Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1229

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
18/820156-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte terzake hennepteelt en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot 80 uren taakstraf. Verdachte heeft in zijn huurwoning gedurende een langere periode hennep geteeld. De politie heeft op de bovenverdieping van deze huurwoning een kwekerij aangetroffen met 196 hennepplanten en 9,5 kilogram reeds geteelde hennep. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/820156-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

verblijvende te [verblijfsplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 te Onstwedde, in de gemeente Stadskanaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 196, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 te Onstwedde, gemeente Stadskanaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen, stroom toebehorende aan Enexis, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die dat weg te nemen stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat de beide feiten door verdachte zijn erkend en bewezen verklaard kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1. en 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor van verdachte d.d.

26 februari 2015, opgenomen op pagina 76 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2015056025 d.d. 21 januari 2016, inhoudende de verklaring van verdachte.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij

d.d. 2 maart 2015, opgenomen op pagina 4 en verder, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2];

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 maart 2015, opgenomen op pagina 53 en verder van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 12 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 te Onstwedde, in de gemeente Stadskanaal, opzettelijk heeft geteeld in een woning aan de [straatnaam], een hoeveelheid van in totaal 196 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 12 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 te Onstwedde, gemeente Stadskanaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen stroom, toebehorende aan Enexis, waarbij verdachte zich die weg te nemen stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf passend is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn huurwoning in Onstwedde gedurende een langere periode hennep geteeld. Op 26 februari 2015 heeft de politie op de bovenverdieping van deze woning een kwekerij aangetroffen met 196 hennepplanten en 9,5 kilogram reeds geteelde hennep.

Door zo te handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in voor de volksgezondheid schadelijke softdrugs en de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Hij heeft zich daarbij enkel laten leiden door zijn wens om op een eenvoudige manier in korte tijd veel geld te verdienen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. Door het illegaal aftappen van elektriciteit wordt niet alleen de energiemaatschappij financieel benadeeld, maar dit leidt ook vaak tot gevaarlijke situaties, zoals kortsluiting en brand.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.

Op grond van de door de rechtbank gehanteerde landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is het uitgangspunt voor het telen van 100 tot 500 planten oplegging van een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Dit oriëntatiepunt gaat uit van het min of meer bedrijfsmatig of in ieder geval met een zekere professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een (woon)huis, loods of andere soortgelijke ruimte met als kennelijk doel de verkoop van de geoogste planten. Hiervan is in dit geval sprake.

De rechtbank stelt vast dat sinds de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte op

26 februari 2015 bijna drie jaren zijn verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met bijna één jaar is overschreden. De rechtbank zal ter compensatie verdachte een lagere straf opleggen.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren passend en zij zal deze straf overnemen. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, hiervan zal worden afgetrokken. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte in de afgelopen drie jaar niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, zal de rechtbank geen voorwaardelijke straf opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2018.

Mrs. Bunk en Beuker en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.