Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1238

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
18/730192-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 5 april 2018 een 32-jarige man uit Stiens veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens de verkrachting van een 88-jarige vrouw en het plegen van diefstal en vernieling bij een buurthuis. Verdachte lijdt aan schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van verdovende middelen. Ten tijde van de verkrachting had hij last van wanen, onder invloed waarvan hij het slachtoffer heeft verkracht. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730192-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Boonstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 augustus 2016 te Leeuwarden in een (lift van een) flatgebouw (gelegen aan of bij het Europaplein, aldaar) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te weten

- het binnendringen met een of meerdere van verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het binnendringen met verdachtes penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het kussen van de/een borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] en/of

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen met verdachtes penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (opzettelijk gewelddadig of (be)dreigend)

- die [slachtoffer 1] bij/aan de kleding en/of het lichaam heeft vastgepakt en/of (vervolgens) vastgehouden en/of (vervolgens) in een aldaar aanwezige lift heeft getrokken en/of geduwd en/of (vervolgens) die lift met een daartoe bestemde knop in beweging heeft gebracht en/of (vervolgens) tot stilstand heeft gebracht (op plaats waar die lift niet kon worden verlaten) en/of (vervolgens) (in die lift)

- de/het door die [slachtoffer 1] gedragen de blouse en/of hemd en/of BH en/of (incontinentie)broek, in elk geval een of meerdere kledingstuk(ken), (gedeeltelijk) heeft kapot- en/of losgetrokken en/of (zodoende) (gedeeltelijk) heeft uitgetrokken en/of (daarbij)

- die [slachtoffer 1] aan/tegen haar lichaam en/of kleding heeft vastgepakt en/of getrokken en/of opgetild en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, op de vloer en/of tegen een wand van die lift heeft gegooid en/of geduwd, en/of (zodoende) die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, in die lift heeft verplaatst en/of in een of meerdere (verschillende) posities heeft gebracht en/of

- de hand van die [slachtoffer 1] naar verdachtes penis heeft gebracht en (zodoende) die [slachtoffer 1] heeft gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te pakken en/of (vervolgens) vast te houden en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden heeft toegevoegd: "Ik maak je dood." en/of "Ik heb een mes." en/of "Ik steek je dood.", in elk geval die [slachtoffer 1] heeft gedreigd dood te maken (met een mes), althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, heeft medegedeeld dat ze haar bek moest dichthouden en dat hij haar anders dood zou maken, althans (telkens) (een) mededeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gelegd en/of (vervolgens) gehouden, teneinde haar te beletten en/of belemmeren (om hulp) te roepen of te praten, althans geluid te maken, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen het hoofd (gelaat) heeft geschopt/getrapt en (aldus/zodoende) voor die [slachtoffer 1] (telkens) een bedreigende en/of gewelddadige situatie heeft doen ontstaan.

2.

hij op of omstreeks 11 juli 2016 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden,

A. opzettelijk en wederrechtelijk

- meerdere van het [slachtoffer 2] (gevestigd aan of bij de [straatnaam] en/of de Straat van welgelegen), deel uitmakende ruiten, geheel of ten dele toebehorende aan het [slachtoffer 2] en/of de Gemeente Leeuwarden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of (vervolgens)

- in dat/het [slachtoffer 2], meerdere flessen wijn en/of meerdere drinkglazen en/of een cd-speler met versterker en/of een of meerdere schilderij(en) en/of foto('s), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit dat/het [slachtoffer 2] (gevestigd aan of bij de [straatnaam] en/of de Straat van welgelegen) heeft weggenomen een hoeveelheid papier en/of een fles wijn, in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan het [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen papier en/of die fles wijn onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. en onder 2. A en B. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 1. en onder 2. A en B. ten laste gelegde bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 5 augustus 2016, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRAB16005-EONWE d.d. 1 september 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1];

3. een letselrapportage d.d. 3 augustus 2016, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van M. Landheer, forensisch arts FMG;

4. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie d.d. 8 november 2016, opgenomen op pagina 748 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de door drs. C. van Kooten op afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige opgemaakte verklaring;

5. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie d.d. 16 juni 2017, opgenomen op pagina 782 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de door dr. R.J. Bink op afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige opgemaakte verklaring.

De verdachte heeft van het hem onder 2. tenlastegelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij ook een hoeveelheid papier heeft weggenomen. De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen dit gedeelte van het onder 2. tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 november 2016, opgenomen op pagina 415 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Ik keek naar buiten en toen zag ik iemand een dikke klinker tegen de ruiten gooien. Hij pakte steeds die klinker op en toen gooide hij het eerste raam kapot. Hij ging ondertussen steeds maar door met gooien en gooien. Er zat al wel een gat in het laatste raam van de steen, maar toen heeft hij met zijn hand het hele raam eruit geslagen. Daar ging hij toen door naar binnen. Ongeveer vijf minuten later kwam hij er weer uit. Hij had een bosje papier in zijn handen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 november 2016, opgenomen op pagina 418 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Ik zag een jongeman met een behoorlijke baksteen tegen de ramen gooien. Ik zag dat hij alle ramen afging. Die man ging naar binnen. Hij kwam op een gegeven moment ook weer naar buiten met een pak papier.

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

3. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 maart 2018;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 juli 2016, opgenomen op pagina 328 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [medewerker] namens [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. A en B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 3 augustus 2016 te Leeuwarden in een lift van een flatgebouw gelegen aan het Europaplein, aldaar door geweld en bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te weten

- het binnendringen met verdachtes vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het kussen van de borsten van die [slachtoffer 1] en

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het duwen met verdachtes penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte opzettelijk gewelddadig en bedreigend

- die [slachtoffer 1] aan de kleding of het lichaam heeft vastgepakt en vastgehouden en in een aldaar aanwezige lift heeft getrokken of geduwd en vervolgens die lift met een daartoe bestemde knop in beweging heeft gebracht en vervolgens tot stilstand heeft gebracht op een plaats waar die lift niet kon worden verlaten en vervolgens in die lift

- de door die [slachtoffer 1] gedragen blouse en BH en incontinentiebroek heeft kapotgetrokken en gedeeltelijk heeft uitgetrokken en

- die [slachtoffer 1] aan haar lichaam en kleding heeft vastgepakt en getrokken en opgetild en meermalen op de vloer en tegen een wand van die lift heeft gegooid of geduwd, en die [slachtoffer 1] meermalen in die lift heeft verplaatst en in verschillende posities heeft gebracht en

- de hand van die [slachtoffer 1] naar verdachtes penis heeft gebracht en die [slachtoffer 1] heeft gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te pakken en vast te houden en

- de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar heeft geduwd en

- die [slachtoffer 1] meermalen de woorden heeft toegevoegd: "Ik maak je dood." en/of "Ik heb een mes." en/of "Ik steek je dood.", en

- die [slachtoffer 1] meermalen heeft medegedeeld dat ze haar bek moest dichthouden en dat hij haar anders dood zou maken en

- een hand op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gelegd en gehouden, teneinde haar te beletten om hulp te roepen en

- die [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft geschopt en voor die [slachtoffer 1] telkens een bedreigende en gewelddadige situatie heeft doen ontstaan.

2.

hij op 11 juli 2016 te Leeuwarden,

A. opzettelijk en wederrechtelijk

- meerdere van het [slachtoffer 2], gevestigd aan de [straatnaam], deel uitmakende ruiten, toebehorende aan het [slachtoffer 2], en vervolgens

- in dat [slachtoffer 2] meerdere flessen wijn en meerdere drinkglazen en een cd-speler met versterker en meerdere schilderijen en een foto, toebehorende aan het [slachtoffer 2], heeft vernield

en

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het [slachtoffer 2] gevestigd aan of bij de [straatnaam] heeft weggenomen een hoeveelheid papier en een fles wijn, toebehorende aan het [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Verkrachting.

2. A. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

B. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak en inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering en motivering van de op te leggen maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. onder A en B ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden en dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd. De officier van justitie beschouwt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een zo kort mogelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, teneinde een spoedige plaatsing en dwangverpleging in een TBS-kliniek mogelijk te maken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 februari 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 3 augustus 2016 ging verdachte het flatgebouw binnen waar het destijds 88-jarige slachtoffer woonde. Hij belde aan bij de woning van het slachtoffer, trok haar de lift in en verkrachtte haar daar. Verdachte liet zich niet weerhouden door de hoge leeftijd van het slachtoffer of haar (verbale) verzet en heeft zich op gewelddadige wijze aan haar vergrepen. Zelfs toen hij zag dat het slachtoffer een incontinentieluier droeg, ging hij door met zijn daden. Ook nadat de verkrachting plaatsvond, gedroeg verdachte zich nog gewelddadig; terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag, trapte hij haar in het gezicht.

Verdachte heeft door zijn brute en mensonterende handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Blijkens de letselverklaring heeft het slachtoffer diverse verwondingen opgelopen. Doordat de verkrachting plaatsvond in de lift van het flatgebouw waar het slachtoffer woont, wordt zij bovendien telkens weer geconfronteerd met hetgeen verdachte haar heeft aangedaan. Blijkens de door haar dochter ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring heeft het voorval grote impact gehad op het slachtoffer en haar omgeving en is zij nu, ruim anderhalf jaar later, niet alleen fysiek maar ook mentaal nog steeds niet hersteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Voorts heeft verdachte zich op 11 juli 2016 schuldig gemaakt aan de vernieling van de ramen van een buurthuis. Tevens heeft hij in dit buurthuis diverse goederen vernield en gestolen. Dit zijn vervelende feiten die veel schade en ergernis veroorzaken.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld, zowel vóór als na de bewezenverklaarde feiten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht derhalve aan de orde is.

Wat betreft de persoon en de strafbaarheid van verdachte neemt de rechtbank onder meer in ogenschouw de bevindingen en conclusies van het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 28 februari 2018, opgemaakt door M.J. van Haaren, psychiater, P.P. de Kloe, psychiater in opleiding, en L. Vermeulen, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

Verdachte lijdt aan schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van verdovende middelen. Deze stoornissen hebben een negatieve interactie met elkaar. Verdachte gebruikt middelen als coping bij symptomen van zijn schizofrenie en verergert daarmee het beloop van zijn stoornis en symptomen. Als gevolg van de schizofrenie lijdt verdachte aan akoestische hallucinaties, wanen, formele denkstoornissen, affectieve vervlakking en (sociaal) terugtrek gedrag. De genoemde stoornissen zijn chronisch aanwezig en waren aanwezig in de aanloop tot en ten tijde van het onder 1. bewezenverklaarde. De schizofrenie beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte in ernstige mate. Een van de wanen van verdachte is de overtuiging van een complot gericht tegen zijn persoon. Om de mensen die naar zijn mening bij het complot behoorden af te schrikken dan wel terug te pakken en omdat hij ze niet rechtstreeks durfde te confronteren, besloot hij opeens om iets ernstigs te doen. Kort samengevat werd verdachte in zijn gedrag in ieder geval zeer sterk gedreven door een psychotisch motief: wraak nemen op een complot dat niet bestaat. Geadviseerd wordt om het onder 1. bewezenverklaarde in een verminderde mate toe te rekenen. Het handelen van verdachte werd ten minste in zeer sterke mate bepaald door zijn stoornissen.

De rechtbank verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die tot de hare. Alles in ogenschouw nemend acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte op grond van de ziekelijke stoornissen verminderd vrij was ten aanzien van zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het onder 1. bewezenverklaarde, maar de rechtbank acht niet aannemelijk dat deze beperkingen hem zijn keuzevrijheid volledig ontnomen hebben. De rechtbank wijst er in dit verband op dat verdachte blijkens zijn eigen verklaring op verschillende momenten - bijvoorbeeld bij het zien van de incontinentiebroek van het slachtoffer en bij het trappen in het gezicht van het slachtoffer - besefte dat wat hij deed niet goed was. Ook heeft hij er bewust voor gekozen om de onderbroek en incontinentiebroek van het slachtoffer mee te nemen omdat dit als bewijsmateriaal zou kunnen dienen. Een en ander duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte op verschillende momenten inzicht in (de reikwijdte van) zijn handelen had. Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is dan ook geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. bewezen verklaarde feit aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Het risico op herhaling van een gewelddadig delict wordt door de onderzoekers van het PBC ingeschat als hoog, indien verdachte zou terugkeren in een situatie waarin er sprake is van onvoldoende behandelde schizofrenie met toegang tot middelen en te weinig intensief toezicht. Gezien de chronische problematiek, de beperkte conformatie aan voorgaande behandelingen, het langdurige gebrekkige probleem- en ziektebesef (en -inzicht), de hardnekkigheid van de verslavingen en verdachtes zeer beperkte probleemoplossingsvaardigheden, dient bij de behandeling gestreefd te worden naar een in eerste instantie hoge mate van toezicht en beveiliging. Geadviseerd wordt over te gaan tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank neemt de conclusies van het rapport van het PBC over en zal verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen. Blijkens genoemde rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het onder 1. bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Dit feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist de oplegging van deze dwangmaatregel.

In aanmerking genomen dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en de strafbaarheid van verdachte niet (geheel) is uitgesloten, acht de rechtbank naast de TBS met dwangverpleging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden - zoals gevorderd door de officier van justitie - passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen ruimte voor een lagere gevangenisstraf (zoals bepleit door de raadsman), omdat de aard en ernst van het onder 1. bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Benadeelde partij

[medewerker] heeft namens [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend. Gevorderd wordt een bedrag van € 385,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

De rechtbank constateert dat [medewerker] geen uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd teneinde aan te tonen dat zij bevoegd is [slachtoffer 2] te vertegenwoordigen. Omdat [medewerker] in de hoedanigheid van voorzitter van het buurthuis aangifte voor het onder 2. A en B bewezenverklaarde heeft gedaan, neemt de rechtbank aan dat zij bevoegd is de vordering namens het buurthuis in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 2] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. A en B bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2016.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 63, 242, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. onder A en B ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 385,00 (zegge: driehonderdvijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 385,00 (zegge: driehonderdvijfentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. M.J. Dijkstra en mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2018.