het politiebureau te Zuidhorn vertelde verdachte [naam 2] dat zijn echte naam [verdachte] betrof.

20. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van relaas d.d. 29 december 2015, opgenomen op pagina 4 e.v. van het onder 18 genoemde dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] .

Op maandag 21 september 2015 werd het motorvoertuig [nummer] aan de verdachten teruggegeven. De gekoppelde aanhangwagen werd niet teruggegeven aangezien de eigendom/herkomst op dat moment niet door de verdachten kon worden aangetoond.

Dezelfde dag, maandag 21 september 2015, bleek de hiervoor genoemde aanhangwagen

gestolen te zijn.

Aan de hand van bepaalde kenmerken kon vastgesteld worden dat de aangetroffen aanhangwagen eigendom van aangever [slachtoffer 9] was.

Feit 14

21. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 5 oktober 2015, opgenomen op pagina 51 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2015313688 d.d. 9 december 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 13] , mede namens [bedrijf]

Op zondag 4 oktober 2015 stond mijn aanhangwagen, merk Saris, voorzien van het kenteken [nummer] op het afgesloten terrein van mijn bouwbedrijf aan de [straatnaam] te Middelstum in de gemeente Loppersum.

Omstreeks 22.10 uur werd ik gebeld door [getuige 4] en [getuige 5] . Zij wonen aan de Trekweg te Middelstum. Zij vertelden dat zij hadden gezien dat mijn aanhangwagen achter een witte Berlingo was gekoppeld en bij hen voor het huis langs reed. Zij vroegen zich af of dat wel goed kwam.

Ik ben onmiddellijk naar mijn bedrijf gegaan en zag dat mijn aanhangwagen inderdaad gestolen was. Ik zag dat het hek van het bedrijfsterrein openstond. Het hek was naar binnen gedraaid terwijl wij dat altijd naar buiten draaien.

22. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 6 oktober 2015, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 6] .

Op zondagavond 4 oktober 2015 zat ik samen met twee zonen [getuige 5] en [getuige 4] thuis op de bank.

Via facebook had ik al begrepen dat er afgelopen vrijdag op zaterdagnacht een aanhangwagen was gestolen uit Middelstum. Er werd in dit bericht gesproken over witte Citroen Berlingo waarvan het kenteken een [nummer] bevat en waarbij een man van 20 à 30 jaar was gezien.

Tussen omstreeks 21:45 en 22:10 uur hoorden mijn zonen en ik een auto met veel lawaai door de straat rijden, de auto bromde vreselijk.

We keken alle drie door het raam en wij zagen een witte Citroen Berlingo door de straat rijden. Het kenteken is als volgt: [nummer] ?.

Ik en mijn zonen zagen de auto tot drie keer toe voorbij rijden zonder aanhangwagen.

De eerste keer reed hij vanaf de Trekweg de Johan Lewestraat in. De tweede keer reed hij weer vanaf de Trekweg de Johan Lewestraat in. De derde keer reed de auto vanaf de Oudeschoolsterweg de Johan Lewestraat in en reed via de Trekweg naar de Barthold Entensweg.

Ik hoorde mijn jongste zoon zeggen dat de witte Berlingo een kar achter de auto had en hij zei dat deze kar van [slachtoffer 13] was. Ik zag dat de Berlingo vanaf de Trekweg de Johan Lewestraat in reed. Ik zag dat de verlichting van de aanhangwagen uit was. Ik zag dat het rechter achterlicht van de Berlingo kapot was.

23. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 oktober 2015, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte] .

Ik nam de auto van mijn vriendin mee. Hieraan zit een trekhaak. We hebben de aanhanger aangekoppeld en zijn vertrokken. De aanhanger stond gewoon los achter het hek. Deze hebben we aangekoppeld en zijn weggereden. Het hek kon gewoon opengedaan worden.

24. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 oktober 2015, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] .

[verdachte] vroeg mij of ik mee wilde rijden naar een plaatsje bij Bedum in de buurt. [verdachte] reed daar naartoe. Ik reed terug. [verdachte] gaf aan dat we daarheen moesten om een kar op te halen.

Ik wist niet waar we moesten zijn. Dit wist [verdachte] wel. Hij is daar bekend. Hij reed er gewoon naar toe.

Het hek was wel dicht maar niet afgesloten door middel van een slot. Ik heb het hek open geduwd om bij de aanhanger te komen.

Ik heb de aanhanger aan de auto gekoppeld. We zijn vervolgens weggereden. [verdachte] reed in de eerste instantie. We zijn vervolgens gaan stoppen om de verlichting te controleren.

Na controle van de verlichting vroeg [verdachte] of ik verder wilde rijden. Ik ben vervolgens doorgereden tot Hoogeveen. Hier werden we door de politie aan de kant gezet. Dit was omstreeks 22:30 uur.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 primair, 10 meer subsidiair, 11, 12, 13 en 14 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

park.nr. 18.930002-18

1. verdachte op 09 december 2017 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand aan de Borgstee heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

2.

verdachte op 09 december 2017 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand aan de Borgstee heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3.

verdachte omstreeks 26 juli 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand aan de Hoofdstraat heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

4.

verdachte op 27 juli 2017 te Borger, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand aan de Hoofdstraat heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 4] ;

park.nr. 18.061624-17

6.

hij op 11 maart 2017 te Groningen bij de Hornbach met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, toebehorende aan [slachtoffer 6] ;

7.

hij op 1 april 2017 te Groningen bij de Praxis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, toebehorende aan [slachtoffer 7] ;

park.nr. 18.084613-17

8.

hij op 1 april 2017 te Groningen bij de Hornbach met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, toebehorende aan [slachtoffer 8] ;

9.

hij op 1 april 2017 nabij Pesse, gemeente Hoogeveen, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A28, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

park.nr. 18.206135-16

10.

hij op 18 september 2015, te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen (merk Wieringa), toebehorende aan [slachtoffer 9] ;

park.nr. 18.075113-16

11.

hij op 28 augustus 2015, te Hoogeveen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets met kenteken [nummer] , toebehorende aan [slachtoffer 10] ;

park.nr. 18.082378-17

12.

hij op verschillende tijdstippen in de periode 17 december 2016 tot en met 29 januari 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen telefoons, merk Aastra, toebehorende aan [slachtoffer 11] ;

13.

hij op verschillende tijdstippen in de periode 17 december 2016 tot en met 29 januari 2017 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen beltegoed , toebehorende aan [slachtoffer 11] ;

park.nr. 18.210501-15

14.
hij op 4 oktober 2015 te Middelstum, gemeente Loppersum tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen met kenteken [nummer] , toebehorende aan [slachtoffer 13] .


Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Park.nr. 18.930002-18

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

4. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Park.nr. 18.061624-17

1. Diefstal.

2. Diefstal.

Park.nr. 18.084613-17

1. Diefstal.

2. primair: Overtreding van artikel 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

Park.nr. 18.206136-16

meer subsidiair: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Park.nr. 18.075113-16

Diefstal

Park.nr. 18.082378-17

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Park.nr. 18.010501-15

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7, 8, 9 primair, 10, primair, 11, 12, 13 en 14 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daar aan verbonden bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht, meewerken aan budgetbeheer en een verbod op het gebruik van middelen en alcohol en medewerking aan de controle daarop, indien de reclassering dat noodzakelijk acht.

Voorts een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf nu verdachte gemotiveerd is tot gedragsverandering. Hij heeft nu inzicht in zijn foutief handelen. De raadsvrouw heeft nog aangegeven dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met het tijdsverloop.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een op te leggen taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting d.d. 22 maart 2018 en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met een ander, diverse diefstallen gepleegd. De rechtbank heeft van de ten laste gelegde feiten 8 diefstallen in vereniging gepleegd bewezen verklaard, 4 diefstallen en het rijden in een auto terwijl het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard.

De hiervoor onder 1 tot en met 4 en 12 genoemde feiten betreffen allemaal diefstallen van telefoons. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] belden met die telefoons naar 0900 nummers om gelden te kunnen generen voor het gokken en om betalingen te kunnen doen.

De telefoons werden bij bedrijven weggenomen en buiten die bedrijven werden de 0900 nummers gebeld. Daarbij was het van belang dat de verbinding open bleef. De telefoons werden daarom veelal verstopt in de directe omgeving van de plaats waar de betreffende telefoon was gestolen. Verdachte ging soms met [medeverdachte 1] terug naar de plaats waar de telefoon was verstopt om de verbinding te herstellen.

Voor de 9 ad informandum gevoegde feiten geldt hetzelfde. De telefoons werden gestolen om met 0900 nummers te kunnen bellen.

Diefstallen zijn zeer vervelende feiten. Naast de vermissing van het gestolene moeten de eigenaren inspanningen verrichten om het gestolene weer terug te krijgen dan wel moeten zij inspanningen verrichten om schadeloos gesteld te worden.

Met betrekking tot de diefstallen van de telefoons werden de aangevers nog eens extra benadeeld omdat zij geconfronteerd werden met hoge belkosten.

De hoeveelheid feiten die de rechtbank bewezen heeft verklaard en de hoeveelheid feiten die in de strafmaat zullen worden meegenomen, in totaal 21 feiten, duiden er op dat verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan de eigendom van goederen van anderen. Uit de dossiers en het verhandelde ter terechtzitting komt duidelijk naar voren dat verdachte heeft gehandeld uit eigen financieel gewin. Dat verdachte daarbij anderen schade heeft toegebracht rekent de rechtbank verdachte in hoge mate aan.

Het aantal feiten rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waartoe de rechtbank zal overgaan. De rechtbank hanteert daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 maanden.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank in geringe mate rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Door de verwijzing van politierechterzaken naar de meervoudige strafkamer heeft de afdoening van die zaken enige vertraging opgelopen.

Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte gemotiveerd lijkt zijn leven een andere wending te geven. Om verdachte daarbij te ondersteunen zal de rechtbank een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daar bijzondere voorwaarden aan verbinden.

In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast tevens een taakstraf op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 245,57 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2. [slachtoffer 8] , tot een bedrag van € 163,22 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 11] , tot een bedrag van € 4012,63 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. [slachtoffer 13] , tot een bedrag van € 900,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
5. [slachtoffer 16], tot een bedrag van € 253,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

6. [slachtoffer 17] , tot een bedrag van € 2346,87 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

7. [slachtoffer 18] , tot een bedrag van € 247,55 ter vergoeding van materiële schade en
€ 1200,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

8. [slachtoffer 19] , tot een bedrag van € 167,24 ter zake van materiële schade en

€ 400,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de

datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ingediende vorderingen toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor zover het onderliggende feit met medeverdachte [medeverdachte 1] is begaan, dient hoofdelijke toewijzing te volgen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat de hiervoor onder 1 en 2 genoemde vorderingen worden erkend en voor toewijzing vatbaar zijn.

Ten aanzien van de vorderingen genoemd onder 5 en 8 heeft de verdediging aangegeven dat de gevorderde belkosten voldoende zijn onderbouwd en derhalve voor toewijzing vatbaar zijn. Voor de vordering genoemd onder 3 dienen de belkosten die gemaakt zijn buiten de ten laste gelegde periode te worden afgewezen.

De overige kosten acht de verdediging niet onderbouwd zodat de benadeelde partijen in zoverre niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 4, 6 en 7 genoemde vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd in verband met het ontbreken van onderliggende stukken dan wel dat deze onvoldoende duidelijk zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vorderingen genoemd onder 1 en 2 toewijzen nu deze vorderingen worden erkend.

Ten aanzien van de vorderingen genoemd onder 3, 5 en 8 acht de rechtbank, met de verdediging, de gevorderde belkosten voldoende onderbouwd. Daarbij heeft te gelden dat de rechtbank de belkosten van de benadeelde partij, genoemd onder 3, onderbouwd (en toewijsbaar) acht tot een bedrag van 757,25 euro nu een deel van de gevorderde belkosten (te weten een bedrag van 86,82 euro) buiten de bewezen verklaarde periode is gemaakt.

De rechtbank acht de vorderingen genoemd onder 3, 5 en 8 voor het overige onvoldoende onderbouwd zodat de benadeelde partijen in zoverre niet ontvankelijk zullen worden verklaard in de vorderingen.

De rechtbank acht de vordering genoemd onder 6 voldoende onderbouwd nu de gevorderde belkosten zijn te herleiden uit het overzicht van de gebelde servicenummers.

De rechtbank acht de vorderingen genoemd onder 4 en 7 onvoldoende onderbouwd zodat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zullen worden verklaard in de vorderingen.

Voor zover de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd zal de rechtbank niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen de hoogte van de schade alsnog aan te tonen, omdat een schorsing zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten onder 4 en 13 samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte

onder 5 primair en subsidiair,

onder parketnummer 18.206135-16 primair en subsidiair en

onder parketnummer 18.210501-15 onder 2,

is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart

het onder parketnummer 18.930002-18 onder 1, 2, 3 en 4,

het onder parketnummer 18.061624-17 onder 1 en 2,

het onder parketnummer 18.084613-17 onder 1 en 2 primair,

het onder parketnummer 18.206135-16 meer subsidiair,

het onder parketnummer 18.075113-16

het onder parketnummer 18.082378-17 onder 1 en 2 en

het onder parketnummer 18.210501-15 onder 1,

ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 150 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Leonard Springerlaan 21 te Groningen of een ander adres, en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde geen middelen (alcohol/drugs) zal gebruiken en de veroordeelde dient mee te werken aan controles daarop.

- dat de veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of bewindvoering, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

De benadeelde partijen.

Ten aanzien van parketnummer 18.930002-18, feit 4.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 245,57 (zegge: tweehonderdvijfenveertig euro en zevenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2017, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 245,57 (zegge: tweehonderdvijfenveertig euro en zevenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van parketnummer 18.084613-17, feit 1.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 163,22 (zegge: honderddrieënzestig euro en tweeëntwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 163,22 (zegge: honderd-drieënzestig euro en tweeëntwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van parketnummer 18.930248-17

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2346,87 (zegge: drieëntwintighonderdzesenveertig euro en zevenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 17] te betalen een bedrag van € 2346,87 (zegge: drieëntwintig-honderdzesenveertig euro en zevenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van parketnummer 18.082378-17, feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 757,25 (zegge: zevenhonderdzevenenvijftig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 11] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] te betalen een bedrag van € € 757,25 (zegge: zevenhonderdzevenenvijftig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van parketnummer 18.930248-17

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 183,-- (zegge: honderddrieëntachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 16] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 16] te betalen een bedrag van € 183,-- (zegge: honderddrieëntachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van parketnummer 18.930248-17

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 19] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 167,24 (zegge: honderdzevenenzestig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 19] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 19] te betalen een bedrag van € 167,24 (zegge: honderdzevenenzestig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van voormelde slachtoffers daarmee de verplichting van verdachte om aan voormelde benadeelde partijen voormelde bedragen te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan voormelde benadeelde partijen de opgelegde bedragen heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van die bedragen komt te vervallen.

Ten aanzien van parketnummer 18.210501-15, feit 1

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 13] in de vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij en verdachte dragen de eigen kosten.

Ten aanzien van parketnummer 18.930248-17

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 18] in de vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij en verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. R. Depping en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2018.

Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.