Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1270

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
LEE 17/ 1703 en LEE 17/2558
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1032, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting van een tweetal horecabedrijf. En boete vanwege het verstrekken van alcoholhoudende drank aan personen van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/1703 en LEE 17/2558

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2018 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde),

en

de burgemeester van de gemeente Groningen , verweerder

(gemachtigden: H. Blokzijl, R. Blauw en H. Hollander).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres op straffe van bestuursdwang gelast het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " te sluiten, zodat geen horecabedrijf meer geëxploiteerd kan worden. Deze sluiting gaat in op vrijdag 26 augustus, 24:00 uur, en zal voortduren totdat er een geldige exploitatievergunning is verleend of totdat er sprake is van een gebruiksfunctie van het pand, waarvoor geen exploitatievergunning voor horeca vereist is. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 september 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiseres op straffe van bestuursdwang gelast het horecabedrijf " [horecabedrijf 2] " te sluiten, zodat geen horecabedrijf meer geëxploiteerd kan worden. Deze sluiting gaat in op vrijdag 2 september 2016, 24:00 uur, en zal voortduren totdat er een geldige exploitatievergunning is verleend of totdat er sprake is van een gebruiksfunctie van het pand, waarvoor geen exploitatievergunning voor horeca vereist is. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.360,-- wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan personen van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juni 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit I is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 17/1703. Het beroep tegen het bestreden besluit II is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 17/2258.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op de zitting van 22 februari 2018 behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1.1

Eiseres is (middelijk) eigenaar van de panden waarin de horecabedrijven " [horecabedrijf 1] " en " [horecabedrijf 2] " worden geëxploiteerd, alsmede van de inventaris van die cafés. Eiseres verpacht de horecabedrijven aan de heer [exploitant 1] , die exploitant is. De heer [exploitant 2] is sinds medio juli 2016 failliet. Curator is de heer [curator 1] .

1.2

Op 24 augustus 2016 is het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] ", gevestigd aan de [adres 1] te [plaats] door een toezichthouder van de gemeente [plaats] bezocht. Tijdens zijn inspectie heeft de toezichthouder geconstateerd dat:

- in het horecabedrijf alcoholhoudende drank, bedrijfsmatig of anders dan om niet, werd verstrekt. Hierdoor valt het geëxploiteerde horecabedrijf onder de strekking van artikel 1 van de Drank- en horecawet (Dhw). Artikel 3 van de Dhw bepaalt dat het verboden is zonder een daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders een horecabedrijf uit te oefenen. Voor het horecabedrijf was geen Dhw-vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Dhw afgegeven.

- het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [plaats] 2009 (APVG) werd geëxploiteerd. Het exploiteren van een horecabedrijf is niet toegestaan zonder vergunning van de burgemeester. Dit is vastgelegd in artikel 2:27 van de APVG. Voor het bedrijf is geen exploitatievergunning horecabedrijf afgegeven.

1.3

Op 24 augustus 2016 is het horecabedrijf " [horecabedrijf 2] ", gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] door een toezichthouder van de gemeente [plaats] bezocht. Tijdens zijn inspectie heeft de toezichthouder geconstateerd dat:

- in het horecabedrijf alcoholhoudende drank, bedrijfsmatig of anders dan om niet, werd verstrekt. Hierdoor valt het geëxploiteerde horecabedrijf onder de strekking van artikel 1 van de Dhw. Artikel 3 van de Dhw bepaalt dat het verboden is zonder een daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders een horecabedrijf uit te oefenen. Voor het horecabedrijf was geen Dhw-vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Dhw afgegeven.

- een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26 van de APVG werd geëxploiteerd. Het exploiteren van een horecabedrijf is niet toegestaan zonder vergunning van de burgemeester. Dit is vastgelegd in artikel 2:27 van de APVG. Voor het bedrijf is geen exploitatievergunning horecabedrijf afgegeven.

1.4

Gelet op voormelde bevindingen van de toezichthouder heeft verweerder eiseres bij brief van 25 augustus 2016 verzocht de exploitatie van de horecabedrijven " [horecabedrijf 1] " en " [horecabedrijf 2] " te staken, totdat eiseres in het bezit is van de benodigde vergunningen.

1.5

In de nacht van 25 augustus op 26 augustus 2016 is tijdens een her-inspectie door de toezichthouder gebleken dat de beide horecabedrijven in de [adres 3] te [plaats] werden geëxploiteerd zonder de benodigde vergunningen. Verweerder heeft eiseres bij brief van 26 augustus 2016 medegedeeld voornemens te zijn handhavend op te treden. Indien eiseres verder gaat met het exploiteren van de horecabedrijven zonder de daartoe vereiste vergunningen zal verweerder eiseres een last onder bestuursdwang opleggen. Dat betekent dat verweerder sluiting van de horecabedrijven zal overwegen.

1.6

Op vrijdagavond 26 augustus 2016 is door de toezichthouder geconstateerd dat het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " werd geëxploiteerd. Verweerder heeft bij het primaire besluit I eiseres op straffe van bestuursdwang gelast het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " te sluiten, zodat geen horecabedrijf meer geëxploiteerd kan worden. Deze sluiting gaat in op vrijdag 26 augustus, 24:00 uur, en zal voortduren totdat er een geldige exploitatievergunning is verleend of totdat er sprake is van een gebruiksfunctie van het pand, waarvoor geen exploitatievergunning voor horeca vereist is.

1.7

Eiseres heeft naar aanleiding van het primaire besluit I een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 augustus 2016 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter - onder meer - overwogen dat het vooralsnog aannemelijk is dat het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " wordt geëxploiteerd door eiseres, nu de betrokkenheid van de heer [exploitant 2] in dit geval niet gegarandeerd is. Nu eiseres niet beschikt over een exploitatievergunning voor de exploitatie van het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " is er, aldus de voorzieningenrechter, sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.

1.8

Bij brief van 26 augustus 2016 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij, indien wederom wordt geconstateerd dat eiseres het horecabedrijf op het perceel [adres 2] te [plaats] exploiteert zonder de benodigde vergunningen, voornemens is om eiseres een last onder bestuursdwang op te leggen. Dit voornemen is eiseres in de nacht van 25 augustus op 26 augustus 2016 in het vooruitzicht gesteld.

1.9

Op zondagavond 28 augustus 2016 is door de toezichthouder geconstateerd dat het horecabedrijf " [horecabedrijf 2] " werd geëxploiteerd. Verweerder heeft bij het primaire besluit II eiseres op straffe van bestuursdwang gelast het horecabedrijf " [horecabedrijf 2] " te sluiten, zodat geen horecabedrijf meer geëxploiteerd kan worden. Deze sluiting gaat in op vrijdag 2 september 2016, 24:00 uur, en zal voortduren totdat er een geldige exploitatievergunning is verleend of totdat er sprake is van een gebruiksfunctie van het pand, waarvoor geen exploitatievergunning voor horeca vereist is.

1.10

De adviescommissie heeft in haar advies van 13 maart 2017 overwogen dat eiseres de feitelijke exploitant is van de beide horecabedrijven. Hierbij heeft de adviescommissie verwezen naar de overeenkomst die de curator op 28 juli 2016 met eiseres heeft gesloten. Hieruit blijkt, aldus de adviescommissie, dat de horecabedrijven voor rekening en risico van eiseres werden gedreven en dat hierbij geen rol is toebedeeld aan de heer [exploitant 2] . Nu eiseres niet beschikt over een exploitatievergunning voor de exploitatie van de horecabedrijven is er, aldus de adviescommissie, sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Daarnaast geeft de adviescommissie aan dat het door de burgemeester in het Handhavingsprotocol horeca neergelegde beleid redelijk is en dat de burgemeester overeenkomstig dit protocol heeft gehandeld. Ten slotte geeft de adviescommissie aan dat, gelet op de aard van de bestreden besluiten, de rechtmatigheid in beginsel ex tunc beoordeeld dient te worden. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft de adviescommissie geen aanleiding gezien om de primaire besluiten in de heroverweging te wijzigen.

1.11

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiseres eigenaar is van de panden waarin de horecabedrijven worden geëxploiteerd, dat [exploitant 1] als voormalige exploitant, beschikt over een Drank- en horecavergunning en exploitatievergunningen voor beide cafés, dat na het faillissement van [exploitant 2] eiseres een overeenkomst met de curator heeft gesloten over de feitelijke exploitatie van de horecabedrijven en dat uit deze overeenkomst blijkt dat de horecabedrijven voor rekening en risico van eiseres werden gedreven. Nu aan [exploitant 2] geen rol meer is toebedeeld en hij niet langer de beschikkingsmacht had over de horecabedrijven trad eiseres op als exploitant van de horecabedrijven. Tijdens de inspecties is gebleken dat eiseres de horecabedrijven exploiteerde zonder de daartoe vereiste exploitatievergunning horeca. Ten aanzien hiervan is een werkwijze opgesteld in het Handhavingsprotocol horeca 2010 en er is gehandeld in overeenstemming met dit protocol. Gelet hierop heeft verweerder besloten tot toepassing van bestuursdwang.

2.1

Bij brief van 26 september 2016 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij voornemens is om eiseres een boete op te leggen van € 1.360,-- vanwege het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken aan personen van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat dit een overtreding is van artikel 20, eerste lid, in verband met artikel 20, derde lid, van de Dhw.

2.2

Bij het primaire besluit III heeft verweerder aan eiseres een boete van € 1.360,-- opgelegd. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat bij de uitoefening van het toezicht op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming in de vestiging aan de [adres 1] te [plaats] op 14 augustus 2016 omstreeks 00:50 uur de inspecteur, H.A. Hollander, heeft geconstateerd dat een voorschrift is overtreden en dat deze overtreding beboetbaar is op grond van artikel 44a, eerste lid, van de Dhw.

2.3

De adviescommissie heeft in zijn rapport van 31 mei 2017 overwogen dat de toezichthouder op 14 augustus 2016 heeft waargenomen dat in horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " alcoholhoudende drank is verkocht aan twee minderjarige meisjes van wie niet is vastgesteld dat zij de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Op de openbare weg hebben de meisjes de toezichthouder te woord gestaan en hebben zij verklaard wat hun geboortedatum is en daaruit blijkt dat de beide meisjes 15 jaar oud waren. Deze persoonsgegevens zijn gecontroleerd en vervolgens vastgesteld door een medewerker van de nationale politie. Daarnaast zijn de beide meisjes geverbaliseerd terzake overtreding van artikel 45, eerste lid, van de Dhw. Uit de beschrijving van de meisjes door de toezichthouder blijkt, aldus de adviescommissie, dat zij een jong uiterlijk hadden. Gelet hierop had de betrokken barmedewerker de leeftijd van de meisjes aan de hand van een identiteitsbewijs moeten controleren, hetgeen is nagelaten. Daarnaast overweegt de adviescommissie dat niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van loktieners. Hiertoe heeft de adviescommissie - onder meer - aangegeven dat het boeterapport een naar waarheid opgemaakt ambtsedig document is en dat de twee betrokken meisjes ook zelf geverbaliseerd zijn voor een overtreding. Daarnaast geeft de adviescommissie aan dat de overtreding terecht aan eiseres is toegerekend nu eiseres eigenaar is van het pand waar het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " wordt geëxploiteerd, en eiseres na het faillissement van de voormalige exploitant een overeenkomst met de curator heeft gesloten waaruit blijkt dat het horecabedrijf voor rekening en risico van eiseres werd gedreven. Hierbij heeft de adviescommissie aangegeven dat door de toezichthouder is vastgesteld dat eiseres daadwerkelijk als exploitant optrad van " [horecabedrijf 1] ".

2.4

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het advies van de adviescommissie wordt overgenomen.

2.5.1

Bij brief van 15 februari 2018 heeft verweerder nadere stukken ingezonden die op de zaak betrekking hebben. Daarbij is de rechtbank verzocht om te bepalen dat artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is op deze stukken, zodat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis kan nemen.

2.5.2

Bij beslissing van 19 februari 2018 heeft de rechtbank de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geoordeeld.

LEE 17/1703 Bestuursdwang

Wettelijk kader:

3. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Ingevolge het derde lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

4.1

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of tijdig wordt uitgevoerd.

4.2

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder bestuursdwang de te nemen herstelmaatregelen. Ingevolge het tweede lid vermeldt de last onder bestuursdwang de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

5.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Dhw wordt onder horecabedrijf verstaan: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Dhw wordt onder leidinggevende verstaan: 1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; 2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; 3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.

5.2

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Dhw is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

6.1

Ingevolge artikel 2:26, eerste lid, aanhef en onder d, van de APVG wordt onder een horecabedrijf verstaan:

1. een inrichting waaronder in ieder geval wordt verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, croissanterie, crêperie, bistro, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, afhaal- en bezorgcentra, coffeeshop, ijssalon, sociëteit, discotheek, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt;

2. een bij een horecabedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.

6.2

Ingevolge artikel 2:27, eerste lid, van de APVG is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

6.3

Ingevolge artikel 2:32, eerste lid, van de APVG kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk een sluitingsuur vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.

7. Op 25 mei 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen het Handhavingsprotocol horeca 2010 (het Handhavingsprotocol horeca) vastgesteld.

Met betrekking tot het exploiteren van een nieuw horecabedrijf zonder geldige exploitatievergunning is in het Handhavingsprotocol onder meer het volgende aangegeven:

- 1 e keer: Aanzeggen dat er niet geëxploiteerd mag worden. Mondeling aanzeggen van vooraankondiging sluiting, onmiddellijk opvragen zienswijze over voornemen sluitingsbevel. (Zelfde dag of volgende werkdag vooraankondiging schriftelijk bevestigen en pandeigenaar informeren);

- 2 e keer: (Eén werkdag na 1e constatering): aanzeggen dat er niet geëxploiteerd mag worden. Onmiddellijke schriftelijke last onder bestuursdwang tot sluiting met een termijn voor inwerkingtreding van (in beginsel) 24 uur (bezwaar en voorlopige voorziening mogelijk). Pandeigenaar informeren;

- 3 e keer: (In beginsel) één werkdag na 2e constatering): effectuering van het sluitingsbevel door middel van aanplakken mededeling van sluiting en bij geconstateerde noodzakelijkheid ondersteunende maatregelen voor effectuering (verzegelen, aftimmeren, verwijderen voorraden of inventaris). Pandeigenaar informeren.

Uitzondering:

Indien er sprake is van wijziging in de rechtsvorm of opvolging door al betrokken personen. Bijvoorbeeld een eenmanszaak gaat naar een B.V. (besloten vennootschap). Dus alleen de rechtsvorm wijzigt. De verantwoordelijke natuurlijke persoon(en) is(zijn) dezelfde(n). Of de opvolgend exploitant was al nauw betrokken (bijvoorbeeld een bedrijfsleider of een actief bij de exploitatie betrokken bestuurder).

Voorwaarden:

- het bedrijf moet voor de rechtsvormwijziging beschikken over alle rechtsgeldige vergunningen, ontheffingen en voldoen aan geldende wet- en regelgeving;

- er ligt een volledig ontvankelijke aanvraag voor (indien vereist) de Dhw-vergunning, de exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning bij de gemeente en er is concreet zicht op verlening van de gevraagde vergunningen;

- het woon- en leefklimaat in de omgeving mag op geen enkele wijze onaanvaardbaar negatief worden beïnvloed.

Beoordeling van het geschil

8.1

Eiseres betoogt dat niet zij, maar de heer [exploitant 1] , dan wel de curator van [exploitant 2] , [curator 2] , exploitant was van de horecabedrijven. Hierbij heeft eiseres aangegeven dat de overeenkomst tussen haar en de curator inmiddels is beëindigd en dat de cafés niet langer geopend zijn. Vervolgens betoogt eiseres dat ten tijde van de primaire besluiten geen sprake was van handelingen in strijd met artikel 2.27, eerste lid, van de APVG. Hiertoe heeft eiseres aangegeven dat voor beide horecabedrijven vergunningen waren verleend door de burgemeester en dat deze vergunningen op dat moment rechtsgeldig waren. Hierbij heeft eiseres aangegeven dat artikel 2.27, eerste lid, van de APVG in het midden laat aan wie de exploitatievergunning moet zijn verleend. Daarnaast geeft eiseres hierbij aan dat de APVG geen definitieomschrijving van het begrip 'exploitant' kent, maar dat dit ook niet nodig is omdat de vergunninghouder te allen tijde verantwoordelijk is voor de exploitatie van het bedrijf.

8.2

Met betrekking tot de vraag wie eind augustus 2016 de horecabedrijven exploiteerde geeft eiseres aan dat de curator vanaf het moment van faillissementsverklaring uit hoofde van zijn bijzondere gezagsverhouding verantwoordelijk is voor de naleving van de voor een inrichting geldende (milieu)wetgeving. Het systeem van de Faillissementswet en de jurisprudentie staan er, aldus eiseres, aan in de weg dat de curator die verantwoordelijkheid kan overdragen aan een derde. Ten aanzien van de overeenkomst van 28 juli 2016 geeft eiseres - onder meer - aan dat onder 9. expliciet is opgenomen dat de curator de exploitatie zal voortzetten. Gelet hierop blijft de curator derhalve, aldus eiseres, belast met het beheer van de boedel en zet hij de exploitatie van de horecabedrijven voort. Hierbij heeft eiseres aangegeven dat haar bemoeienis beperkt was tot het doen van betalingen, haar rol was die van externe financier. Ten slotte verwijst eiseres naar de mail van 27 oktober 2016 van de curator. Daarin bevestigd de curator dat eiseres enkel in financiële zin verantwoordelijk was. [exploitant 2] zorgde voor de inhuur van het personeel en deed de inkoop, hij stuurde het personeel op de werkvloer aan, zorgde voor het openen en sluiten van de cafés en zorgde dat er toezicht was.

9. Verweerder geeft in het verweerschrift - onder meer en samengevat - aan dat uit artikel 2.27, eerste lid, van de APVG blijkt dat het verboden is een horecabedrijf te exploiteren zonder dat de burgemeester aan de exploitant een vergunning heeft verleend, en dat niet bedoeld is dat het verboden is om te exploiteren zonder dat er überhaupt een vergunning is verleend. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de artikel 2.27, tiende lid, respectievelijk artikel 2.33, sub e, van de APVG en artikel 2.27, elfde lid van de APVG. Vervolgens geeft verweerder aan dat een eventueel nog bestaande verantwoordelijkheid van de (curator van) vergunninghouder voor de exploitatie niet afdoet aan het feit dat eiseres feitelijk exploiteerde, hetgeen onder meer blijkt uit de overeenkomst tussen eiseres en de curator. Daarnaast heeft verweerder aangeven dat de verantwoordelijkheid van de curator over de exploitatie niet afdoet aan het feit dat eiseres feitelijk als exploitant optrad zonder over de vereiste vergunning te beschikken. Met betrekking tot de jurisprudentie waarna eiseres verwijst geeft verweerder aan dat hieruit niet kan worden afgeleid dat het haar niet is toegestaan om een derde, die zonder vergunning exploiteert, aan te schrijven. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres het in haar feitelijke macht had om de overtreding te beëindigen. Ten slotte gaat verweerder in op de grond van eiseres die betrekking heeft op de overeenkomst tussen eiseres en de curator. Met betrekking hiertoe overweegt verweerder dat als exploitant kan worden aangemerkt 'degene die een zaak drijft, runt om er winst mee te maken'. Gelet op de signalen, verklaringen en aangetroffen omstandigheden bij de controles van de horecabedrijven en de inhoud van de overeenkomst van 28 juli 2016 heeft verweerder eiseres c.q. de personen die aan haar verbonden zijn, als feitelijk exploitant aangemerkt. Uit de processtukken blijkt, aldus verweerder, dat eiseres zich met meer dan alleen de financiering heeft beziggehouden. Verweerder geeft aan dat uit de overeenkomst blijkt dat het aannemelijk is dat de horecabedrijven werden geëxploiteerd door eiseres. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat de betrokkenheid van [exploitant 2] niet gegarandeerd was.

10. Tussen partijen is in geschil of verweerder heeft kunnen besluiten om over te gaan tot handhavend optreden, inhoudende dat verweerder bij de primaire besluiten I en II de horecabedrijven " [horecabedrijf 1] " en " [horecabedrijf 2] " heeft gesloten zodat geen horecabedrijf meer geëxploiteerd kan worden.

11. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Ingevolge het tweede lid wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat er een exploitatievergunning voor de exploitatie van de beide horecabedrijven is en dat de heer [exploitant 1] over deze exploitatievergunning beschikt. Daarnaast is tussen partijen evenmin in geschil dat [exploitant 2] in juli 2016 failliet is verklaard en dat hij om die reden niet langer bevoegd was ten behoeve van beide horecabedrijven overeenkomsten aan te gaan. Na de faillietverklaring van [exploitant 2] is die bevoegdheid overgegaan op de curator.

13.1

Partijen houdt verdeeld de vraag of de horecabedrijven ten tijde hier van belang door de curator, in samenwerking met [exploitant 2] , werden geëxploiteerd of door eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank werden de horecabedrijven geëxploiteerd door eiseres. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

13.2

Allereerst overweegt de rechtbank dat het begrip 'exploiteren' niet is gedefinieerd in de APVG. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit begrip te worden begrepen binnen de context van het belang van de openbare orde dat met de desbetreffende bepalingen van de APVG wordt gediend. Met de betrokken bepalingen wordt in ieder geval beoogd dat degene die de horecabedrijven exploiteert over voldoende kennis en kunde beschikt om dat goed te kunnen doen. Hierbij is, naar het oordeel van de rechtbank, niet zozeer de financiering en de verdeling van de opbrengsten van de horecagelegenheid van belang, maar veeleer de beschikkingsmacht over het personeel, de goederen en de bedrijfsvoering, nu deze elementen van invloed kunnen zijn op de openbare orde.

13.3

Vervolgens overweegt de rechtbank dat eiseres en de curator op 28 juli 2016 een overeenkomst hebben gesloten over de feitelijke exploitatie van onder andere de horecabedrijven " [horecabedrijf 1] " en " [horecabedrijf 2] ". In artikel 2 van deze overeenkomst is bepaald dat eiseres zorg draagt voor de feitelijke exploitatie van de horecabedrijven zoals het inhuren van personeel, loonbetalingen, inkoop, verkoop, huur en alles was nodig is om de ondernemingen draaiende te houden. In artikel 5 is bepaald dat het risico van de exploitatie voor rekening van eiseres komt en dat het meerdere of mindere ten opzichte van € 7.500,-- voor eiseres is. In artikel 8 is vervolgens nog bepaald dat eiseres zich zal inspannen om zoveel mogelijk personeel van de gefailleerde in dienst te nemen, althans in dienst te nemen van het aan haar gelieerde uitzendbureau. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eiseres en de curator gesloten overeenkomst duidelijk wat wordt verstaan onder de feitelijke exploitatie van de horecabedrijven. Daarnaast wordt in de overeenkomst duidelijk vermeld dat eiseres de horecabedrijven voor eigen en rekening en risico exploiteert. Gelet hierop kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden volgehouden dat de beide horecabedrijven door de curator worden geëxploiteerd op de aan [exploitant 2] verleende vergunningen. Naar het oordeel van de rechtbank is het derhalve aannemelijk dat eiseres de beide horecabedrijven exploiteert. Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de APVG, het verboden is een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Nu, gelet op het bovenstaande, eiseres de horecabedrijven exploiteert en zij niet beschikt over een exploitatievergunning voor de exploitatie van de horecabedrijven is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.

13.4

Ingevolge artikel 2.32, eerste lid, van de APVG kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk een sluitingsuur vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen. De rechtbank overweegt dat dit artikellid aan de burgemeester een discretionaire bevoegdheid geeft, gelet waarop de rechtbank het op grond van dit artikellid genoemde besluit terughoudend moet toetsen. De beoordeling van de ernst van de overtreding en de weging daarvan ten opzichte van de op te leggen maatregel, past, naar het oordeel van de rechtbank, binnen de bevoegdheid die artikel 2.32, eerste lid, van de APVG aan verweerder verleent. In het handhavingsprotocol horeca heeft verweerder vastgesteld hoe te handelen indien sprake is van het exploiteren van een horecabedrijf zonder geldige exploitatievergunning. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit door verweerder vastgestelde beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

14. Gelet op al het bovenstaande was eiseres exploitant van de beide horecabedrijven en had eiseres het in haar macht om de overtreding te (doen) beëindigen. Daarnaast heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, gebruik kunnen maken van de haar ingevolge artikel 2.32. eerste lid, van de APVG toekomende bevoegdheid. Concluderend overweegt de rechtbank dat verweerder bevoegd was om ten aanzien van eiseres de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde lasten onder bestuursdwang op te leggen. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

LEE 17/2558 Bestuurlijke boete

Wettelijk kader

15.1

Ingevolge artikel 1 van de Dhw wordt onder leidinggevende verstaan 1° de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; 2° de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; 3° de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.

15.2

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Dhw is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Het derde lid bepaald dat de vaststelling, bedoeld in het eerste en tweede lid: a. geschiedt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen andere wijze; b. achterwege blijft, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

15.3

Ingevolge artikel 44 van de Dhw zijn Onze Minister en de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde verplichting.

15.4

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de Dhw kan de burgemeester een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding binnen zijn gemeente van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, derde, vierde en vijfde lid, 12 tot en met 19, 20, eerste tot en met vierde lid, 22, eerste en tweede lid, 24, 25, behoudens het derde lid, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, of 38 gestelde.

Beoordeling van het geschil

16. Op de zitting van 22 februari 2018 heeft eiseres toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Gelet hierop kan de rechtbank uitspraak doen mede op grondslag van de inhoud van de stukken die verweerder bij brief van 15 februari 2018 aan de rechtbank heeft toegezonden en waarvoor verweerder heeft verzocht dat artikel 8:29 van de Awb van toepassing is op deze stukken.

17. Eiseres betoogt allereerst dat in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit, het wettelijk voorschrift is vermeld dat zou zijn overtreden. Gelet hierop kan, aldus eiseres, niet worden vastgesteld wie de overtreder is. Daarnaast geeft eiseres aan dat eiseres, om zich tegen de strafsanctie te kunnen verweren, kennis zal moeten kunnen nemen van bijvoorbeeld beeldmateriaal om te kunnen vaststellen of de meisjes onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt. Dit is noodzakelijk, aldus eiseres, vanuit het oogpunt van een fair trail en het beginsel van equality of arms. Ook geeft eiseres aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van loktieners dan wel dat verweerder minderjarigen heeft aangezet tot het verkrijgen van alcoholhoudende drank. Dit onrechtmatig verkregen bewijs dient, aldus eiseres, buiten beschouwing te blijven. Ten slotte betoogt eiseres dat zij niet de overtreder is van artikel 20, eerste lid, van de Dhw. Hiertoe heeft eiseres aangegeven dat zij geen eigenaar is van het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] ", dat zij geen exploitant is in de zin van de APVG, dat zij geen vergunninghouder is, dat zij geen leidinggevende is en dat zij geen werkgever van het personeel is dat op 14 augustus 2016 werkzaam was in horecabedrijf " [horecabedrijf 1] ". Eiseres heeft hierbij aangegeven dat het enkele feit dat zij blijkens de overeenkomst van 28 juli 2016 met de curator zorg droeg voor de financiële gang van zaken rond het café, niet maakt dat een eventuele overtreding van artikel 20 van de Dhw aan haar kan worden toegerekend.

18. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat eiseres in het voornemen van 26 september 2016 erop is gewezen naar welk wetsartikel duiding van het feitencomplex heeft plaatsgevonden, namelijk overtreding van artikel 20, eerste lid en derde lid, van de Dhw. Daarnaast geeft verweerder aan dat in het bestreden besluit is verwezen naar het advies van de adviescommissie, en dat in dit advies is getoetst aan de overtreding genoemd in artikel 20, eerste en derde lid, van de Dhw. Gelet hierop was, aldus verweerder, voor eiseres kenbaar voor welke overtreding haar een boete werd opgelegd. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat ziet op de fair trail en het beginsel van equility of arms verwijst verweerder naar het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 23 september 2016. Gelet hierop en de gang van zaken is, aldus verweerder, voldoende aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan het verstrekken van twee shotjes tequila de leeftijd van de twee meisjes niet aan de hand van een identiteitsdocument is vastgesteld en dat de twee meisjes ten tijde van de overtreding zelf minderjarig waren. Hierbij weerspreekt verweerder de stelling van eiseres dat zij kennis moet kunnen nemen van beeldmateriaal van de twee meisjes. Daarnaast geeft verweerder aan dat geen gebruik is gemaakt van minderjarige loktieners. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat uit het opgemaakte boeterapport blijkt hoe de overtreding is vastgesteld en dat hierin geen melding is gedaan dat de betrokken minderjarige tieners vrijwillig hebben meegewerkt. Ten slotte geeft verweerder aan dat de boete wel kan worden toegerekend aan eiseres. Hiertoe heeft verweerder aangegeven dat eiseres eigenaar is van het pand waar horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " wordt geëxploiteerd en dat na het faillissement van de voormalige exploitant eiseres een overeenkomst met de curator heeft gesloten waarin klip en klaar staat dat eiseres zal zorgdragen voor de feitelijke exploitatie en dat het risico van de exploitatie voor eiseres komt. Eiseres had, aldus verweerder, als feitelijke exploitant het in haar macht om de overtreding niet te laten plaatsvinden.

19. Met betrekking tot het geschil tussen partijen of het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " wordt geëxploiteerd door de curator, in samenwerking met [exploitant 2] , dan wel door eiseres overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " op 14 augustus 2016 werd geëxploiteerd door eiseres. Hierbij verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 13.1 tot en met 13.3.

20. Tussen partijen is in geschil of sprake is van overtreding van artikel 20 van de Dhw en of verweerder in redelijkheid aan eiseres een boete heeft kunnen opleggen.

21. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 28 augustus 201, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, onder het nummer ECLI:NL:RVS:2013:926, mag het bestuursorgaan zich voor het antwoord op de vraag of artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Dhw is overtreden baseren op ter zake door controleambtenaren ambtsedig opgemaakte processen-verbaal. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de in het proces-verbaal neergelegde bevindingen. Dit neemt evenwel niet weg dat die bevindingen de conclusie dat artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Dhw is overtreden, moeten kunnen dragen.

22. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de toezichthouder Drank- en Horecawet van 23 september 2016 blijkt, onder meer en samengevat, het volgende. Op zondag 14 augustus 2016, omstreeks 00:50 uur, heeft de toezichthouder een controle op de naleving van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Dhw uitgevoerd in de [adres 3] te [plaats] , nabij de [adres 4] . De toezichthouder heeft omstreeks genoemd tijdstip twee meisjes de [adres 3] in zien lopen, waarbij de toezichthouder heeft aangegeven dat het hem leek dat deze personen niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Hiertoe heeft de toezichthouder ten aanzien van het eerste meisje aangegeven dat zij ongeveer 1.70 groot was, een tenger postuur had, onder andere gekleed was in een korte spijkerrok, dat zij korte bruine leren laarsjes droeg, dat zij halflang donker had, dat zij make-up droeg, dat zij een zwart stoffen bandje om haar hals droeg en dat zij een jong uiterlijk had. Ten aanzien van het tweede meisje heeft de toezichthouder hiertoe aangegeven dat zij was gekleed in een donker shirt en een strakke zwarte broek van spijkerstof met witte stippen / vlekken, dat zij witte sportschoenen droeg, een tenger postuur had, ongeveer 1.70 groot was, dat zij lang donkerblond haar had en een jong uiterlijk had. De toezichthouder is achter deze beide personen aan gelopen. Vervolgens heeft de toezichthouder gezien dat de meisjes voornemens waren om bij horecabedrijf " [horecabedrijf 3] " binnen te gaan, maar dat zij werden aangesproken door een man die zich bij de toegangsdeur van het horecabedrijf bevond en dat, na een kort gesprek met deze man, de meisjes zich omdraaiden en wegliepen bij dit horecabedrijf. De verbalisant heeft de meisjes daarna, omstreeks 01:00 uur, het pand waarin het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " is gevestigd zien binnen treden. De toezichthouder is achter de meisjes het pand ingelopen en heeft gezien dat de persoon achter de bar twee kleine shot-glaasjes voor de meisjes op de bar plaatste en deze vulde met doorzichtige vloeistof, afkomstig uit één van de achter de bar afkomstige flessen. Naderhand bleek, aldus de toezichthouder, dat de fles was gevuld met tequila van het merk Don Angel, 38% vol. Vervolgens heeft de toezichthouder de meisjes aangesproken en zich gelegitimeerd. De toezichthouder heeft de meisjes buiten te woord gestaan en zij gaven - samengevat - aan dat zij zojuist in het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " twee shotjes tequila hadden besteld en gekregen en dat er niet om een identiteitsbewijs is gevraagd. Vervolgens heeft de toezichthouder gesproken met de leidinggevende [leidinggevende] en de persoon achter de bar, [barman] .

23.1

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal voldoende duidelijk wat de toezichthouder heeft waargenomen en dat hij de overtreding van artikel 20 van de Dhw heeft vastgesteld. Hierbij betrekt de rechtbank dat de toezichthouder heeft geconstateerd / gezien dat de meisjes een ander horecabedrijf niet in kwamen en dat dit voor de toezichthouder, samen met zijn eigen vermoeden dat de meisjes de leeftijd van 18 jaar nog niet onmiskenbaar hadden bereikt, voldoende reden was om de twee meisjes te volgen. Vervolgens heeft de toezichthouder gezien dat in het horecabedrijf " [horecabedrijf 1] " aan de betreffende meisjes alcoholhoudende drank werd verstrekt en dat hieraan voorafgaand niet de leeftijd van de meisjes is vastgesteld. Voorts is, naar het oordeel van de rechtbank, in het proces-verbaal voldoende duidelijk gemaakt waarop de constatering van de toezichthouder dat de twee meisjes niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt is gebaseerd. De juistheid hiervan is nadien bevestigd door controle van de personeelsgegevens van de meisjes door een medewerker van de Nationale Politie. Hierbij betrekt de rechtbank eveneens de stukken die verweerder onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank heeft toegezonden. Uit deze stukken blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat twee meisjes het Halt-project hebben afgerond en dat deze twee meisjes op de bewuste avond van 14 augustus 2016 de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt. Hierbij betrekt de rechtbank dat de toezichthouder ter zitting heeft verklaard dat de twee meisjes waarvan het Halt-project is afgerond de meisjes waren die hij op de bewuste avond heeft gezien en gesproken en dat hij op die bewuste avond slechts twee meisjes heeft geverbaliseerd. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op dit punt aan de juistheid van het proces-verbaal had moeten twijfelen en het niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.

23.2

Voor zover eiseres heeft betoogt dat het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegd recht op een eerlijk proces is geschonden door de omstandigheid dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de uiterlijke en gedragskenmerken van de betreffende meisjes volgt de rechtbank eiseres niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiseres in de gelegenheid is gesteld het proces-verbaal in te zien en daarover haar standpunt kenbaar te maken. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld welke in het proces-verbaal genoemde feiten en omstandigheden daaraan ten grondslag zijn gelegd. Ten slotte is de toezichthouder bij de hoorzitting op 4 mei 2017 aanwezig geweest. Eiseres is derhalve in de gelegenheid geweest om de toezichthouder te horen. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiseres derhalve kennis nemen van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden en zij heeft deze gemotiveerd kunnen betwisten. Deze grond van eiseres treft geen doel.

24. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder gebruik heeft gemaakt van loktieners dan wel dat verweerder minderjarigen heeft aangezet tot het verkrijgen van alcoholhoudende drank volgt de rechtbank eiseres niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres haar standpunt niet, dan wel onvoldoende, heeft onderbouwd. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal voldoende duidelijk blijkt wat de toezichthouder op 14 augustus 2016 heeft waargenomen. En dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de in het proces-verbaal neergelegde bevindingen. De door eiseres overgelegde verklaring van [betrokkene] , welke is opgesteld op 13 oktober 2016 derhalve ruim na 14 augustus 2016, is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om te oordelen dat niet uit gegaan mag worden van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal.

25. Gelet op al het bovenstaande heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, uit mogen gaan van de in het boeterapport opgenomen constateringen. Uit dit boeterapport blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende dat eiseres artikel 20, eerste lid, van de Dhw heeft overtreden, aangezien er in haar horeca-inrichting aan twee meisjes, die niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, alcoholische drank is verstrekt zonder dat hun leeftijd is vastgesteld. Aangezien ten aanzien van deze twee meisjes artikel 20, eerste lid, van de Dhw is overtreden, was verweerder, op grond van artikel 44a van de Dhw, bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen. Ten aanzien van de hoogte van de boete stelt de rechtbank vast dat verweerder is uitgegaan van de boetebedragen die zijn opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet en dat er conform dit Besluit een boete is opgelegd van € 1.360,--. Gelet op al het bovenstaande is het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzitter, en mr. E.M. Visser en

mr. G.W.G. Wijnands, leden, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.